Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8959

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
17-12-2018
Zaaknummer
13/751784-18
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB Denemarken - reden van humanitaire aard en artikel 13 OLW - dubbele strabfaarheid - artikel 9 OLW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751784-18

RK-nummer: 18/7196

Datum uitspraak: 1 november 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 oktober 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 20 september 2018 door de procureur-generaal te Kopenhagen (Denemarken) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1949,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres
[BRP-adres] ,
thans gedetineerd in de [detentie adres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 november 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een beschikking afgegeven op 11 september 2018 door de Rechtbank Aarhus waarbij [opgeëiste persoon] bij verstek in voorlopige hechtenis werd genomen krachtens § 762, lid 1, onder 1 en onder 3, juncto § 764, lid 2, van de Deense Wet op de Rechtsvordering.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan zes naar het recht van Denemarken strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Denemarken een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Deputy Chief Prosecutor heeft op 29 oktober 2018 de volgende garantie gegeven:

Referring to your attached e-mail please receive our guarantee that mr. [opgeëiste persoon] in accordance with art. 5, 3. of the Framework Decision on the European Arrest Warrant, after being heard, will be returned to Holland in order to serve there the custodial sentence passed against him in a Danish Court of Law.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan ten aanzien van de feiten 1, 2, 5 en 6 en ten aanzien van het gedeelte van feit 3 dat betrekking heeft op de levering van 100 kilogram hasjiesj.

Deze feiten leveren naar Nederlands recht op:

ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 6:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 5:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voor deze feiten daarom voldoende.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel, dat ten aanzien van feit 4 en het gedeelte van feit 3 dat betrekking heeft op een onbekende substantie, niet kan worden vastgesteld dat aan de voorwaarde van de dubbele strafbaarheid is voldaan. Uit de feitomschrijving blijkt immers niet wat de aard van de ingevoerde verdovende middelen is. Met de raadsman is de rechtbank daarom van oordeel dat voor (dit gedeelte van) deze feiten de terugkeergarantie niet kan worden geëffectueerd en de overlevering daarom in zoverre dient te worden geweigerd.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Namens de opgeëiste persoon heeft zijn raadsman - zakelijk weergegeven - betoogd dat er ten aanzien van de strafbare feiten waarvan hij in Denemarken wordt verdacht, in Nederland al een strafrechtelijk onderzoek loopt. De drugstransporten waarvan de Deense justitiële autoriteiten de opgeëiste persoon verdenken, zijn dezelfde transporten waarvoor hij in Nederland als vermeend planner wordt vervolgd. Daarom is er sprake van een situatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de OLW.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer moet worden verworpen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van een Nederlandse vervolging voor de feiten waarvoor de overlevering is verzocht. Er loopt een Nederlands onderzoek naar verdovende middelen. Tot op heden is de opgeëiste persoon echter niet aangemerkt als verdachte in dit onderzoek. Bovendien heeft het Nederlandse onderzoek betrekking op andere pleegplaatsen en tijdstippen dan het Deense onderzoek.

De rechtbank verenigt zich met het standpunt van de officier van justitie en verwerpt het verweer op de door de officier van justitie aangevoerde gronden. Nu de opgeëiste persoon in Nederland niet wordt vervolgd voor dezelfde feiten als waarvoor de overlevering is verzocht, is er geen sprake van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9 van de OLW.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    het onderzoek is in Denemarken aangevangen;

  • -

    de drugs werden ingevoerd in Denemarken en de rechtsorde in Denemarken werd hierdoor geschaad;

  • -

    bewijsmiddelen en getuigen bevinden zich op Deens grondgebied;

  • -

    Denemarken heeft middels het uitvaardigen van het EAB aangegeven te willen vervolgen.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Niet zou zijn gebleken dat de verzochte overlevering aan de Deense autoriteiten en de verdere vervolging in Denemarken de voorkeur verdient, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon zijn gediend bij de afhandeling van de zaak in Nederland; de opgeëiste persoon verzorgt zijn echtgenote en kleinkind.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Redenen van humanitaire aard, zoals de door de raadsman gestelde persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon, kunnen bij de beoordeling van deze weigeringsgrond geen rol spelen, zoals is bepaald door de Hoge Raad in de uitspraken van 28 november 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AY6633 en ECLI:NL:HR:2006:AY6631). Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Slotsom

Nu ten aanzien van het eerste feit, het tweede feit, het gedeelte van het derde feit dat betrekking heeft op hasjiesj, het vijfde feit en het zesde feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor het overige moet zij worden geweigerd.

9 Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 47 Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de procureur-generaal te Kopenhagen ten behoeve van het in Denemarken tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de in het EAB onder één, twee, drie (voor het deel dat betrekking heeft op hasjiesj), vijf en zes omschreven feiten waar zijn overlevering wordt verzocht.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op de in het EAB onder drie (voor het deel dat betrekking heeft op een onbekende substantie) en vier omschreven feiten, waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en A.W.C.M. van Emmerik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 1 november 2018.

De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.