Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8764

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
13/845015-11 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak in het onderzoek Trust EU, tegen twee directeuren en vier vennootschappen van het trustkantoor.

Het kernverwijt op de tenlastelegging is dat een voormalig trustkantoor doorstroomstructuren aanbood terwijl dit in wezen schijnconstructies waren, waarmee onder meer fiscale fraude en corruptie werden gefaciliteerd. De rechtbank acht dit in negen van de tien zaaksdossiers bewezen; in werkelijkheid deden het trustkantoor niets meer dan facturen versturen en de daarop ontvangen betaalde bedragen doorsluizen naar offshore vennootschappen. Ook werden op grote schaal overeenkomsten en facturen geantedateerd, om werkzaamheden die al waren voltooid alsnog via het trustkantoor te laten factureren of om royalties in rekening te brengen over een periode waarin het trustkantoor nog geen IE-rechten bezat. Gepoogd werd om een en ander af te dekken door middel van onderliggende overeenkomsten. Door de winsten van klanten weg te sluizen naar offshore vennootschappen werden structureel grote hoeveelheden geld witgewassen. De rechtbank acht bewezen dat twee directeuren zich als feitelijk leidinggever daaraan hebben schuldig gemaakt. Gedurende ruim tien jaar hebben zij aldus in georganiseerd verband als verdienmodel schijnstructuren aan cliënten aangeboden en uitgevoerd. De rechtbank merkt dit samenwerkingsverband aan als een criminele organisatie en acht bewezen dat deze directeuren daaraan hebben deelgenomen.

Met deze zaken zijn grote bedragen gemoeid. Alleen al met de constructies in de bewezenverklaarde zaaksdossiers is in de loop der jaren ten minste 40 miljoen euro en 15 miljoen dollar binnengekomen. Voor het trustbedrijf was dit een zeer lucratieve bezigheid. Op de ontvangen bedragen werd een commissie van zo’n 5 % ingehouden, voordat deze werden doorbetaald naar de offshores. De rechtbank vindt dat de directeuren door hun strafbare handelswijze schade hebben toegebracht aan het vertrouwen in de financiële sector waarin zij werkzaam waren. Van de trustsector wordt verwacht dat niet alleen aan formele verplichtingen wordt voldaan, maar ook dat de mensen die er werken ervoor zorgen dat die sector verschoond blijft van dergelijk misbruik van structuren. Bovendien zorgt dit handelen voor concurrentievervalsing ten opzichte van trustkantoren die wel voldoen aan de strenge vereisten en zorgplichten en onder toezicht van DNB staan.

Aan verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 365 dagen, waarvan de helft voorwaardelijk en een beroepsverbod van drie jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845015-11 (Promis)

Datum uitspraak: 10 december 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

, en aldaar feitelijk verblijvende.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

  • -

    24, 25, 26 en 27 september 2018,

  • -

    1, 2, 3 en 4 oktober 2018 en

  • -

    10 december 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. H.J. Hart en C.P.W. Kok en van wat [verdachte] en zijn raadslieden mr. America en mr. Deutz (hierna: de raadsvrouw) naar voren heeft gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 2002 tot en met 2013 op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift en witwassen. Dit zou [verdachte] tezamen met anderen hebben gedaan en/of zou hij hieraan feitelijk leiding hebben gegeven. Daarnaast wordt hem deelname aan een criminele organisatie verweten.

Bij de bespreking van de afzonderlijke feiten zal concreter worden ingegaan op de beschuldiging. De integrale tekst van de tenlastelegging is aan dit vonnis gehecht als bijlage.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Een korte schets van de zaak

Betrokken personen en vennootschappen

In dit dossier komen regelmatig namen voor van vennootschappen en medewerkers van de [trustkantoor] In dit vonnis zullen deze personen met hun achternaam worden aangeduid.

Het gaat ten aanzien van de natuurlijke personen onder meer om

[medeverdachte] ,

[verdachte]

[naam 1] ,

[naam 2] ,

[naam 17] ,

[naam 4]

[naam 5] .

Van het kantoor in Monaco komt vooral DGA [naam 15] regelmatig in beeld.

Daarnaast zijn onder meer de volgende vennootschappen betrokken.

BHC : Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken "Amstellodamus" BV

GBC : Global Business & Communications (The Netherlands) BV

[naam B.V. 1] , met ingang van 25 juni 2007 Amstellodamus Real Estate BV

Orient Invest : Orient Invest Ltd.

Met de [trustkantoor] wordt bedoeld de groep aan vennootschappen waarvan
[medeverdachte] en [verdachte] DGA waren, zoals weergegeven in het dossier in D-0420A.

Het kantoor

[medeverdachte] is begin jaren ‘90 met [naam 7] (hierna: [naam 7] ) gaan samenwerken.

Binnen het [naam 7] -concern zetten zij het trustkantoor [trustkantoor] op. [medeverdachte] had ervaring in trustwerk opgedaan bij [naam trustkantoor 2] en bij International Fiscal Services (hierna: IFS). [verdachte] trad in 1997 in dienst bij het trustkantoor [trustkantoor] . [verdachte] was vóór [trustkantoor] als fiscalist werkzaam bij [naam trustkantoor 2] .

De vennootschappen die door het trustkantoor [trustkantoor] werden bediend worden aangeduid als doelvennootschap, waarbij iedere ultimate beneficial owner (hierna: UBO) een eigen vennootschap heeft. Gelden stroomden van Europese ondernemingen in landen met een hoog belastingtarief - via de Nederlandse doelvennootschappen - naar offshore vennootschappen in landen met een laag belastingtarief of zelfs zonder belastingheffing.
De doorstroomgelden bestonden onder meer uit vergoedingen uit hoofde van intellectuele eigendomsrechten die in (sub)licentie worden gegeven (royalties) of dividenden uit onderliggende deelnemingen. Deze activiteiten worden gecombineerd met de mogelijkheden die het Nederlandse verdragennetwerk ter voorkoming van dubbele belastingheffing biedt.

Binnen het trustkantoor ontstond vanaf medio jaren ‘90 naast de trusttak voor doelvennootschappen de zogeheten handelstak. Binnen de handelstak hadden klanten geen eigen doelvennootschap nodig, maar kon ten behoeve van het doorstromen gebruik worden gemaakt van een vennootschap van het trustkantoor zelf; de inhouse vennootschappen.

Een belangrijk verschil tussen de trusttak en de handelstak was dat bij de handelstakstructuur de diensten van de doorstroomvennootschappen niet vielen onder de in 2004 in werking getreden Wet toezicht trustkantoren (hierna: Wtt). Pas door een wetswijziging in 2012 vielen die diensten waarbij ten behoeve van een klant gebruik werd gemaakt van een vennootschap die tot dezelfde groep behoort als het trustkantoor ook onder de Wtt. Volgens de Memorie van Toelichting bij die wet, was dit van belang voor de bestrijding van onder meer witwassen.

Een ander verschil tussen de trusttak en de handelstak was het verdienmodel. Binnen de trusttak werd door het trustkantoor gefactureerd aan de klanten op basis van vergoeding van een uurtarief naast bepaalde vaste kosten. Binnen de handelstak bracht het trustkantoor de klant een commissie van doorgaans 5% in rekening van de door te stromen bedragen. Dit was vanwege de hoogte van de gemoeide bedragen veel lucratiever dan het verdienmodel binnen de trusttak.

Bij de splitsing van [trustkantoor] in een trusttak en een handelstak bleef
[verdachte] zich bezig houden met de trusttak en ging medeverdachte [medeverdachte] zich met name bezig houden met de handelstak. In de loop der jaren is [verdachte] meer betrokken geraakt bij de handelstak.

Rond het jaar 2000 waren de activiteiten van de [trustkantoor] uitgebreid met kantoren in Amsterdam, Brussel, Genève, Boedapest, Madrid, Curacao, Jersey, Nevis en Londen. Al deze kantoren hadden een eigen directie die door [medeverdachte] werden aangestuurd.
In 2002 verkreeg [naam 7] aandelen in het Monegaskische trustkantoor [naam 21] SAM (hierna: [naam 21] ). In 2003 verhuisde [medeverdachte] naar [plaats] om daar het kantoor in Monaco te runnen.

Na het vertrek van [medeverdachte] werd naast [verdachte] [naam 9] aangesteld als directeur binnen de [trustkantoor] . [medeverdachte] en [naam 7] werden commissaris bij [naam B.V. 2] .. Vanaf 2005 werd nauw samengewerkt met de accountant [naam 10] die voordien werkzaam was bij [naam 11] , [naam trustkantoor 2] en die inmiddels voor zichzelf was begonnen.

[naam 7] en [medeverdachte] kwamen in 2004 overeen dat [medeverdachte] het trustbedrijf zou overnemen. De overname vond plaats in 2005. [medeverdachte] en [naam 7] raakten echter kort daarna gebrouilleerd en na een gerechtelijke procedure heeft [naam 7] in 2007 weer de beschikking gekregen over de betrokken vennootschappen. Analyse van de aangetroffen gegevens maakte dat [naam 7] vermoedde dat er op grote schaal was gefraudeerd. [naam 7] heeft dan ook in 2007 aangifte gedaan van fraude met betrekking tot de bedrijfsvoering. Nadat deze aangifte niet is opgepakt is opnieuw aangifte gedaan in 2010, waarna het onderzoek uiteindelijk wel is opgepakt door de FIOD.

Start strafrechtelijk onderzoek

Op 11 februari 2011 is door de FIOD in Haarlem het strafrechtelijk onderzoek tegen [naam 8] Management en andere verdachten ingesteld.

Op 23 maart 2010 is door [naam 7] aangifte gedaan van strafbare feiten die zouden zijn gepleegd door zijn voormalige zakenpartner [medeverdachte] . Volgens de FIOD zou [medeverdachte] een constructie hebben bedacht en uitgevoerd waarbij inhouses, gelieerd aan de [naam 8] groep vermoedelijk valse facturen opmaakten, op basis waarvan in de jaren 2002-2013 meer dan 100 miljoen euro door de EU debiteuren is overgemaakt ten gunste van de in Nederland aangehouden bankrekeningen van de inhouses. Deze inhouses zouden de door hen ontvangen factuurbedragen onder inhouding van een fee direct hebben doorgeboekt ten gunste van bankrekeningen van zogenaamde offshore vennootschappen.

De tekenbevoegden c.q. begunstigden van de offshores betroffen vermoedelijk de aan de EU debiteuren gelieerde natuurlijke personen, de zogenoemde Ultimate Beneficial Owners (UBO’s).

Vermoedelijke werkwijze

Volgens de FIOD was de vermoedelijke werkwijze als volgt. Vennootschappen, gevestigd in de EU, die aldaar economische activiteiten verrichtten werden via [naam 21] in contact gebracht met de [trustkantoor] Ten behoeve van deze vennootschappen (hierna: EU-debiteuren) werd een offshore rechtspersoon opgericht. De DGA van de EU-debiteur was vaak ook de UBO van die offshore, maar dat was niet zonder meer kenbaar voor derden.

Op papier werd het bestaan van een economische relatie voorgewend tussen de offshore en een Nederlandse rechtspersoon, de inhouse, op grond waarvan die inhouse betalingen moet verrichten aan de offshore en de offshore gerechtigd is die betalingen te ontvangen.

Daarnaast werd er tevens een economische relatie voorgewend tussen de oorspronkelijke EU-debiteur en de inhouse vennootschap.

Op grond van de overeenkomsten en facturen werden door de EU-debiteur betalingen aan de inhouse verricht. Die betalingen werden als kosten in de administratie van de EU-debiteur opgenomen, gedekt door facturen van de inhouse. De inhouse sluist de betalingen die zij van het EU bedrijf krijgt, minus een fee, door naar de offshore van de UBO. In de administratie van de EU-debiteur is alleen een kostenpost van de inhouse zichtbaar. Niet zichtbaar is dat het geld naar de offshore wordt geleid.

Men heeft gebruik gemaakt van twee soorten overeenkomsten: een overeenkomst tussen de inhouse en de EU-debiteur op grond waarvan de inhouse diensten verricht voor de EU-debiteur (bijvoorbeeld in het hieronder genoemde zaaksdossier 04 RRD de service agreement) en een overeenkomst tussen de inhouse en de offshore op grond waarvan ofwel de inhouse diensten verricht voor de offshore (agency agreement) ofwel de offshore diensten verricht in naam van de inhouse (nominee agreement, waarbij de inhouse de status van nominee krijgt). De directeur van de inhouse zou op grond van deze nominee agreement bevoegd zijn om op briefpapier van de inhouse overeenkomsten aan te gaan namens de offshore en facturen op haar briefpapier uit te schrijven voor diensten die de offshore verricht.

De offshore beschikte niet over personeel en was in sommige gevallen nog niet opgericht.

3.2.

De ten laste gelegde feiten en zaaksdossiers

Bewijsmiddelen

De hierna in de voetnoten weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in de dossiers van de FIOD met dossiernummer 47931. De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende documentnummers, nu het dossier, bestaande uit meer dan dertigduizend pagina’s, niet is voorzien van paginanummers.

4 Bewijs

4.1

Feit 2 Zaaksdossier 01 - [naam 12]

4.1.1.

Inleiding

De Zwitserse professor [naam 12] ontwikkelde een schriftelijke leermethode met leermateriaal. Deze leermethode en het materiaal werden in Duitsland in de markt gezet door de vennootschappen van [naam 12] . Op enig moment heeft [naam 12] de rechten op de leermethode en het leermateriaal ingebracht in zijn rechtspersoon Anstalt für Lehrmittel (hierna: AFL), gevestigd in Liechtenstein.

4.1.2.

De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij de Know How License Agreements tussen AFL en BHC (NL01-D256) en tussen BHC en BWA (NL01-D254), alsmede een factuur van BHC aan BWA (NL01-D257) valselijk heeft opgemaakt en voorhanden heeft gehad en/of dat hij hieraan feitelijk leiding heeft gegeven.

4.1.3.

Het standpunt van de officier

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de hele constructie staat en valt met de eerste overdracht van rechten door [naam 12] aan AFL en zo verder binnen de doorstroomstructuur. De overdracht van voornoemde rechten is vastgelegd in de know-how license agreement tussen [naam 12] en AFL en is ondertekend op 18 september 2003 (NL01-D008). De overeenkomst gaat in op 1 oktober 2003 en heeft een looptijd van 5 jaar. De know-how license agreements tussen AFL en BHC, ondertekend door o.a. [medeverdachte] , en tussen BHC en BWA AG, ondertekend door [verdachte] en [naam 13] , dateren echter van respectievelijk januari 2002 en januari 2003. Dat zou betekenen, aldus de officier van justitie, dat AFL en BHC rechten overdragen waarover zij op dat moment (nog niet) beschikken en dat is niet mogelijk. Om die reden zijn de overeenkomsten vals.

Ten aanzien van de factuur van 4 december 2003 van BHC aan BWA voor licentiegebruik vanaf januari 2002 tot en met oktober 2003, heeft de officier van justitie aangevoerd dat deze eveneens vals is aangezien BHC in januari 2002 nog niet over de licentie kon beschikken en daar dus ook niet voor kon factureren.

[verdachte] is degene die door [medeverdachte] met de uitvoering en verdere invulling van de afspraken werd belast, de klantcontacten heeft onderhouden, de concept overeenkomsten heeft opgesteld en deze op aanwijzen van de klant aanpast en zo nodig ondertekend, aldus de officier van justitie.

4.1.4.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat [verdachte] alleen de overeenkomst tussen BHC en BWA (NL01-D254) heeft opgemaakt alsmede de factuur (NL01-D257) .

De overeenkomst tussen AFL en BHC heeft [verdachte] niet opgemaakt, ook niet in nauwe en bewuste samenwerking met anderen. De tenlastegelegde overeenkomsten en factuur bevatten echter geen onwaarheid die bedoeld is om een derde te misleiden. Het feit dat er pas in een later stadium een schriftelijke overeenkomst tussen [naam 12] en AFL is opgesteld, lijkt een simpele slordigheid te zijn. Daarnaast kan niet worden aangenomen dat [verdachte] wist dat de overeenkomsten of factuur onjuiste informatie bevatten en ook niet dat hij daarbij het oogmerk had om een derde te misleiden of – indien hij het alleen voorhanden had - dat hij wist of moest vermoeden dat het daarvoor bedoeld was.

4.1.5.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat het in de hiervoor genoemde overeenkomsten tussen [naam 12] en AFL en tussen AFL en BHC om verschillende rechten gaat nu het werkingsgebied en de looptijd anders zijn.

Het is dus niet vast te stellen dat de rechten die BHC overgedragen krijgt van AFL op 25 januari 2002, dezelfde rechten zijn als die [naam 12] overdraagt aan AFL op 18 september 2003, nu bij beide overeenkomsten de daarin genoemde bijlage A, waarin de know how wordt gespecificeerd, ontbreekt.

Om die reden kan dan ook niet worden bewezen dat AFL, op het moment van het aangaan van de overeenkomst met BHC, niet over de rechten beschikte die zij in licentie aan BHC heeft gegeven en BHC op haar beurt weer in licentie heeft gegeven aan BWA en de overeenkomsten om die reden vals zijn.

Nu de rechtbank van oordeel is dat niet kan worden vastgesteld dat de overeenkomsten vals zijn, kan evenmin worden vastgesteld dat de factuur van BHC aan BWA, waaraan de overeenkomst tussen BHC en BWA ten grondslag ligt, vals is.

De rechtbank zal [verdachte] op grond van het voorgaande vrijspreken van hetgeen hem onder feit 2 ten laste is gelegd nu daartoe wettig en overtuigend bewijs ontbreekt

4.2.

Feit 3 Zaaksdossier 03 – [naam 14]

4.2.1.

Inleiding

De in Spanje wonende Nederlander [naam 14] heeft percelen grond verkocht via zijn onderneming [naam onderneming 1] , gevestigd in Spanje. Het gaat onder meer om de projecten [project 1] en [project 2] , beide behorend bij het Golf Resort van [naam 14] in [woonplaats] , Spanje. Met betrekking tot deze projecten heeft de inhouse vennootschap [naam B.V. 1] [naam onderneming 1] twee facturen gestuurd op grond van een agentenovereenkomst tussen [naam onderneming 1] en [naam B.V. 1] . De facturen zijn gedateerd op 4 en 25 juli 2006 en betreffen verkoopcommissie van respectievelijk ruim € 2 miljoen en bijna € 3,5 miljoen voor de projecten [project 1] en [project 2] . Ook bevat het dossier twee facturen die gelijk zijn aan de hiervoor beschreven facturen, met als enige verschil dat deze zijn gericht aan [onderneming 2] , een andere onderneming van [naam 14] , gevestigd in Luxemburg. De agentenovereenkomst is gedateerd 1 oktober 2005 en opgesteld in de Spaanse taal. Uit de Nederlandse vertaling blijkt dat de overeenkomst vermeldt dat [naam B.V. 1] “een vennootschap is waarvan het bedrijfsdoel, onder anderen, bestaat uit advies, beheer en promotieprojecten, marketing, werving van toekomstige cliënten, totstandbrenging en presentatie van promotie-evenementen op beurzen en feesten, en bemiddeling namens derden bij vastgoedtransacties, etc, betreffende wooncomplexen met hoog aanzien” en “dat [naam B.V. 1] de wens heeft om als agent samen te werken met [naam onderneming 1] ., voor de verkoop van grond en onroerend goed”.

Uit bankafschriften van [onderneming 2] van de CMB bank in Monaco volgt dat [onderneming 2] de betreffende bedragen reeds eind juli 2006 heeft ontvangen van [naam onderneming 1] . Bij de overboeking van het bedrag van bijna € 3,5 miljoen is de omschrijving ‘ [project 2] ’ opgenomen. Uit bankafschriften die zijn verkregen van ING bank blijkt dat [naam B.V. 1] op 16 maart 2007 bovenvermelde factuurbedragen heeft ontvangen van [onderneming 2] , onder vermelding van de factuurnummers en factuuromschrijvingen. Op basis van een agentenovereenkomst tussen [naam B.V. 1] en Wiltshire International Ltd (hierna: Wiltshire) heeft [naam B.V. 1] op 21 maart 2007 een bedrag van € 4.073.380,00 overgeboekt aan Wiltshire International Ltd. (hierna: Wiltshire).

Wiltshire, een offshore op Nevis, is een vennootschap van [naam 14] . De agentenovereenkomst tussen [naam B.V. 1] en Wiltshire is gedateerd 6 september 2006 en bevat de bepaling dat Wiltshire als principaal de Europese markt en in het bijzonder de Spaanse markt zal verkennen, via het uitgebreide netwerk van [naam B.V. 1] , ten behoeve van de verkoop en ontwikkeling van vastgoedprojecten.

Met betrekking tot het project [project 1] bevat het dossier ook nog een factuur van Orient Invest, een vennootschap van [medeverdachte] , aan [naam B.V. 1] . Deze factuur is gedateerd 22 juli 2007 en brengt een bedrag van € 66.200,00 in rekening voor de diensten die zijn verricht in maart ten behoeve van [project 1] .

Alle hierna te noemen ten laste gelegde documenten zijn op 13 maart 2012 aangetroffen in het kantoor van de [trustkantoor] te Amsterdam.

4.2.2.

De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij valselijk stukken heeft opgemaakt en voorhanden heeft gehad. Het gaat het om de volgende geschriften:

  • -

    (NL03-D052) de Agency Agreement tussen Wiltshire en [naam B.V. 1] , gedateerd 6 september 2006,

  • -

    (NL03-D053) de agentenovereenkomst tussen [naam 14] en [naam B.V. 1] , gedateerd 1 oktober 2005,

  • -

    (NL03-D062) de factuur "invoice 60701" van [naam B.V. 1] aan [naam onderneming 1] van 4 juli 2006,

  • -

    (NL03-D063) de factuur "invoice 60701" van [naam B.V. 1] aan [onderneming 2] van 4 juli 2006,

  • -

    (NL03-D064) de factuur "invoice 60702" van [naam B.V. 1] aan [naam onderneming 1] van 25 juli 2006,

  • -

    (NL03-D065) de factuur "invoice 60702" van [naam B.V. 1] aan [onderneming 2] van 25 juli 2006 en

  • -

    (NL03-D075) de factuur "invoice 07805" van Orient Invest aan [naam B.V. 1] van 22 juli 2007.

De valsheid zou er bij de overeenkomst tussen Wiltshire en [naam B.V. 1] in zijn gelegen dat die is ondertekend op 6 september 2006. De valsheid zou er bij de overeenkomst tussen [naam 14] en [naam B.V. 1] in zijn gelegen dat die is ondertekend op 1 oktober 2005, dat [naam B.V. 1] een vals bedrijfsdoel heeft opgenomen en dat [naam B.V. 1] de wens had om als agent samen te werken met de [naam onderneming 1] groep.

De valsheid van de facturen zou inhouden dat die op de genoemde data zijn opgemaakt en dat wordt voorgewend dat [naam B.V. 1] / Orient Invest werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot het vermelde factuurbedrag.

4.2.3.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde valsheden en daartoe het volgende aangevoerd.

[naam 14] heeft een probleem als de al in juli 2006 verrichte commissiebetalingen van meer dan 5 miljoen euro van [naam onderneming 1] aan [onderneming 2] , een rechtspersoon van [naam 14] , niet door de directie van [onderneming 2] geaccepteerd worden. Wiltshire is pas op 6 september 2006 in handen gekomen van [naam 14] . Op 8 december 2006 heeft [verdachte] op het kantoor in Amsterdam op verzoek van [naam 21] een eerste ontmoeting met [naam 14] . Er wordt een papieren constructie bedacht waardoor het commissiegeld achteraf van de ene buitenlandse (afgeschermde) rechtspersoon van [naam 14] naar de andere gesluisd kan worden. Van concreet verrichte werkzaamheden van een agent, zoals men in het geantedateerde contract wil doen voorkomen, is geen sprake.

De valsheden bestaan hierin dat de voornoemde overeenkomsten en facturen alle geantedateerd zijn en materieel ook niet kloppen. Alle stukken zijn opgemaakt nadat de beweerdelijke prestatie en betalingen allang verricht waren. De prestaties waarvoor gefactureerd wordt, zijn niet door de facturerende partij verricht.

De factuur van Orient Invest is volgens de officieren van justitie eveneens geantedateerd want deze is in oktober 2007 opgemaakt en gedateerd op 22 juli 2007; de datum van oprichting van Orient Invest. De factuur wendt in strijd met de werkelijkheid voor dat Orient Invest werkzaamheden heeft verricht voor de oprichtingsdatum ten behoeve van het genoemde project.

4.2.4.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Weliswaar had van [verdachte] verwacht mogen worden dat hij zorgvuldiger was geweest met het controleren van de data en het verlangen van een vertaald document voordat hij deze medeondertekende, maar dat er een onjuistheid op een geschrift terecht is gekomen maakt niet dat [verdachte] daarmee het oogmerk heeft gehad om te misleiden of – indien hij het alleen voorhanden had – dat hij wist of moest vermoeden dat de stukken daarvoor bedoeld waren. Van het Spaanstalige document kan bovendien niet vastgesteld worden dat [verdachte] opzet heeft gehad op de inhoud daarvan, nu hij die inhoud niet kende. Van enige betrokkenheid van [verdachte] bij de totstandkoming van factuur 5 blijkt niet uit het dossier. Deze factuur is naar alle waarschijnlijkheid door Orient Invest in Dubai opgemaakt.

4.2.5.

Het oordeel van de rechtbank

Valsheid in geschrift; oogmerk tot misleiding

Bij de beantwoording van de vraag of valsheid in geschrifte bewezen kan worden, is het volgende van belang.

Van valsheid in geschrifte is sprake als een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk is opgemaakt of vervalst met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken. Dit oogmerk behelst doelbewustheid met betrekking tot het gebruiken of het doen gebruiken van het valse/vervalste geschrift als echt en onvervalst. Het oogmerk is gericht op misleiding. Dit betekent dat er derden in het spel moeten zijn, die niet van de valsheid op de hoogte zijn.

Een daadwerkelijk gebruik van het stuk is voor artikel 225 lid 1 Sr niet nodig en het gebruik behoeft niet te bestaan in bewijslevering waarvoor het stuk (in de eerste plaats) bestemd is.

Voor bewezenverklaring van het vereiste oogmerk is aldus beslissend of de verdachte de bedoeling had het valse geschrift te gebruiken of – door anderen- te doen gebruiken als ware het echt en onvervalst. Als het oogmerk niet uit de verklaring van de verdachte blijkt, zal het bewijs uit de omstandigheden van het geval moeten worden afgeleid. Als het geschrift door opzettelijk handelen van de verdachte in het maatschappelijk verkeer is gekomen, mag bij verdachte ook de bedoeling daartoe aanwezig worden geacht, tenzij door de verklaringen van de verdachte of anderszins aannemelijk wordt dat de verdachte niet de bedoeling had dat het geschrift gebruikt zou worden.

In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

Alle hiervoor genoemde ten laste gelegde documenten zijn opgenomen in de administratie van de vennootschappen van de [trustkantoor] en ook op het kantoor in Amsterdam aangetroffen.

De Hoge Raad heeft bepaald dat een bedrijfsadministratie in haar geheel wordt aangemerkt als een samenstel van geschriften bestemd om tot het bewijs van het daarin vermelde te dienen. Het opnemen van valse overeenkomsten en facturen in de bedrijfsadministratie kan derhalve bewezen worden verklaard als het valselijk opmaken van een geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 Sr.

• De Agency Agreement tussen Wiltshire en [naam B.V. 1] (NL03-D052)

[verdachte] heeft op vrijdag 7 september 2007 een email gestuurd naar [naam 15] van [naam 21] met de mededeling dat hij de overeenkomst aan hem zal toesturen, zodra die ondertekend is1. Hij vermeldde bovendien dat hij verwachtte dat hij de overeenkomst maandag zou hebben. De rechtbank begrijpt dat [verdachte] hiermee verwijst naar maandag 10 september 2007.

Op maandag 10 september 2007 stuurde [naam 16] , een notaris in Zwitserland, die als bestuurder van MHC SA (hierna: MHC) de directie voerde bij de offshore Wiltshire, per fax de Agency Agreement naar De [trustkantoor] , geadresseerd aan [verdachte]2. De overeenkomst die was bijgevoegd is inhoudelijk gelijk aan de ten laste gelegde overeenkomst, maar bevat alleen een handtekening namens Wiltshire en als datum van ondertekening een datum van een jaar daarvoor, namelijk 6 september 20063.

Op 23 oktober 2007 stuurt [naam 16] [naam 21] de eveneens door [verdachte] en [naam 9] namens [naam B.V. 1] ondertekende overeenkomst met Wiltshire aan [naam 21] door.4

De rechtbank kan niet vaststellen wat de exacte datum van ondertekening is geweest door [verdachte] , maar zij kan wel vaststellen dat dat in ieder geval tussen 10 september en 23 oktober 2007 is geweest. Nu de overeenkomst vermeldt dat deze is ondertekend op 6 september 2006, is de overeenkomst op dat onderdeel vals.

[verdachte] heeft door ondertekening van de een jaar eerder gedateerde overeenkomst deze overeenkomst opzettelijk vals opgemaakt en deze vervolgens als echt en onvervalst in de administratie opgenomen danwel laten opnemen. Door aldus te handelen heeft [verdachte] daarmee de mogelijke bewijsbestemming van dit geschrift, zowel in-als extern onderkend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat daarmee het oogmerk vast staat om de valse overeenkomst als echt en onvervalst te gebruiken.

• De agentenovereenkomst tussen [naam 14] en [naam B.V. 1] (NL03-D053)

De agentenovereenkomst is in de Spaanse taal opgesteld. [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij de inhoud daarvan niet kende, totdat de FIOD in deze strafzaak de overeenkomst heeft laten vertalen. [verdachte] heeft ook verklaard dat hij de overeenkomst heeft ondertekend zonder bewustzijn van de precieze inhoud. Uit het dossier blijkt echter dat [verdachte] op 4 februari 2010 uitleg heeft gegeven aan de Belastingdienst over de samenwerking met [naam 14]5. Hij heeft in zijn fax aan de Belastingdienst, vanwege vragen vanuit Spanje over de betaling van de commissies inzake [project 1] , opgenomen dat de aard van de werkzaamheden van [naam B.V. 1] zag op bemiddeling bij de aan- en verkoop van onroerend goed projecten in binnen- en buitenland en heeft daarmee nagenoeg dezelfde omschrijving gegeven van de werkzaamheden, als die in de pas later door de FIOD vertaalde overeenkomst staat. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [verdachte] precies wist wat er in de Spaanstalige agentenovereenkomst tussen [naam 14] en [naam B.V. 1] stond.

[naam 14] heeft op 11 december 2006 per email een agentenovereenkomst naar [verdachte] gestuurd, naar aanleiding van de ontmoeting die zij kort daarvoor hebben gehad6. De overeenkomst die bij die email is gevoegd is inhoudelijk gelijk aan de ten laste gelegde overeenkomst, met dien verstande dat de gegevens van [naam B.V. 1] nog ontbraken en het stuk door niemand was ondertekend. De bedoeling is volgens [naam 14] om een herfacturering te laten plaatsvinden voor het einde van het jaar van rond 5 miljoen euro. Op 13 december 2006 heeft [verdachte] een email gestuurd naar [naam 14] met de gegevens van [naam B.V. 1] die moesten worden opgenomen in de overeenkomst7. Tot slot heeft [verdachte] op 20 december 2006 de overeenkomst opnieuw naar [naam 14] gemaild, voorzien van een handtekening van [verdachte] en [naam 9] , waarbij [verdachte] de naam van [naam 8] heeft veranderd in verband met de recente naamswijziging.8

Hoewel op grond van het voorgaande niet kan worden vastgesteld op welke dag de overeenkomst is ondertekend, kan wel worden vastgesteld dat de ondertekening heeft plaatsgevonden medio december 2006 en niet, zoals op de overeenkomst is vermeld, op

1 oktober 2005.

Gezien voornoemde door [verdachte] doorgevoerde naamswijziging was hij zich ervan bewust dat de datum van ondertekening van de overeenkomst meer dan een jaar na de contractdatum lag.

[verdachte] heeft de overeenkomst op dit punt dan ook opzettelijk vals opgemaakt.

Naast antedateren is ook ten laste gelegd dat in de overeenkomst staat dat het bedrijfsdoel van [naam B.V. 1] , onder andere, bestaat uit advies, beheer en promotieprojecten, marketing, werving van toekomstige cliënten, totstandbrenging en presentatie van promotie-evenementen op beurzen en feesten, en bemiddeling namens derden bij vastgoedtransacties, etc, betreffende wooncomplexen met hoog aanzien en dat [naam B.V. 1] de wens heeft om als agent samen te werken met [naam onderneming 1] voor de verkoop van grond en onroerend goed. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat dit het bedrijfsdoel was van [naam B.V. 1] en dat er een wens was om als agent met [naam onderneming 1] te werken. Dat het ook niet de bedoeling is geweest van partijen blijkt uit de verklaring van [naam 14] dat de notariële afhandeling van de verkochte percelen al had plaats gevonden op 26 juni 2006, dus een half jaar vóór ondertekening van de agentenovereenkomst.9

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de werkzaamheden niet door [naam B.V. 1] zijn uitgevoerd en dat de overeenkomst ook inhoudelijk vals is. [verdachte] had opzet op deze valsheid omdat hij bevraagd door de belastingdienst over de achtergrond van de betaalde commissies precies dat heeft geantwoord wat partijen hierover in het contract hebben opgenomen, terwijl hij moet hebben geweten dat de werkzaamheden al voor ondertekening van de overeenkomst waren uitgevoerd. Door deze overeenkomst in de administratie op te nemen bestond bij [verdachte] tevens het oogmerk van misleiding.

• De facturen van [naam B.V. 1] aan [naam onderneming 1] en [onderneming 2] (NL03-D062 t/m NL03-D065)

[naam 14] heeft op 19 december 2006 de conceptfacturen voor [naam onderneming 1] gemaild naar [verdachte] met de mededeling dat hij dit jaar nog wat facturen in orde wilde hebben en met het verzoek om die over te nemen op briefpapier van [naam B.V. 1]10. Op 20 december 2006 heeft [naam 17] deze facturen gemaild naar [verdachte]11. Nu [naam 14] het verzoek heeft gericht aan [verdachte] , heeft [verdachte] dit verzoek kennelijk doorgezet naar [naam 17] , die de facturen uiteindelijk heeft opgemaakt. De facturen worden gedateerd op 4 en 25 juli 2006 en betreffen verkoopcommissies met betrekking tot de percelen [project 1] en [project 2] .

Op 16 maart 2007 heeft [naam 14] [verdachte] gemaild met het verzoek om de factuur van 4 juli 2006 aan te passen, omdat het daarop vermelde bedrag niet overeen komt met de reeds verrichte betaling.12 Het bedrag moest verlaagd worden naar € 2.154.240,00, hetgeen ook op de ten laste gelegde factuur staat vermeld. [verdachte] heeft gedaan wat hem door [naam 14] is gevraagd en heeft op 19 maart 2007 per email de aangepaste factuur naar [naam 14] gestuurd, die gelijk is aan de ten laste gelegde factuur.13

Na controle door [naam 14] bedacht hij zich en besliste [naam 14] dat de factuur gericht moest worden aan [onderneming 2] . [naam 14] heeft deze beslissing, tezamen met de adresgegevens van [onderneming 2] , per email naar [verdachte] gestuurd op 21 maart 2007.14 [verdachte] heeft de aangepaste factuur, gelijk aan de ten laste gelegde factuur van 4 juli 2006, op dezelfde dag terug gestuurd.15 [verdachte] vraagt [naam 14] per mail of hij de andere factuur ook aan [onderneming 2] moet richten. Deze factuur van 25 juli 2006 is ook aangetroffen, waaruit kan worden opgemaakt dat [verdachte] eveneens deze factuur heeft aangepast.

De rechtbank concludeert dat uit voorgaande blijkt dat de facturen geantedateerd zijn. Ook is op deze facturen in strijd met de waarheid opgenomen dat [naam B.V. 1] tot een verkoopcommissie gerechtigd is vanwege verrichte werkzaamheden. Zoals blijkt uit de verklaring van [naam 14] waren de werkzaamheden al afgerond ruim voordat [verdachte] een eerste ontmoeting had met [naam 14] . Uit het dossier en de behandeling ter zitting blijkt ook niet dat [naam B.V. 1] werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van [naam onderneming 1] en [onderneming 2] anders dan administratieve werkzaamheden, waaronder onder meer het opmaken, aanpassen en versturen van facturen en contracten en het laten doorstromen van gelden naar de offshore. Niet is gebleken van verkoopwerkzaamheden van [naam B.V. 1] die commissiebedragen van ruim 2 en 3 miljoen euro rechtvaardigen. De verweren van [verdachte] en [medeverdachte] dat de offshore of derden de werkzaamheden hebben verricht dan wel dat er sprake is van herfacturatie slagen niet. Dat blijkt immers niet uit de facturen, waaruit enkel kan worden opgemaakt dat juist de inhouse de vermelde werkzaamheden heeft verricht. De facturen zijn derhalve op alle in de tenlastelegging genoemde punten valselijk opgemaakt.

De opzet van [verdachte] op de valsheid van de facturen volgt daaruit dat uit de mailwisseling tussen [naam 14] en [verdachte] blijkt dat [verdachte] zonder vragen te stellen voldoet aan de verzoeken van [naam 14] om in december 2006 geantedateerde facturen aan [naam onderneming 1] op te laten maken en dat hij deze facturen daarna wederom op verzoek van [naam 14] zo aanpast dat ze gericht zijn aan [onderneming 2] , een maritiem bedrijf, terwijl er volgens de agentenovereenkomst als agent met [naam onderneming 1] zou worden gewerkt voor de verkoop van onroerend goed. De conclusie is dan ook dat [verdachte] deze facturen opzettelijk valselijk heeft opgemaakt en door deze facturen in de bedrijfsadministratie op te nemen dan wel te laten opnemen heeft [verdachte] de mogelijke bewijsbestemming van deze facturen zowel in-als extern onderkend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat daarmee het oogmerk vast staat om de valse facturen als echt en onvervalst te gebruiken.

• De factuur van Orient Invest aan [naam B.V. 1] (NL03-D075)

[medeverdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij de ten laste gelegde factuur heeft opgemaakt in het najaar van 2007 en daarop een datum heeft vermeld die lag voor de liquidatie van [naam B.V. 1] op 30 september 2007. De rechtbank kan niet vaststellen dat [verdachte] enige betrokkenheid heeft gehad bij het opstellen van deze factuur. Daarvan zal [verdachte] worden vrijgesproken.

Voorhanden hebben

Hoewel het opmaken van deze factuur in de VAE is geschied, is de factuur aangetroffen in het kantoorgebouw van de [trustkantoor] De rechtbank dient daarom vervolgens de vraag te beantwoorden of bewezen kan worden dat [verdachte] de factuur voorhanden heeft gehad. Daarbij is het volgende van belang.

Van opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift is sprake als verdachte zodanig geschrift voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.

Er is sprake van opzettelijk voorhanden hebben als het valse geschrift aan verdachte wordt afgeleverd. Maar voorhanden hebben omvat ook het elders hebben liggen. Essentieel bij voorhanden hebben is het tot de beschikking hebben in die zin dat gebruik kan worden gemaakt van de bewijsbestemming van het geschrift, indien dat wordt gewenst. Verder dient er wetenschap of een vermoeden te bestaan van de bestemming tot gebruik als ware het geschrift echt en onvervalst. Alle ten laste gelegde documenten zijn aangetroffen in de bedrijfsadministratie van de rechtspersonen van de [trustkantoor] Doordat de documenten waren opgenomen in de administratie wist [verdachte] dat de stukken bestemd waren tot gebruik als ware die documenten echt en onvervalst. Ook had [medeverdachte] volledige toegang tot en zeggenschap over de administratie en daarmee de beschikking over die documenten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] alle ten laste gelegde documenten samen met [medeverdachte] voorhanden heeft gehad.

4.2.6.

De bewezenverklaring

Onder feit 3 is bewezen dat [verdachte]

in de periode van 1 december 2006 tot en met 31 oktober 2007 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk geschriften, te weten:

1. NL03-D052) de Agency Agreement tussen Wiltshire International Ltd. en [naam B.V. 1] , gedateerd 6 september 2006,

2. ( NL03-D053) de “Contrato de Agencia” tussen [naam 14] , optredend voor [naam onderneming 1] Group Spain SA en [naam B.V. 1] , gedateerd 1 oktober 2005,

3. Twee facturen, te weten

(NL03-D062) de factuur "invoice 60701" van [naam B.V. 1] aan [naam onderneming 1] Group Spain SA, gedateerd 4 juli 2006 en

(NL03-D063) de factuur "invoice 60701" van [naam B.V. 1] aan [onderneming 2] SA, gedateerd 4 juli 2006, en

4. twee facturen, te weten

(NL03-D064) de factuur "invoice 60702" van [naam B.V. 1] aan [naam onderneming 1] Group Spain SA, gedateerd 25 juli 2006 en

(NL03-D065) de factuur "invoice 60702" van [naam B.V. 1] aan [onderneming 2] SA, gedateerd 25 juli 2006,

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te laten gebruiken, en

in de periode van 1 december 2006 tot en met 13 maart 2012 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, valse geschriften, te weten de hiervoor genoemde onder 1., 2., 3. en 4. en

5. ( NL03-D075) de factuur “invoice 07805” van Orient Invest Ltd. aan [naam B.V. 1] , gedateerd 22 juli 2007,

opzettelijk voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken,

voornoemde valsheden bestaan hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en opgenomen, dat

- ad 1.: deze overeenkomst is ondertekend op 6 september 2006,

- ad 2.: deze overeenkomst is ondertekend op 1 oktober 2005, dat [naam B.V. 1] een vennootschap is waarvan het bedrijfsdoel, onder anderen, bestaat uit advies, beheer en promotieprojecten, marketing, werving van toekomstige cliënten, totstandbrenging en presentatie van promotie-evenementen op beurzen en feesten, en bemiddeling namens derden bij vastgoedtransacties, etc, betreffende wooncomplexen met hoog aanzien en dat [naam B.V. 1] de wens heeft om als agent samen te werken met [naam onderneming 1] GROUP SPAIN, S.A., voor de verkoop van grond en onroerend goed,

- ad 3.: [naam B.V. 1] voor [naam onderneming 1] en [onderneming 2] werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 2.154.240 wegens “sales commission for the plot RC305/306 in [project 1] ” en dat die facturen zijn opgemaakt op 4 juli 2006,

- ad 4.: [naam B.V. 1] voor [naam onderneming 1] en [onderneming 2] werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 3.352.320 wegens “sales commission for the plots RA-261 TO 266/RA-287 TO 286 ( [project 2] )” en dat die facturen zijn opgemaakt op 25 juli 2006, en

- ad 5.: Orient voor [naam B.V. 1] werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 66.200 wegens “professional services during March on [project 1] , time spent, co-ordination in Spain as requested and agreed with directors [naam B.V. 1] including of disbursments”.

4.3.

Feit 4 Zaaksdossier 04 – R.R.D.

4.3.1.

Inleiding

RRD Reti Radiotelevisive Digitali S.p.a (hierna: RRD) is in de ten laste gelegde periode een vennootschap van [naam 18] . De vennootschap houdt zich bezig met de overdracht van audio- en videosignalen door middel van het gebruik van televisiefrequenties voor de ontvangst op mobiele apparatuur. [naam 18] is via [naam 15] in contact gekomen met [verdachte] , voor het opzetten van een fiscaal gunstige royaltystructuur voor zijn intellectuele eigendomsrechten. [naam 15] heeft zelf een offshore voor [naam 18] geregeld, namelijk Papyrus.

Alle hierna te noemen ten laste gelegde documenten zijn op 13 maart 2012 aangetroffen in het kantoor van de [trustkantoor]

4.3.2.

De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij valselijk stukken heeft opgemaakt en voorhanden heeft gehad. Specifiek gaat het om de volgende stukken:

  • -

    (NL04-D102) de Nominee Agreement tussen Papyrus en GBC, gedateerd 25 september 2006,

  • -

    (NL04-D099) de Service Agreement tussen GBC en RRD, gedateerd 1 maart 2006,

  • -

    (NL04-D103) de factuur "invoice 60630" van GBC aan RRD, gedateerd 30 juni 2006.

De valsheid bij de overeenkomsten zou de genoemde datum van inwerkingtreding zijn.

De Service Agreement zou bovendien valselijk vermelden dat die is ondertekend op 1 maart 2006. De facturen zijn geantedateerd en wenden valselijk voor dat de genoemde diensten zijn verricht.

4.3.3.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het feit en daartoe het volgende aangevoerd.

[verdachte] en [naam 18] hebben samen de tenlastegelegde overeenkomsten en factuur vervalst.

De nominee agreement tussen Papyrus en GBC is op 25 september 2006 namens de offshore en door [verdachte] en [naam 13] namens GBC ondertekend, maar valselijk opgemaakt als effective as of February 2006. De ondertekening van de service agreement tussen GBC en RRD is valselijk gedateerd op 1 maart 2006 en ondertekend door zowel [naam 18] (namens RRD) en door [verdachte] en [naam 13] (namens GBC). Door voorgaande gang van zaken wordt het onjuiste beeld geschapen dat er al vanaf februari 2006 een contractuele relatie heeft bestaan tussen RRD, GBC en Papyrus, terwijl Papyrus toen nog op de plank lag bij [naam 21] . [verdachte] had [naam 18] toen nog helemaal niet ontmoet; de eerste ontmoeting was pas in juni 2006.

Uit e‑mailberichten in het dossier volgt dat de overeenkomsten pas in juni 2006 zijn opgemaakt, terwijl de factuur pas in juli 2006 is opgemaakt. De factuur is opgemaakt op verzoek van [naam 18] en daar heeft geen prestatie aan ten grondslag gelegen. De specificatie op de factuur is daarom ook vals.

Het gefactureerde bedrag is door GBC ontvangen van RRD op 14 juli 2007. Op 17 juli 2007 is een bedrag van € 1.235.045,00 door GBC betaald aan Papyrus.

4.3.4.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van de nominee agreement tussen Papyrus en GBC kan niet worden vastgesteld dat het stuk onware informatie bevatte en, als dat al zo zou zijn, dat [verdachte] dit wist en dat hij daarbij het oogmerk had om een derde, zoals de buitenlandse fiscus, te misleiden of, indien hij het alleen voorhanden had, dat hij wist of moest vermoeden dat het geschrift daarvoor bedoeld was.

Ten aanzien van de service agreement is de mogelijk onjuiste datum van ondertekening niet bedoeld om een derde te misleiden. Nu dit niet kan worden aangenomen en – indien [verdachte] het alleen voorhanden had – evenmin is gebleken dat hij wist of moest vermoeden dat de overeenkomst daarvoor bedoeld was, kan [verdachte] ook niet verantwoordelijk worden gehouden voor de inhoud van de factuur.

4.3.5.

Het oordeel van de rechtbank

• De Nominee Agreement tussen Papyrus en GBC (NL04-D102)

[naam 18] heeft verklaard dat de constructie met [verdachte] erop was gericht om de winsten laag te houden. [naam 15] heeft Papyrus opgericht voor [naam 18] ten behoeve van de overschrijvingen op grond van valse facturen.16 De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaring blijkt dat de samenwerking met [verdachte] pas is begonnen nadat [naam 18] de beschikking kreeg over Papyrus. Uit het dossier blijkt dat Papyrus op 21 juni 2006 in handen is gekomen van [naam 18] .17

Gelet daarop is het dus niet mogelijk dat er al een contractuele relatie was tussen Papyrus en GBC in februari 2006, zoals door de nominee agreement wordt voorgewend. Om die reden is de overeenkomst vals.

Dat [verdachte] hiervan wetenschap had blijkt uit de inhoud van de e-mailberichten in het dossier. [verdachte] heeft op 26 juni 2006 per e-mail aan [naam 18] laten weten dat hij naar aanleiding van hun ontmoeting wacht op informatie.18 Diezelfde dag liet [naam 15] per email aan [verdachte] weten dat de tweede naam Papyrus zal zijn.19 Daarnaast liet [naam 18] op 28 juni 2006 aan [verdachte] weten dat hij zich kon wenden tot [naam 15] om de samenwerking te starten.20 Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] door toch in de overeenkomst op te nemen dat deze in werking zou treden per 22 februari 2006, de overeenkomst valselijk heeft opgemaakt; hij wist immers dat partijen elkaar toen nog niet ontmoet hadden, maar pas in juni 2006.

• De Service Agreement tussen GBC en RRD (NL04-D099) en de factuur van GBC aan RRD (NL04-D103)

Zoals hiervoor is komen vast te staan is de samenwerking met [naam 18] pas gestart in juni 2006. Om die reden kan de Service agreement tussen GBC en RRD niet van kracht zijn sinds 1 maart 2006 en is deze overeenkomst eveneens vals. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat

[naam 18] in zijn e-mailbericht van woensdag 28 juni 2006 aan [verdachte] liet weten dat hij haast had en dat hij voor maandag (de rechtbank begrijpt 3 juli 2006) een factuur moest hebben van bijna € 1,3 miljoen voor verschillende diensten zoals genoemd in zijn e-mailbericht. Daarbij schrijft hij: “Pls refer to a first meeting started last september and an agreement in Amsterdam last march”.21

Op 5 juli 2006 stuurt [verdachte] per e-mail ter accordering een conceptfactuur van 30 juni 2006 aan [naam 18] alsmede een concept service agreement met als ingangsdatum 1 februari 2006 en ondertekeningsdatum 1 maart 2006.22

Op 10 juli 2006 reageert [naam 18] op de mail van [verdachte] en geeft aan dat hij zo snel mogelijk de factuur en de documenten moet ontvangen. Hij geeft daarbij aan wat er precies op de factuur moet komen te staan.23

Op 11 juli 2006 stuurt [verdachte] per e-mail de gevraagde factuur aan [naam 18]24 en op diezelfde dag stuurt [verdachte] de ten laste gelegde factuur per e-mail aan [naam 13] , ten behoeve van haar bestand.25

Op 25 juli 2006 stuurt [verdachte] de final version van de overeenkomst naar [naam 18] en

[naam 13] .26

Hoewel de rechtbank niet kan vaststellen op welke dag de overeenkomst uiteindelijk is ondertekend, blijkt uit het voorgaande dat dit in ieder geval op of na 25 juli 2006 is gebeurd en niet, zoals op de overeenkomst vermeld, op 1 maart 2006. Door toch in de overeenkomst op te nemen dat deze op 1 maart 2006 is ondertekend en van kracht is vanaf 1 februari 2006,

heeft [verdachte] deze opzettelijk (op verzoek van [naam 18] ) valselijk opgemaakt.

Ook blijkt uit het voorgaande dat de factuur is opgemaakt op 10 of 11 juli 2006 en dus niet op 30 juni 2006, zoals vermeld op de factuur. Daarnaast wordt uit de e-mailcorrespondentie tussen [naam 18] en [verdachte] duidelijk dat het een factuur is waar geen werkzaamheden van GBC aan ten grondslag hebben gelegen, en dat [verdachte] daarvan wist. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [naam 18] tegenover de Italiaanse autoriteiten. [naam 18] heeft over de facturen van GBC verklaard dat deze vals zijn. [verdachte] had [naam 18] verteld dat hij hem kon helpen om de winst te verlagen door een constructie die eruit bestond eruit dat [verdachte] vennootschappen werden gebruikt om door [naam 18] in dienst van de business van RRD verrichte werkzaamheden te factureren, aldus [naam 18] .27

De rechtbank concludeert dat de factuur door [verdachte] opzettelijk valselijk is opgemaakt, nu deze is geantedateerd en nu daarin in strijd met de werkelijkheid wordt voorgewend dat GBC werkzaamheden voor RRD heeft verricht en dat GBC gerechtigd is tot het factuurbedrag.

[verdachte] heeft de overeenkomsten en de facturen in de bedrijfsadministratie van GBC opgenomen en daarmee de mogelijke bewijsbestemming van deze geschriften, zowel intern als extern, onderkend. De rechtbank acht daarmee bewezen dat hij het oogmerk had om de valse geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.

4.3.6.

De bewezenverklaring

Onder feit 4 is bewezen dat [verdachte]

in de periode van 28 juni 2006 tot en met 25 juli 2006 te Amsterdam en Italië en/of Monaco, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk geschriften, te weten:

  1. (NL04-D102) de Nominee Agreement tussen Papyrus Corporate Services Ltd. en Global Business & Communications (The Netherlands) B.V., gedateerd 25 september 2006,

  2. (NL04-D099) de Service Agreement tussen Global Business & Communications (The Netherlands) B.V. en RRD reti radiotelevisive digitali Spa, gedateerd 1 maart 2006 en

  3. (NL04-D103) de factuur "invoice 60630" van Global Business & Communications (The Netherlands) BV aan RRD reti radiotelevisive digitali Spa, gedateerd 30 juni 2006,

zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen en laten gebruiken, en

in de periode van 28 juni 2006 tot en met 13 maart 2012 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, valse geschriften, te weten de hiervoor genoemde onder 1., 2. en 3., opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken,

voornoemde valsheid bestaat hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en opgenomen, dat

  • -

    ad 1.: “this agreement is effective as of 22 February 2006”,

  • -

    ad 2.: “this service agreement is effective as of 1 March 2006” en dat deze overeenkomst is “Signed this 1st day of March 2006”, en

  • -

    ad 3.: de factuurdatum 30 juni 2006 is en dat GBC de in die factuur vermelde services ten behoeve van RRD heeft verricht.

4.4.

Feit 5 Zaaksdossier 05 – Intrattenimenti

4.4.1.

Inleiding

GL Intrattenimenti Srl (hierna: Intrattenimenti) was een vennootschap van [naam 19] (hierna: [naam 19] en [naam 20] (hierna: [naam 20] ) die zich bezig hield met het ontwikkelen van software voor videogames.

In 2004 is Intrattenimenti via [naam 21] in contact gebracht met de [trustkantoor] Tussen februari en december 2005 heeft Intrattenimenti drie betalingen aan de inhouse vennootschap BHC verricht, voor een totaalbedrag van € 2.105.000,-. De ontvangen gelden van Intrattenimenti werden, na aftrek van een commissie, overgemaakt ten gunste van een bankrekening in Monaco op naam van Amiral Corporation Ltd, een offshore in Nevis.
De UBOʼs van deze offshore waren de eigenaren van lntrattenimenti, [naam 19] en [naam 20] .

Alle hierna te noemen ten laste gelegde documenten zijn op 13 maart 2012 aangetroffen in het kantoor van de [trustkantoor]

4.4.2.

De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij valselijk stukken heeft opgemaakt en voorhanden heeft gehad. Specifiek gaat het om de volgende stukken:, (NL05-D094) de Know-How License Agreement tussen BHC en Intrattenimenti, ongedateerd,

  • -

    (NL05-D098) de factuur "invoice 1240712" van BHC aan Intrattenimenti, gedateerd 12 juli 2004,

  • -

    (NL05-D099) de factuur "invoice 1271011" van BHC aan Intrattenimenti, gedateerd 11 oktober 2004.

De valsheid bij al deze documenten zou de datering zijn. Met de facturen zou bovendien valselijk zijn voorgewend dat BHC de genoemde diensten heeft verricht en gerechtigd was op de daarop vermelde bedragen.

4.4.3.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde valsheden bewezen en voert daartoe het volgende aan.

[verdachte] heeft in oktober 2004 een meeting met de heren [naam 22] van Banca del Gottardo en met [naam 23] , de adviseur van [naam 19] . Ten behoeve van het op te stellen contract met betrekking tot het factureren van de fees aan de Italiaanse vennootschap is een offshore nodig.

Deze offshore wordt Amiral, die op 3 december 2004 wordt opgericht te Nevis.

Op 26 november 2004 zijn er conceptcontracten gereed en [verdachte] stuurt deze naar [naam 22] en [naam 23] met de opmerking dat de datum van het sluiten van de overeenkomst naar wens kan worden aangepast. Na retourzending van de overeenkomst is in het contract inzake Intrattenimenti de startdatum gecorrigeerd naar 1 mei 2004. [verdachte] doet nadien nog wat kleine aanpassingen en stuurt op 14 december 2004 de definitieve versie naar [naam 22] .

De know how license agreement is onder andere door [verdachte] ondertekend.

Ten behoeve van de facturen ontvangt [verdachte] van [naam 22] een overzicht op 21 december 2004. In dit overzicht zijn factuurdata met bedragen opgenomen. De ten laste gelegde facturen hebben respectievelijk de data 12 juli 2004 en 11 oktober 2004. De facturen zijn door Intrattenimenti betaald op 26 februari 2005 en 14 juli 2005.28

Nu partijen elkaar pas voor het eerst hebben ontmoet in oktober 2004 en Amiral pas op
4 december 2004 is opgericht, kan niet reeds voordien know how zijn overgedragen c.q gelicentieerd. Het contract dat een ingangsdatum heeft van 1 mei 2004 is daarmee vals.

Inhoudelijk zijn de facturen vals, omdat BHC op genoemde data nog helemaal geen rechten bezat op basis waarvan zij royalties in rekening kon brengen.

4.4.4.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en stelt zich op het standpunt dat het aannemelijk is dat het contract tussen BHC en Intratennimenti enkele maanden na de in het contract genoemde aanvangsdatum schriftelijk is vastgelegd. Voorts lijkt het erop dat [verdachte] de precieze informatie ten behoeve van de twee facturen later heeft ontvangen dan de data en de periode die uiteindelijk op de twee facturen vermeld worden. Het is niet duidelijk wanneer de structuur precies bedacht is en wanneer [naam 15] hier de eerste contacten over heeft gehad met de klant. Het is heel wel mogelijk dat er vanaf dat moment een mondelinge overeenkomst bestond en dat er mondeling afspraken zijn gemaakt over de facturatie. Bij de op de facturen genoemde data staat ook geen handtekening van BHC. Het is dus ook niet zo dat er wordt gedaan alsof de factuur op 12 juli of 11 oktober 2004 is ondertekend.

Daarnaast was het niet de intentie van [verdachte] om derden te misleiden. Hij ging uit van een legale structuur en heeft simpelweg de instructies van een bankmedewerker opgevolgd Zelfs al zou de mondelinge afspraak later zijn gemaakt, dan blijkt niet dat [verdachte] dit wist. Hij was er niet van op de hoogte dat Amiral pas in 2004 is opgericht.

4.4.5.

Het oordeel van de rechtbank

De Know-How License agreement tussen BHC en Intrattenimenti (NL04-D094) en de facturen van BHC aan Intrattenimenti (NL05-D098 en NL05-D099)

Uit het dossier blijkt dat [verdachte] via [naam 21] in contact is gekomen met [naam 22] , [naam 22] heeft op 18 oktober 2004 per e-mail aan [verdachte] laten weten dat één van zijn cliënten, Intrattenimenti reeds grote winsten had gemaakt en dat [naam 15] deze klant al had ontmoet en een structuur had voorgesteld. [naam 15] zou het één en ander nader toelichten tijdens zijn ontmoeting met [verdachte] op 22 oktober 2004.29

[verdachte] geeft per e-mailbericht van 12 november 2004 opdracht aan [naam 13] om concept contracten op te maken tussen BHC en Italy Co en tussen BHC en off shore co. De eerste is een commissie/agency overeenkomst voor verleende services en de tweede een licentieovereenkomst30.

Bij e-mailbericht van 26 november 2004 bericht [verdachte] onder meer aan [naam 22] dat de twee concept know-how overeenkomsten bijgevoegd zijn en dat de datum van ingang van de overeenkomst naar wens kan worden aangepast.31

Uit het dossier volgt dat Amiral is opgericht op 3 december 2004 en dat vanaf dat moment MHC de bestuurder was.32 De UBO’s van deze offshore zijn de gebroeders [naam 19]33.

Bij e-mailbericht van 14 december 2004 bericht [verdachte] aan [naam 22] dat hij de finale versie van de know how overeenkomst heeft bijgesloten en dat hij wat kleine aanpassingen heeft gemaakt. Voorts vraagt hij om de details voor de te versturen facturen, zodat dat ook die week gedaan kan worden34. [naam 22] stuurt op 21 december 2004 een e-mail naar [verdachte] met een lijst met factuurdata, royaltyperiodes en de te factureren bedragen.35

Bij e-mailbericht van 6 januari 2005 krijgt [verdachte] van [naam 23] een herinnering over voornoemde facturen.36 [verdachte] bedankt op dezelfde datum voor deze herinnering via e-mail en zegt dat de facturen verstuurd worden.37

De overeenkomst tussen BHC en Intrattenimenti is namens BHC door [verdachte] en [naam 13] ondertekend.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat nu Amiral is opgericht op 3 december 2004 en partijen elkaar pas ontmoet hebben in oktober 2004, er niet reeds voordien vanaf 1 mei 2004, know-how kan zijn overgedragen. De know-how license agreement is om die reden dan ook vals.

Dat heeft eveneens te gelden voor de op grond van die overeenkomst verstuurde facturen. Immers, op de factuurdata bezat BHC nog helemaal geen rechten op basis waarvan zij royalties in rekening kon brengen.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat gelet op het voorgaande bewezen kan worden dat [verdachte] de overeenkomst en de facturen heeft (laten) op(ge)ma(a)k(en)t en dat hij wist dat de inhoud daarvan in strijd was met de werkelijkheid, immers [verdachte] geeft zelf aan dat de ingangsdatum van de overeenkomst naar wens kan worden aangepast en bovendien weet hij dat die datum van voor de eerste ontmoeting tussen partijen ligt. Door zo te handelen heeft [verdachte] de facturen en de overeenkomst in de bedrijfsadministratie van BHC opgenomen en daarmee de mogelijke bewijsbestemming van die geschriften, zowel in- als extern, onderkend.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat daarmee het oogmerk vast staat om de valse geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.

Nu de documenten zijn aangetroffen op het kantooradres van de [trustkantoor] acht de rechtbank ook bewezen dat [verdachte] de ten laste gelegde documenten voorhanden had.

4.4.6.

De bewezenverklaring

Onder feit 5 is bewezen dat [verdachte]

in de periode van 21 december 2004 tot en met 31 juli 2005 te Amsterdam, Italië en Monaco, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk geschriften, te weten:

  1. (NL05-D094) de Know-How License Agreement tussen Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken [naam 7] BV en G.L. Intrattenimenti S.r.L., ongedateerd,

  2. (NL05-D098) de factuur "invoice 1240712" van Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken [naam 7] BV aan G.L. Intrattenimenti S.r.L., gedateerd 12 juli 2004, en

  3. (NL05-D099) de factuur "invoice 1271011" van Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken [naam 7] BV aan G.L. Intrattenimenti S.r.L., gedateerd 11 oktober 2004,

zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te laten gebruiken, en

in de periode van 21 november 2004 tot en met 13 maart 2012 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, valse geschriften, te weten de hiervoor genoemde onder 1., 2. en 3., opzettelijk voorhanden hebben gehad, terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken,

voornoemde valsheden bestaan hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en opgenomen, dat

  • -

    ad 1.: “This agreement shall commence as of May 1st 2004”,

  • -

    ad 2.: de factuurdatum 12 juli 2004 is, dat BHC voor Intrattenimenti werkzaamheden en/of diensten heeft verricht en jegens Intrattenimenti gerechtigd is tot een bedrag van EURO 744.700 wegens “royalties for the months of May and June of 2004 as to our contract dated 1 May 2004”, en

  • -

    ad 3.: de factuurdatum 11 oktober 2004 is, dat BHC voor Intrattenimenti werkzaamheden en/of diensten heeft verricht en jegens Intrattenimenti gerechtigd is tot een bedrag van EURO 962.000 wegens “royalties for the 3rd quarter of 2004 as to our contract dated 1 May 2004”.

4.5.

Feit 6 Zaaksdossier 12 - [naam 24]

4.5.1.

Inleiding

De Italiaanse broers [naam broer 1] en [naam broer 2] [naam 24] zijn actief in de scheepsbranche via hun vennootschap [naam bedrijf broers] (hierna: [naam bedrijf broers] ). [naam 24] heeft zes schepen laten bouwen door STX Shipyards in Zuid-Korea en die doorverkocht voor US $ 34.250.000,- per schip aan het Griekse Minerva Marine.

Alle hierna te noemen ten laste gelegde documenten zijn op 13 maart 2012 aangetroffen in het kantoor van de [trustkantoor]

4.5.2.

De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij valselijk stukken heeft opgemaakt en voorhanden heeft gehad. Specifiek gaat het om de volgende stukken:

  • -

    (NL12-D228) de Agency Agreement tussen [naam 25] en BHC, effective as of 1 February 2004,

  • -

    zes facturen van BHC aan [naam 24] [naam broer 1] S.p.a., te weten

  • -

    (NL12-D230) invoice 2004036 gedateerd 1 juni 2004

  • -

    (NL12-D231) invoice 2004041 gedateerd 16 juni 2004

  • -

    (NL12-D232) invoice 2004046 gedateerd 2 juli 2004

  • -

    (NL12-D233) invoice 2004061 gedateerd 16 juli 2004

  • -

    (NL12-D234) invoice 2004066 gedateerd 30 juli 2004 en

  • -

    (NL12-D235) invoice 2004073 gedateerd 16 augustus 2004.

Met de facturen zou zijn voorgewend dat BHC de op de factuur vermelde diensten heeft verricht en aldus gerechtigd was op de daarop vermelde bedragen. De overeenkomst zou ten onrechte vermelden dat BHC de genoemde werkzaamheden zou verrichten voor [naam 24] .

4.5.3.

Het standpunt van de officier van justitie

Ook dit feit kan volgens de officier van justitie worden bewezen. Daartoe is het volgende aangevoerd.

Voor de doorverkoop van de schepen die in opdracht van [naam 24] gebouwd werden, stelt [naam 25] , als principaal, BHC aan als agent. Dit wordt vastgelegd in de hiervoor onder 4.5.2. genoemde Agency Agreement. De activiteiten die BHC zou verrichten worden omschreven als: “acting in the shipping area as result of which commissions are received.”

[medeverdachte] heeft per e-mailbericht op 1 juni 2004 [verdachte] opdracht gegeven om een frauduleuze structuur op te zetten om geld van [naam 24] naar [naam 25] over te hevelen. In deze e-mail geeft [medeverdachte] hem alle benodigde informatie voor de constructie met de opdracht aan [verdachte] om alles wat er uit gaat eerst aan hem voor te leggen. [verdachte] antwoord per ommegaande dat de concepten er per fax aankomen en vraagt om het BTW nummer van [naam 24] . Nog diezelfde dag stuurt [verdachte] per e-mail een eerste concept commissiefactuur voor hull no. 1164-STX aan De [naam 17] met het verzoek die op te slaan. Daarbij schrijft hij: “is weer een nieuwe deal”.

Op 11 juni 2004 stuurt [verdachte] een door hem ondertekende agency agreement tussen BHC en [naam 25] aan [naam 16] in Zwitserland met het verzoek die te ondertekenen en te retourneren. In de overeenkomst is vermeld dat deze van kracht is vanaf 1 februari 2004.

Deze overeenkomst en de facturen zijn vals, omdat de overeenkomst is opgesteld nadat de schepen al waren verkocht. De werkzaamheden waren dus al verricht. BHC was daarbij niet in beeld. Het is nooit de bedoeling geweest dat BHC als agent van de offshore ook maar enige (makelaars)werkzaamheden ten behoeve van de verkoop van de onderhavige schepen zou gaan verrichten. BHC had daar geen mensen voor en hoefde die ook niet in dienst te nemen zoals de overeenkomst suggereert. BHC heeft alleen maar een geldstroom richting een offshore van de UBO’s gefaciliteerd, aldus de officier van justitie.

4.5.4.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken. Deze zaak is exemplarisch voor de wijze waarop [verdachte] op dwingende wijze werd aangestuurd door [medeverdachte] . Daarnaast werd [verdachte] door hem gecommandeerd en gecontroleerd. De e-mail van 1 juni 2004 is een goed voorbeeld daarvan. [verdachte] had van de opzet van de structuur slechts begrepen dat in Amsterdam commissies in rekening werden gebracht voor een derde partij die niet rechtstreeks aan die derde partij betaald konden worden vanuit Italië. Wie die derde partij was, werd niet aan [verdachte] verteld. [verdachte] ging er ook vanuit dat de commissies verschuldigd waren in verband met “acting in the shipping area”. Dat het acting deel van de werkzaamheden niet door BHC zouden worden uitgevoerd was voor hem duidelijk nu hij ervan uitging dat BHC als agent optrad bij het innen van de commissies waarvan [naam 25] de rechten had verkregen. Nu [verdachte] ervan uitging dat er sprake was van een legale structuur, kan het bestaan van een onvoorwaardelijk oogmerk om derden te misleiden in de vorm van noodzakelijkheidsbewustzijn, op geen enkele manier worden aangenomen.

4.5.5.

Het oordeel van de rechtbank

De Agency Agreement tussen [naam 25] en BHC (NL12-D228)

In de overeenkomst is onder meer bepaald dat BHC als agent van [naam 25] op eigen naam werkzaamheden zou gaan verrichten. Deze werkzaamheden zouden in de scheepsindustrie plaatsvinden op basis waarvan BHC commissie in rekening kon brengen bij [naam 25] .

In artikel 4 van de overeenkomst is bepaald dat deze werkzaamheden niet mogen worden uitbesteed aan een derde.

Nu uit het dossier blijkt dat door BHC geen werkzaamheden zijn uitgevoerd maar door een andere partij, zoals ook bevestigd is door [medeverdachte] ter terechtzitting op 24 september 2018, en bovendien de overeenkomst is opgesteld nadat de verkoop van de schepen al had plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat de inhoud van de overeenkomst vals is.

De facturen van BHC aan [naam 24] (NL12-D230 t/m D235)

BHC heeft in de tenlastegelegde facturen aan [naam 24] commissie voor (broker)werkzaamheden ten behoeve van de verkoop van de hiervoor genoemde zes schepen in rekening gebracht.
De facturen zijn betaald tussen 1 juni 2004 en 2 september 2004.38

Zoals hiervoor reeds is overwogen, zijn er geen werkzaamheden ten behoeve van de verkoop van de schepen uitgevoerd door BHC. Dit wordt ondersteund door onder meer de verklaring van [naam 26] , commercieel en operationeel manager bij [naam 24] , die heeft verklaard dat Mercury Shipbroker de enige broker is die zich namens [naam 24] met de onderhandeling heeft bezig gehouden.39

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de facturen vals zijn nu er gefactureerd is door BHC voor niet (door haar) verrichtte werkzaamheden en bovendien niet blijkt van een overeenkomst tussen BHC en [naam 24] op grond waarvan BHC gerechtigd was om commissie in rekening te brengen naar aanleiding van (broker)werkzaamheden bij de verkoop van de genoemde schepen.

Op 1 juni 2004 heeft [medeverdachte] per e-mail aan [verdachte] verzocht om facturen en brieven op te stellen ten behoeve van de ‘shipping deal’.40 [medeverdachte] gaf hierin zeer gedetailleerde conceptteksten die, voor wat betreft de hull-nummers en facturen, overeenkomen met de ten laste gelegde facturen. Tevens schreef [medeverdachte] “jullie ontvangen de facturen van een Bahama vennootschap, die de rechten van deze commissie overgedragen heeft gekregen. Een rechtstreekse factuur van deze vennootschap zou niet aftrekbaar zijn in Italië. Reden waarom BHC ertussen zit”. [medeverdachte] sloot zijn opdracht af met het verzoek om hem eerst concepten te sturen, kennelijk ter controle van de stukken voordat deze werden verstuurd naar de klant.

Daarnaast heeft [medeverdachte] per e-mailbericht van 2 juni 2004 aan [verdachte] verzocht om een Agency Agreement op te maken tussen BHC en [naam 25] , ingaande per 1 februari 2004 voor 1 jaar en met een “Commissie in shipping, fee $ 100.000 flat for the year”. 41

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte] , [verdachte] gedetailleerd opdracht heeft gegeven om de ten laste gelegde stukken op te maken. Het is bovendien niet bij deze opdrachtverstrekking gebleven. [medeverdachte] heeft een controle op de stukken uit willen voeren voordat deze verzonden werden aan de klant. Nu de stukken als zodanig zijn opgemaakt en niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid , is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat [medeverdachte] wist dat deze stukken vals waren. De stelling van [verdachte] dat hij ervan uitging dat er sprake was van een legale structuur en dat het werk van BHC eruit bestond om simpelweg commissie te innen voor een derde partij, acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk. [verdachte] is universitair geschoold en had moeten begrijpen dat het verrichten van aanzienlijke commissiebetalingen door [naam 24] aan BHC verricht op basis van facturen die op een overeenkomst gebaseerd zijn waarin onjuistheden staan vermeld, geen legale structuur was.

Door de overeenkomst en de facturen valselijk op te (laten) maken en deze vervolgens in de bedrijfsadministratie van BHC op te nemen heeft [verdachte] de mogelijke bewijsbestemming van die geschriften, zowel in- als extern, onderkend.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat daarmee het oogmerk vast staat om de valse geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.

Gelet op de gedetailleerde informatie en precieze werkorders van [medeverdachte] aan [verdachte] , is de rechtbank eveneens van oordeel dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] bij de opmaak van de stukken zodat het medeplegen van het valselijk opmaken en het voorhanden hebben van de stukken, bewezen kan worden, nu deze stukken zijn aangetroffen op het kantooradres van de [trustkantoor]

4.5.6.

De bewezenverklaring

Onder feit 6 is bewezen dat [verdachte]

in de periode van 1 juni 2004 tot en met 16 augustus 2004 te Amsterdam en Italië, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk geschriften, te weten:

  1. (NL12-D228) de Agency Agreement tussen [naam 25] Ltd. en Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken [naam 7] BV, ongedateerd,

  2. zes facturen, van Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken [naam 7] BV aan [naam 24] [naam broer 1] S.p.a., te weten

  3. (NL12-D230) de factuur "invoice 2004036" gedateerd 1 juni 2004

  4. (NL12-D231) de factuur "invoice 2004041" gedateerd 16 juni 2004

  5. (NL12-D232, pag. 2) de factuur "invoice 2004046" gedateerd 2 juli 2004

  6. (NL12-D233) de factuur "invoice 2004061" gedateerd 16 juli 2004

  7. (NL12-D234) de factuur "invoice 2004066" gedateerd 30 juli 2004

  8. (NL12-D235) de factuur "invoice 2004073" gedateerd 16 augustus 2004,

zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen en laten gebruiken, en

in de periode van 1 juni 2004 tot en met 13 maart 2012 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, valse geschriften, te weten de hiervoor genoemde onder 1. en 2., opzettelijk voorhanden hebben gehad, terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken,

voornoemde valsheden bestaan hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en opgenomen, dat

  • -

    ad 1. BHC als agent “will perform and do all transactions, dealing, acts and things that he may seem necessary or expedient for carrying on the Business [“acting in the shipping area”] to his best account”, waaronder “engage to employ such staff and personnel as may in his opinion be appropriate for the proper conduct of the Business” en “place orders with, enter into commitment, obligations and liabilities of any kind with and to third parties for or in the course of the operation of the Business”;

  • -

    ad 2. BHC voor [naam 24] werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van telkens USD 685.000 wegens “broker commission” (“2% on USD 34.250.000”).

4.6.

Feit 7 Zaaksdossier 16 - Zincaf

4.6.1.

Inleiding

De vennootschap Zincaf Srl (hierna: Zincaf) exploiteert een scheepswerf in Genua waar schepen worden onderhouden en gerepareerd. De vennootschap is van de Italianen [naam 27] , [naam 29] en [naam 28] . Zij waren al eerder klant van [naam 21] . In juli 2004 verkrijgen [naam 27] en [naam 28] , door bemiddeling van [naam 21] , de offshore Drift Shipping Corporation (hierna: Drift Shipping) te Nevis, in handen. BHC in Nederland maakt zogenoemde declarations of responsibility en facturen op en stuurt die aan Zincaf. Zincaf betaalt de facturen aan BHC en BHC boekt dat geld na aftrek van een commissie door naar de bankrekening van de offshore Drift Shipping.

De hierna te noemen ten laste gelegde documenten zijn op 13 maart 2012 aangetroffen in het kantoor van de [trustkantoor]

4.6.2.

De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij valselijk stukken heeft opgemaakt en voorhanden heeft gehad. Specifiek gaat het om de volgende stukken:

  • -

    (NL16-D142) de brief "M/V Costa Victoria – Declaration of responsibility" van BHC aan Zincaf., gedateerd 30 januari 2004,

  • -

    (NL16-D160) de brief "M/V Costa Fortuna – Declaration of responsibility" van BHC aan Zincaf, gedateerd 10 mei 2006,

  • -

    (NL16-D077) de factuur "invoice 1291004" van BHC aan Zincaf, gedateerd 4 oktober 2004,

  • -

    (NL16-D084) de factuur "invoice 2006067" van BHC aan Zincaf, gedateerd 24 november 2006,

  • -

    (NL16-D176) de brief “FS – Megaexpress Five” van GBC aan Zincaf, gedateerd 18 augustus 2008,

  • -

    (NL16-D096) de factuur "invoice 100100" van GBC aan Zincaf, gedateerd 4 januari 2010,

  • -

    (NL16-D212, pag. 4) de factuur "invoice 100428" van GBC aan Medinvest S.P.A., gedateerd 7 april 2010.

Met de brieven en facturen zou valselijk zijn voorgewend dat BHC/GBC de genoemde diensten heeft verricht en gerechtigd was op de daarop vermelde bedragen. Bij alle geschriften, met uitzondering van de factuur aan Medinvest S.p.A. zou eveneens de datering vals zijn.

4.6.3.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde valsheid in geschrifte en het voorhanden hebben van deze geschriften.

Uit de stukken blijkt dat op 1 juli 2004 tussen [naam 15] en [verdachte] een nieuwe deal is besproken die betrekking heeft op het opzetten van een constructie tussen Zincaf, BHC en Drift Shipping. De facturen en andere door BHC verzonden stukken, de hiervoor genoemde declarations, zijn geantedateerd, omdat de datering ligt van voor het allereerste contact tussen [verdachte] en de DGA’s van Zincaf en voor de verkrijging van Drift Shipping. De stukken zijn ook vals omdat BHC/GBC het doet voorkomen alsof ze zelf garanties geeft voor personeel in dienst van haar en prestaties voor Zincaf heeft verricht, terwijl dat niet zo is. Zincaf voert het werk namelijk zelf uit met door haar aangestuurd personeel.

De geldstroom van Zincaf naar BHC c.q. GBC komt ook pas in juli 2005 op gang terwijl er al gefactureerd wordt voor werkzaamheden van begin 2004.

De facturen NL16-D084, NL16-D096 en NL16-D212 zijn voldaan. De DGA’s van Zincaf hebben alle drie verklaard dat het om een verzonnen constructie gaat, dat de facturen vals zijn en dat het motief was om belasting te ontduiken.

[verdachte] heeft erkend dat er antedateringen plaatsvonden. Hij heeft ook verklaard dat dat gebeurde op verzoek van de klant en op een moment dat de jaarrekening nog niet afgesloten was.

4.6.4.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het – ondanks dat niet steeds kan worden aangenomen dat de data van de geschriften vals zijn en er wel degelijk werkzaamheden zijn verricht door de klant zelf – begrijpelijk is dat er vraagtekens worden gezet bij de gang van zaken in dit zaaksdossier. [verdachte] snapte destijds zelf ook niets van dit dossier. Hij dacht dat het om herfacturatie van kosten, personeel en materialen ging, maar het was hem niet duidelijk welk voordeel de klant hiermee wenste te behalen. [verdachte] heeft alle informatie die hij van de klant ontving voor de op te maken stukken een op een overgenomen zonder daarover (kritische) vragen te stellen.

4.6.5.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier blijkt dat [verdachte] voor het eerst in juli 2004 in contact is gekomen met [naam 27] en [naam 28] van Zincaf; dit blijkt uit een meeting memorandum van die datum.42 Volgens dit gespreksverslag zou er moeten worden gefactureerd vanaf oktober 2004 voor een commissie tussen 4% en 6%. Een vervolgafspraak stond gepland voor 29 januari 2005.

Op 1 december 2004 heeft [verdachte] een faxbericht naar [naam 27] gestuurd waarin hij refereert aan een ontmoeting van begin juli 2004 en meldt dat hij bereid is de overeenkomst uit te voeren en om gegevens vraagt zoals die tijdens de ontmoeting zijn besproken.43 Er wordt een declaration of responsibility opgesteld gedateerd op 30 januari 2004 en namens BHC ondertekend door [verdachte] en [naam 13] . De declaration of responsibility houdt onder meer in dat BHC verklaart dat het personeel dat op basis van de opdracht van Zincaf bij hen inscheept, in dienst is van BHC en professioneel en technisch geschoold is.

Het dossier bevat een faxbericht van 28 november 2006 van [naam 29] aan [verdachte] . [naam 29] vraagt [verdachte] om facturen te sturen en declarations of responsibility op te maken, o.a. betreffende Costa Fortuna gedateerd 10 mei 2006.44 Daartoe is een voorbeeldbrief bijgevoegd. Het naar aanleiding van dit verzoek opgemaakte stuk is de ten laste gelegde declaration of responsibility van 10 mei 2006.45

[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij de verzoeken van [naam 29] heeft uitgevoerd.46

Voorts bevat het dossier een faxbericht van 31 maart 2010 van [naam 28] aan [verdachte] . [naam 28] vraagt [verdachte] om brieven en facturen op te stellen op de wijze zoals hij noemt in het bericht en in overeenstemming met de voorbeelden die hij als bijlage heeft toegevoegd.47 Eén van de naar aanleiding van dit verzoek opgemaakte stukken is de ten laste gelegde brief van 18 augustus 2008.48

[verdachte] heeft ter zitting eveneens verklaard dat hij de verzoeken van [naam 28] heeft uitgevoerd.49

Ten slotte bevat het dossier een e-mailbericht van 6 april 2010 van [naam 29] aan [verdachte] . [naam 29] vraagt [verdachte] om brieven en facturen op te stellen, zoals hij noemt in het bericht.50

Eén van de genoemde facturen is de ten laste gelegde factuur NL16-D212, die moest worden gericht aan Medinvest.

De DGA’s van Zincaf en Drift Shipping zijn als getuige gehoord.51 Zij hebben alle drie verklaard dat de werkzaamheden door Zincaf en niet door BHC/GBC zijn uitgevoerd en dat het personeel niet door BHC/GBC is geleverd. Het zijn de werkzaamheden van Zincaf waarvoor BHC en GBC facturen hebben gestuurd. Wat gefactureerd is, is vals. Zincaf betaalde BHC om het geld naar het buitenland te brengen. Het doel van de samenwerking was het creëren van valse facturen, waardoor de gelden konden worden ondergebracht in een offshore en de winst in Italië laag gehouden kon worden, aldus de drie DGA’s.52 [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat de werkzaamheden niet door BHC/GBC zijn uitgevoerd.53

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inhoud van de declarations of responsibility en van de brief van 18 augustus 2008 in strijd met de werkelijkheid is. Dit geldt eveneens voor de facturen. BHC/GBC leverde geen personeel en verrichtte ook geen werkzaamheden waardoor zij geen grond had om daarvoor te factureren. Daarnaast is hiervoor reeds overwogen dat de samenwerking niet eerder gestart is dan juli 2004. De datum van de declaration of responsibility van 30 januari 2004 is derhalve in strijd met de werkelijkheid.
Nu het doel van het opmaken van de stukken was om de winst in Italië laag te houden, is de rechtbank van oordeel dat deze stukken door [verdachte] zijn opgemaakt met het oogmerk om derden te misleiden .

Door de declarations of responsibility en de facturen valselijk op te (laten) maken en deze vervolgens in de bedrijfsadministratie van BHC/GBC op te nemen heeft [verdachte] de mogelijke bewijsbestemming van die geschriften, zowel in- als extern, onderkend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat daarmee het oogmerk vast staat om de valse geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.

Ten aanzien van het ten laste gelegde voorhanden hebben van de documenten is de rechtbank van oordeel dat nu de documenten op 13 maart 2012 zijn aangetroffen in het kantoor van de [trustkantoor] ,54 bewezen is dat [verdachte] deze documenten (tezamen en in vereniging met [medeverdachte] ) voorhanden heeft gehad.

4.6.6.

De bewezenverklaring

Onder feit 7 is bewezen dat [verdachte]

in de periode van 1 december 2004 tot en met 7 april 2010 te Amsterdam en Italië, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk geschriften, te weten:

1. (NL16-D142) de brief "M/V Costa Victoria – Declaration of responsibility" van Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken [naam 7] BV aan Zincaf S.r.l., gedateerd 30 januari 2004.

(NL16-D160) de brief "M/V Costa Fortuna – Declaration of responsibility" van BHC aan Zincaf S.r.l., gedateerd 10 mei 2006,

2. ( (NL16-D077) de factuur "invoice 1291004" van Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken [naam 7] BV aan Zincaf SrL, gedateerd 4 oktober 2004,

2. ( (NL16-D084) de factuur "invoice 2006067" van Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken “Amstellodamus” BV aan Zincaf SrL, gedateerd 24 november 2006,

2. ( (NL16-D176) de brief “FS – Megaexpress Five” van Global Business & Communications (The Netherlands) BV aan Zincaf SrL, gedateerd 18 augustus 2008,

2. ( (NL16-D096) de factuur "invoice 100100" van Global Business & Communications (The Netherlands) BV aan Zincaf SrL, gedateerd 4 januari 2010,

2. ( (NL16-D212, pag. 4) de factuur "invoice 100428" van Global Business & Communications (The Netherlands) BV aan Medinvest S.P.A., gedateerd 7 april 2010,

zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk hebben opgemaakt en laten opmaken zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te laten gebruiken, en

in de periode van 1 december 2004 tot en met 13 maart 2012 te Amsterdam, valse geschriften, te weten de hiervoor genoemde onder 1. tot en met 6., opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken,

voornoemde valsheden bestaat/bestaan hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en opgenomen, dat

  • -

    ad 1. “staff embarked on board of ships in hand, owing to your order, is regularly engaged by us, following the law terms and it is covered by social security and legal aid”, dat BHC garandeert “that staff engaged for works have got technical and professional skilfulness necessary to practise this kind of works”, dat NL16-D142 is opgemaakt op 30 januari 2004 en dat NL16-D160 is opgemaakt op 10 mei 2006,

  • -

    ad 2. BHC voor Zincaf SrL werkzaamheden heeft verricht “during cruises in North Seas (territorial waters)”, gerechtigd is tot een bedrag van EURO 114.000 betreffende “M/V Costa Victoria– Fire fighting plants refitting” en dat deze factuur is opgemaakt op 4 oktober 2004,

  • -

    ad 3. BHC voor Zincaf SrL werkzaamheden heeft verricht “during cruises in Atlantic Ocean”, gerechtigd is tot een bedrag van EURO 142.000 betreffende “M/V Costa Fortuna – Grey water pipeline/Fresh and hot water pipelines” en dat deze factuur is opgemaakt op 24 november 2006,

  • -

    ad 4. er werkzaamheden kunnen worden verricht aan boord van FS – Megaexpress Five, de vergoeding hiervoor bedraagt in totaal EURO 414.280 en dat die brief is opgemaakt op 18 augustus 2008,

  • -

    ad 5. GBC voor Zincaf SrL werkzaamheden heeft verricht, gerechtigd is tot een bedrag van EURO 393.566 “in relation to MEGAEXPRESS FIVE for works performed as mentioned in our agreement dated 10 November 2008, including our discount of 5%” en dat deze factuur is opgemaakt op 4 januari 2010,

  • -

    ad 6. GBC voor Medinvest S.P.A. werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 600.000 betreffende “order number 18 T/01404 dated 12 March 2009 regarding Mega Express Five”.

4.7.

Feit 8 Zaaksdossier 31 - Eurosole

4.7.1.

Inleiding

De Italiaanse [naam 30] is aandeelhouder van de vennootschappen Eurosole Sas (hierna: Eurosole), Ital Cantieri S.p.A (hierna: Ital Cantieri) en Societa Turistica Riva dei Ronchi Sas (hierna: Societa Turistica). Deze vennootschappen, houden zich bezig met de aan- en verkoop en ontwikkeling van grond en vastgoed en zijn via accountant [naam 31] in contact gekomen met [naam 15] . Uiteindelijk is deze zaak bij [verdachte] terecht gekomen.

Alle hierna te noemen ten laste gelegde documenten zijn op 13 maart 2012 aangetroffen in het kantoor van de [trustkantoor] te Amsterdam.

4.7.2.

De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij valselijk stukken heeft opgemaakt en voorhanden heeft gehad. Het gaat om de volgende stukken:

  • -

    (NL31-D051) de Nominee Agreement tussen [naam 32] en GBC, effective as of December 2004,

  • -

    (NL31-D053) de Agreement tussen GBC en [naam 30] , gedateerd 5 januari 2005,

  • -

    (NL31-D054) de Agreement tussen GBC en Ital Cantieri, gedateerd 1 februari 2006,

  • -

    Drie facturen), te weten

  • -

    (NL31-D056) de factuur "invoice 60841" van GBC aan Societa Turistica, gedateerd 25 juli 2006,

  • -

    (NL31-D057) de factuur "invoice 60842" van GBC aan Eurosole, gedateerd 25 juli 2006,

  • -

    (NL31-D059) de factuur "invoice 61271" van GBC aan Ital Cantieri, gedateerd 4 december 2006,

  • -

    (NL31-D072) de “Agreement of Loan” tussen Orient Invest en [naam B.V. 1] , gedateerd 10 augustus 2007.

In de overeenkomsten die GBC is aangegaan zouden de daarin genoemde data vals zijn en zou GBC valselijk hebben voorgewend een groot netwerk in de vastgoedbranche te hebben.

Met de facturen heeft GBC valselijk voorgewend dat zij werkzaamheden heeft verricht voor het genoemde project en gerechtigd was op betaling daarvoor. De overeenkomst tussen Orient Invest en [naam B.V. 1] zou geantedateerd zijn.

4.7.3.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overeenkomsten van GBC vals zijn. Uit het dossier blijkt dat de eerste contacten dateren van 22 juni 2006. Op 4 juli 2006 mailt [verdachte] dat hij concept overeenkomsten wil opsturen maar dat hij daarvoor wel informatie nodig heeft zoals de naam van de vennootschap en een omschrijving van de werkzaamheden. Gelet hierop is het onmogelijk dat de nominee agreement tussen [naam 32] en GBC al van kracht was in december 2004. De overeenkomst is geantedateerd en feitelijk pas ver in september 2006 tot stand gekomen, gelet op het e-mailverkeer.

Datzelfde heeft te gelden voor de overeenkomsten die GBC afsluit met [naam 30] en Ital Cantieri Spa. Partijen kenden elkaar nog niet op de in de overeenkomst vermelde data. In de overeenkomsten is ook opgenomen dat GBC een uitgebreid netwerk van contacten heeft in de vastgoedbranche in Italië. Dat is niet zo. Met deze overeenkomsten wordt dat wel voorgewend, terwijl niet wordt aangegeven – als dat het geval zou zijn- dat die contacten van [naam 32] of een ander worden verkregen. Met dergelijke overeenkomsten worden derden misleid.

Ook overigens kon GBC in ieder geval voor de periode medio 2006 niet beschikken over dergelijke contacten.

De facturen zijn vals omdat de bedragen te hoog zijn in vergelijking met de korte tijdspanne van maximaal een half jaar waarin partijen met elkaar samenwerkten.

De leningsovereenkomst is gedateerd op 10 augustus 2007, vlak voor de ontbinding van [naam B.V. 1] op 30 september 2007. De antedatering is vals zoals blijkt uit e-mailverkeer op 19 november 2009 tussen [medeverdachte] en [verdachte] met als onderwerp: “RE: loanfacilityagreement Orient- [naam B.V. 1] .doc”. Naar aanleiding van deze mailwisseling wordt de leningsovereenkomst door

[medeverdachte] zelf opgemaakt. Nut en noodzaak ontbreekt nu er in 2007 nog geen sprake was van betalingsproblemen bij EDE c.s. [naam 33] nam na de liquidatie/opheffing van [naam B.V. 1] op

30 september 2007 de activiteiten van [naam B.V. 1] over en daarmee ook de vordering op EDE c.s. en de schuld aan [naam 32] . Niet is duidelijk waarom [naam B.V. 1] op 10 augustus 2007 geld zou hebben willen lenen van Orient. De leningsovereenkomst is dan ook valselijk opgemaakt, aldus de officier van justitie.

4.7.4.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en daartoe het volgende aangevoerd.

Van de Nominee Agreement met [naam 32] kan niet worden aangetoond dat [verdachte] de datum daarop invulde noch dat hij, als hij dat niet deed, dat document ondertekend heeft terwijl hij moest vermoeden dat de datum niet klopte. De partijen kenden elkaar immers al jaren en het is goed mogelijk dat er een eerdere (mondelinge) overeenkomst was. Verder kan ten aanzien van de overeenkomst met [naam 30] niet worden aangetoond dat [verdachte] opzet had op de vermeende valsheden uit die documenten nu hij die in opdracht van en zonder zich van een precieze inhoud bewust te zijn geweest, heeft ondertekend. Datzelfde geldt vermoedelijk voor de drie facturen.
De overeenkomst met Ital Cantieri is niet door [verdachte] ondertekend. [verdachte] had ook geen opzet op de valsheid van de facturen. Het feit dat [verdachte] is uitgegaan van de legaliteit van de gebruikte structuur die aan de facturen ten grondslag lag, maakt dat hij geenszins het oogmerk tot misleiding van een derde heeft gehad. Het kwam in veel meer dossiers voor dat de [naam 7] groep als agent commissies factureerde voor een derde partij. Ten slotte staat ook de vermeende antedatering van de leningsovereenkomst geenszins vast, nu de Summary Information horende bij het concept innerlijk tegenstrijdig is, aldus de raadsvrouw.

4.7.5.

Het oordeel van de rechtbank

• De Nominee Agreement tussen [naam 32] en GBC (NL31-D051)

Op 26 juni 2006 heeft [naam 15] per e-email aan [verdachte] laten weten dat [naam 32] de offshore was die gebruikt zou worden voor de structuur met [naam 31]55. Op 4 juli 2006 heeft [verdachte] [naam 31] geïnformeerd over de voortgang van het opstellen van de documenten. [verdachte] geeft aan dat hij graag zou bijdragen aan het opstellen van de concepten, maar dat hij in dat geval informatie nodig heeft over de naam van de betrokken vennootschap en de bedrijfsactiviteiten56. Bij brief van 19 september 2006 stuurt [verdachte] (onder andere) de nominee agreement tussen GBC en [naam 32] aan Studio Legale [naam 16] met het verzoek de overeenkomst te laten ondertekenen en te retourneren aan [verdachte]57. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in de zomer van 2006 pas duidelijk werd wat de inhoud van de samenwerking zou worden tussen GBC en [naam 32] . De overeenkomst daartoe was dan ook niet eerder mondeling gesloten.

De vermelding dat de overeenkomst in werking trad vanaf december 2004 is dan ook vals.

Nu [verdachte] zelf in juni 2006 de naam van [naam 32] heeft doorgekregen van [naam 15] en hij het document zelf heeft ondertekend, kan niet anders dan worden vastgesteld dat [verdachte] wist dat de inhoud niet overeenkomstig de werkelijkheid was. [verdachte] heeft deze overeenkomst dan ook opzettelijk valselijk opgemaakt. Door deze overeenkomst vervolgens in de administratie op te nemen dan wel te laten opnemen, heeft [verdachte] de mogelijke bewijsbestemming van deze overeenkomst, zowel intern- als extern onderkend en kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat het oogmerk van [verdachte] gericht was op gebruik als echt en onvervalst.

• De overeenkomst tussen GBC en [naam 30] (NL31-D053)

Op 21 juli 2006 heeft [verdachte] per e-mail een concept naar [naam 31] gestuurd van de overeenkomst tussen GBC en Eurosole.58 Daarop stuurde [naam 31] per e-mail op 24 juli 2006 correcties naar [verdachte] , die onder meer inhouden dat de contractpartij niet Eurosole zou zijn maar [naam 30] als privépersoon en als wettelijk vertegenwoordiger van Eurosole en Societa Turistica.59 [verdachte] heeft deze instructies uitgevoerd en op 25 juli 2006 stuurde hij per e-mail een gewijzigd concept van de ten laste gelegde overeenkomst tussen GBC en [naam 30] naar [naam 31] .60 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de overeenkomst niet op 5 januari 2005 kan zijn ondertekend en dat [verdachte] dat wist.

Zoals reeds hiervoor is overwogen over de overeenkomst tussen GBC en [naam 32] is de samenwerking tussen partijen pas in de zomer van 2006 begonnen, waardoor [verdachte] ook valselijk in deze overeenkomst heeft opgenomen dat die in werking trad op 7 december 2004, nadat daartoe een mondelinge overeenkomst was gesloten op 1 december 2004.

Naast antedateren is ook ten laste gelegd dat in de overeenkomst staat dat GBC een extensief netwerk heeft van contacten in de vastgoedbranche die [naam 30] zouden kunnen helpen bij zijn bedrijfsvoering. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat GBC een dergelijk netwerk heeft of via [naam 32] of derden zou kunnen verkrijgen. Echter, het dossier bevat geen bewijsmiddelen om vast te stellen dat GBC geen extensief netwerk heeft van contacten in de vastgoedbranche die [naam 30] zouden kunnen helpen bij zijn bedrijfsvoering. [verdachte] en [medeverdachte] worden vrijgesproken van het valselijk opmaken en voorhanden hebben van deze overeenkomst op dit punt.

• De overeenkomst tussen GBC en Ital Cantieri (NL31-D054)

De overeenkomst tussen GBC en Ital Cantieri is namens GBC ondertekend door [naam 13] en [naam 9] . Het dossier bevat behoudens dat gegeven onvoldoende aanwijzingen om vast te stellen dat [verdachte] betrokken is geweest bij het opmaken van dit document of op de hoogte was van het bestaan van dit document. Hij zal dan ook worden vrijgesproken van het valselijk opmaken en voorhanden hebben van deze overeenkomst.

• De facturen van GBC aan Societa Turistica (NL31-D056) en Eurosole (NL31-D057)

In zijn e-mailbericht van 24 juli 2006 heeft [naam 31] ook aan [verdachte] de omschrijvingen van de twee ten laste gelegde facturen doorgegeven.61 Een dag later stuurde [verdachte] de twee conceptfacturen ter controle naar [naam 31] .62 De rechtbank gaat op basis van deze communicatie er vanuit dat [verdachte] die facturen heeft opgesteld. [naam 31] heeft verklaard dat de vastgoedtransacties al in november 2005 en april 2006, dus vóór het eerste contact met GBC, hebben plaatsgevonden.63 Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de werkzaamheden niet door GBC zijn uitgevoerd.

Nu de samenwerking in diezelfde maand was gestart als waarin de facturen zijn opgemaakt en de overeenkomst met in ieder geval de offshore nog niet definitief was, is het niet aannemelijk dat [verdachte] kon hebben gedacht dat het hem was toegestaan te factureren voor werkzaamheden die door GBC zijn verricht. Door dat toch te doen heeft [verdachte] de facturen in strijd met de waarheid opgemaakt en voorgewend dat hij werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd was om facturen te sturen ter declaratie van deze werkzaamheden. [verdachte] heeft deze facturen derhalve opzettelijk vals opgemaakt. Door de facturen in de administratie op te nemen dan wel te laten opnemen heeft [verdachte] de mogelijke bewijsbestemming van deze facturen, zowel intern- als extern onderkend en kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat het oogmerk van [verdachte] gericht was op gebruik als echt en onvervalst.

• De factuur van GBC aan Ital Cantieri (NL31-D059)

Nu hiervoor is overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift van de onderliggende overeenkomst tussen GBC en Ital Cantieri, kan ook niet worden bewezen dat [verdachte] valselijk een bijbehorende factuur heeft opgemaakt. [verdachte] zal derhalve worden vrijgesproken van het valselijk opmaken en voorhanden hebben van deze factuur.

• De Agreement of Loan tussen Orient Invest en [naam B.V. 1] (NL31-D072)

Het dossier bevat een serie e-mailberichten die zijn verstuurd tussen [medeverdachte] en [verdachte] over de ten laste gelegde leningsovereenkomst.64 [medeverdachte] heeft het concept van de overeenkomst ter controle aan [verdachte] voorgelegd op 19 november 2009, waarbij speciale aandacht werd gevraagd voor de datum, die niet mocht liggen na liquidatie van [naam B.V. 1] . [verdachte] heeft geantwoord dat [naam B.V. 1] eind september 2007 is geliquideerd eind september 2007 en heeft geadviseerd om de overeenkomst te dateren in juli of augustus. [medeverdachte] heeft dat advies opgevolgd en heeft de ten laste gelegde overeenkomst gedateerd op 10 augustus 2007.65

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de leningsovereenkomst opzettelijk valselijk is opgemaakt door [verdachte] samen met [medeverdachte] .

Onder verwijzing naar de overweging van de rechtbank onder feit 3 over voorhanden hebben van geschriften, geldt ook hier dat [verdachte] alle ten laste gelegde valse geschriften samen met

[medeverdachte] voorhanden heeft gehad.

4.7.6.

De bewezenverklaring

Onder feit 8 is bewezen dat [verdachte]

in de periode van 26 juni 2006 tot en met 19 november 2009 te Amsterdam, Italië en Monaco, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk geschriften, te weten:

1. NL31-D051) de Nominee Agreement tussen [naam 32] Trading Associated Panama SA en

Global Business & Communications (The Netherlands) BV, ongedateerd,

2. ( NL31-D053) de Agreement tussen Global Business & Communications (The

Netherlands) BV (hierna GBC) en Mr. [naam 30] , gedateerd 5 januari 2005,

4. Twee facturen, te weten (NL31-D056) de factuur "invoice 60841" van Global Business

& Communications (The Netherlands) BV aan Societa Turistica Riva dei Ronchi Sas,

gedateerd 25 juli 2006 en (NL31-D057) de factuur "invoice 60842" van GBC aan

Eurosole Sas, gedateerd 25 juli 2006,

5. ( NL31-D072) de “Agreement of Loan” tussen Orient Invest Ltd. en [naam B.V. 1]

, gedateerd 10 augustus 2007,

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te laten gebruiken, en

in de periode van 26 juni 2006 tot en met 13 maart 2012 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, valse geschriften, te weten de hiervoor genoemde onder 1., 2., 4. en 5, opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken,

voornoemde valsheden bestaan hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en opgenomen, dat

- ad 1.: “This agreement is effective as of December 2004”,

- ad 2.: “This agreement is effective as of the 7th day of December of the year two

thousand and four”, “On or about the 1st of December 2004 a verbal Agreement was

entered into by Global and [naam 30] ”, dat “Global has an extensive network of contacts

in the real estate market that could be of interest to [naam 30] ” en dat “Global and Eurosole

signed this agreement this 5th day of 2005”,

- ad 4.: (NL31-D056) GBC voor Societa Turistica Riva dei Ronchi Sas werkzaamheden

heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 1.700.000 betreffende “(our)

brokerage (fee) for the Riva dei Ronchi project (as agreed)” en dat (NL31-D057) GBC

voor Eurosole Sas werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van

EURO 400.000 betreffende “(our) brokerage (fee) for the Riva dei Ronchi project (as

agreed)”,

- ad 5.: de Agreement of Loan is “signed as of this 10th day of August 2007”.

4.8.

Feit 9 Zaaksdossier 35 - Wärtsila

4.8.1.

Inleiding

Wärtsilä Finland OY (hierna: Wärtsilä) is een Fins concern dat het bouwen van dieselmotoren en propellers voor schepen en elektriciteitscentrales als hoofdactiviteiten heeft. Voor het aantrekken van (nieuwe) klanten voor de verkoop van hun producten maakt Wärtsilä gebruik van de diensten van brokers (handelsagenten), veelal lokale bedrijven in het buitenland.

In Italië wordt samengewerkt met het lokale bedrijf Wärtsilä Navim, waar [naam 34] (van 1988 tot 2009) in dienst was. In zijn functie van [naam functie] was hij ook de lokale contactpersoon voor de brokers.

De overeenkomsten met de brokers werden per project afzonderlijk vastgelegd in Broker Agreements welke werden voorafgegaan door Pre Qualification onderzoeken naar de brokers.

De inhouse vennootschappen GBC, Bittern, Chennai en CMBA hebben elk van deze Broker Agreements afgesloten met Wärtsilä Finland en vervolgens bedragen gefactureerd.

Uit rekeningafschriften van de inhouse vennootschappen blijkt dat er tussen 2007 en 2011 voor ruim 7,7 miljoen euro aan betalingen door het Finse Wärtsilä aan de inhouse vennootschappen zijn gedaan.

De ontvangen gelden van Wärtsilä werden, na aftrek van commissies, via Sanlime, de Hongkong vennootschap van [medeverdachte] en [naam 15] , overgemaakt naar een CMB bankrekening in Monaco op naam van Lahr Services Ltd (hierna: Lahr), een offshore in Nevis. UBO van deze offshore was [naam 34] . Vanaf april 2009 werden de gelden overgemaakt naar een EFG bankrekening in Zwitserland op naam van Rikoll Service, een offshore in Panama. UBO van deze offshore was eveneens [naam 34] .

Alle hierna te noemen ten laste gelegde documenten zijn op 13 maart 2012 aangetroffen in het kantoor van de [trustkantoor] te Amsterdam.

4.8.2.

De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij valselijk stukken heeft opgemaakt en voorhanden heeft gehad. Specifiek gaat het om de volgende stukken:

  • -

    (FI35-D076, p. 1-12) de Broker Agreement tussen Wärtsilä en GBC, gedateerd 31 oktober (jaartal ontbreekt),

  • -

    (FI35-D076, p.13-20) de Pre-qualification Form van GBC,

  • -

    (NL35-D167) de factuur "invoice 1012126" van GBC aan Wärtsilä, gedateerd 16 december 2010.

Met de Broker Agreement en Pre Qualification Form zou GBC valselijk voorgewend hebben dat GBC beschikt over de genoemde kennis en ervaring in de scheepsbranche en dat zij werkzaamheden in die branche voor Wärtsilä zou verrichten. Met de factuur zou GBC valselijk hebben voorgewend dat zij werkzaamheden heeft verricht voor het genoemde project en gerechtigd was tot betaling daarvoor.

4.8.3.

Het standpunt van de officier van justitie

De overeenkomst, inclusief het bijgevoegde Pre Qualification formulier, is vals. GBC is geen broker en heeft geen enkele ervaring in de maritieme sector. Daarnaast is er in de overeenkomst in artikel 8.3. bepaald dat er geen sub brokers/agents worden ingeschakeld waarmee iedere vorm van herfacturatie van de baan is. Er is slechts een papieren werkelijkheid gecreëerd om gelden naar een belastingparadijs ten behoeve van [naam 34] weg te sluizen. Wärtsilä Finland is hiermee opgelicht en de Italiaanse fiscus is benadeeld. Omdat de overeenkomst vals is, is ook de factuur vals die op grond van die overeenkomst is verzonden.

4.8.4.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van dit feit. [verdachte] heeft altijd enkel begrepen dat GBC voor Wärtsilä Italië zogenoemde broker commission inde bij een derde partij. Ten aanzien van het eerste en tweede document op de tenlastelegging geldt dat deze tot hetzelfde D-nummer in het dossier behoren. Ten aanzien van dat specifieke document alsook met betrekking tot de bijbehorende factuur bestaat in het dossier in het geheel geen correspondentie. Dat maakt het onmogelijk om te achterhalen wie de documenten opmaakte en vooral wie de tekst van de vermeende valse omschrijvingen voor de documenten aanleverde. Het is niet aannemelijk dat [verdachte] de documenten opstelde. De gebruikte Broker Agreement was een Wärtsilä template en is dus niet door GBC opgesteld. Nu de structuur op zichzelf gebruikelijk was, en [verdachte] de documenten kreeg aangeleverd van [naam 34] , kan allereerst niet worden vastgesteld dat [verdachte] bewust een mogelijke onjuiste omschrijving heeft gebruikt dan wel (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het valselijk opmaken van enig geschrift. Er is daarnaast geen bewijs voor het oogmerk op misleiding, nu [verdachte] uitging van de legaliteit van deze structuur.

Van [verdachte] kan eveneens niet gezegd worden dat hij wist of moest vermoeden dat de documenten gebruikt zouden worden om een derde te misleiden indien er sprake zou zijn van het voorhanden hebben van de documenten zodat ook niet gekomen kan worden tot een bewezenverklaring van het enkele voorhanden hebben van de ten laste gelegde documenten, aldus de raadsvrouw.

4.8.5.

Het oordeel van de rechtbank

De Broker Agreement en Pre Qualification Form (FI35-D076)

[naam 34] is in 2007 via [naam 21] in contact gekomen met de [trustkantoor] De Broker Agreements met GBC werden namens GBC doorgaans door [verdachte] ondertekend. Zo ook de ten laste gelegde Broker Agreement van 18 oktober (de rechtbank begrijpt: 2010).

Deze overeenkomst vermeldt onder meer dat GBC diepgaande kennis heeft over de maritieme sector in Italië en agentwerkzaamheden verricht in Italië.66 GBC verplicht zich in deze overeenkomst om allerlei werkzaamheden ten behoeve van Wärtsilä te verrichten, onder meer het doen van marktonderzoek, het maken van concurrentieanalyses, en het selecteren van onderaannemers.67 Bij deze overeenkomst hoort een Pre Qualification formulier, gedateerd 18 oktober 2010, waarin onder meer is vermeld dat GBC jarenlange ervaring heeft in de scheepsbranche, dat GBC in staat is om de uiteindelijke keuze van de klant te beïnvloeden, en dat [verdachte] , als vertegenwoordiger van het projectteam, inlichtingen- en netwerktaken zal vervullen.68 Ook het Pre Qualification formulier is namens GBC door [verdachte] ondertekend.69

Op grond van deze overeenkomst heeft GBC op 16 december 2010 aan Wärtsilä een bedrag van EUR 14.100,- in rekening gebracht met als omschrijving "broker commission for our Contract ref. no. FIOF101053", voor een Down payment (15%).70

Uit het voorgaande is gebleken dat in de documenten staat, dat GBC over allerhande ervaring en kwaliteiten zou beschikken in de maritieme sector in Italië en dat GBC bepaalde werkzaamheden zou gaan verrichten voor Wärtsilä. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie in strijd is met de waarheid aangezien GBC niets meer deed dan factureren en geen enkele kennis had van de maritieme sector in Italië. Immers, het doel van de samenwerking was gelegen in het opzetten van een ‘commissiestructuur’, aldus [verdachte] ter zitting.71 [verdachte] heeft bij de FIOD verklaard dat hij niet over de genoemde kennis beschikt.72

De suggestie dat GBC kon beschikken over de kennis en diensten van (de offshore van) [naam 34] , gaat niet op. Uit de documenten blijkt op geen enkele wijze dat het zou gaan om kennis en diensten van een ander. Integendeel, de overeenkomst verbiedt dat GBC de werkzaamheden uitbesteedt aan een ander. Zo vermeldt artikel 8.3 van de overeenkomst: “The broker may not assign this Agreement in whole of in part nor engage any sub-Brokers or sub-agents to perform any part of the Services.”

Volgens de tekst van de overeenkomst is het GBC die de werkzaamheden gaat verrichten en is GBC de partij die al sinds 1997 een wereldwijde kennis en ervaring heeft opgedaan in de “work ship business”. Deze claims zijn onjuist. GBC en de andere inhouse vennootschappen hebben geen enkele bemoeienis gehad bij de totstandkoming van deals met Wärtsilä, en dat is ook nooit de bedoeling geweest.73

[verdachte] wist dus dat GBC deze werkzaamheden niet uit zou voeren. Hij wist ook dat GBC geen enkele ervaring had in de maritieme sector en dat hij geen projectteam zou leiden. Door de documenten waarin deze bepalingen wel werden opgenomen voor juist te ondertekenen, heeft hij deze opzettelijk valselijk opgemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat daarbij het oogmerk was om deze documenten als echt en onvervalst te gebruiken. Ze vormden immers de grondslag voor de betalingen die Wärtsilä aan GBC deed. Het oogmerk van misleiding blijkt overigens ook uit conceptbrieven die zijn aangetroffen, waarin GBC aan Wärtsilä Italië schrijft dat GBC van een klant de vraag heeft gehad om op zoek te gaan naar 6 scheepsmotoren voor plaatsing in sleepboten.74

Deze correspondentie geeft een vals beeld van de werkelijke relatie tussen GBC en Wärtsilä Italië en kan maar met één doel zijn opgesteld, namelijk om naar derden te doen voorkomen dat GBC als broker optrad.

Nu de bewuste documenten uitsluitend zijn aangetroffen in Finland, kan de rechtbank niet vaststellen dat [verdachte] ze voorhanden heeft gehad.

De factuur van GBC aan Wärtsilä (NL35-D167)

Nu de onderliggende overeenkomst vals is, bestond er geen grond om facturen te sturen en bedragen te ontvangen. Door de facturen te sturen is bovendien voorgewend dat er brokerage werkzaamheden zijn verricht, terwijl GBC die werkzaamheden niet heeft verricht. De facturen zijn dan ook valselijk opgemaakt.

Aan de hand van het dossier kan echter niet worden vastgesteld wie de factuur heeft opgemaakt, nu het dossier daar geen enkele correspondentie over bevat. [verdachte] zal dan ook worden vrijgesproken van het valselijk opmaken van deze factuur.

Wel blijkt uit het dossier dat de factuur is aangetroffen op het kantoor van de [trustkantoor]75 Daarmee kan worden vastgesteld dat [verdachte] deze factuur voorhanden heeft gehad.

4.8.6.

De bewezenverklaring

Onder feit 9 is bewezen dat [verdachte]

in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 16 december 2010 te Amsterdam, opzettelijk geschriften, te weten:

  1. (FI35-D076, pag. 1-12) de Broker Agreement tussen Wärtsilä Finland OY en Global Business & Communications (The Netherlands) BV,

  2. (FI35-D076, pag. 13-20) de Pre-qualification Form van Global Business & Communications (The Netherlands) BV,

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te laten gebruiken,

voornoemde valsheden bestaan hieruit dat in dat geschrift valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en opgenomen, dat

  • -

    ad 1.: (pag. 1) GBC beschikt over “in-depth know-how on the marine business sector in Italy and is in the business of providing brokerage and related advisory services for projects in Italy” en dat GBC de in exhibit 1 (pag. 11) aangekruisde diensten zal verrichten voor Wärtsilä,

  • -

    ad 2.: (pag. 16) GBC “due to the specific critical situation of this particular project has possibility to influence final choice of the customer in favour to Wärtsilä, based on long reference list and success recorded so far”, dat “Project team” wordt vertegenwoordigd door [verdachte] en dat hij “is performing business intelligence activities and customer networking” en dat (pag. 17) GBC al sinds 1997 werkzaam is geweest in “the work ship business” en sinds 1997 in de “work ship business” een wereldwijde kennis en ervaring heeft opgedaan.

en

in de periode van 16 december 2010 tot en met 13 maart 2012 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een vals geschrift, te weten (NL35-D167) de factuur "invoice 1012126" van Global Business & Communications (The Netherlands) BV aan Wärtsilä Finland OY, gedateerd 16 december 2010, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was om als echt en onvervalst te gebruiken,

voornoemde valsheid bestaat hieruit dat in dat geschrift valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en opgenomen dat GBC voor Wärtsilä werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 14.100 wegens “Broker commission for our Contract ref. no. FIOF101053 (MSQ 019093- 130 TBP AHTS Augusta Offshore)”.

4.9.

Feit 10 Zaaksdossier 40 – Nature Iraq

4.9.1.

Inleiding

Het consortium New Eden was een samenwerkingsverband dat tot doel had studies te maken voor het herstel van moerasgebieden in het zuiden van Irak na de val van Saddam Hoessein. Het consortium bestond uit een NGO genaamd Iraq Foundation (later genaamd: Nature Iraq), vertegenwoordigd door [naam 35] , en twee Italiaanse ingenieursbureaus te weten Società Generale di lngegneria, vertegenwoordigd door [naam 36] , en Med Ingegneria Srl, vertegenwoordigd door [naam 37] . Het project werd onder meer gefinancierd door het Italiaanse Ministerie van milieu, onder de verantwoordelijkheid van [naam 38] , die later de Italiaanse Minister van milieu, land en zee zou worden.

Alle hierna te noemen ten laste gelegde documenten zijn op 13 maart 2012 aangetroffen in het kantoor van de [trustkantoor] te Amsterdam.

4.9.2.

De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij valselijk stukken heeft opgemaakt en voorhanden heeft gehad. Specifiek gaat het om de volgende stukken:

  • -

    (NL40-D086) invoice 100210 van GBC aan Nature Iraq, gedateerd 8 februari 2010,

  • -

    (NL40-D093) invoice 10164 van Orient Invest aan GBC, gedateerd 28 februari 2010,

  • -

    (NL40-D087) invoice 100538 van GBC aan Nature Iraq, gedateerd 10 mei 2010,

  • -

    (NL40-D088) invoice 100540 van GBC aan Nature Iraq, gedateerd 11 mei 2010,

  • -

    (NL40-D094) invoice 10175 van Orient Invest aan GBC, gedateerd 11 mei 2010,

  • -

    (NL40-D089) invoice 110327 van GBC aan Nature Iraq, gedateerd 31 maart 2011,

  • -

    (NL40-D090) invoice 110328 van GBC aan Nature Iraq, gedateerd 31 maart 2011 en

  • -

    (NL40-D157) invoice 11213 van Orient Invest aan GBC, gedateerd 31 mei 2011.

De valsheden bestaan hierin dat valselijk is voorgewend dat GBC respectievelijk Orient Invest werkzaamheden heeft verricht voor het genoemde project en gerechtigd was op betaling daarvoor. De factuur van Orient Invest van 11 mei 2010 zou bovendien geantedateerd zijn.

4.9.3.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring en daartoe het volgende aangevoerd.

GBC factureerde voor de revisie van technische rapporten en ondersteuning van het Iraakse ministerie voor milieu bij de implementatie van internationale afspraken. Orient Invest factureerde GBC voor hetzelfde. In werkelijkheid zijn deze werkzaamheden niet door GBC of Orient Invest verricht. [verdachte] heeft op verzoek van de hiervoor genoemde [naam 37] stukken opgesteld, waaronder ook facturen. [verdachte] levert vervolgens aan [medeverdachte] informatie voor de facturen van Orient die daarna door [medeverdachte] opgemaakt worden. [verdachte] meldt aan [medeverdachte] welk bedrag door GBC aan Orient is betaald en vraagt aan [medeverdachte] om corresponderende facturen van Orient aan GBC en levert daartoe de factuuromschrijving aan waarop de ten laste gelegde factuur van Orient aan GBC wordt opgesteld en verstuurd door [medeverdachte] . [verdachte] is daarmee ook verantwoordelijk voor de facturen van Orient Invest.

4.9.4.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] de facturen van GBC heeft opgemaakt. Dat kan evengoed door een andere medewerker van GBC zijn gedaan. Zelfs al zou [verdachte] deze facturen hebben opgemaakt, dan kan niet worden vastgesteld dat hij daar opzettelijk valse informatie in heeft opgenomen en bovendien het oogmerk had om een ander te misleiden. Hij ging ervan uit dat sprake was van herfacturatie en dat dit op deze wijze geoorloofd was. Hij heeft niet geweten wie de UBO was van de offshore.

De facturen van Orient Invest heeft [verdachte] niet opgemaakt. Dat heeft [medeverdachte] gedaan. Nu [verdachte] niet wist van de vermeende valsheid van de facturen, kan hij ook niet worden veroordeeld voor het voorhanden hebben van die valse facturen, aldus de raadsvrouw.

4.9.5.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier blijkt dat [naam 37] en [naam 36] via [naam 21] in 2007 in contact zijn gekomen met GBC.

Uit bankrekeninggegevens blijkt dat vanaf oktober 2007 een geldstroom op gang is gekomen vanuit Nature Iraq naar GBC. Tussen oktober 2007 en juni 2011 is in totaal € 3.424.000,- overgeboekt van de rekening van Nature Iraq naar de rekening van GBC. Deze geldbedragen werden telkens binnen enkele dagen en na aftrek van een percentage van 5% overgeboekt naar een rekening van Orient Invest, een vennootschap in de VAE van [medeverdachte] .

Vervolgens werden de geldbedragen telkens binnen enkele dagen en wederom na aftrek van een percentage overgeboekt naar een UBS bankrekening in Lugano Zwitserland op naam van Coolshade Enterprises Ltd., een offshore in Nevis. UBO van deze offshore was [naam 36] .

Het beheer van deze offshore verliep via [naam 21] .

Onderzoek van de Italiaanse autoriteiten heeft uitgewezen dat [naam 36] ook de begunstigde was van het saldo op de Zwitserse rekening. Volgens dit onderzoek werd het geld uiteindelijk voor het grootste deel doorgeboekt naar bankrekeningen van [naam 36] (€ 2.030.000,-) en van [naam 38] (€ 1.020.000,-). De betalingen die Nature Iraq aan GBC heeft gedaan zijn dus uiteindelijk (grotendeels) ten gunste gekomen van [naam 36] en [naam 38] .

In het onderzoek Trust EU is een groot aantal facturen aangetroffen die de grondslag voor deze geldstroom zou moeten vormen. De ten laste gelegde facturen dateren uit de periode 2010 – 2011 en betreffen facturen van GBC aan Nature Iraq en facturen van Orient Invest aan GBC. Al deze facturen zijn op 13 maart 2012 aangetroffen in het kantoor van de [trustkantoor]76

De facturen van GBC aan Nature Iraq (NL40-D086 t/m NL40-D090)

Op de facturen van GBC aan Nature Iraq77 staat telkens als omschrijving vermeld as per our agreement regarding (…) waarna een bepaald project en bepaalde werkzaamheden worden vermeld. Zo bevat de onder 1 ten laste gelegde factuur (NL40-D086) als omschrijving:

As per our agreement regarding the Darbendikhan - State of Environment Project in lraq concerning the revision of the draft report to its final report including amendments and integrations received from various parties involved

Door deze omschrijving op de factuur wordt de indruk gewekt dat GBC de genoemde werkzaamheden heeft verricht. De onderliggende overeenkomst bevestigt deze indruk. Hierin valt immers onder meer te lezen78:

The scope of work of this phase is the submission of the revised final "Darbendikhan State of the Environment" Project. (…) This submission is also completed with the entire set of plate/maps developed by our staff. (…)

The total cost for our services is fixed in the amount of € 315.000,00 to be paid immediately upon receipt of our regular invoice. (…)

Gesproken wordt over our services en over kaarten ontwikkeld door our staff. Nergens valt te lezen dat een ander dan GBC de uitvoerig omschreven werkzaamheden zou verrichten.

Vast staat dat GBC geen werkzaamheden heeft verricht in Irak.79 Het enige wat GBC deed was het versturen van facturen.80 [verdachte] heeft ter zitting ook verklaard dat de facturen zagen op administratieve werkzaamheden als het doorsturen van rapporten.81 De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ten laste gelegde facturen van GBC valselijk zijn opgemaakt.

De ten laste gelegde facturen van GBC zijn alle voorzien van de paraaf van [verdachte] . De rechtbank leidt daaruit af dat [verdachte] ze heeft opgemaakt.

[verdachte] wist dat GBC niet de gefactureerde werkzaamheden had verricht of had laten verrichten. GBC had geen enkele kennis van die werkzaamheden, laat staan dat zij daar enige invloed op had kunnen uitoefenen. Het heeft er zelfs alle schijn van dat de werkzaamheden al (goeddeels) waren voltooid op het moment dat GBC daarbij werd betrokken. Wanneer [verdachte] op 1 mei 2010 via [naam 15] twee nieuwe concept-overeenkomsten van de klant krijgt toegezonden met betrekking tot bepaalde werkzaamheden in Irak82, factureert hij Nature Iraq amper een week later, op 10 en 11 mei 2010, voor deze werkzaamheden voor een totaalbedrag van € 420.000,- (NL40-D87 en NL40-D88). Tegelijkertijd stuurt hij het resultaat van de werkzaamheden (de betreffende rapporten en tekeningen) door aan Nature Iraq.83 Uit dit alles blijkt dat [verdachte] opzet heeft gehad op de valsheid.

[verdachte] heeft de facturen verzonden aan Nature Iraq en in de bedrijfsadministratie van GBC opgenomen en daarmee de mogelijke bewijsbestemming van deze geschriften, zowel intern als extern, onderkend. De rechtbank acht daarmee bewezen dat hij ook het oogmerk had om de valse geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.

Nu de facturen zijn aangetroffen in het kantoorpand van de [naam 8] groep heeft [verdachte] deze facturen ook voorhanden gehad.

De facturen van Orient Invest aan GBC (NL40-D093, NL40-D094 en NL40-D157)

Op 16 juni 2010 stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] een e-mail met de volgende inhoud84;

Bijgaand 2 facturen van Global aan Nature lraq.

Kun jij vanuit Orient jouw factuur sturen minus onze marge van 5%?

In de administratie van GBC wordt de factuur van Orient Invest waar [verdachte] om verzocht heeft aangetroffen.85 Als factuurdatum staat vermeld 11 mei 2010, ruim een maand voordat [verdachte] zijn verzoek aan [medeverdachte] overbrengt. De rechtbank concludeert dat de factuur is geantedateerd.

Verder staat op deze factuur en op de andere facturen van Orient Invest aan GBC86 telkens als omschrijving vermeld for our fees relating to / regarding (…) gevolgd door een verwijzing naar het project en de werkzaamheden. Met deze omschrijving wordt voorgewend dat Orient Invest voor grote bedragen diensten heeft geleverd aan GBC, terwijl Orient Invest feitelijk niets anders deed dan een factuur sturen en het gefactureerde bedrag incasseren. Dit leidt de rechtbank af uit de hiervoor geciteerde e-mail van [verdachte] aan

[medeverdachte] . Daaruit volgt immers dat er geen werkzaamheden van Orient Invest aan GBC ten grondslag liggen aan de factuur (laat staan werkzaamheden waartegenover een vergoeding van € 399.000,- stond) maar dat de factuur uitsluitend is opgemaakt naar aanleiding van het verzoek van [verdachte] om een bedrag van € 420.000 minus 5% in een factuur van Orient Invest op te nemen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde facturen van Orient Invest aan GBC valselijk zijn opgemaakt.

De facturen van Orient Invest zijn opgemaakt door [medeverdachte] . [verdachte] heeft [medeverdachte] weliswaar verzocht om deze facturen, maar dat is onvoldoende om hem (als medepleger) aansprakelijk te houden voor het opmaken van de facturen.

[verdachte] zal wel worden veroordeeld voor het voorhanden hebben van de valse facturen van Orient Invest. De facturen zijn immers aangetroffen in het kantoor van de [trustkantoor] [verdachte] moet zich bewust zijn geweest van de aanwezigheid van deze facturen, nu hij er zelf om heeft verzocht. [verdachte] wist bovendien dat de facturen vals waren, nu hij wist dat Orient Invest geen diensten aan GBC leverde ten behoeve van de projecten in Irak.

4.9.6.

De bewezenverklaring

Onder feit 10 is bewezen dat [verdachte]

in de periode van 8 februari 2010 tot en met 31 maart 2011 te Amsterdam, opzettelijk geschriften, te weten:

1. NL40-D086) de factuur “invoice 100210” van Global Business & Communications (the Netherlands) BV (hierna GBC) aan Nature Iraq, gedateerd 8 februari 2010,

3. ( NL40-D087) de factuur “invoice 100538” van Global Business & Communications (the Netherlands) BV (hierna GBC) aan Nature Iraq, gedateerd 10 mei 2010,

4. ( NL40-D088) de factuur “invoice 100540” van Global Business & Communications (the Netherlands) BV (hierna GBC) aan Nature Iraq, gedateerd 11 mei 2010,

6. ( NL40-D089) de factuur “invoice 110327” van Global Business & Communications (the Netherlands) BV (hierna GBC) aan Nature Iraq, gedateerd 31 maart 2011,

7. ( NL40-D090) de factuur “invoice 110328” van Global Business & Communications (the Netherlands) BV (hierna GBC) aan Nature Iraq, gedateerd 31 maart 2011,

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te laten gebruiken, en

omstreeks de periode van 8 februari 2010 tot en met 12 maart 2012 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, valse geschriften, te weten

  1. (NL40-D086) de factuur “invoice 100210” van Global Business & Communications (the Netherlands) BV aan Nature Iraq, gedateerd 8 februari 2010,

  2. (NL40-D093) de factuur “invoice 10164” van Orient Invest Ltd. aan Global Business & Communications (the Netherlands) BV, gedateerd 28 februari 2010,

  3. (NL40-D087) de factuur “invoice 100538” van Global Business & Communications (the Netherlands) BV aan Nature Iraq, gedateerd 10 mei 2010,

  4. (NL40-D088) de factuur “invoice 100540” van Global Business & Communications (the Netherlands) BV aan Nature Iraq, gedateerd 11 mei 2010,

  5. (NL40-D094) de factuur “invoice 10175” van Orient Invest Ltd. aan Global Business & Communications (the Netherlands) BV, gedateerd 11 mei 2010,

  6. (NL40-D089) de factuur “invoice 110327” van Global Business & Communications (the Netherlands) BV aan Nature Iraq, gedateerd 31 maart 2011,

  7. (NL40-D090) de factuur “invoice 110328” van Global Business & Communications (the Netherlands) BV aan Nature Iraq, gedateerd 31 maart 2011, en

  8. (NL40-D157, pag. 1) de factuur “invoice 11213” van Orient Invest Ltd. (hierna Orient) aan Global Business & Communications (the Netherlands) BV, gedateerd 31 mei 2011,

opzettelijk voorhanden hebben gehad, terwijl zij wisten dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken,

voornoemde valsheden bestaan hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is voorgewend en opgenomen, dat

  • -

    ad 1.: GBC voor Nature Iraq werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 315.000 “regarding the Darbendikhan - State of Environment Project in Iraq concerning the revision of the draft report to its final report including amendments and integrations received from various parties involved”,

  • -

    ad 2.: Orient voor GBC werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 299.250 wegens “the revision of draft report in respect of the Darbendikhan - State of Environment Project in Iraq”,

  • -

    ad 3: GBC voor Nature Iraq werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 225.000 “regarding the Marshlands National Park Management Plan concerning the revision of the draft report including amendments and integrations received from various parties involved”,

  • -

    ad 4: GBC voor Nature Iraq werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 195.000 “regarding the preliminary Plan for the City of Chibayish concerning the revision of the draft report including amendments and integrations received from various parties involved”,

  • -

    ad 5: Orient voor GBC werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van in totaal EURO 399.000 (EURO 185.250 + EURO 213.750) regarding the “preliminary plan for the City of Chibayish concerning the revision of the draft report including amendments and integration received from various parties involved” en “regarding the Marshlands National Park Management Plan concerning the revision of the draft report including amendments and integrations received from various parties involved” en dat deze factuur is opgemaakt op 11 mei 2010,

  • -

    ad 6: GBC voor Nature Iraq werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 225.000 “regarding the Marshlands National Park Management Plan concerning the revision of the draft report including amendments and integrations received from various parties involved”, en

  • -

    ad 7: GBC voor Nature Iraq werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 205.000 “regarding the support to the Ministry of Environment of Iraq for the implementation of the international Convention on the Biodiversity (CBD)”,

  • -

    ad 8: Orient voor GBC werkzaamheden heeft verricht en gerechtigd is tot een bedrag van EURO 408.500 “in relation to Marshlands National Park Management Plan, revision of draft report including amendments and revisions as received from various parties involved as well as Support to the Ministry of Environment of Iraq for the implementation of the International Convention on Biodiversity (CBD)”.

4.10.

Feit 11 Witwassen

4.10.1.

De tenlastelegging

Aan [verdachte] is primair ten laste gelegd dat hij de gelden heeft witgewassen die door (onder andere) voornoemde structuren zijn ontvangen en doorbetaald. Concreet gaat het om ruim € 75,6 miljoen en US $ 30 miljoen via de rechtspersonen BHC, GBC, WEL, [naam 33] , Chennai, IMD, Istvar, Bittern, CMBA, IFS, [naam B.V. 1] , Superdirect, Sanlime en Righini. Dit feit staat op de tenlastelegging als gewoontewitwassen, opzetwitwassen en schuldwitwassen.

Subsidiair is aan [verdachte] ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het witwassen door BHC van ruim € 21,6 miljoen en US $ 16,9 miljoen en aan het witwassen door GBC van ruim € 27,3 miljoen en US $ 613.888,30.

4.10.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen en voert daartoe het volgende aan.

Op basis van de uitgebrachte valse facturen zijn door de EU-debiteuren overboekingen gedaan naar de Nederlandse bankrekeningen van de inhouse vennootschappen. In de administraties van de EU-debiteuren en de inhouse vennootschappen worden die betalingen met die valse facturen verantwoord als een rechtmatige titel van betaling. Dit overgeboekte geld is daarom als van misdrijf afkomstig aan te merken.

Die gelden zijn vervolgens weer op basis van valse facturen en overeenkomsten overgeboekt naar rekeningen van offshore vennootschappen, waarmee het geld weer in de bestedingsmacht van de UBO van de EU-debiteur terecht is gekomen. De aard en herkomst van het geld is hierdoor versluierd en met het overboeken naar offshore rekeningen is ook beoogd het spoor naar de UBO aan de waarneming te onttrekken. Hoewel gesteld kan worden dat de geldstromen op basis van de facturen en de ingehouden fee in beginsel (mede) uit eigen misdrijf afkomstig zijn, is daar door voornoemde structuur geen sprake van. Dit betekent dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing is.

Niet van alle geldstromen zijn de gronddelicten in de tenlastelegging opgenomen. Echter, in alle gevallen wordt het geld uiteindelijk doorgeleid naar een offshore waarvan de werkelijke UBO wordt afgeschermd.

Er is in die gevallen sprake van witwaskenmerken en een identieke modus operandi, terwijl de verklaringen die verdachten geven over de herkomst van het geld aantoonbaar onjuist zijn gebleken. Ook in die gevallen kan witwassen bewezen worden verklaard.

[verdachte] en [medeverdachte] hebben de in de tenlastelegging genoemde bedragen verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en daarvan gebruik gemaakt.

Ook de aard van het geld en de herkomst daarvan is verhuld, terwijl ook werd verborgen of verhuld wie de rechthebbende was en het voorhanden had. Dit witwassen gebeurde bedrijfsmatig en jarenlang, zodat sprake is van gewoontewitwassen, aldus de officier van justitie.

4.10.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken dan wel ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van de witwasverdenking.

In de eerste plaats kan niet worden vastgesteld dat de geldbedragen in de tenlastelegging afkomstig zijn van het misdrijf valsheid in geschrift of van andere misdrijven. Niet alle zaaksdossiers die vallen onder de opgenomen totaalbedragen staan op de tenlastelegging.

Zo bestaat er geen verdenking van valsheid in geschrift jegens [verdachte] in de zaaksdossiers 2, 13, 17, 20, 28, 32, 56 en 66. Daarnaast zijn de zaken 3, 31 en 40 die wel op de tenlastelegging staan weer niet meegenomen in de berekening. Dit maakt het bedrag dat door [verdachte] zou zijn witgewassen onbegrijpelijk.

Het feit dat in enkele dossiers bij enkele transacties mogelijk facturen zijn aangetroffen die onjuiste informatie bevatten, maakt niet dat alle facturen en overeenkomsten die aan de ontvangen bedragen over een periode van circa tien jaar ten grondslag hebben gelegen, valselijk zijn opgemaakt en de in de tenlastelegging genoemde bedragen geheel uit het misdrijf valsheid in geschift afkomstig zijn. Dit geldt ook voor het subsidiair ten laste gelegde feit. Niet kan worden aangenomen dat alle ontvangsten van BHC en GBC het gevolg zijn van valse geschriften. De gelden die afkomstig waren van klanten waren niet afkomstig van illegale activiteiten van die klanten. Daartoe ontbreekt iedere aanwijzing in het dossier. Daarom kan niet worden aangenomen dat die gelden afkomstig waren van ‘een of meer andere misdrijven’.

Ten tweede kan de vermeende valsheid in geschrift geen gronddelict zijn voor het witwassen omdat een voorwerp dat wordt witgewassen, afkomstig dient te zijn uit een misdrijf gepleegd voorafgaand aan de witwasgedragingen. Er moet bovendien een causaal verband zijn tussen het gronddelict (de betreffende valsheid) en de vermogensbestanddelen die zijn ontvangen.
Het causale verband ontbreekt. BHC/GBC heeft de gelden niet op haar rekening verkregen door valse documenten op te maken. De afspraak dat er gelden overgemaakt zouden worden bestond daarvoor al. De EU-debiteur is niet door een valse factuur voor de gek gehouden, waarna hij door een verkeerde voorstelling van zaken geld overmaakte. Er is geen geld verduisterd of onrechtmatig verkregen van een eigenaar als gevolg van valsheden of misleiding van de debiteur. Soms waren de gelden zelfs al overgemaakt voordat er een factuur of overeenkomst was opgemaakt. De factuur of overeenkomst werd dan opgemaakt om de transactie of geldstroom achteraf te kunnen verantwoorden. Deze gelden zijn dus niet afkomstig uit een voorafgaand aan de witwasgedraging gepleegd misdrijf.

Voor zover de geldbedragen al een criminele herkomst hadden, had [verdachte] daarvan geen wetenschap. Een doorstroomstructuur is niet per definitie onrechtmatig, maar juist gebruikelijk in Nederland. [verdachte] had geen concrete aanwijzing dat er iets niet deugde ten aanzien van alle door BHC/GBC of ander handelstakvennootschappen ontvangen gelden.

Indien voornoemde verweren gepasseerd worden, wordt een beroep gedaan op de kwalificatie-uitsluitingsgrond. [verdachte] heeft geen gedragingen verricht die zijn gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van gelden van klanten die afkomstig zouden zijn uit valsheid in geschrift. Gelet hierop kan het tenlastegelegde wegens niet-kwalificeerbaarheid daarvan geen strafbaar feit opleveren. [verdachte] dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor het primair en subsidiair ten laste gelegde, aldus de raadsvrouw.

5.11.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft hiervoor onder de feiten 3 tot en met 9 bewezen geacht dat valse overeenkomsten en facturen zijn opgemaakt.87 Deze valse documenten maakten deel uit van een constructie die door de [trustkantoor] was opgezet om winsten van Europese ondernemingen buiten het zicht van de fiscale autoriteiten weg te sluizen naar (in de meeste gevallen) de eigenaren van die ondernemingen. Met behulp van valse facturen van de inhouse vennootschappen werden kosten gecreëerd in het land van de EU-debiteur. Als de facturen door de EU-debiteur werden voldaan, werd het geld vervolgens doorgesluisd naar een bankrekening in Monaco of Zwitserland op naam van een offshore in een belastingparadijs. Ook deze geldstroom werd veelal aangekleed met valse facturen en overeenkomsten.

De gelden die op deze manier zijn weggesluisd, hadden aanvankelijk geen criminele herkomst. Het betrof immers omzet uit de ondernemingen van de EU-debiteuren.
Dit verandert echter op het moment dat de EU-debiteur op basis van valse facturen en overeenkomsten bedragen aan de inhouse vennootschappen betaalt. Op dat moment zijn de bedragen immers afkomstig uit het misdrijf valsheid in geschrift.88

Daarbij merkt de rechtbank op dat voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat sprake is van een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het verwerven en/of voorhanden hebben. In geval de geldstroom achteraf (nadat het geld op de rekening van de offshore is geland) wordt ‘gedekt’ door het opmaken van valse facturen of overeenkomsten, kan niet worden gezegd dat het geld afkomstig was uit het misdrijf valsheid in geschrift. Daaraan kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen dat het van elke constructie de bedoeling is geweest de geldstromen te legitimeren door middel van valse facturen.

Elk van de inhouse vennootschappen uit de bewezenverklaarde feiten hebben geldbedragen van EU-debiteuren ontvangen die werden betaald ter nakoming van valse overeenkomsten of op basis van valse facturen.89 Daarmee hebben de inhouse vennootschappen geldbedragen verworven en voorhanden gehad die afkomstig waren uit misdrijf. Vervolgens hebben de inhouse vennootschappen deze bedragen (minus een paar procent commissie) direct of indirect overgeboekt aan offshores. Daarmee zijn de geldbedragen (minus de commissie) tevens overgedragen. Bovendien is hierdoor de werkelijke aard van de bedragen verhuld. Versluierd werd immers dat het geld niet werd betaald op basis van de overeenkomsten en facturen, maar louter in opdracht en ten behoeve van anderen.

Zoals hiervoor bij de bespreking van de feiten is overwogen, hadden [medeverdachte] en [verdachte] opzet op het valselijk opmaken van de documenten of het voorhanden hebben daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dat dat zij ook wisten van de criminele herkomst van het geld. Deze wetenschap van [medeverdachte] als beleidsbepaler en [verdachte] als bestuurder kan worden toegerekend aan de inhouse vennootschappen. Deze rechtspersonen hebben zich dan ook schuldig gemaakt aan witwassen.

Voor de rechtbank valt niet vast te stellen welk totaalbedrag er op deze wijze precies is witgewassen. Dat heeft een aantal oorzaken. Het Openbaar Ministerie heeft in haar berekening alle zaaksdossiers betrokken, ook die zaaksdossiers die niet op de tenlastelegging van [medeverdachte] en [verdachte] zijn opgenomen. Nu aan de rechtbank niet ter beoordeling voorlag of ook in die zaaksdossiers sprake was van valsheid in geschrift en de verdediging zich daar ook niet tegen heeft kunnen verweren, laat de rechtbank die zaaksdossiers buiten beschouwing. Het Openbaar Ministerie wordt niet gevolgd in haar stelling dat ook bij deze geldstromen (zonder bewezen gronddelict) witwassen bewezen kan worden op basis van ‘witwaskenmerken’ en de modus operandi. Immers, de door het Openbaar Ministerie genoemde kenmerken – betrokkenheid van [naam 21] , gebruik van een inhouse vennootschap en een offshore – kunnen evenzeer aan de orde zijn bij legale doorstroomstructuren.

De rechtbank ziet ook onvoldoende ondersteuning voor de stelling van het Openbaar Ministerie dat het bij alle doorstroomstructuren in de handelstak ging om betalingen voor gefingeerde prestaties. Daarvoor biedt het dossier onvoldoende zicht op alle activiteiten van de handelstak.

Daarnaast speelt mee dat in individuele gevallen de geldstroom vooraf is gegaan aan het opmaken van de facturen en overeenkomsten, zodat geen sprake is van witwassen. In andere gevallen is er wel een geldstroom zichtbaar maar zijn er in het geheel geen onderliggende facturen of overeenkomsten gevonden. Ook in die gevallen kan witwassen niet bewezen worden.

Bewezenverklaard zal daarom worden dat de inhouse vennootschappen in de ten laste gelegde periode een onbekende hoeveelheid geld hebben witgewassen. Gelet op het structurele en bedrijfsmatige karakter van deze handelingen was sprake van gewoontewitwassen.

[verdachte] heeft aan het witwassen van deze bedragen door GBC en BHC telkens feitelijk leiding gegeven. Zoals hiervoor al vaker aan de orde kwam, was [verdachte] behalve bestuurder van de vennootschappen ook degene die feitelijk uitvoering gaf aan de schijnconstructies. Hij was het aanspreekpunt van de klanten, hij voerde overleg en maakte afspraken, en stelde vervolgens op verzoek van de klanten valse overeenkomsten en facturen op. Als de klanten eenmaal betaald hadden op de valse facturen, zorgde hij ervoor dat het geld werd doorgesluisd naar offshores of naar een tweede inhouse. In dat laatste geval verzocht hij [medeverdachte] een (valse) factuur op te maken om de overboeking te rechtvaardigen. Door zo te handelen heeft [verdachte] feitelijk leiding gegeven aan het witwassen door de inhouse venootschappen GBC en BHC.

De door de Hoge Raad geformuleerde kwalificatie-uitsluitingsgrond is niet van toepassing. Bewezenverklaard wordt niet het witwassen van gelden afkomstig van een misdrijf dat door [verdachte] zelf is begaan, maar het feitelijk leidinggeven aan witwashandelingen van de rechtspersonen GBC en BHC. Bovendien heeft te gelden dat de rechtspersonen de geldbedragen niet alleen hebben verworven en voorhanden gehad, maar ook hebben overgedragen en de werkelijke aard daarvan hebben verhuld. Het door de inhouse verwerven en voorhanden hebben van de geldbedragen was uitsluitend dienstig aan het verder doorsluizen van het geld naar rekeningen van offshores onder valse titels, om op die manier de werkelijk aard verder te verhullen. Ook om die reden vindt de kwalificatie-uitsluitingsgrond geen toepassing.

5.11.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat:

Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken "Amstellodamus" BV (hierna BHC) en Global Business & Communications (The Netherlands) BV (hierna GBC) in de periode van 1 juni 2004 tot en met 29 september 2013 te Amsterdam en/of elders in Nederland opzettelijk

geldbedragen bestaande uit betalingen door "EU-debiteuren" op basis van facturen en/of overeenkomsten,

hebben verworven en voorhanden hebben gehad en hebben overgedragen, en de werkelijke aard van die geldbedragen hebben verhuld,

terwijl BHC en GBC wisten, dat bovenomschreven geldbedragen afkomstig waren uit valsheid in geschrift en BHC en GBC van dat witwassen een gewoonte hebben gemaakt,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen [verdachte] feitelijk leiding heeft gegeven.

4.11.

Feit 1 Criminele organisatie

4.11.1.

De tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij van 2002 tot en met 2013 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en rechtspersonen, welke organisatie tot het oogmerk had het plegen van misdrijven en dat hij leiding heeft gegeven aan die organisatie.

4.11.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van dit feit en daartoe het volgende aangevoerd.

Dat er in de onderhavige zaak sprake is geweest van een organisatie, staat buiten kijf. Sinds in ieder geval 2002 werden vanuit de handelstak frauduleuze structuren aangeboden om fraude in EU-landen te faciliteren. Hiertoe is naast de gewone trustwerkzaamheden een heel netwerk opgetuigd en in stand gehouden met inhouse vennootschappen om die structuren in de markt te zetten. Ook zijn er contacten onderhouden c.q. afspraken gemaakt met andere betrokkenen in de structuur, waaronder [naam 21] , waarmee een winstdeling van 33% werd afgesproken.

De repeterende modus operandi geeft het structurele karakter goed weer. Daarnaast was er een duidelijke taakverdeling. [medeverdachte] was de man met het overzicht in de organisatie die doorstroomstructuren in de markt zette en daartoe een netwerk opbouwde en onderhield, terwijl [verdachte] en [naam 13] zich bezig hielden met de feitelijke uitvoering.

In georganiseerd verband werden als verdienmodel schijnstructuren aan cliënten aangeboden waaraan valse overeenkomsten en facturen ten grondslag lagen. Anders gezegd: zonder valsheid geen klant, geen structuur, geen geld. Het gaat in deze casus om frauderen als verdienmodel en daarmee is het oogmerk een feit.

Het aandeel van [verdachte] in de organisatie bestond uit:

- het werkzaam zijn in en het dagelijkse leiding geven aan de handelstak;

- het onderhouden van contacten met [naam 21] voor het verwerven van klanten;

- het bezoeken/bedienen van klanten;

- het geven van instructies aan onder andere [naam 13] ;

- het (doen/laten) opmaken van valse overeenkomsten en facturen;

- het (doen/laten) doorbetalen van gelden naar bankrekeningen van offshores en

- het hiermee geld verdienen door middel van salaris en/of bonus.

Hiermee heeft [verdachte] bewust een bedrijfscultuur in stand gehouden waarin structureel gelden werden witgewassen op basis van valse overeenkomsten en facturen. [verdachte] heeft gelet op zijn rol leiding gegeven aan deze criminele organisatie, aldus de officier van justitie.

4.11.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat [verdachte] moet worden vrijgesproken om de volgende redenen. [verdachte] had geen opzet had op deelneming aan een criminele organisatie. Het oogmerk van de organisatie is volgens het Openbaar Ministerie het plegen van valsheid in geschrift en witwassen.

[verdachte] wist niet dat de [naam 8] groep valsheid in geschrift en witwassen als oogmerk zou had. [verdachte] wist dat er structuren werden opgericht om een zo gunstig mogelijk belastingklimaat te creëren voor klanten, dit is immers inherent aan de trustbranche. Wellicht dat hij ten aanzien van het opmaken van enkele van alle duizenden stukken kritischer of minder slordig had moeten zijn. Dat betekent echter niet dat de [naam 8] groep het oogmerk had valse geschriften op te maken of wit te wassen en al helemaal niet dat [verdachte] wist dat dit oogmerk bij de [naam 8] groep bestond.

Ook kan [verdachte] niet worden aangemerkt als leider. [verdachte] heeft de handelstak en het trustkantoor niet in het leven heeft geroepen. Deze bestonden al toen hij in dienst kwam bij de [naam 8] groep, net zoals bijvoorbeeld de formats voor de contracten. Hij had een uitvoerende functie en volgde de instructies van de aandeelhouders en [naam 21] op. Daar werd bepaald wie wat moest doen. [verdachte] kan daarom niet worden gezien als een oprichter, leider of bestuurder van een criminele organisatie.

4.11.4.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van deelname aan een criminele organisatie is het volgende van belang.

Er dient in de eerste plaats een gestructureerd samenwerkingsverband te zijn met een zekere duurzaamheid en continuïteit tussen verdachte en tenminste één andere persoon.

De samenstelling van het samenwerkingsverband hoeft niet steeds dezelfde te zijn en duurzaamheid en continuïteit betekent niet dat het samenwerkingsverband onafgebroken moet hebben bestaan. Daarnaast moet sprake zijn van een zekere structuur. Deze hoeft niet hiërarchisch te zijn, niet vast te liggen en ook is niet vereist dat er een afgebakende taakverdeling is.

De organisatie moet tot doel hebben het plegen van misdrijven, al is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.

Om van deelneming aan een criminele organisatie te spreken, moet de verdachte in de eerste plaats behoren tot de organisatie en in de tweede plaats een aandeel hebben in, dan wel gedragingen ondersteunen, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Vereist is bovendien dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Daarbij is echter niet vereist dat verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven.

Duurzaam samenwerkingsverband

Uit de hiervoor besproken feiten blijkt dat er bij het opzetten en uitvoering geven aan de structuren telkens een min of meer vaste groep personen was betrokken. Het gaat hier om (onder andere) [medeverdachte] , [verdachte] , [naam 15] , [naam 13] , en [naam 9] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake was van een samenwerkingsverband. De samenwerking is eind jaren ’90 begonnen en heeft geduurd tot in ieder geval september 2013. Gelet op de lengte van de periode waarin de verschillende structuren zijn opgezet en de samenwerking van de hiervoor genoemde personen heeft plaatsgevonden, is de rechtbank voorts van oordeel dat het samenwerkingsverband een duurzaam karakter had.

Gestructureerd samenwerkingsverband

Daarnaast was dit duurzame samenwerkingsverband gestructureerd van aard. Over de “rolverdeling” van de betrokken personen en de rol van [verdachte] in het bijzonder, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij daarover bij de bespreking van de afzonderlijke feiten heeft overwogen.

Oogmerk

Het aldus bestaande duurzame en gestructureerde samenwerkingsverband van [verdachte] en de andere personen had als oogmerk het aanbieden van en uitvoering geven aan schijnconstructies die inhielden dat grote geldbedragen werden weggesluisd op grond van valse overeenkomsten en facturen. Het samenwerkingsverband was dus gericht op het plegen van valsheid in geschrift en witwassen. Dit volgt uit al hetgeen hiervoor is overwogen bij de beoordeling van de afzonderlijke feiten, één en ander in onderling verband en samenhang bezien. Dat hetzelfde samenwerkingsverband van personen zich ook bezighield met andere, legale (trust)werkzaamheden, doet daaraan niet af. Immers, het aanbieden van deze schijnconstructies was geen incidentele misstap, maar veeleer een structureel en lucratief verdienmodel binnen de handelstak.

Deelneming

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Het bewijs van het opzet van [verdachte] , zowel op deelname aan de organisatie, als op het oogmerk van deze organisatie volgt uit hetgeen hierover bij de afzonderlijke feiten over de rol en het handelen van [verdachte] is overwogen.

De deelneming van [verdachte] bestond uit het telkens (mede)plegen van de misdrijven valsheid in geschrift en aan het feitelijk leidinggeven aan witwassen.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] leider was van de criminele organisatie. Daaraan doet niet af dat [verdachte] de dagelijkse leiding over de handelstak had, dat hij klanten bezocht en de contacten met hen onderhield en dat hij instructies gaf aan onder andere [naam 13] , aangezien dit allemaal gebeurde op instructie van [medeverdachte] . [verdachte] had daartegen niets in te brengen en voerde simpelweg uit wat hem werd opgedragen.

Omvang organisatie

Ten tijde van hun betrokkenheid bij de [trustkantoor] waren [verdachte] en/of [medeverdachte] direct dan wel indirect bestuurder en/of aandeelhouder van verschillende vennootschappen. Ook de vennootschappen wisselden elkaar af in het bestuur.90 Het gaat onder meer om de volgende (ten laste gelegde) vennootschappen:

  • -

    Bittern 19 Consult B.V.

  • -

    Bureau voor Handelsbemiddeling en Commissiezaken "Amstellodamus" B.V.

  • -

    [naam 8] Holding B.V.

  • -

    [naam 8] Management (The Netherlands) B.V.

  • -

    Chennai B.V.

  • -

    [naam 21] Middle East

  • -

    [naam 21] SAM

  • -

    Compagnie voor Maritieme Belangen Amsterdam B.V.

  • -

    Fiparca Invest Ltd

  • -

    Fipardo Holding B.V.

  • -

    Global Business & Communications (The Netherlands) B.V.

  • -

    IFS License B.V.

  • -

    lstvar Consultancy B.V.

  • -

    [naam 33] Beleggingen B.V.

  • -

    Orient Invest Ltd.

  • -

    Sanlime

  • -

    Stichting Aandelenbeheer [naam 8]

  • -

    Stichting Derdengelden [naam 8]

  • -

    Stichting Derdengelden [naam 7]

  • -

    Stichting Poligny

  • -

    Superdirect Ltd

  • -

    [naam 7] Gemeenschappelijk bezit B.V.

  • -

    [naam 7] Management Holding B.V.

  • -

    [naam 7] Real Estate B.V.

  • -

    Worldwide Entertainment & Leisure B.V.

Uit het dossier blijkt dat [verdachte] in voorkomende gevallen de initiator van de fraude was en daartoe, al dan niet direct, aldus de controle had over een aantal vennootschappen. Via die vennootschappen waren ook meerdere andere natuurlijke personen betrokken bij handelingen die gericht waren op de uiteindelijke fraude. Van de in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen kan wel vastgesteld worden dat zij onderdeel hebben uitgemaakt van een fraudestructuur, maar hun strafbare handelen kan zozeer worden vereenzelvigd met het handelen van [verdachte] zelf, dat er niet zozeer sprake is van een samenwerkingsverband van één natuurlijk persoon met meerdere rechtspersonen, maar van één natuurlijk persoon die meerdere rechtspersonen als ‘werktuigen’ heeft gebruikt voor het plegen van fraude. Vanuit het uitgangspunt dat een dergelijk samenwerkingsverband tussen een natuurlijk persoon en zijn rechtspersoon niet kan leiden tot het oordeel dat er sprake is van een strafbare samenwerking,91 zal [verdachte] worden vrijgesproken van het vormen van een criminele organisatie met de in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wel bewezen dat [verdachte] een criminele organisatie heeft gevormd met natuurlijke personen, bestaande uit in ieder geval [medeverdachte] , [naam 9] en [naam 13] .

4.11.5.

De bewezenverklaring

Onder feit 1 is bewezen dat [verdachte]

in de periode van 1 februari 2004 tot en met 29 september 2013 te Amsterdam, Monaco, Verenigde Arabische Emiraten, Italië en Spanje, heeft deelgenomen aan een organisatie,

te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en, bestaande uit hem, [verdachte] , en

[medeverdachte] , [naam 1] , [naam 13] en andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk valsheid in geschrift en gewoontewitwassen.

5 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigings-grond is niet aannemelijk geworden. Er is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.

6 Motivering van de straffen

6.1.

De strafeis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] voor de door hen bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 maanden, met aftrek van voorarrest, en een beroepsverbod om werkzaam te zijn in de trustsector, voor de duur van vijf jaren.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Mocht de rechtbank toch tot een veroordeling en strafoplegging toekomen, dan heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met het volgende. [verdachte] is niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit. In zijn werkzaamheden hebben zijn persoonlijkheidskenmerken ertoe geleid dat hij geen kritische houding heeft aangenomen ten aanzien van hetgeen van hem werd gevraagd. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met het fiscale klimaat ten tijde van de feiten. De psychische gevolgen van de zes maanden durende voorlopige hechtenis en de voortdurende onzekerheid over de uitkomst van de zaak hebben een enorme impact op [verdachte] en zijn gezin. [verdachte] heeft hierdoor, zo blijkt uit het psychologisch rapport, posttraumatische stressklachten en een depressie ontwikkeld. [verdachte] had bovendien helemaal geen belang bij het plegen van vermeende valsheden. [verdachte] heeft geen voordeel genoten uit deze handelingen; hij was slechts in loondienst. Verder is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Daar komt bij dat er sprake is van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel/verbod op willekeur omdat het Openbaar Ministerie ervoor heeft gekozen om [verdachte] wel op een openbare terechtzitting te dagvaarden en de zaken van andere medeverdachten buitengerechtelijk af te doen door middel van een transactie/strafbeschikking. Het onderscheid is ongerechtvaardigd omdat de medeverdachten een vergelijkbare rol als [verdachte] hebben gehad op het kantoor.

Ten slotte heeft de raadsvrouw verzocht om geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan reeds ondergaan.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ter bescherming van de integriteit van de financiële markten is sinds 2004 trustdienstverlening in Nederland gereguleerd door de introductie van een vergunningenstelsel met toezicht toegespitst op een integere bedrijfsvoering. De Nederlandse Bank (DNB) verleent vergunningen aan trustkantoren en handhaaft de voorschriften op grond van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt). Hierdoor is het in Nederland verboden trustdiensten te verlenen zonder de door de DNB verleende vergunning. Bij de verlening van trustdiensten bestaat namelijk het risico dat deze worden misbruikt voor witwassen, de financiering van terrorisme of andere illegale praktijken. Trustkantoren hebben een functie van poortwachter. Met voorafgaande en doorlopende controle van hun klanten leveren zij een belangrijke bijdrage aan het tegenaan van deze risico’s.

Binnen de [trustkantoor] ontstond vanaf medio jaren ‘90 naast de trusttak voor doelvennootschappen, waarvoor de vereiste vergunningen aanwezig waren, de zogeheten handelstak. Een belangrijk verschil tussen de trusttak en de handelstak was dat bij de handelstakstructuur de diensten van de doorstroomvennootschappen niet vielen onder de hiervoor genoemde Wtt en daarmee ook niet onder het vergunningstelsel van DNB. Pas door een wetswijziging in 2012 zijn die diensten waarbij ten behoeve van een klant gebruik werd gemaakt van een vennootschap die tot dezelfde groep behoort als het trustkantoor onder het bereik van de Wtt gebracht omdat ook bij deze diensten het risico van misbruik voor onder meer witwassen aanwezig was.

Binnen de trusttak werd door het trustkantoor gefactureerd aan de klanten op basis van vergoeding van een uurtarief naast bepaalde vaste kosten. Binnen de handelstak bracht het trustkantoor de klant een commissie van doorgaans 5% in rekening over de door te stromen bedragen. Dit was vanwege de hoogte van de gemoeide bedragen veel lucratiever dan het verdienmodel binnen de trusttak en bovendien vielen zoals gezegd deze activiteiten tot 2012 niet onder het toezicht van DNB.

Uit het dossier is gebleken dat het trustkantoor deze handelstak gebruikte om doorstroomstructuren aan te bieden die in wezen schijnconstructies waren waarmee onder meer fiscale fraude en corruptie werden gefaciliteerd. Op grote schaal werden valse overeenkomsten en facturen opgemaakt om gelden ‘door te stromen’ naar bankrekeningen in Monaco of Zwitserland op naam van offshores in belastingparadijzen met een fiscaal gunstig klimaat, een bankgeheim en afwezigheid van een publicatieplicht. Doel van de opgezette constructies was om winsten van Europese ondernemingen buiten het zicht van de fiscale autoriteiten weg te sluizen naar (in de meeste gevallen) de eigenaren van die ondernemingen.

De constructies bestonden eruit dat werd voorgewend dat Nederlandse vennootschappen behorend tot het trustkantoor werkzaamheden verrichtten, zoals de ontwikkeling van software (ZD 4, RRD), het doen maken van studies voor de herontwikkeling van natuurgebieden in Irak (ZD 40, Nature Iraq) of allerhande technische werkzaamheden aan cruiseschepen (ZD 16, Zincaf). Ook werd er voor miljoenen aan commissies in rekening gebracht voor bemiddeling bij transacties met betrekking tot percelen grond (ZD 3, [naam onderneming 1] en ZD 31, Eurosole), schepen (ZD 12 [naam 24] ) of scheepsmotoren (ZD 35 Wärtsilä). In werkelijkheid deden de Nederlandse inhouse vennootschappen echter niets meer dan facturen versturen en de daarop ontvangen betaalde bedragen doorsluizen naar offshores. Ook werden op grote schaal overeenkomsten en facturen geantedateerd, om werkzaamheden die al waren voltooid alsnog via het trustkantoor te laten factureren (ZD 3, [naam onderneming 1] ), of om royalties in rekening te brengen over een periode waarin het trustkantoor nog geen IE-rechten bezat (ZD5, Intrattenimenti). Gepoogd werd om een en ander af te dekken met overeenkomsten tussen de inhouse vennootschappen en de offshores, maar ook deze overeenkomsten geven geen getrouw beeld van de werkelijke verhoudingen.

Met deze handelwijze heeft het trustkantoor jarenlang belastingontduiking en andere vormen van financiële fraude gefaciliteerd. Bovendien heeft het trustkantoor door het wegsluizen van het geld naar offshores grote geldbedragen witgewassen.

Hoewel de rechtbank niet precies heeft kunnen becijferen voor hoeveel geld hiermee is gefraudeerd, staat wel vast dat het om zeer aanzienlijke bedragen gaat. Alleen al met de constructies in de bewezenverklaarde zaaksdossiers is in de loop der jaren ten minste 40 miljoen euro en 4 miljoen dollar binnengekomen bij de inhouse vennootschappen, waarvan grofweg 95% is doorgestroomd naar de offshores.

[verdachte] was jarenlang werkzaam voor de [trustkantoor] Hij heeft in de hoedanigheid van DGA gedurende ruim tien jaar, samen met anderen, in georganiseerd verband als verdienmodel deze schijnstructuren aan cliënten aangeboden en uitgevoerd. Daarbij werden valse facturen en contracten opgenomen in de bedrijfsadministratie van het kantoor, waardoor derden werden misleid, en werden door winsten van klanten weg te sluizen naar offshore vennootschappen structureel grote hoeveelheden geld witgewassen. De rechtbank merkt het samenwerkingsverband aan als een criminele organisatie en acht bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan deze criminele organisatie.

[verdachte] had de dagelijkse leiding over de handelstak, bezocht klanten en onderhield de contacten met hen en gaf instructies aan andere medewerkers. Hij ondertekende vele valse overeenkomsten en facturen en antedateerde waar dat hem werd verzocht.

De rechtbank rekent het [verdachte] zwaar aan dat hij op deze wijze in zijn werk jarenlang structureel belastingontduiking en andere vormen van financiële fraude heeft gefaciliteerd. Daarnaast heeft het handelen van [verdachte] en het trustkantoor ook schade toegebracht aan het vertrouwen in de financiële sector waarin hij werkzaam was. Juist aan dat vertrouwen ontleent die sector in het maatschappelijk en het handelsverkeer haar meerwaarde. Van de trustsector wordt verwacht dat niet alleen aan formele verplichtingen wordt voldaan, maar dat ook inhoudelijk normatief de in de sector werkzame personen ervoor zorgen dat die sector verschoond blijft van dergelijk misbruik van structuren. En dat heeft [verdachte] niet gedaan. Het excuus dat hij dacht dat alles, zonder daar ook maar enigszins kritisch op te zijn, legaal was en dat hij geen tijd had door de drukke werkzaamheden om kritisch te zijn, is te makkelijk.

Bovendien zorgt dit handelen voor concurrentievervalsing ten opzichte van trustkantoren die wel moeten voldoen aan de strenge vereisten en zorgplichten en onder toezicht van DNB staan.

Dat de werkzaamheden binnen de handelstak plaatsvonden waar ten tijde van het begaan van de strafbare gedragingen nog geen vergunningsverplichting voor gold, doet daar niet aan af. Een financiële instelling dient integer te handelen.

Ook al heeft [verdachte] de fraude misschien niet geïnitieerd, hij heeft als bestuurder van de ondernemingen hoe dan ook besloten de fraude in stand te houden.

Gelet op de duur en de omvang van de fraude en de rol van [verdachte] daarin, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats zou zijn.

De rechtbank slaat bij de strafoplegging acht op de zogenoemde oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht van de hoven en de rechtbanken.

Genoemde oriëntatiepunten dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Volgens deze oriëntatiepunten is bij fraudedelicten met een omvang van meer dan € 1 miljoen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanaf 24 maanden het uitgangspunt. Hoewel de rechtbank de exacte omvang van de fraude niet heeft kunnen becijferen, gaat deze het bedrag van € 1 miljoen ver te boven.

De rechtbank zal in deze zaak echter afwijken van dit uitgangspunt om de hierna volgende redenen.

Hoewel beiden deel uitmaakten van het samenwerkingsverband, was de rol van [verdachte] wezenlijk anders dan die van [medeverdachte] . [verdachte] was op papier bestuurder van een aantal vennootschappen, maar in de praktijk was zijn positie meer die van een medewerker. Hij voerde uit wat [medeverdachte] , [naam 15] of de klanten hem vroegen te doen. Hij was niet degene die de constructies bedacht of die nieuwe klanten aanbracht. Evenmin was hij degene die de verdiensten opstreek.
Hij verdiende een goed salaris, en kreeg ten minste eenmaal een ‘extraatjeʼ van [medeverdachte] van meer dan 20.000 euro, maar genoot verder geen winstuitkeringen. Bij die andere rol past ook een andere strafwaardigheid.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Uitgangspunt is dat binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen vonnis wordt gewezen tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Die omstandigheden doen zich naar het oordeel van de rechtbank in dit geval voor, gelet op de uitzonderlijke omvang van het FIOD onderzoek en de hoeveelheid onderzoekshandelingen die, deels op verzoek van de verdediging, door de rechter-commissaris zijn verricht. De rechter-commissaris heeft op 6 februari 2017 de laatste getuigen gehoord. Nadien heeft het nog ruim anderhalf jaar geduurd voor de zaak op zitting kwam. De rechtbank stelt vast dat de termijn is gaan lopen op het moment van de aanhouding van [verdachte] op 30 september 2013. Sindsdien is ruim 5 jaar verstreken. De rechtbank ziet hierin aanleiding een overschrijding van de redelijke termijn aan te nemen van 12 maanden.

De rechtbank neemt eveneens ten voordele van [verdachte] mee dat hij reeds zes maanden gedetineerd is geweest en dat hij gedurende al die tijd in beperkingen heeft gezeten. Dit zijn buitengewoon zware detentieomstandigheden, die uitzonderlijk lang hebben geduurd. [verdachte] heeft geen crimineel verleden, zo blijkt uit een uittreksel uit zijn justitiële documentatie. De detentie heeft bij hem diepe sporen achtergelaten. Uit een psychologisch rapport over [verdachte]92 blijkt dat hij door deze detentie een posttraumatische stressstoornis heeft opgelopen.

Volgens de psycholoog is sprake van een depressieve stoornis, geluxeerd en in stand gehouden door deze rechtszaak. [verdachte] voelt zich grote delen van de dag somber en neerslachtig. Hij kan nog maar van weinig dingen genieten, is passief en komt tot weinig. Hij piekert veel en heeft veel last van schuldgevoelens naar zijn gezin toe. Om deze gebeurtenissen te kunnen verwerken zal [verdachte] in therapie moeten en medicatie moeten nemen. De gevolgen van een eventuele nieuwe detentie kunnen zijn dat zijn depressieve stoornis in ernst zal toenemen en posttraumatische stressklachten verergeren. Deze gevolgen acht de rechtbank onwenselijk.

Voornoemde omstandigheden maken dan ook dat de rechtbank [verdachte] geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen dan hij reeds heeft ondergaan.

Ondanks hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de feiten te ernstig en de omvang te groot om te volstaan met een straf zoals reeds is ondergaan. De rechtbank vindt het ook belangrijk dat er een aanvullende straf word opgelegd, om [verdachte] ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw in te laten met dergelijke gedragingen. Hoewel [verdachte] een kwetsbare persoonlijkheid heeft, volgt uit eerder genoemd psychologisch rapport dat [verdachte] valt binnen het domein van het normale en dat [verdachte] moet worden gezien als gemiddeld mens. De rechtbank kan aldus niet uitsluiten dat [verdachte] zich in de toekomst niet opnieuw met dergelijke feiten in zal laten.

Alles afwegend komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen waarvan 179 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorarrest heeft gezeten, zijnde 186 dagen, en een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast legt de rechtbank een werkstraf op van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis bij niet voldoening daarvan.

Aangezien [verdachte] in de trustsector jarenlang als verdienmodel schijnstructuren aanbood, geen werkervaring in een andere sector heeft en [verdachte] momenteel geen baan heeft, acht de rechtbank het daarnaast van belang dat er een bijkomende straf wordt opgelegd in de zin van een beroepsverbod ten aanzien van werkzaamheden die vallen onder het bereik van de Wet toezicht trustkantoren, voor de duur van 3 jaar, om [verdachte] ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw in te laten met dergelijke gedragingen.

7 Beslag

7.1.

Beslagen gelden

Op naam van [verdachte] zijn op het kantoor van de [trustkantoor] verschillende voorwerpen in beslag genomen en nog niet teruggegeven. Het gaat om:

3 Geld Euro ibn B-1-l-1-7;"kasgeld"9x100/12x50/20x20/11x10 euro

4 Geld Euro ibn B-1-l-1-8a;" [naam verdachte] " 11x500/11x100

5 Geld Euro ibn B-1-l-1-8a;" [naam verdachte] " USD 4000

6 Geld Euro ibn B-1-l-1-8b;" [naam verdachte] "; EUR 5250

7 Geld Euro ibn B-1-l-1-8c:" [naam verdachte] " EUR 6500

7.2.

.2. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevraagd om alle gelden verbeurd te verklaren. Ze zijn afkomstig uit valsheid in geschrifte en komen daardoor voor verbeurdverklaring in aanmerking.

7.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat [verdachte] geen aanspraak maakt op het geld dat in beslag is genomen als kasgeld (beslagnummer 3). De andere gelden zijn echter van hem privé (items 4, 5, 6 en 7). Hij heeft de gelden telkens contant opgenomen van zijn bankrekening, omdat [naam 7] daar beslag op liet leggen. De bewijsmiddelen hiervoor zijn bij de rechter-commissaris ingediend. De gelden hebben aldus niets te maken met enig ten laste gelegd feit en verzocht wordt om teruggave van deze gelden, aldus de raadsvrouw.

7.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt dat de verdediging voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gelden die in beslag zijn genomen als ‘ [naam verdachte] ’ gelden zijn die behoren tot zijn huishoudgeld. De rechtbank acht het dan ook niet aangewezen deze gelden verbeurd te verklaren en zal deze gelden teruggeven aan [verdachte] .

Het kasgeld (beslagnummer 3) daarentegen zal worden verbeurd verklaard.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 31, 33, 33a, 47, 51, 57, 140, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubrieken 4.2.6., 4.3.6., 4.4.6., 4.5.6., 4.6.6., 4.7.6., 4.8.6., 4.9.6., 4.11.5. en 5.11.5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt [verdachte] daarvan vrij.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: “het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

  • -

    “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en

  • -

    medeplegen van opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in art. 225 lid 1 van het Wetboek van strafrecht, meermalen gepleegd”.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

  • -

    “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en

  • -

    medeplegen van opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in art. 225 lid 1 van het Wetboek van strafrecht, meermalen gepleegd”.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

  • -

    “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en

  • -

    medeplegen van opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in art. 225 lid 1 van het Wetboek van strafrecht, meermalen gepleegd”.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

  • -

    “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en

  • -

    medeplegen van opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in art. 225 lid 1 van het Wetboek van strafrecht, meermalen gepleegd”.

Het onder 7 bewezen verklaarde levert op:

  • -

    “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en

  • -

    medeplegen van opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in art. 225 lid 1 van het Wetboek van strafrecht, meermalen gepleegd”.

Het onder 8 bewezen verklaarde levert op:

  • -

    “medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en

  • -

    medeplegen van opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in art. 225 lid 1 van het Wetboek van strafrecht, meermalen gepleegd”.

Het onder 9 bewezen verklaarde levert op:

  • -

    “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en

  • -

    medeplegen van opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in art. 225 lid 1 van het Wetboek van strafrecht”.

Het onder 10 bewezen verklaarde levert op:

  • -

    “valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en

  • -

    medeplegen van opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in art. 225 lid 1 van het Wetboek van strafrecht, meermalen gepleegd”.

Het onder 11 bewezen verklaarde levert op:

- “ “gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij daaraan feitelijk leiding heeft gegeven”.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf van 365 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 179 dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de [verdachte] de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Ontzet [verdachte] van de uitoefening van het beroep van statutair bestuurder, feitelijk bestuurder of vennoot van enig rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht, en van enige andere functie waarin hij werkzaamheden verricht of laat verrichten die vallen onder het bereik van de Wet toezicht trustkantoren, voor de duur van 3 (drie) jaren, ingaande nadat dit vonnis onherroepelijk wordt.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

4 Geld Euro ibn B-1-l-1-8a;" [naam verdachte] 11x500/11x100

5 Geld Euro ibn B-1-l-1-8a;" [naam verdachte] " USD 4000

6 Geld Euro ibn B-1-l-1-8b;" [naam verdachte] "; EUR 5250

7 Geld Euro ibn B-1-l-1-8c:" [naam verdachte] " EUR 6500

Verklaart verbeurd:

3 Geld Euro ibn B-1-l-1-7;"kasgeld"9x100/12x50/20x20/11x10 euro

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. Eichperger, voorzitter,

mrs. C.P. Bleeker en T.T. Hylkema, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 december 2018.

1 MC03-D028

2 MC03-D029

3 MC03-D029 p.5

4 MC03-D30

5 NL03-D074

6 NL03-D012

7 NL03-D014

8 NL03-D021

9 RCV-03-01, p.3.

10 NL03-D019

11 NL03-D020

12 NL03-D024

13 NL03-D026

14 NL03-D029

15 NL03-D030

16 IT04-G01-01A, p.6

17 MC04-D012

18 NL04-D025

19 NL04-D026

20 NL04-D037

21 NL04-D037

22 NL04-D40

23 NL04-D040

24 NL04-D042

25 NL04-D043

26 NL04-D046

27 IT04-G01-01A, p.6.

28 NL05-D009 en NL05-D011

29 NL05-D031

30 NL05-D035

31 NL05-D037

32 MC05-D018

33 MC05-D009

34 NL05-D040

35 NL05-D041

36 NL05-D044

37 NL05-D045

38 NL12-D006, NL12-D008, NL12-D010, NL12-D012, NL12-D014 en NL12-D016.

39 IT12-G02-01A

40 NL12-D108

41 NL12-D112

42 NL16-D157

43 NL16-D043

44 NL16-D163, p.1

45 NL16-D163, p.1 en 7

46 Verklaring van [verdachte] , zoals afgelegd op de zitting van 24 september 2018 en opgenomen in het proces-verbaal van die zitting.

47 NL16-D190, p.1

48 NL16-D190, p.17-18.

49 Verklaring van [verdachte] , zoals afgelegd op de zitting van 24 september 2018 en opgenomen in het proces-verbaal van die zitting.

50 NL16-D211

51 Zie voor de verklaring van [naam 27] : IT16-G01-02A, p.24. Zie voor de verklaring van [naam 29] : IT16-G02-01A, p.3. Zie voor de verklaring van [naam 28] : IT16-G03-01A, p.2.

52 Zie voor de verklaring van [naam 27] : IT16-G01-02A, p.24. Zie voor de verklaring van [naam 29] : IT16-G02-01A, p.3. Zie voor de verklaring van [naam 28] : IT16-G03-01A, p.2.

53 Verklaring van [verdachte] , zoals afgelegd op de zitting van 24 september 2018 en opgenomen in het proces-verbaal van die zitting.

54 NL16-PV Totaal STAVAZA 190913 p.4-5/29

55 NL31-D020

56 NL31-D023

57 NL31-D037

58 NL31-D025

59 NL31-D027

60 NL31-D029

61 NL31-D027

62 NL31-D030

63 IT 31- G01-01A, pag 20 t/m 23

64 NL31-D108

65 NL31-D154

66 FI35-D076, p. 1, 10

67 FI35-D076, p. 11

68 FI35-D076, p. 16-17

69 FI35-D076, p. 20

70 NL35-D167

71 Verklaring van [verdachte] , zoals afgelegd op de zitting van 25 september 2018 en opgenomen in het proces-verbaal van die zitting.

72 V08-12, p.14

73 Verklaring van [verdachte] , zoals afgelegd op de zitting van 25 september 2018, inhoudende: Ik wist wel altijd dat ik niet degene was die de werkzaamheden zou uitvoeren.

74 NL35-D034

75 NL35-PV04

76 NL40-PVTOTAAL STAVAZA 210115, p. 7

77 NL40-D086 tot en met D090

78 NL40-D100

79 Verklaring van [naam 39] IT40-G04-01A, p. 3 en 4

80 NL40-D143 en NL40-D144

81 Verklaring van [verdachte] , zoals afgelegd op de zitting van 25 september 2018 en opgenomen in het proces-verbaal van die zitting.

82 NL40-D135

83 NL40-D138 tot en met D140

84 NL40-D141

85 NL40-D94

86 NL40-D093 en D157.

87 Verwezen wordt naar de bewijsmiddelen die zijn genoemd in de bewuste zaaksdossiers.

88 Zie ook HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:222 en HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:258

89 Deze overboekingen blijken voor elk van de bewezenverklaarde zaaksdossiers telkens uit bijlage 2C ʽoverzicht betalingenʼ bij het PVTOTAAL STAVAZA van het betreffende zaaksdossier.

90 AH-027a, AH-027b, AH-027c, D0420A en D420B

91 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2012:BX5140, ECLI:NL:RBAMS:2017:40 en ECLI:NL:RBAMS:2017:3950

92 Pro Justitia psychologisch rapport van psycholoog G.M. Jansen, gedateerd 13 oktober 2016.