Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:9883

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
13/674031-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Mondelinge uitspraak
Verstek
Inhoudsindicatie

Opzettelijk een minderjarige die zich aan het wettig over haar gestelde gezag had onttrokken, verbergen en aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie en/of politie onttrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/674031-17

Datum uitspraak: 1 november 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 november 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.C. Niks.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

zij in of omstreeks de periode van 22 december 2016 tot en met 17 januari 2017 te Amsterdam en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een minderjarige te weten [persoon] , geboren op [geboortedag 2] 2001, die zich aan het wettig over haar gestelde ontzag en/of aan het opzicht van degene die dit gezag over haar uitoefende had ontrokken, heeft verborgen en/of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie en/of politie heeft onttrokken, door die [persoon] onder haar hoeden te nemen en/of te houden en/of die [persoon]

op een of meer woon- of verblijfsadressen onder te brengen en/of niet tegen de moeder van die [persoon] te zeggen dat [persoon] bij haar verbleef en/of (nadat zij wist dat die [persoon] als vermist was opgegeven) geen contact op te nemen met justitie en/of politie.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De waardering van het bewijs

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

in de periode van 22 december 2016 tot en met 17 januari 2017 te Amsterdam en Rotterdam, opzettelijk een minderjarige te weten [persoon] , geboren op [geboortedag 2] 2001, die zich aan het wettig over haar gestelde gezag had onttrokken, heeft verborgen en aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie en/of politie heeft onttrokken, door die [persoon] onder haar hoede te nemen en te houden en die [persoon] op een of meer woon- of verblijfsadressen onder te brengen en niet tegen de moeder van die [persoon] te zeggen dat [persoon] bij haar verbleef en nadat zij wist dat die [persoon] als vermist was opgegeven geen contact op te nemen met justitie en/of politie.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 De motivering van de straf

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 14 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

8.2

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft haar minderjarige nichtje [persoon] , die van huis was weggelopen, onderdak geboden. Verdachte heeft dit niet aan de moeder van [persoon] gemeld, terwijl verdachte wist dat zowel de moeder van [persoon] als de politie naar het meisje op zoeken waren. Een straf is daarom op zijn plaats.

De rechtbank zal bij de strafmaat rekening houden met de familiesetting waarbinnen dit alles is gebeurd en zal daarom – anders dan de eis van de officier van justitie – een geheel voorwaardelijke taakstraf opleggen van 40 uren. De rechtbank hoopt hiermee verdachte ervan te doordringen dat zij zich niet opnieuw schuldig moet maken aan een dergelijk feit.

9 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 280 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een minderjarige die zich onttrokken heeft aan het wettelijk over hem gesteld gezag, verbergen en aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 40 (veertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen, met bevel dat de tijd die door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. C.M. Berkhout en J.I.M. Kuin, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Bouwhuis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 november 2018.