Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8819

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
20-12-2018
Zaaknummer
13.703017-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte opzet of voorwaardelijk opzet hebben gehad om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Artikel 141 lid 2 sub 1 Sr wel bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/703017-17

Datum uitspraak: 31 juli 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juli 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.M. van den Berg, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P. Jeeninga, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

1. Medeplegen van een poging tot zware mishandeling van [aangever] op 2 september 2017 te Amsterdam, subsidiair openlijk in vereniging geweld plegen tegen [aangever] , met enig lichamelijk letsel ten gevolge, op 2 september 2017 te Amsterdam;

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens munitie op 6 december 2017 te Amsterdam;

3. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod op 6 december 2017 te Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Inleiding

Op 2 september 2017 omstreeks 23:30 zit aangever [aangever] (hierna: [aangever] ) met een groep vrienden in de GVB lijnbus 22. Naast hem zit een voor hem onbekend meisje die bij de halte Nassauplein uitstapt. Zij wordt bij de halte opgewacht door twee mannen (verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ). Deze mannen gebaren naar [aangever] , waarna zij de bus instappen. Er ontstaat een woordenwisseling, gevolgd door een gevecht. Tijdens dit gevecht raakt [aangever] gewond en wordt de vriendin van [aangever] , [persoon] , door medeverdachte [medeverdachte] uit de bus gegooid, waarbij zij ook verwondingen oploopt.

3.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde.

3.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich, met uitzondering van de strafverhogende omstandigheid, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4.

Oordeel van de rechtbank

3.4.1.

Nadere bewijsoverwegingen

3.4.1.1. Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte opzet of voorwaardelijk opzet hebben gehad om [aangever] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit de letselverklaring valt weliswaar af te leiden dat [aangever] op vele plekken geraakt is (namelijk: op zijn jukbeen, onderste ribben, rug, nek, schouder, borst en arm), maar onduidelijk blijft, ook na het bekijken van de camerabeelden, of er een aanmerkelijke kans bestond dat verdachten vitale lichaamsdelen van [aangever] zouden raken, waardoor [aangever] zwaar gewond had kunnen raken. De rechtbank acht daarom – anders dan de officier van justitie – het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging, met enig lichamelijk letsel ten gevolge hebbend. Anders dan de raadsman, gaat de rechtbank voornamelijk van de aangifte van [aangever] en de camerabeelden uit en acht zij op basis daarvan ook het schoppen bewezen. Gezien het veelvuldige slaan en schoppen door verdachte, heeft ook het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge gehad.

3.4.1.2. Ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft aangevoerd dat uit het dossier niet volgt dat verdachte daadwerkelijk pepperspray in de zin van de Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM) voorhanden heeft gehad, omdat niet is gebleken dat de inhoud van de spuitbus een prikkelend effect had. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt als volgt. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben de pepperspray getest en voelden, direct na het ruiken, een prikkelend effect in neus en ogen. Voorts is een foto gemaakt van de bus waaruit blijkt van de werking van de inhoud daarvan. De rechtbank acht daarom, anders dan de raadsman, het onder 2 ten laste gelegde bewezen.

3.4.1.3. Ten aanzien van feit 3

De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidende onderzoek zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, nu niet aan de vereisten van artikel 49 van de WWM is voldaan. Na het aantreffen van de pepperspray mochten de verbalisanten niet ‘redelijkerwijs vermoeden’ dat zij (meer) wapens en munitie zouden aantreffen. Voornoemd vormverzuim dient volgens de raadsman, vanwege schending van het huisrecht en het recht op privacy, te leiden tot bewijsuitsluiting met als gevolg vrijspraak van het ten laste gelegde.

De rechtbank verwerpt het verweer in al zijn onderdelen. Op grond van artikel 49 WWM kunnen opsporingsambtenaren te allen tijde op plaatsen waar zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat wapens of munitie aanwezig zijn, ter inbeslagneming doorzoeking doen. De rechtbank is van oordeel dat, door het aantreffen van een busje pepperspray (een wapen in de zin van de WWM1), onverkort een redelijk vermoeden bestond dat in de woning meer wapens dan wel munitie aanwezig waren. De doorzoeking op grond van artikel 49 WWM heeft derhalve rechtmatig plaatsgevonden.

Met betrekking tot de wikkels met daarin cocaïne vindt de rechtbank, anders dan de raadsman, een eindrapport over de wikkels niet noodzakelijk. De wikkels zijn onderworpen aan indicatieve testmethodes. Het (voorlopige) resultaat hiervan was dat de wikkels cocaïne bevatten. Verdachte heeft voorts verklaard dat er cocaïne in deze wikkels zat. Gelet hierop acht de rechtbank ook het onder 3 ten laste gelegde bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

1. op 02 september 2017 te Amsterdam, met een ander, op of aan de openbare weg, het Nassauplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever] , welk geweld bestond uit slaan/stompen en trappen/schoppen, waarbij hij, verdachte, die [aangever] heeft geslagen/gestompt tegen de borst en het hoofd, in elk geval het lichaam en die [aangever] heeft geschopt getrapt tegen de ribben en rug en borstkas, in elk geval tegen het lichaam, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (meerdere bloeduitstortingen) voor die [aangever] ten gevolge heeft gehad;

2. op 06 december 2017 te Amsterdam, voorhanden heeft gehad een spuitbusje bevattende pepperspray, zijnde een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met (een) verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen).

3. op 06 december 2017 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 6,9 gram cocaïne;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, met aftrek van voorarrest, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen én een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met het de-escalerende gedrag van verdachte aan het begin van het gevecht. Hij heeft voorgesteld om een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich gedurende de avonduren in een bus van openbaar vervoerder GVB schuldig gemaakt aan het plegen van geweld in vereniging.

Samen met zijn medeverdachte stond hij bij een bushalte op een vriendin te wachten. Toen zij uitstapte, is zijn medeverdachte, zonder noemenswaardige aanleiding, woedend de bus ingegaan. Hierop zijn de verdachte en de medeverdachte de bus weer uitgelopen. Eenmaal buiten de bus bedenkt de medeverdachte zich, want hij neemt een agressieve houding aan, doet zijn t-shirt uit en stormt met ontbloot bovenlijf de bus in. Eenmaal in de bus heeft de medeverdachte [aangever] op zeer gewelddadige wijze aangevallen. Het is de rechtbank niet ontgaan dat tot dat moment de verdachte meerdere keren had gepoogd de medeverdachte tegen te houden. Uiteindelijk heeft de verdachte zich echter aangesloten bij de medeverdachte meegedaan aan het geweld tegen [aangever] . Daarbij heeft hij [aangever] meermalen geschopt en geslagen. De verdachte is ter zitting meerdere malen de vraag gesteld waarom hij toch besloot geweld tegen [aangever] te gebruiken. Op deze vraag is geen begrijpelijk/duidelijk antwoord gekomen.

Met zijn handelen heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van [aangever] . Daarnaast heeft hij een zeer onveilige situatie gecreëerd voor de overige busreizigers, die ongevraagd getuige zijn geworden van een gewelddadige en eenzijdige vechtpartij. Op de beelden is te zien dat zij via de een andere deur de bus uit vluchten. Feiten als de onderhavige dragen bovendien bij aan in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid op straat in het algemeen.

Voorts bleek bij de aanhouding van verdachte, dat hij pepperspray en 6.9 gram cocaïne in zijn huis aanwezig had.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 21 juni 2018 is verdachte eerder, maar niet in de vijf jaren voorafgaand aan de pleegdatum, veroordeeld voor een geweldsdelict.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsadvies van 29 juni 2018. De reclassering ziet, mede vanwege het ontbreken van een delictpatroon, geen aanwijzingen voor structurele agressieregulatie-problematiek. De recidivekans wordt ingeschat als laag tot gemiddeld. Verdachte heeft een moeilijke periode achter de rug. Zijn vriendin (en moeder van zijn twee kinderen) had hem verlaten, er ontstonden schulden en hij en zijn moeder zijn uit de woning gezet. In deze periode heeft hij naar zijn eigen zeggen cocaïne gebruikt. Inmiddels heeft verdachte, mede met behulp van een psychologische behandeling in een vrijwillig kader, zijn leven weer op orde gekregen. De emotionele toestand van verdachte is sinds de verdenking verbeterd, hij is weer fulltime aan het werk en heeft een nieuwe relatie. Deze positieve ontwikkelingen doen vermoedelijk de kans dat hij bij nieuwe conflictsituaties betrokken raakt, afnemen. Reclasseringsinterventies zijn op dit moment niet geïndiceerd.

Vanwege de ernst van de feiten en om verdachte ervan te doordringen niet nogmaals in de fout te gaan, zal de rechtbank naast een taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf, opleggen.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

Ten aanzien van feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 maand.

Beveelt deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen, en met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Voorlopige hechtenis

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. E.G. Fels en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.J.M. van der Hooft, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 juli 2018.

1 Zie artikel 2 van de Wet wapens en munitie, categorie II onder 6.