Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:968

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
13/674420-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/674420-14 (Promis)

Datum uitspraak: 21 februari 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het [GBA adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J.M. Vreekamp en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. R. Funke Küpper naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

1. Verkrachting van [slachtoffer] , bij wie misbruik is gemaakt van een kwetsbare positie op 5 maart 2014 in Amsterdam.
Als dat niet bewezen kan worden:

Het plegen van ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] , die toen nog geen zestien jaar was op 5 maart 2014 in Amsterdam;

2. Het plegen van ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] , die toen nog geen zestien jaar was in de periode van 1 mei 2013 tot en met 4 maart 2014 in Amsterdam en/of Haarlemmerliede en/of Spaarnwoude.

De tekst van de hele tenlastelegging is opgenomen in bijlage II die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.


Ten aanzien van de verkrachting op 5 maart 2014 (onder 1 primair ten laste gelegd)

Het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer kan worden bewezen door de verklaringen van het slachtoffer en die van getuige [getuige] . De vraag die voorligt is of daarbij sprake is geweest van vrijwilligheid, of van (dreiging met) geweld of een andere feitelijkheid.

Uit de verklaringen van het slachtoffer en [getuige] volgt dat [getuige] dreigde naaktfoto’s van het slachtoffer te verspreiden op internet en bij haar familie in de brievenbus te stoppen. De dreiging was zodanig dat het slachtoffer zich daartegen niet kon verzetten en zich er niet aan kon onttrekken. [getuige] heeft verklaard dat verdachte hem op het idee heeft gebracht om het slachtoffer op deze wijze te bedreigen.

Indien de rechtbank niet meegaat in de vaststelling dat verdachte zich bewust was van de dreiging die uitging naar het slachtoffer, is van belang dat op geen enkel moment is gebleken dat het slachtoffer seks wilde met verdachte. Ook is niet gebleken dat verdachte op enig moment heeft gecontroleerd of zij dat wilde. Mocht de verdediging zich op het standpunt stellen dat het slachtoffer zich niet (telkens) heeft verzet tegen verdachte, dan wil dat nog niet zeggen dat zij daarmee impliciet toestemming heeft gegeven voor de seks. Van dwang kan ook sprake zijn wanneer iemand iets toelaat wat hij zonder dwang niet zou hebben gedaan.

Daarnaast kan het in een kleine (onbekende) ruimte verblijven – al dan niet met meerdere (deels onbekende) mannen – ook een bedreigende situatie opleveren. Het slachtoffer kon zich beperkt voelen in haar bewegingsvrijheid doordat zij in de minderheid was, door haar fysiek minder sterke verschijning en het moeten slikken van een roze pil.

Ten aanzien van de ontuchtige handelingen in de periode van 1 mei 2013 t/m 4 maart 2014 (onder 1 subsidiair ten laste gelegd)

Mocht de rechtbank niet overtuigd zijn dat er sprake was van geweld of dreiging met geweld, zoals onder 1 primair ten laste gelegd, dan moet een bewezenverklaring volgen voor dit feit.

Ten aanzien van de ontuchtige handelingen in de periode van 1 mei 2013 t/m 4 maart 2014 (onder 2 ten laste gelegd

Verdachte moet gedeeltelijk worden vrijgesproken van dit feit, namelijk: het plegen van ontuchtige handelingen met het slachtoffer in Spaarnwoude.

Het plegen van ontuchtige handelingen met het slachtoffer bij een homo-ontmoetingsplek [locatie] in Amsterdam kan wel worden bewezen gelet op de verklaring van getuige [getuige] en de afgeluisterde telefoongesprekken van verdachte.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van alle feiten dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van de verkrachting op 5 maart 2014 (onder 1 primair ten laste gelegd)

Er is onvoldoende bewijs dat verdachte aangeefster heeft verkracht. De verklaring van aangeefster over (dwang)handelingen gepleegd door verdachte vindt geen steun in andere bewijsmiddelen.

Bovendien zijn de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar, omdat deze inconsistent en leugenachtig zijn en aangeefster daarnaast is beïnvloed door [getuige] .

Ook de verklaringen van [getuige] zijn onbetrouwbaar, omdat hij volgens deskundigen last heeft van wanen, hij warrig heeft verklaard en hij er belang bij heeft om belastend te verklaren over verdachte om op die manier zijn eigen rol kleiner te maken.

De verklaringen van aangeefster en getuige [getuige] mogen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt.

Ten aanzien van de ontuchtige handelingen op 5 maart 2014 (onder 1 subsidiair ten laste gelegd)

Ook ten aanzien van dit feit is van belang dat de verklaringen van aangeefster en getuige [getuige] onbetrouwbaar zijn. De verklaringen mogen niet tot de conclusie leiden dat er seksueel contact heeft plaatsgevonden tussen aangeefster en verdachte. Het seksuele contact vindt geen enkele steun in enig ander (forensisch) bewijsmiddel. Mocht de rechtbank tot de conclusie komen dat één van de verklaringen wel voldoende betrouwbaar is dan kan dat alsnog niet tot een bewezenverklaring leiden omdat er in dat geval maar één bewijsmiddel is en dat is niet voldoende.

Ten aanzien van de ontuchtige handelingen in de periode van 1 mei 2013 t/m 4 maart 2014 (onder 2 ten laste gelegd)

Er is slechts één bewijsmiddel voor dit feit en dat is de belastende verklaring van getuige [getuige] . Aangeefster heeft zelf meermalen verklaard dat zij slechts één keer seks heeft gehad met verdachte en dat was bij verdachte thuis. Ook voor dit feit bestaat dus maar één bewijsmiddel en dat is niet voldoende.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak van verkrachting op 5 maart 2014 (onder 1 primair ten laste gelegd) en veroordeling voor het plegen van ontuchtige handelingen op 5 maart 2014 (onder 1 subsidiair ten laste gelegd)

De rechtbank acht verkrachting van [slachtoffer] niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage I zijn weergegeven, kan wel worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met het [slachtoffer] , waaronder het seksueel binnendringen van haar lichaam. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Betrouwbaarheid verklaringen

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] onbetrouwbaar zijn en daarom niet mogen worden gebruikt voor het bewijs. De verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] komen namelijk op belangrijke punten met elkaar overeen. Zij hebben beiden verklaard dat zij op 5 maart 2014 samen naar het huis van verdachte zijn gegaan en dat er naast verdachte ook nog een vrouw in het huis aanwezig was. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij samen met verdachte en [getuige] een slaapkamer is binnengegaan waar twee bedden stonden. Ook [getuige] heeft verklaard over een slaapkamer waarin twee bedden stonden. In het dossier zijn foto’s opgenomen van de slaapkamer van verdachte. Op die foto’s zijn een eenpersoonsbed en een tweepersoonsbed te zien. [slachtoffer] en [getuige] hebben verklaard dat zij seks heeft gehad met verdachte en [getuige] heeft er nog een tijdje naar gekeken. Verder hebben zowel [slachtoffer] als [getuige] verklaard dat [getuige] op een bepaald moment de slaapkamer heeft verlaten en [slachtoffer] met verdachte alleen heeft gelaten.

De verklaring van getuige [getuige] wint aan betrouwbaarheid omdat hij niet alleen belastend heeft verklaard over verdachte, maar ook over zichzelf. Hij heeft openheid van zaken gegeven over zijn eigen strafbare handelen en is hiervoor inmiddels zelf veroordeeld.

De verklaring van [slachtoffer] wint aan betrouwbaarheid doordat haar verklaring over de gebeurtenissen nadat zij in de woning van verdachte is geweest, wordt bevestigd door een onafhankelijk bewijsmiddel. [slachtoffer] heeft namelijk verklaard dat zij, toen het al donker was, in een auto naar huis werd gebracht door een man die zij niet kende samen met verdachte en [getuige] – en dat zij door de politie zijn gecontroleerd. [slachtoffer] heeft gedetailleerd verklaard over waar iedere persoon in de auto heeft gezeten. De details die [slachtoffer] heeft gegeven komen volledig overeen met wat de verbalisant heeft opgeschreven in zijn proces-verbaal van bevindingen. Namelijk dat hij in de avond rond 21:15 uur de inzittenden van een auto heeft gecontroleerd. De bijrijder in de auto bleek te zijn genaamd [verdachte] , de man rechts achterin het voertuig was [getuige] naast hem zat een meisje dat later bleek te zijn genaamd [slachtoffer] en er zat nog een vierde persoon in de auto , de bestuurder genaamd [naam 1] (de man waarvan [slachtoffer] de naam niet kende).

Seksueel binnendringen

Met de officier van justitie – en anders dan de raadsvrouw – is de rechtbank van oordeel dat is bewezen dat verdachte seksueel is binnengedrongen bij [slachtoffer] . Zij heeft gedetailleerd verklaard hoe verdachte [(...)] naast haar op één van de bedden in de slaapkamer is gaan zitten en aan haar borsten heeft gezeten, waarna hij zijn broek heeft uitgedaan en [slachtoffer] heeft gepenetreerd. De verklaring van [slachtoffer] vindt steun in de verklaring van getuige [getuige] . Hij heeft verklaard dat hij heeft toegekeken terwijl verdachte en [slachtoffer] seks met elkaar hadden.

Dwang

Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank na de vaststelling dat verdachte seksueel is binnengedrongen bij [slachtoffer] niet tot de vaststelling dat dat ook met dwang is gebeurd. Uit het dossier volgt niet dat verdachte op de hoogte was van het gegeven dat [getuige] op 5 maart 2014 tegenover [slachtoffer] had gedreigd tegen haar zus te vertellen dat zij was ontmaagd. Ook is niet gebleken dat verdachte op de hoogte was van het gegeven dat [slachtoffer] een pil heeft moeten slikken van [getuige] . Als het al zo is dat zij onvrijwillig met [getuige] is meegegaan naar de woning van verdachte en naar een slaapkamer in zijn huis, is niet vast te stellen dat verdachte dat wist.
heeft verklaard dat verdachte hem op het idee heeft gebracht om [slachtoffer] te zeggen dat hij naaktfoto’s van haar had. Verdachte ontkent dat en de rechtbank acht de verklaring van [getuige] op dit punt niet zonder meer betrouwbaar en kan uit die verklaring bovendien niet afleiden dat verdachte wist dat zijn idee ook uitgevoerd was en dat [slachtoffer] handelde onder invloed van die bedreiging.
Dat betekent dat alleen uit de verklaring van [slachtoffer] volgt dat zij onder dwang van verdachte de ontuchtige handelingen van verdachte heeft moeten ondergaan. De verklaring van [slachtoffer] vindt geen steun in andere bewijsmiddelen.

3.3.2.

Veroordeling voor het plegen van ontuchtige handelingen in de periode van 1 mei 2013 t/m 4 maart 2014 (onder 2 ten laste gelegd)

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage I zijn weergegeven, kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit. De rechtbank overweegt verder het volgende.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar standpunt dat er slechts één bewijsmiddel zou zijn ten aanzien van dit feit. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij enkele maanden voorafgaand aan zijn verhoor (van 3 september 2014) samen met verdachte, twee andere jongens en [slachtoffer] naar Spaarnwoude is geweest. Daarvoor heeft hij [slachtoffer] een keer opgehaald met [verdachte] in de nacht om 2.00 uur en toen zijn zij naar een rustige plek is gegaan, namelijk een homo-ontmoetingsplek in Amsterdam. Eén van de twee andere jongens zou [naam 2] (fonetisch) hebben geheten. [getuige] heeft verklaard dat alle vier de jongens, onder wie verdachte, seks hebben gehad met het [slachtoffer] .

De verklaring van [getuige] vindt steun in een proces-verbaal van bevindingen van 16 september 2014 opgemaakt naar aanleiding van de spoedtap van het telefoonnummer [nummer] , waarvan verdachte heeft verklaard dat dit zijn telefoonnummer is. Een persoon waarvan het aannemelijk is dat het verdachte is, heeft tijdens telefoongesprekken op 3 en 4 september 2014, een aantal uren na zijn vrijlating onder andere het volgende gezegd: “We moeten afspreken, jij, [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Omdat zij… dittes.. dat we haar verkracht hebben. Laten we ontmoeten want we zijn allemaal de lul. Ze weten alles, waar we naartoe gegaan zijn en wat we hebben gedaan. Ik heb wel iets gedaan en daarom hebben ze een DNA test van mij afgenomen. Ik heb een probleem. Het gaat om de kleine ze heeft e.e.a. doorgegeven en nu worden we in de gaten gehouden. Ik moest aan de politie vertellen wat zich precies heeft afgespeeld. Een groot probleem en nu zijn we bang. Je moet zeggen dat je niets weet en dat [naam 2] haar naar jou toe heeft gebracht. Ik ben door de politie opgepakt. Ik dacht dat de prostituee aangifte voor verkrachting had gedaan en dat ik de lul was. Maar het ging om een Turkse die wij 1 jaar geleden hadden geneukt.”

Verdachte heeft met deze gesprekken een link gelegd tussen zijn verhoor bij de politie en het gegeven dat hij en drie andere jongens samen zouden moeten afspreken omdat ze allemaal “de lul zijn”. Eén van die jongens betreft een persoon met de naam [naam 2] , die twee keer wordt genoemd in de tapgsprekken. Naar het oordeel van de rechtbank lijkt deze naam voldoende op de naam die door [getuige] is genoemd, namelijk: [naam 2] , en waarover hij heeft verklaard dat het een jongen is waarmee [slachtoffer] ook seks heeft gehad. De rechtbank ziet zich hierdoor gesterkt in haar oordeel dat verdachte het in zijn telefoongesprek heeft over hetzelfde incident als waar [getuige] over heeft verklaard, namelijk: de seks met [slachtoffer] op de homo-ontmoetingsplek. Tot slot vindt de verklaring van getuige [getuige] dat er ook daadwerkelijk seks heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] ondersteuning in het gegeven dat verdachte het in zijn telefoongesprek zelf heeft over een incident van een jaar geleden waarbij zij (meervoud) “een Turkse hebben geneukt.”

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee komen vast te staan dat [getuige] en verdachte het hebben over hetzelfde incident. Het gegeven dat door hen verschillend wordt gesproken over het moment waarop het incident heeft plaatsgevonden, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. [getuige] spreekt tijdens zijn verhoor van 3 september 2014 over een aantal maanden geleden en verdachte heeft het tijdens een telefoongesprek op 16 september 2014 over een jaar geleden. Tijdens het verhoor van [getuige] heeft de nadruk gelegen op wat er in het verleden is gebeurd. Er is niet doorgevraagd over wanneer het precies is gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank lenen beide tijdsaanduidingen zich ervoor om ze te plaatsen binnen de ten laste gelegde periode van 1 mei 2013 t/m 4 maart 2014.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen in bijlage I en de bewijsoverwegingen in rubriek 4.3.1. en 4.3.2. bewezen:

Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, namelijk dat verdachte:

hij op 05 maart 2014 te Amsterdam met [slachtoffer] , geboren op 2 januari 2000, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam immers heeft hij, verdachte, de borsten van die [slachtoffer] betast en over de borsten van die [slachtoffer] gewreven en zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd.

Het onder 2 ten laste gelegde, namelijk dat verdachte:

in de periode van 1 mei 2013 tot en met 4 maart 2014 te Amsterdam met [slachtoffer] , geboren op 2 januari 2000, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt een ontuchtige handeling heeft gepleegd die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] immers heeft hij, verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf en maatregel

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De officier van justitie heeft daarbij de gevangenneming van verdachte gevorderd, met als gronden vlucht- en recidivegevaar.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank tot een strafoplegging komt, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat in strafmatigende zin rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn waarin deze zaak voor de rechter is gebracht. Verdachte is op 2 september 2014 aangehouden en op 26 oktober 2017 voor het eerst op zitting aangebracht.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens tweemaal misbruik gemaakt van een zeer jong en kwetsbaar meisje. Tijdens één gelegenheid heeft hij [slachtoffer] in een slaapkamer in zijn woning aan haar borsten betast en haar vervolgens gepenetreerd. Tijdens de andere gelegenheid heeft hij [slachtoffer] samen met drie andere jongens meegenomen naar een rustige plek in Amsterdam waarna alle vier de jongens, onder wie verdachte, seksueel bij [slachtoffer] zijn binnengedrongen. De rechtbank vindt deze feiten zeer ernstig. Deze gebeurtenissen zijn zeer traumatisch geweest voor [slachtoffer] . Uit haar schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat zij tot op de dag van vandaag nog steeds het gevoel heeft dat zij is afgedankt en dat zij niets waard is. Zij slaapt niet goed en ervaart nog steeds veel angst.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 12 januari 2018, waaruit blijkt dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld voor zedendelicten, maar wel voor andere strafbare feiten.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport dat is opgemaakt over verdachte op 30 oktober 2015. Hieruit blijkt dat de reclassering een toezicht op verdachte niet zinvol vindt en er wordt geadviseerd om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen als hij schuldig wordt bevonden.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft acht geslagen op het gegeven dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Dit wetsartikel houdt in dat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte op een datum na de ten laste gelegde feiten is veroordeeld voor een ander strafbaar feit. De rechtbank moet beoordelen wat verdachte voor straf zou hebben gekregen als de feiten in deze zaak tegelijk met de andere zaak zouden zijn behandeld.

Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd zal de rechtbank niet in strafverminderende zin rekening houden met het tijdsverloop in deze zaak. De overschrijding is immers beperkt.

Vanwege de ernst van het feit, de hiervoor genoemde omstandigheden in deze zaak en rekening houdend met de straf die in vergelijkbare zaken is opgelegd, vindt de rechtbank een forse gevangenisstraf de enige gepaste reactie op het handelen van verdachte. De rechtbank ziet aanleiding tot het opleggen van een langere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht het daarbij van belang dat een deel van die gevangenisstraf voorwaardelijk wordt opgelegd, zodat verdachte na zijn detentie gedurende twee jaar een stok achter de deur heeft ter voorkoming van soortgelijke feiten.

De rechtbank zal een gevangenisstraf van 36 maanden opleggen, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding om de vordering tot het bevel gevangenneming van de officier van justitie toe te wijzen. De rechtbank volgt de officier van justitie in haar standpunt dat er gronden zijn waarop het bevel zou kunnen worden toegewezen, maar de rechtbank laat het belang van verdachte – mede gelet op de ouderdom van de feiten – bij het in vrijheid afwachten van een eventuele procedure in hoger beroep zwaarder wegen.

8
8. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend ter hoogte van € 2.619,72. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 119,72 betreffende materiële schadevergoeding en een bedrag van € 2.500,- betreffende immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij vrijspraak heeft bepleit.

Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan heeft de raadsvrouw verzocht om het gevorderde bedrag betreffende immateriële schade te matigen, omdat de schade van aangeefster is ontstaan door een samenstel van gebeurtenissen met onder andere een medeverdachte en andere jongens. Aan verdachte kunnen de gevolgen van hoogstens twee incidenten worden toegerekend.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd ten aanzien van de vordering tot materiële schadevergoeding.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat aan het slachtoffer door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is onderbouwd en niet betwist. De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding in zijn geheel toewijzen. Dit is een bedrag van € 119,72 (honderdnegentien euro en tweeënzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat aan aangeefster door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft het slachtoffer recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gemaakt op haar lichamelijke integriteit.

De hoogte van het gevorderde bedrag van € 2.500,- is op de terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden (waaronder het feit dat zij psychische schade heeft ondervonden en tot op heden nog ondervindt, dat zij noodgedwongen met haar opleiding moest stoppen, de omstandigheid dat haar leven op alle terreinen is ontwricht) en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 2.500,- (vijfentwintighonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal voor het totaal toegewezen bedrag van € 2.619,72 de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 245 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Wijst de vordering benadeelde partij van [slachtoffer] in zijn geheel toe, te weten: een bedrag van € 2.619,72 (tweeduizendzeshonderdnegentien euro en tweeënzeventig cent). Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 119,72 (honderdnegentieneuro en tweeënzeventig cent) betreffende materiële schadevergoeding en een bedrag van € 2.500,- (vijfentwintighonderd euro) betreffende immateriële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 mei 2013) tot aan de dag van de algehele voldoening aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de staat te betalen een bedrag van 2.619,72 (tweeduizendzeshonderdnegentien euro en tweeënzeventig cent). Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 119,72 (honderdnegentieneuro en tweeënzeventig cent) betreffende materiële schadevergoeding en een bedrag van € 2.500,- (vijfentwintighonderd euro) betreffende immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 mei 2013) aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 36 (zesendertig) dagen vervangende hechtenis. De toepassing van die vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:


mr. C.M. Degenaar, voorzitter,
mrs. R.H.C. Jongeneel en M.M. Helmers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.I. Robijns, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 februari 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.