Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:9801

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
AMS 18/2183
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres ontving van 17 september 2012 tot en met 8 juni 2014 een Ziektewetuitkering (ZW) van verweerder. In de periode van 1 juli 2013 tot en met 31 juli 2013 heeft eiseres gewerkt en inkomen ontvangen, zonder dit te vermelden aan verweerder. Verweerder heeft daarom de uitkering van eiseres herzien en € 999,58 van eiseres teruggevorderd wegens onterecht ontvangen uitkering.

In beroep voert eiseres aan dat ze zich er niet van bewust was dat ze de inlichtingenplicht schond. Ze bevond zich namelijk in een emotioneel ontwrichtende situatie en verzoekt dan ook om van terugvordering af te zien.

De rechtbank overweegt dat vaststaat dat eiseres in de betreffende periode te veel uitkering heeft ontvangen. Verweerder is op grond van artikel 33, eerste lid, van de ZW verplicht om ziekengeld dat onverschuldigd betaald is, terug te vorderen. Het is daarvoor niet relevant of eiseres zich ervan bewust was dat zij de inlichtingenplicht schond.

Op grond van artikel 33, zesde lid, van de ZW kán verweerder van terugvordering afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Dringende redenen kunnen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen van de intrekking en de terugvordering voor een verzekerde, gelet op diens persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken die zijn overgelegd door eiseres niet kan worden afgeleid dat zich ten tijde van de herziening en terugvordering, dringende redenen voordeden. Verweerder heeft niet van terugvordering hoeven afzien. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/2183

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2018 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. S.L. Soedamah),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: J.A. Klaver)

Procesverloop

In het besluit van 12 juli 2017 heeft verweerder eiseres een boete opgelegd (boetebesluit). In het besluit van 12 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van eiseres herzien en besloten dat zij in de periode van 1 juli 2013 tot en met 4 augustus 2013 € 999,58 ZW-uitkering heeft ontvangen waar zij geen recht op had.

In het besluit van 9 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het boetebesluit gegrond verklaard en het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit, voor zover het de ongegrondverklaring betreft, beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2018.

Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

Verzoek vrijstelling griffierecht

1. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht voor de behandeling van haar beroep wegens betalingsonmacht. Dit verzoek is met de brief van 3 mei 2018 vooralsnog afgewezen. De rechtbank volgt deze afwijzing. Uit de door eiseres overgelegde inkomensverklaring blijkt namelijk dat zij niet voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht. Dit betekent dat het door eiseres betaalde griffierecht niet wordt teruggestort.

Waar gaat het om in deze zaak?

2. Eiseres ontving van 17 september 2012 tot en met 8 juni 2014 een ZW-uitkering van verweerder. In de periode van 1 juli 2013 tot en met 31 juli 2013 heeft eiseres gewerkt en inkomsten verworven. Eiseres heeft nagelaten deze inkomsten aan verweerder te melden. In het primaire besluit heeft verweerder daarom de ZW-uitkering van eiseres herzien en € 999,58 van eiseres teruggevorderd wegens onterecht ontvangen uitkering.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

4. In beroep voert eiseres aan dat zij zich er niet van bewust was dat zij de inlichtingenplicht schond. Zij bevond zich namelijk medisch psychisch gezien in een emotioneel ontwrichtende situatie. Eiseres heeft haar psychische klachten in bezwaar met medische stukken onderbouwd. Zij verzoekt dan ook om van terugvordering af te zien.

Wat oordeelt de rechtbank?

5.1.

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiseres in de periode van 1 juli 2013 tot en met 31 juli 2013 gewerkt heeft en de genoten inkomsten niet aan verweerder heeft gemeld. Hierdoor staat vast dat eiseres in die periode te veel ZW-uitkering heeft ontvangen. Verweerder is op grond van artikel 33, eerste lid, van de ZW verplicht om ziekengeld dat onverschuldigd betaald is terug te vorderen. Het is daarvoor niet relevant of eiseres zich ervan bewust was dat zij de inlichtingenplicht schond.

5.2.

Op grond van artikel 33, zesde lid, van de ZW kan verweerder van terugvordering afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Uit vaste rechtspraak blijkt dat dringende redenen slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen van de intrekking en de terugvordering voor een verzekerde, gelet op diens persoonlijke omstandigheden.1

5.3.

Eiseres heeft in bezwaar een brief van speciaal psychiatrisch verpleegkundige J.J. Sanchez aan huisarts J. Reij van 28 juni 2013, een uitdraai medisch journaal van [bedrijf 1] van juli en september 2013 en een brief van [bedrijf 2] van 25 maart 2016 overgelegd. De rechtbank vindt dat op basis van deze stukken niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een dringende reden. Het primaire besluit dateert van 12 juli 2017 en het bestreden besluit van 9 februari 2018. Uit de stukken overgelegd door eiseres kan niet afgeleid worden dat zich ten tijde van de door verweerder genomen besluiten dringende redenen voordeden. Eiseres heeft nagelaten recente stukken te overleggen. Verweerder heeft niet van terugvordering hoeven afzien.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Roubiës, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1818.