Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:922

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2018
Datum publicatie
27-02-2018
Zaaknummer
AMS - 17 _ 4318
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw, intrekking terugvordering, gezamenlijke huishouding, onzelfstandige woonruimte, onweerlegbaar rechtsvermoeden

Naar het oordeel van de rechtbank wonen eiseres en [persoon]in 'dezelfde woning’, nu de woningen op de adressen [adres 1] en [adres 2] wezenlijke woonfuncties, zoals de keuken en de badkamer, delen en bovendien een gemeenschappelijke voordeur hebben. Dat de woongedeeltes van eiseres en [persoon] ieder een eigen huisnummer hebben en dat er twee huurovereenkomsten zijn, doet aan deze feitelijke situatie niet af. Verweerder heeft daarom terecht vastgesteld dat eiseres en [persoon] beiden hoofdverblijf hebben in ‘dezelfde woning’. (Zie: ECLI:NL:CRVB:2015:79)

De rechtbank begrijpt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 januari 2002 (ECLI:NL:CRVB:2002:AE0165) zo, dat het mogelijk is om de feiten/omstandigheden waarop het rechtsvermoeden berust te betwisten. In het geval van eiseres gaat het dan om het feit dat uit de relatie tussen eiseres en [persoon] een kind geboren is en om het daadwerkelijk hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. Deze feiten/omstandigheden kunnen dus worden betwist. Staan zij echter vast, dan is er naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte om het bestaan van een gezamenlijke huishouding te betwisten. Anders dan eiseres stelt is er dus geen sprake van een omkering van de bewijslast in die zin dat het aan eiseres is om aan te tonen dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/4318

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Berends),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: A. Brouwer).

Procesverloop

Met het besluit van 21 maart 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) ingetrokken met ingang van 5 maart 2016.

Met het besluit van 30 maart 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder de ten onrechte aan eiseres betaalde uitkering over de periode van 5 maart 2016 tot en met 31 maart 2017 teruggevorderd tot een bedrag van € 14.529,85 bruto.

Met het besluit van 13 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen


Vrijstelling griffierecht

1.1.

Eiseres verzoekt om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Daartoe voert eiseres aan dat het netto-inkomen waarover zij kan beschikken minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en zij daarnaast niet beschikt over enig vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Eiseres heeft een verklaring over haar inkomen en vermogen overgelegd.

1.2.

Gelet op eiseres’ feitelijke situatie in samenhang met de uitspraak van de

Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 13 februari 20151 is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht moet worden gehonoreerd, zodat eiseres wordt vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

Feiten

2.

2.1.

Eiseres heeft vanaf 26 september 2015 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Sinds 10 september 2015 huurt zij de onzelfstandige woning op het adres [adres 1] , het adres waar zij ook ingeschreven staat in de basisregistratie personen (brp). Op 25 oktober 2015 is haar dochter [naam] geboren. [naam] ( [naam] ) - de vader van haar dochter en haar gestelde ex-partner - staat sinds 10 september 2015 ingeschreven op het adres [adres 2] . Eiseres heeft tot 5 maart 2016 met haar dochter bij een vriendin ingewoond, omdat de woning op het [adres 3] onbewoonbaar was. Vanaf 5 maart 2016 woont eiseres op het [adres 3] .

2.2.

Verweerder heeft een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van eiseres en naar aanleiding daarvan een rapport van bevindingen opgesteld met de afsluitdatum 6 maart 2017 (het rapport). Eiseres heeft op 9 februari 2017 een verklaring afgelegd op het kantoor van DWI en op diezelfde dag heeft een huisbezoek plaatsgevonden.

2.3.

Met het primaire besluit I heeft verweerder de uitkering van eiseres met ingang van 5 maart 2016 ingetrokken, omdat zij met [naam] een gezamenlijke huishouding voert. Met het primaire besluit II heeft verweerder de ten onrechte uitbetaalde uitkering over de periode van 5 maart 2016 tot en met 31 maart 2017 tot een bedrag van € 14.529,85 teruggevorderd.

2.4.

Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit de relatie tussen eiseres en [naam] een kind is geboren en eiseres en [naam] beiden hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, zodat sprake is van het onweerlegbaar rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw, dat eiseres en [naam] een gezamenlijke huishouding voeren.
Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt vast dat de beoordelingsperiode loopt van 5 maart 2016 tot en met 31 maart 2017. Niet in geschil is dat eiseres in de beoordelingsperiode hoofdverblijf had op het [adres 1] en [naam] op het [adres 2] .

4.1.

Eiseres betwist dat zij met [naam] een gezamenlijke huishouding voert. Er is volgens eiseres geen sprake van ‘dezelfde woning’, maar van onzelfstandige woonruimte, waarbij enkele gemeenschappelijke ruimtes worden gedeeld. Eiseres en [naam] wonen op twee verschillende adressen en hebben twee verschillende huurovereenkomsten.

4.2.

In artikel 3, vierde lid, aanhef, van de Pw is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in ‘dezelfde woning’ en daarnaast is voldaan aan een van de vier vervolgens omschreven situaties.

4.3.

De rechtbank overweegt dat op grond van rechtspraak van de Raad met ‘een woning’ in de Wet werk en bijstand (de voorloper van de Pw) een zelfstandige woning wordt bedoeld, namelijk een woning die is voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld.2 Dat is in de Pw niet anders.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank wonen eiseres en [naam] in ‘dezelfde woning’, nu de woningen op de adressen [adres 1] en [adres 2] wezenlijke woonfuncties, zoals de keuken en de badkamer, delen en bovendien een gemeenschappelijke voordeur hebben. Dat de woongedeeltes van eiseres en [naam] ieder een eigen huisnummer hebben en dat er twee huurovereenkomsten zijn, doet aan deze feitelijke situatie niet af. Verweerder heeft daarom terecht vastgesteld dat eiseres en [naam] beiden hoofdverblijf hebben in ‘dezelfde woning’. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

5.

5.1.

Eiseres heeft verder op de zitting verwezen naar uitspraken van de Raad van 29 januari 20023 en 16 januari 2018,4 waaruit volgens haar volgt dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat is neergelegd in artikel 3, vierde lid, onder b, van de PW, betwist kan worden. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak van 16 januari 2018 ziet op een andere situatie, namelijk het onweerlegbaar rechtsvermoeden in het kader van een herhaalde aanvraag.

5.2.

In de uitspraak van 29 januari 2002 heeft de Raad het volgende overwogen: “Uit de ontstaansgeschiedenis van de betreffende bepaling komt naar voren dat de wetgever artikel 3, vierde (voorheen: derde) lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) heeft ingevoerd om in een viertal situaties, waarin overduidelijk sprake is van een gezamenlijke huishouding, zonder nadere bewijsvoering - en zonder de mogelijkheid van tegenbewijs - er vanuit te kunnen gaan dat betrokkenen een gezamenlijke huishouding voeren. Het feitelijk bestaan van minstens een van deze situaties plus het feitelijk hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning brengen mee dat de betrokken personen voor de toepassing van de Abw en de daarop berustende bepalingen materieelrechtelijk gezien als deel uitmakend van een gezin in de zin van artikel 4 onder c ten eerste of ten tweede, van die wet worden beschouwd. Meergenoemd artikel 3, vierde lid, belet belanghebbenden niet om zowel het feitelijk bestaan van (een van) de vier daarin omschreven situaties als het daadwerkelijk hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning te betwisten, daarvoor relevante argumenten aan te dragen en bewijzen ter onderbouwing daarvan aan de rechter te presenteren. Die betwisting, de aangedragen argumenten en dat bewijsmateriaal kunnen vervolgens zowel in beroep als in hoger beroep volledig worden getoetst.”

5.3.

De rechtbank begrijpt deze uitspraak van 29 januari 2002 zo, dat het mogelijk is om de feiten/omstandigheden waarop het rechtsvermoeden berust te betwisten. In het geval van eiseres gaat het dan om het feit dat uit de relatie tussen eiseres en [naam] een kind geboren is en om het daadwerkelijk hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. Deze feiten/omstandigheden kunnen dus worden betwist. Staan zij echter vast, dan is er naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte om het bestaan van een gezamenlijke huishouding te betwisten. Anders dan eiseres stelt is er dus geen sprake van een omkering van de bewijslast in die zin dat het aan eiseres is om aan te tonen dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Deze beroepsgrond faalt dus. Wat eiseres heeft aangevoerd in het kader van de stelling dat er feitelijk geen gezamenlijke huishouding was, hoeft dus niet besproken te worden.

6. Eiseres heeft verder nog gesteld dat verweerder de bijstandsuitkering van meet af aan niet had moeten toewijzen, omdat verweerder wist dat [naam] op het [adres 2] woonde. De rechtbank begrijpt dat eiseres met deze stelling een beroep doet op het rechtszekerheidsbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank gaat dit beroep niet op, nu verweerder erop heeft gewezen dat eiseres bij de aanvraag juist heeft gezegd dat [naam] niet op dit adres woonde. Zou verweerder hebben geweten dat [naam] daar wel (al) woonde, dan zou hij de uitkering van het begin af aan niet hebben toegekend. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

7. Eiseres heeft tot slot op de zitting in het kader van de terugvordering in verband met haar schrijnende omstandigheden een beroep op de hardheidsclausule gedaan. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres wordt beschermd door de beslagvrije voet. Daarnaast heeft verweerder op de zitting gezegd dat een afbetalingsregeling mogelijk is, als betalingsonmacht met financiële stukken wordt onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom geen sprake van zodanige omstandigheden dat verweerder op grond van de hardheidsclausule af hoefde te zien van terugvordering. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie

8. De aangevoerde beroepsgronden leiden niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. van Zutphen, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 ECLI:NL:CRVB:2015:282.

2 ECLI:NL:CRVB:2015:79.

3 ECLI:NL:CRVB:2002:AE0165.

4 ECLI:NL:CRVB:2018:118.