Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8919

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-12-2018
Datum publicatie
12-12-2018
Zaaknummer
C/13/609408 / HA ZA 16-558
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee Chinese dorpscomités die via de rechter een claim wilden leggen op een eeuwenoud Boeddhabeeld met daarin een mummie, zijn niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank zal hun zaak daarom niet verder inhoudelijk behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/18
JONDR 2019/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/609408 / HA ZA 16-558

Vonnis van 12 december 2018

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiser sub 2],

beide gevestigd te [plaats] , Volksrepubliek China,

eisers,

advocaat mr. J.V.M. Holthuis te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2],

gevestigd te [plaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] ,

gevestigd te [plaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. T. Teke te Amsterdam.

Eisers gezamenlijk zullen hierna [eisers] of ‘de dorpscomités’ worden genoemd. Gedaagden gezamenlijk zullen hierna [gedaagden] worden genoemd. Gedaagde sub 1. wordt – indien afzonderlijk bedoeld - hierna onder zijn naam genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident van 24 januari 2018, met de daarin genoemde stukken,

- de conclusie van dupliek, met bewijsstukken,

- het proces-verbaal van het pleidooi gehouden op 31 oktober 2018, met de daarin genoemde stukken (waaronder pleitaantekeningen van beide zijden). [eisers] heeft bij brief van 28 november 2018, die aan het proces-dossier is toegevoegd, opmerkingen gemaakt over dit proces-verbaal. Deze opmerkingen hebben de rechtbank geen aanleiding gegeven het proces-verbaal aan te passen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Yangchun en Dong Pu zijn elk een dorp in de Chinese provincie Fujian. Oorspronkelijk vormden zij tezamen één dorp, met op zijn grondgebied (thans het grondgebied van Yangchun) de boeddhistische Pu Zhao tempel.

2.2.

Uit deze tempel is op 14 december 1995 een Boeddha beeld met daarin de gemummificeerde resten van een monnik uit de Song-dynastie (11e eeuw na Christus) gestolen. Deze gemummificeerde monnik staat bekend als Meester Zhang Gong (het beeld en de mummie hierna aan te duiden als: de mummie van Meester Zhang Gong) en heeft voor de dorpelingen uit Yangchun en Dong Pu religieuze en spirituele betekenis.

2.3.

[gedaagde sub 1] heeft medio 1996, van een inmiddels overleden kunsthandelaar een Boeddha beeld met daarin, naar hem overigens pas later bleek, een mummie gekocht. Hij heeft dit door het Drents Museum, waar het in 2014 enige tijd was tentoongesteld, laten uitlenen aan het Hongaars Natuur Historisch Museum. Daar was het vanaf oktober 2014 enige tijd te zien in de tentoonstelling “Mummies of the World”.

2.4.

Nadat [eisers] hiervan kennis hadden genomen (via een Chinees nieuwsagentschap dat aandacht aan laatstbedoelde tentoonstelling had besteed), hebben zij bij brief van hun raadsman van 8 december 2015 aan [gedaagde sub 1] gevraagd met hen te onderhandelen over het door [gedaagde sub 1] gekochte Boeddha beeld, dat in hun ogen de mummie van Meester Zhang Gong is.

2.5.

[gedaagde sub 1] had kort daarvoor aan een Chinese krant (bij email van 25 november 2015) kenbaar gemaakt dat hij het door hem gekochte beeld als bedoeld onder 2.3. met een niet nader door hem genoemde derde had geruild voor een aantal andere (kunst)voorwerpen, en dus niet meer in bezit heeft. In de betreffende email deelt hij voorts mee dat deze derde anoniem wil blijven.

2.6.

De mummie van Meester Zhang Gong is tot op heden niet teruggekeerd in de voornoemde Pu Zhao tempel.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen, na wijziging van eis, sterk samengevat:

- [gedaagden] , althans één of meer van hen, te veroordelen tot afgifte van de mummie van Meester Zhang Gong, op straffe van een dwangsom;

- een verklaring voor recht dat [gedaagden] de mummie van Meester Zhang Gong niet te goeder trouw hebben verkregen;

- een verklaring voor recht dat de mummie van Meester Zhang Gong kwalificeert als lijk in de zin van de Wet op de Lijkbezorging, en dat eigendom daarvan naar Nederlands recht is uitgesloten en dat [eisers] als beheerders danwel zaakwaarnemers beschikkingsrecht toekomt;

- een verklaring voor recht (primair) dat de ruilovereenkomst nietig is in verband met de goede zeden of openbare orde, (subsidiair) paulianeus is, (meer subsidiair) [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld door de ruilovereenkomst aan te gaan, en in alle gevallen [gedaagden] te veroordelen tot vergoeding van daaruit voortvloeiende schade;

- [gedaagden] , althans één of meer van hen, te veroordelen tot het opzeggen van de ruilovereenkomst danwel te bewerkstelligen dat de mummie van Meester Zhang Gong wordt “teruggeruild”, op straffe van een dwangsom;

- [gedaagden] , althans één of meer van hen, te veroordelen tot verstrekking van de Engelse naam en alle overige bekende informatie van de partij waarmee de beweerdelijke ruilovereenkomst is gesloten, op straffe van een dwangsom.

3.2.

De dorpelingen van Yangchun en Dong Pu hebben het beeld zoals tentoongesteld in Hongarije (zie hiervoor onder 2.3.) ten tijde van die gelegenheid onmiddellijk herkend als de door hen aanbeden mummie van Meester Zhang Gong, aldus [eisers] Zij zijn gerechtigd om de afgifte daarvan te vorderen, waarbij zij zich kort gezegd op diverse juridische grondslagen beroepen zoals uiteindelijk tot uiting komend in de diverse (niet in hun totaliteit verenigbare) vorderingen als hiervoor vermeld. De vorderingen onder de laatste drie gedachtestreepjes zijn naar de rechtbank begrijpt slechts ingesteld voor het geval er daadwerkelijk - zoals door [gedaagde sub 1] aangevoerd - een ruilovereenkomst (zie hiervoor onder 2.5.) tot stand is gekomen, hetgeen [eisers] tegelijkertijd betwisten althans betwijfelen.

3.3.

[gedaagden] hebben de vorderingen gemotiveerd betwist. Daarbij is allereerst en meest verstrekkend als formeel verweer gevoerd dat [eisers] geen natuurlijke of rechtspersonen zijn die als procespartij kunnen optreden, en ook overigens niet mogen worden toegelaten tot het geding. Het belangrijkste inhoudelijke verweer vervolgens is dat het beeld dat [gedaagde sub 1] in 1996 heeft gekocht niét de mummie van Meester Zhang Gong is, en overigens niet meer in zijn bezit is omdat hij het heeft geruild met een derde. De naam daarvan mogen zij volgens afspraak niet bekend maken, aldus [gedaagden]

4 De beoordeling

4.1.

Uitgangspunt is dat alleen natuurlijke personen en rechtspersonen in een civiel geding als procespartij kunnen optreden (vaste rechtspraak sinds HR 25 november 1983, NJ 1984, 297). De rechtvaardiging daarvan wordt door de Hoge Raad gevonden in het voorkomen van problemen van procesrechtelijke aard: zo zou onzeker kunnen zijn wie op grond van het aan een uitspraak toekomend gezag van gewijsde door die uitspraak is gebonden en tegen wie een uitspraak, bijvoorbeeld op het punt van de kostenveroordeling, ten uitvoer kan worden gelegd. Een bevoegdheid tot “rechtsvertegenwoording” op zich leidt niet tot procesbevoegdheid, omdat daarmee de door de Hoge Raad bedoelde procesrechtelijke problemen nog niet zijn weggenomen. De kern is dat een procespartij, of die nu eiser of gedaagde is, steeds als een aanwijsbare, afzonderlijke en in juridische zin op effectieve wijze aan te spreken grootheid moet kunnen worden beschouwd, zodanig dat niet onzeker is met wie of wat de andere partij nu precies te maken heeft. Op dit uitgangspunt bestaan overigens wel wettelijke uitzonderingen (hier niet gesteld en ook overigens niet aan de orde) en buitenwettelijke uitzonderingen (waarover hierna meer).

dorpscomités rechtspersonen?

4.2.1.

[eisers] hebben zich op het standpunt gesteld dat zij naar Chinees recht kunnen worden beschouwd als rechtspersonen en dat zij om die reden procesbevoegdheid hebben als onder 4.1. bedoeld. Zij hebben ter ondersteuning van dit standpunt diverse zogenoemde “legal opinions” van Chinese juristen overgelegd. Hoewel deze opinies inhoudelijk zijn bestreden door [gedaagden] , geven deze wel aanleiding om te veronderstellen dat een dorpscomité in China kan voldoen aan de aldaar kennelijk bekende figuur van de “special legal person” als bedoeld in artikel 96 van de “General Rules of the Civil Law of the PRC”. Dit artikel luidt in de aan de rechtbank overgelegde vertaling als volgt:

“The governmental legal persons, the legal persons of rural collective economic organisations and the legal persons of basic-level People’s selfgoverning organisations are the special legal persons.”

4.2.2.

[eisers] baseren hun beweerdelijke status als rechtspersoon op dit artikel en stellen dat zij ieder als “special legal person” moeten worden beschouwd. Naar de rechtbank ambtshalve is gebleken is deze rechtsvorm een gevolg van een herclassificatie die per 1 oktober 2017 in werking is getreden. Daarmee is niet gezegd dat een “special legal person” niet vóór die datum ook al als rechtspersoon gekwalificeerd kon worden (hetgeen in dit geval van belang is omdat de dagvaarding vóór die datum is uitgebracht). In zoverre is het verweer van [gedaagden] dat de regelgeving met betrekking tot de “special legal persons” pas per die datum geldt, mogelijk niet beslissend voor de vraag die hier aan de orde is. De rechtbank hoeft die vraag echter niet nader te onderzoeken gelet op het volgende. [gedaagden] heeft terecht opgemerkt dat de dorpscomités in het geheel niet zijn ingegaan op de vraag of de relevante regelgeving ook daadwerkelijk op hén van toepassing is. Ook de opinies laten zich hier niet op ondubbelzinnige wijze over uit. Anders dan de dorpscomités kennelijk menen had het immers wel op hun weg gelegen meer specifiek op hun eigen omstandigheden – bijvoorbeeld als het gaat om de vraag of zij wel daadwerkelijk en conform de regelgeving zijn opgericht (en zo ja, wanneer) en functioneren – in te gaan. Zij hebben daartoe ruimschoots de gelegenheid gehad, maar die niet te baat genomen.

4.2.3

Nu overigens niets is gesteld of gebleken waaruit toch rechtspersoonlijkheid naar Chinees recht kan worden afgeleid, kan in dit geding die vereiste status niet worden vastgesteld.

4.2.4.

De conclusie moet daarom zijn dat [eisers] , hoewel ruimschoots daartoe in de gelegenheid gesteld, er niet in zijn geslaagd om aan te tonen dat zij ieder kunnen worden beschouwd als een rechtspersoon aan wie procesbevoegdheid voor de Nederlandse civiele rechter toekomt.

buitenwettelijke uitzondering?

4.2.5.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, kunnen er omstandigheden zijn die maken dat ondanks het ontbreken van rechtspersoonlijkheid toch procesbevoegdheid kan worden aangenomen. Daarvan kan sprake zijn indien dit noodzakelijk is voor een effectieve rechtsbescherming, omdat die niet op een andere wijze tot stand gebracht kan worden. [eisers] hebben ook hierop een beroep gedaan, maar hebben hiertoe geen enkel argument aangevoerd dat tot de conclusie zou kunnen leiden dat op onaanvaardbare wijze effectieve rechtsbescherming ontbreekt wanneer zij niet tot dit geding worden toegelaten. In ieder geval kunnen zij niet volstaan met het er op wijzen dat “aan [ [eisers] ] bepaalde taken en verantwoordelijkheden toekomen, die zij dienen te kunnen verwezenlijken”, omdat het in de kern niet gaat om het belang van [eisers] om in rechte op te treden, maar om de vraag of de belangen zoals door hen in deze procedure via de ingestelde vorderingen naar voren gebracht op geen enkele andere wijze dan via [eisers] kunnen worden veiliggesteld. Alleen dan ontbreekt bij niet-toelating immers effectieve rechtsbescherming. Daarover hebben [eisers] echter niets gesteld, terwijl ook op dit punt geldt dat zij hiertoe ruimschoots in de gelegenheid zijn gesteld. Ook overigens is van een gebrek aan effectieve rechtsbescherming niet gebleken. Een buitenwettelijke uitzondering kan bij die stand van zaken niet aan de orde zijn.

conclusie met betrekking tot de procesbevoegdheid van [eisers]

4.2.6.

Op grond van het voorgaande dient deze zaak reeds op de niet-ontvankelijkheid van [eisers] te stranden. Aan een inhoudelijke behandeling kan om die reden niet worden toegekomen.

4.3.

Bij deze stand van zaken dienen [eisers] de kosten van het geding te dragen. Die worden aan de zijde van [gedaagden] begroot als volgt:

- griffierecht € 618,00

- salaris advocaat € 2.443,50 (4,5 punten × tarief € 543,00)

totaal: € 3.061,50.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart [eisers] niet-ontvankelijk;

5.2.

veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding, tot heden aan de zijde van [gedaagden] begroot op € 3.061,50;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Thomas, mr. R.H. Mulderije en mr. J.W. Bockwinkel, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2018.1

1type: JT