Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8944

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2018
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
13/751641-18
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Roemenië - Aranyosi en Căldăraru - NO officier van justitie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751641-18

RK nummer: 18/5954

Datum uitspraak: 18 oktober 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 augustus 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 19 juli 2018 door the Iaşi Court of Law (Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1988,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 oktober 2018. De behandeling heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal en de gemachtigde raadsman van de opgeëiste persoon, mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam. De opgeëiste persoon is niet ter zitting verschenen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Roemeense nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis (judgment), gewezen door the Iaşi City Court of Law en gedateerd 20 december 2016.

Bij dit vonnis is de opgeëiste persoon veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van 2 jaar en 6 maanden. Bij beslissing van the Iaşi City Court of Law van 20 juni 2018 is bepaald dat deze straf ten uitvoer wordt gelegd.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

Het vonnis betreft de feiten zoals die omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.

4 Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in samenhang met artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

diefstal voorafgegaan en/of vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken;

diefstal.

5 Detentieomstandigheden in Roemenië

De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat bij overlevering een reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waaronder EHRM 24 april 2017, 61467/12, 39516/13, 48231/13 en 68191/13 (Rezmuveş e.a./Roemenië), heeft de rechtbank in eerdere zaken geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, met name vanwege overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest.

Het bij arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 april 2016 in de zaken Aranyosi en Căldăraru (ECLI:EU:2016:198) gegeven beslismodel houdt in dat de rechtbank in dat geval vaststelt of de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling. Indien dit het geval is, moet de overlevering worden uitgesteld in afwachting van door de uitvaardigende autoriteit te verstrekken aanvullende gegevens op grond waarvan het bestaan van het eerdergenoemd reële gevaar voor de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. Verder kan de rechtbank, indien deze gegevens niet binnen een redelijke termijn worden verkregen, de overleveringsprocedure beëindigen.

Met het oog op de beoordeling of voor de opgeëiste persoon in geval van overlevering een dergelijk gevaar bestaat, heeft het Openbaar Ministerie navraag gedaan bij de uitvaardigende justitiële autoriteit naar de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon naar verwachting in Roemenië zal worden gedetineerd. Uit een door de Roemeense autoriteiten verstrekte brief van 28 september 2018 blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering 21 dagen in quarantaine wordt gehouden in Rahova Bucharest Penitentiary, waar hij minimaal 3 m2 aan persoonlijke ruimte heeft. De autoriteiten hebben geschreven dat hij daarna waarschijnlijk (most likely) in het jail-system terecht zal komen in Botoşani City Prison, waar een minimum van 2 m2 persoonlijke ruimte is gegarandeerd. Verder is vermeld dat de Roemeense wet voorschrijft dat, nadat een gedetineerde een vijfde van de opgelegde vrijheidsstraf heeft uitgezeten, aan de hand van zijn of haar gedrag wordt beoordeeld of de gedetineerde kan worden geplaatst in het open jail-system. In het open jail-system heeft de gedetineerde minimaal 3 m2 persoonlijke ruimte.

Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM (arrest van 20 oktober 2016, ECLI:EU:2016:198, Muršić v. Croatia, par. 124), levert de hoeveelheid van 2 m2 “personal space” het sterke vermoeden (“strong presumption”) op, dat de detentieomstandigheden vernederend zijn in de zin van artikel 3 EVRM en dus ook - gelet op artikel 52, derde lid, Handvest - in de zin van artikel 4 Handvest.

Dit vermoeden kan echter worden weerlegd door het cumulatieve effect van alle detentieomstandigheden.

Uit de hierboven genoemde brief van 28 september 2018 blijkt onder meer dat de gedetineerden in het jail-system in Botoşani City Prison hun vrije tijd buiten hun cel kunnen doorbrengen en dat zij alleen in hun cel moeten zitten voor de maaltijden en vanaf een half uur vóór de ‘evening call’. De celdeuren blijven overdag open. Ook hebben de gedetineerden dagelijks toegang tot de binnenplaats.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze – en de overige in het rapport genoemde (compenserende) detentieomstandigheden – echter niet voldoende om het reële gevaar voor de opgeëiste persoon uit te sluiten.

Zoals zij in haar uitspraak van 2 augustus 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:5809) heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn waarbinnen het reële gevaar voor de opgeëiste persoon moet worden uitgesloten, bedoeld is om de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen om bij de huidige detentiecapaciteit en onder de huidige algemene detentieomstandigheden aanvullende gegevens te verstrekken op grond waarvan het reële gevaar voor de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De vraag welke termijn als redelijk moet worden beschouwd is niet in het algemeen te beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

De rechtbank concludeert dat een reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon in geval van overlevering in Roemenië zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 Handvest. Gelet op de inhoud van de door de Roemeense autoriteiten verstrekte informatie, bestaat er geen aanleiding om hen de gelegenheid te gunnen om alsnog aanvullende informatie betreffende de opgeëiste persoon te verschaffen waaruit blijkt dat het bestaan van dit gevaar voor hem kan worden uitgesloten, nu niet valt te verwachten dat er binnen afzienbare tijd nog relevante aanvullende informatie zal kunnen worden verstrekt.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn onbenut is verstreken.

De officier van justitie zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

6 Beslissing

VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering ex artikel 23 OLW van 29 augustus 2018.

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en A.W.C.M. van Emmerik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 18 oktober 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.