Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:9805

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
AMS 18/5105 en 18/5128
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

De minister van Rechtsbescherming heeft in redelijkheid geweigerd om een VOG te verstrekken aan verzoekster. De regels bieden daar namelijk nog geen ruimte voor. Ook is er geen aanleiding om voor verzoekster een uitzondering te maken. Verzoekster bevindt zich nog in haar proeftijd, die op 9 februari 2019 afloopt. Ook wordt zij nog gemonitord door de reclassering. Er zijn bijzondere voorwaarden van toepassing, het feit is dus nog vrij recent begaan. Omdat verzoekster volgens het JDS ook een behoorlijke voorgeschiedenis heeft, is twee jaar te kort om duidelijk te laten zijn dat verzoekster definitief met het verleden breekt. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van verzoekster bij afgifte van een VOG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 18/5128 en 18/5105

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 augustus 2018 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te Amsterdam, verzoekster (gemachtigde: mr. K. Cras),

en

de minister voor Rechtsbescherming, verweerder (gemachtigde: mr. P. Trijsburg).

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2018 (het primaire besluit] heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) afgewezen.

Bij besluit van 20 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Ovenvegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

Besluit

2.1.

Op 7 maart 2018 heeft verzoekster gevraagd om afgifte van een VOG voor de [functie] bij [bedrijf] Verweerder heeft die aanvraag afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hierbij overwogen dat in het Justitiële Documentatie Systeem (JDS) over verzoekster de volgende gegevens zijn aangetroffen:

- een veroordeling op 29 november 2016 tot een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden wegens drugssmokkel. De proeftijd is nog van kracht tot 9 februari 2019. Deze uitspraak is op 14 december 2016 onherroepelijk geworden.

2.2.

Omdat verzoekster binnen de terugkijktermijn voorkomt in het JDS, heeft verweerder ook de gegevens zonder tijdsbeperking ontvangen. Hieruit blijkt dat verzoekster in 1994, 1995, 1997, 1999, 2004, 2009 en 2011 metjustitie in aanraking is gekomen vanwege diefstal met geweldpleging in vereniging en meerdere drugs- en vermogensdelicten. Verzoekster is hiervoor veroordeeld tot onbetaalde arbeid ten algemene nutte, geldboetes, werkstraffen en (on)voorwaardelijke gevangenisstraffen. Ook blijkt uit deze gegevens dat verzoekster in 2009 met justitie in aanraking is gekomen vanwege bezit valse of vervalste reispas. Met verzoekster is hiervoor een transactie overeengekomen.

Standpunt verzoekster

3. Verzoekster heeft het standpunt van verweerder dat is voldaan aan het objectieve criterium niet betwist. Wel stelt zij dat verweerder de VOG ten onrechte niet heeft toegekend onder het subjectieve criterium. Binnen de terugkijktermijn heeft verzoekster immers maar één delict gepleegd. Verzoekster heeft dit drugsdelict begaan uit financiële nood na haar scheiding. Door de reclassering wordt de recidivekans laag ingeschat. Daarbij is de kans op recidive in deze functie klein. Ten slotte heeft verzoekster gewezen op haar persoonlijke belangen. Zij beschikt niet over andere startkwalificaties en heeft als alleenstaande moeder de zorg over twee kinderen. Zonder de gevraagde VOG kan zijn niet meer werken voor haar opdrachtgevers. Ook kan zij niet starten met haar deeltijdopleiding MBO niveau 4.

Beoordeling voorzieningenrechter

4.1.

Zoals ook ter zitting is besproken, zijn er namens de samenleving regels opgesteld om te beoordelen of iemand een nieuwe kans geboden kan worden. Verzoekster wil het verleden achter zich laten, maar de regels geven daar nog geen ruimte voor. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om te oordelen dat er voor verzoekster een uitzondering gemaakt moet worden. Verweerder heeft de belangen van verzoekster namelijk voldoende bekeken en gewogen. Verzoekster bevindt zich nog in haar proeftijd, die op 9 februari 2019 afloopt. Ook wordt zij nog gemonitord door de reclassering. Er zijn bijzç:mdere voorwaarden van toepassing, het feit is dus nog vrij recent begaan. Het is een feit dat verzoekster het delict recent begaan is. Omdat verzoekster volgens het JDS ook een behoorlijke voorgeschiedenis heeft, is twee jaar te kort om duidelijk te laten zijn dat verzoekster definitief met het verleden breekt. Verzoekster heeft teveel fout gedaan om te oordelen dat zij het verdient om eerder een VOG te krijgen. Daarom moet zij vanaf 2016 ten minste vier jaren laten zien dat zij niet meer met politie en justitie in aanraking komt, ook als het verzoekster persoonlijk tegenzit. Indien zij dat volhoudt, kunt zij alsnog een VOG aanvragen en aan het werk als [functie]

4.2.

Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van verzoekster bij afgifte van een VOG en dat het subjectieve criterium dus geen aanleiding geeft om tot afgifte van een VOG over te gaan. De door verzoekster genoemde persoonlijke omstandigheden zijn, hoe moeilijk ook, geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de VOG alsnog verstrekt zou moeten worden.

4.3.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de VOG moest worden geweigerd.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De voorzieningenrechter ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bode, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.E. Giesen, griffier, op 28 augustus 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.