Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:967

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
22-02-2018
Zaaknummer
13/669047-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging tot moord en/of doodslag. Veroordeling voor opzetheling en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669047-17 (Promis)

Datum uitspraak: 21 februari 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992 ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 februari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sondermeijer en van wat de raadsman van verdachte mr. J. van Weers naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

  1. Poging tot moord of doodslag op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] door met een vuurwapen in hun richting te schieten op 3 mei 2017 in Amsterdam;

  2. Het voorhanden hebben van een pistool en/of munitie op 9 mei 2017 in Amsterdam;

3. Heling van een motorfiets en/of een snorscooter in de periode van 16 september 2016 tot en met 9 mei 2017 in Amsterdam.

De tekst van de hele tenlastelegging is opgenomen in bijlage II die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd (zo begrijpt de rechtbank) dat tijdens het voorbereidend onderzoek fouten zijn gemaakt zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vervolging. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

Het Openbaar Ministerie is tijdens het onderzoek in deze zaak zeer lichtzinnig omgegaan met de opsporingsbevoegdheden. De aangevers van het schietincident en een vriend van één van hen hadden niet mogen worden aangehouden toen zij aangifte kwamen doen. Daarnaast had de telefoon van de moeder van één van de aangevers niet mogen worden getapt. Er bestond namelijk geen enkele verdenking tegen deze personen. Door roddel en achterklap, vernomen via de telefoontaps, is een verdenking ontstaan richting verdachte. Hij had niet mogen worden aangemerkt als verdachte dus had hij niet mogen worden aangehouden en had zijn woning niet doorzocht mogen worden. Het was een fishing expedition.

3.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Na het schietincident zijn de aangevers en nog een andere persoon aangehouden omdat op dat moment nog niet duidelijk was wat er precies was gebeurd. Verdachte is daardoor niet geschaad in zijn belangen. De telefoontaps waren rechtmatig omdat daar een machtiging voor is gegeven. Naar aanleiding van de telefoontaps is een redelijk vermoeden ontstaan dat verdachte betrokken was bij het schietincident.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot het oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging. Daarvoor is het volgende van belang.

Bij de beoordeling van mogelijke fouten die zouden zijn gemaakt in het vooronderzoek moet de rechtbank rekening houden met de volgende factoren: het belang dat de geschonden regel dient, de ernst van de fout en het nadeel voor de verdachte dat door de fout is veroorzaakt. Uit vaste rechtspraak volgt dat wanneer de verdediging een beroep doet op gemaakte fouten in het voorbereidend onderzoek mag worden verlangd dat de verdediging aan de hand van de voornoemde factoren duidelijk en gemotiveerd aangeeft welk rechtsgevolg daaruit moet volgen.

Alleen wanneer de verdediging in een verweer alle stappen van artikel 359a Sv heeft doorlopen, moet door de rechtbank een gemotiveerde beslissing worden gegeven op dat verweer. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het verweer van de raadsman niet aan die eisen. De raadsman heeft weliswaar benoemd dat er fouten zijn gemaakt en wat de ernst daarvan is, maar hij heeft niet toegelicht welk nadeel voor de verdachte zou zijn veroorzaakt door de gemaakte fouten. Het belang van verdachte dat hij in het vizier van de politie komt als verdachte kan niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang. Dat levert dus geen nadeel op als bedoeld in artikel 359a, lid 2 Sv. De rechtbank zal daarom niet bespreken wat de raadsman heeft aangevoerd over de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Los van wat de raadsman heeft aangevoerd, ziet de rechtbank zelf ook geen redenen voor de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van de poging tot moord of doodslag (onder 1 ten laste gelegd)

Verdachte moet gedeeltelijk worden vrijgesproken van dit feit, namelijk: voor de poging tot moord. De poging tot doodslag kan wel wettig en overtuigend worden bewezen.

De broer en de moeder van aangever [slachtoffer 1] hebben gezegd dat ‘ [bijnaam] ’ de schutter is. Het zou gaan om [naam 1] , de zoon van [naam 2] . Verdachte heeft de bijnaam ‘ [bijnaam] ’ en zijn moeder heet [naam 2] . Er kan dus worden vastgesteld dat de persoon met de bijnaam ‘ [bijnaam] ’ (die is genoemd als schutter) dezelfde persoon is als verdachte.

Er zou sprake zijn geweest van een ruzie tussen aangever [slachtoffer 2] en ‘ [bijnaam] ’, waarbij ‘ [bijnaam] ’ is geslagen door [slachtoffer 2] . Dit is door [slachtoffer 2] bevestigd bij de rechter-commissaris. Volgens [naam 3] , de vriendin van [slachtoffer 2] , is [slachtoffer 2] beschoten door ‘ [bijnaam] ’, met wie hij ruzie had.

Uit technisch onderzoek blijkt dat verdachte op het [locatie 2] en later ook op de plaats van het misdrijf aanwezig was.

Met het gericht schieten op een persoon die zich weerloos in een auto bevindt, heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat een kogel een vitaal deel in het lichaam van die persoon had kunnen raken.

Ten aanzien van het voorhanden hebben van een pistool en/of munitie (onder 2 ten laste gelegd)

Dit feit kan worden bewezen gelet op het wapenrapport en het proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt naar aanleiding van de doorzoeking van de woning van verdachte. In de woning van verdachte is een geladen vuurwapen aangetroffen.

Ten aanzien van de heling van een motorfiets en/of snorscooter (onder 3 ten laste gelegd)

Dit kan worden bewezen omdat bij verdachte twee gestolen voertuigen zijn aangetroffen. Gelet op de aangifte van aangever [naam aangever] en het proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt naar aanleiding van de doorzoeking van de woning van verdachte, moet verdachte worden veroordeeld voor opzetheling.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank de raadsman niet zou volgen in zijn standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, heeft raadsman bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle feiten. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van de poging tot moord of doodslag (onder 1 ten laste gelegd)

Op 3 mei 2017 heeft een schietincident plaatsgevonden in de [straatnaam] in Amsterdam. Aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben daarvan aangifte gedaan. Beide aangevers hebben verklaard dat zij niet hebben gezien wie er heeft geschoten. De link tussen verdachte en het schietincident is ontstaan omdat aangever [slachtoffer 2] eerder op de avond een klap zou hebben gegeven aan een persoon genaamd ‘ [bijnaam] ’. Het gegeven dat de persoon die is geslagen (‘ [bijnaam] ’) ook de schutter zou zijn, blijkt alleen uit roddel en achterklap. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat verdachte de ‘ [bijnaam] ’ is waar iedereen het over heeft. In het dossier wordt namelijk gesproken over meerdere ‘ [bijnaam] ’s.

Volgens paalgegevens zou verdachte in de buurt zijn geweest van de plaats van het misdrijf ten tijde van het schietincident. Dat kan echter niet met zekerheid worden vastgesteld omdat paalgegevens verspringen en er speciale driehoeksmetingen moeten worden gedaan om de exacte locatie van een telefoon te kunnen vaststellen. Gelet op het voorgaande, bevat het dossier geen enkel bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij de schietpartij

Ten aanzien van het voorhanden hebben van een pistool en/of munitie (onder 2 ten laste gelegd) en ten aanzien van de heling van een motorfiets en/of snorscooter (onder 3 ten laste gelegd

Al het bewijsmateriaal dat is aangetroffen naar aanleiding van de doorzoeking moet worden uitgesloten van het bewijs omdat de woning van verdachte niet had mogen worden doorzocht, nu hij niet als verdachte kon worden aangemerkt.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak van de poging tot moord of doodslag (onder 1 ten laste gelegd)

De rechtbank acht dit feit niet bewezen. Verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op 3 mei 2017 zijn bij de politie meerdere meldingen binnengekomen over een schietincident dat heeft plaatsgevonden in de [straatnaam] in Amsterdam. Aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verklaard dat zij in de auto van [slachtoffer 1] zaten toen zij werden beschoten door een persoon die zij niet hebben herkend. Ook getuigen hebben geen (duidelijke) omschrijving kunnen geven van de schutter. Daarnaast zijn uit het technisch onderzoek op de plaats van het misdrijf geen aanwijzingen gekomen die naar verdachte hebben geleid.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier geen direct bewijs bevat dat moet leiden tot de conclusie dat verdachte de schutter is geweest. Hieronder zal worden besproken waarom de rechtbank ook op basis van het andere (indirecte) bewijs niet tot een bewezenverklaring komt.

‘ [bijnaam] ’

In het kader van het onderzoek is een telefoontap aangesloten op het nummer van de moeder van aangever [slachtoffer 1] . In een telefoongesprek tussen de moeder van [slachtoffer 1] en haar zoon [naam 4] , (een broer van [slachtoffer 1] ) wordt een persoon genaamd ‘ [bijnaam] ’ genoemd als de schutter. Daarnaast wordt gezegd dat de zoon van [naam 2] de schutter is. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte de bijnaam ‘ [bijnaam] ’ heeft en dat zijn moeder [naam 2] heet. Ook de vriendin van aangeefster [slachtoffer 2] , [naam 3] , heeft de naam ‘ [bijnaam] ’ genoemd toen zij in haar verhoor werd gevraagd naar de schutter. Aangever [slachtoffer 2] heeft tijdens zijn verhoren bij de politie laten doorschemeren dat hij wist wie er had geschoten, maar hij vond dat de politie haar werk niet goed deed en heeft hierover niet verder willen verklaren.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat door het voorgaande een terechte verdenking is ontstaan richting verdachte is daarmee nog niet komen vast te staan dat verdachte ook daadwerkelijk de schutter is geweest. Het enkele gegeven dat verschillende personen ‘ [bijnaam] ’ hebben genoemd als schutter en het gegeven dat verdachte de bijnaam ‘ [bijnaam] ’ heeft, is niet voldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Niemand van deze personen heeft verdachte immers daadwerkelijk zien schieten. Zij hebben het kennelijk allemaal van horen zeggen. Bovendien hebben de moeder van [slachtoffer 1] en haar zoon [naam 4] – toen zij op een later moment werden verhoord door de rechter-commissaris - hun vermoedens niet willen bevestigen. Uit het verhoor van de vriendin van [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris kan worden afgeleid dat zij niet van [slachtoffer 2] zelf heeft gehoord dat hij is beschoten door verdachte, maar dat zij dit afleidt uit het feit dat verdachte en [slachtoffer 2] ruzie hadden.

[locatie 2]

Uit een telefoongesprek tussen de moeder van aangever [slachtoffer 1] en een persoon genaamd [naam 5] volgt dat de persoon die naast aangever [slachtoffer 1] in de auto zat ( [slachtoffer 2] ) het beoogde doelwit van de schutter is geweest. Die persoon zou namelijk op een eerder moment iemand hebben geslagen op het [locatie 2] . De persoon die was geslagen zou een pistool zijn gaan halen omdat hij niet kon verkroppen dat hij was geslagen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van verklaringen van getuigen en een melding bij de politie worden aangenomen dat zich een ruzie heeft voorgedaan op het [locatie 2] kort voor de schietpartij. Ook heeft de vriendin van [slachtoffer 2] verklaard dat [slachtoffer 2] ruzie heeft gehad met verdachte en heeft [slachtoffer 2] dat ook zelf verklaard. Echter is niet komen vast te staan dat verdachte en aangever [slachtoffer 2] voorafgaand aan het schietincident bij de ruzie op het [locatie 2] waren betrokken. Het dossier bevat op dat punt geen verklaringen van getuigen die over de ruzie hebben verklaard uit eigen waarneming. De rechtbank is van oordeel dat zelfs wanneer zou zijn komen vast te staan dat verdachte en aangever [slachtoffer 2] kort voorafgaand aan het schietincident ruzie hebben gehad, dat niet automatisch mag leiden tot de conclusie dat verdachte dan ook de schutter is geweest. Dat het schietincident te maken heeft met de ruzie op het [locatie 2] volgt niet uit enig bewijsmiddel, maar is kennelijk slechts een conclusie van personen die daarover niet uit eigen wetenschap kunnen verklaren. Bovendien zou zelfs als dat verband bestond nog mogelijk zijn dat een ander dan verdachte de schutter was.

Historische gegevens

Uit het onderzoek naar de historische gegevens van het nummer in gebruik bij verdachte blijkt dat de telefoon van verdachte op 3 mei 2017 om 00:37 uur in de buurt van het [locatie 1] is geweest. Rond 01:15 uur zijn aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] beschoten in de [straatnaam] . Met de telefoon van verdachte is om 12:15 uur naar de vriendin van verdachte gebeld. De telefoon van verdachte was toen in de omgeving van het [locatie 2] .

De rechtbank is van oordeel dat het enkele gegeven dat de telefoon van verdachte rond het tijdstip van het schietincident (en in de uren daarna) in de buurt is geweest van de plaats van het misdrijf niet automatisch tot de conclusie kan leiden dat verdachte ook de schutter is geweest. Dat oordeel vindt ondersteuning in het gegeven dat het niet opmerkelijk is dat de telefoon van verdachte zich in die buurt heeft bevonden. Uit het proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt over de criminele jeugdgroep van het [locatie 1] blijkt dat verdachte onderdeel uitmaakt van die groep. Van verdachte is bekend dat hij vaak in de buurt rondom het [locatie 1] rondhangt.

Door de officier van justitie is van belang geacht dat uit het onderzoek naar de historische gegevens van de nummers in gebruik bij verdachte en aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] blijkt dat verdachte en aangever [slachtoffer 1] voorafgaand aan het schietincident contact met elkaar hebben gehad. Ook is gebleken dat aangever [slachtoffer 1] kort na het schietincident heeft gebeld naar verdachte nog voordat hij 112 had gebeld. De officier van justitie heeft hier echter geen conclusie aan verbonden. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat het handelen van aangever [slachtoffer 2] weliswaar opmerkelijk is te noemen, maar dat ook hieraan niet de conclusie kan worden verbonden dat verdachte de schutter is geweest.

De conclusie moet zijn dat er verdachte omstandigheden zijn die wijzen in de richting van verdachte, maar dat ook als deze omstandigheden tezamen worden genomen daaruit niet met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat verdachte de schutter was. Dat betekent dat feit 1 niet bewezen is. Verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.3.2.

Veroordeling voor het voorhanden hebben van een pistool en munitie (onder 2 ten laste gelegd) en veroordeling voor opzetheling (onder 3 ten laste gelegd)

De raadsman heeft aangevoerd (zo begrijpt de rechtbank) dat tijdens het voorbereidend onderzoek fouten zijn gemaakt zoals bedoeld in artikel 359a Sv en dat die fouten zouden moeten leiden tot bewijsuitsluiting.

De rechtbank heeft onder rubriek 3.3. toegelicht aan welke eisen een verweer inhoudende artikel 359a Sv moet voldoen. De raadsman heeft niet aan deze eisen voldaan. Om die reden zal de rechtbank het standpunt van de raadsman niet bespreken. Het bewijsmateriaal dat door de doorzoeking van de woning van verdachte is verkregen, zal worden gebruikt voor het bewijs.

Op grond van de bewijsmiddelen in bijlage I, kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool en munitie en aan het opzettelijk helen van een motorfiets en snorscooter.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen in de bijlage en de bewijsoverweging in rubriek 4.3.2. bewezen:

Het onder 2 ten laste gelegde, namelijk dat verdachte:

op 09 mei 2017 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een geladen pistool (merk:

Zastava, model: M57, kaliber: 7.62 x 25mm Tokarev) en munitie van categorie III, te weten 8, patronen (merk: Sellier&Bellot, kaliber: 7.62 x 25mm Tokarev) voorhanden heeft gehad;

Het onder 3 ten laste gelegde, namelijk dat verdachte:

omstreeks 9 mei 2017 te Amsterdam een motorfiets (merk: Piaggio, kenteken: [kenteken] ) en een snorscooter heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen wist dat het door diefstal verkregen goederen betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van in totaal 75 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. De officier van justitie heeft haar eis per feit gespecificeerd, , namelijk:

- Voor de poging tot doodslag (onder 1 ten laste gelegd) een gevangenisstraf van 60 maanden;

- Voor het voorhanden hebben van een pistool en munitie (onder 2 ten laste gelegd) een gevangenisstraf van 9 maanden;

- Voor de heling van een motorfiets en een snorscooter (onder 3 ten laste gelegd) een gevangenisstraf van 6 maanden.

De officier van justitie heeft daarbij de gevangenneming van verdachte gevorderd.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De ernst van de feiten

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte heeft de politie een geladen pistool aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen voor zijn woning heeft gevonden, het mooi vond en heeft besloten om het mee naar huis te nemen. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.
Het bezit van vuurwapens kan gemakkelijk leiden tot het gebruik ervan. In het bijzonder wanneer een wapen geladen is en binnen handbereik ligt, zoals in het geval van verdachte: op zijn tv-meubel. Het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie is maatschappelijk onacceptabel vanwege de grote dreiging die daarvan uitgaat voor anderen. Zulke wapens en munitie worden gebruikt voor allerlei criminele activiteiten.


Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de heling van een motorfiets en een snorscooter. Verdachte heeft verklaard dat hij de motorfiets en snorscooter heeft ontvangen met uitgeboorde sloten en dat hij ze wilde doorverkopen om er iets aan te verdienen. Verdachte heeft daarmee laten zien dat hij alleen zijn eigen financiële belangen voor ogen heeft gehad en dat hij geen boodschap heeft gehad aan de mogelijke consequenties voor de rechtmatige eigenaren.
De rechtbank vindt heling een ernstig misdrijf omdat mensen die helen ervoor zorgen dat andere mensen blijven stelen. Helers houden - kortgezegd - de markt voor gestolen goederen in stand.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 2 november 2017, waaruit blijkt dat verdachte al eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het reclasseringsadvies van Inforsa van 1 augustus 2017, waarin staat vermeld dat het risico groot is dat verdachte in de toekomst weer strafbare feiten zal plegen. Dit komt doordat hij omgaat met bepaalde mensen, door zijn denkpatronen, zijn gebrek aan een gestructureerd dagritme en zijn pro-criminele houding. De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden.

De op te leggen straf

Door de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist. De belangrijkste reden hiervoor is dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van minder feiten dan de officier van justitie.

De rechtbank komt tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden.

9 Beslag

Onder verdachte zijn een pistool en een patroonhouder in beslag genomen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat beide goederen op de beslaglijst worden onttrokken aan het verkeer.

De raadsman heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.

De rechtbank beslist dat de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, namelijk: een pistool en een patroonhouder moeten worden onttrokken aan het verkeer. De goederen zijn daarvoor geschikt omdat met deze voorwerpen het onder 2 bewezenverklaarde feit is begaan. Daarnaast zijn deze voorwerpen van zulke aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de volgende artikelen:

57 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.
26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Opzetheling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde in voorarrest heeft gezeten van de straf wordt afgetrokken.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

1 1.00 STK Pistool

5384156

2 1.00 STK Patroonhouder

5384156

Dit vonnis is gewezen door:


mr. R.H.C. Jongeneel, voorzitter,
mrs. C.M. Degenaar en M.M. Helmers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.I. Robijns, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 februari 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.