Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:875

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
13/665295-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van uitlokking van een gewapende overval (80.000 euro), waarbij geschoten is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/665295-17

Datum uitspraak: 14 februari 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

wonende op het adres [adres] [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 januari 2018.

Het Openbaar Ministerie werd vertegenwoordigd door mr. B. Looijestijn, officier van justitie.

Verdachte was aanwezig en werd bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. F. van Baarlen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en haar raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

De zaak tegen verdachte is gelijktijdig behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (13/665251-17), [medeverdachte 2] (13/665252-17) en [medeverdachte 3] (13/665301-17).

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting – van beschuldigd dat hij zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk uitlokken van een gewelddadige beroving. Als dat niet kan worden bewezen, luidt de tenlastelegging dat verdachte medeplichtig is aan de beroving.

De tenlastelegging (beschuldiging) zoals die luidt na de wijziging zit als bijlage achter het vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het gezamenlijk met anderen uitlokken van een gewelddadige diefstal.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities vrijspraak bepleit van het uitlokken van de beroving. Zij is van mening dat wat de verdachte heeft gedaan, gezien moet worden als hulpverlenen aan de initiatiefnemers, zodat er eerder sprake is van medeplichtigheid aan de diefstal. In het geval dat verdachte als medeplichtige wordt beschouwd, moet hij worden vrijgesproken van het gepleegde geweld. Hij heeft de uitvoerder wel gevraagd de diefstal te plegen, maar heeft niet om het plegen van geweld verzocht. Hij heeft dus geen opzet gehad op dat geweld.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de bewijsmiddelen die in het dossier zitten en op wat op de zitting is gezegd uit van de volgende feiten en omstandigheden. Medeverdachten [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) zijn samen op het idee gekomen om [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) te beroven van een grote hoeveelheid geld. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben met [slachtoffer 1] , die net als zijzelf een bovengemiddelde interesse voor exclusieve sneakers heeft, afgesproken dat zij [slachtoffer 1] voor € 300.000,- een grote partij schoenen zouden leveren. Door [slachtoffer 1] is ook [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) bij de vermeende aankoop van schoenen betrokken. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben het plan gemaakt om, in plaats van de schoenen te leveren, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te beroven van het geld waarmee zij de partij schoenen wilden betalen. Om dit plan meer vorm te geven, hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] verdachte erbij betrokken. Zij zijn met zijn drieën bij elkaar gekomen in een shisha-lounge waar is afgesproken dat verdachte ‘het zou fixen’. Daarmee bedoelde verdachte dat hij iemand zou vinden die hen kon helpen met de beroving. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben nog een keer met [slachtoffer 1] in de Starbucks afgesproken. Zij hebben hem toen de datum en tijd doorgegeven waarop de deal zou plaatsvinden. Zij hebben op het laatste moment de exacte locatie doorgegeven.

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] arriveerden op 21 juni 2017 rond 22.00 uur op de afgesproken locatie. Rond middernacht kwamen daar ook [slachtoffer 2] samen met [slachtoffer 1] . [slachtoffer 2] had € 80.000,- aan contant geld bij zich. Na het bekijken van het geld vertelde [medeverdachte 1] aan [slachtoffer 2] dat zij nu allemaal moesten wachten op de persoon die de sneakers zou komen brengen. Vervolgens hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] veel gebeld naar de telefoon van verdachte en heeft verdachte het contact met de uiteindelijke overvallers onderhouden.

Rond 02.00 uur kwamen er zes à acht personen op de afgesproken plek. Deze personen droegen zwarte kleding en bivakmutsen. [slachtoffer 2] rook onraad en zette het op een lopen. Hij hoorde een schot en hij werd door twee personen achtervolgd. Zij wisten hem in te halen, trokken aan zijn geldtas en duwden hem op de grond. Terwijl hij op de grond lag, werd hij meermalen op zijn hoofd geschopt en geslagen en werd zijn geldtas van hem afgepakt. Getuige [getuige] trof [slachtoffer 2] kort hierna aan. [slachtoffer 2] gezicht zat onder het bloed. Dit hele voorval is vastgelegd op de camerabeelden van de Febo. Bovendien is door verbalisanten op de plaats van het delict een schotbeschadiging in de deur van een auto aangetroffen.

Van een levering van een partij schoenen is dus nooit sprake geweest. Verdachte was op de hoogte was van het plan waarmee beoogd werd een groot geldbedrag afhandig te maken en heeft daarvoor personen geregeld.

Op basis van voornoemde feiten en omstandigheden, is het aan de rechtbank om de rol van verdachte in juridische termen uit te drukken.

3.3.2.

Het oordeel over het gezamenlijk uitlokken van een diefstal met geweld

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte, zoals hem wordt verweten, zich schuldig heeft gemaakt aan het gezamenlijk opzettelijk uitlokken van een diefstal met geweld.

Om te kunnen spreken van (strafbare) uitlokking, dient te worden voldaan aan een vijftal vereisten:1) de uitlokker moet willen dat een specifiek strafbaar feit wordt gepleegd en dat een ander dat gaat doen, hij moet met andere woorden zowel opzet hebben op het uitlokken als op het strafbare feit dat hij of zij uitlokt (dubbel opzet), 2) hij of zij moet die ander op het idee brengen (aanzetten) het strafbare feit te begaan, 3) de uitlokker moet gebruik maken van een of meer uitlokkingsmiddelen, 4) het uitgelokte delict moet zijn gevolgd en 5) degene die is uitgelokt, moet strafbaar zijn.

Aan alle hierboven beschreven voorwaarden is in dit geval om de volgende redenen voldaan:

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben samen het plan opgevat om [slachtoffer 1] te (laten) beroven en zij hebben verdachte ingeschakeld die wel iemand zou kunnen vinden om te helpen bij de beroving. Met behulp van verdachte hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] dus anderen, te weten de onbekend gebleven overvallers met bivakmutsen, op het idee gebracht [slachtoffer 1] en zijn eventuele mede-kopers van de schoenen (in dit geval [slachtoffer 2] ) te beroven. Met de overvallers werd afgesproken dat de buit gelijkelijk verdeeld zou worden. De buit ziet de rechtbank als uitlokkingsmiddel om de overvallers over te halen de beroving te plegen. Ook heeft het strafbare feit daadwerkelijk plaatsgevonden. Verdachte heeft dit immers bekend en het is vastgelegd op beeld. Tot slot moeten ook de daders die zijn uitgelokt, strafbaar zijn. De personen met de bivakmutsen zijn niet bekend geworden, maar de rechtbank ziet geen aanknopingspunt in het dossier om aan de strafbaarheid van die personen te twijfelen. Daarmee is voldaan alle vijf vereisten voor opzet.

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de rol van verdachte eerder de rol van helper of medeplichtige is geweest. De rechtbank volgt deze redenering niet. Zij ziet verdachte als een belangrijke schakel tussen de oorspronkelijke bedenkers van de beroving en de uitvoerders. Alle telefoontjes over de tijd en de plaats van de beroving liepen via hem en hij is degene geweest die het ging ‘fixen’. Verdachte zou ook volwaardig meedelen in de buit. De bijdrage van verdachte is zo belangrijk geweest voor de uitvoering van de beroving dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Deze samenwerking levert medeplegen op. Het feit dat verdachte niet bij de uiteindelijke uitvoering van de beroving aanwezig is geweest, is niet doorslaggevend.

De raadsvrouw van verdachte heeft verder aangevoerd dat verdachte diegenen die de diefstal hebben gepleegd, heeft verzocht om geen geweld te gebruiken. Voorwaardelijk opzet kan, zo stelt zij in haar pleitnotities, alleen worden aangenomen voor het tegen het hoofd en lichaam schoppen/trappen en het aan de tas trekken. Verdachte wist niet dat er zulk geweld en een vuurwapen aan de overval te pas zouden komen. Toch houdt de rechtbank verdachte ook verantwoordelijk voor het geweld en het gebruik van het vuurwapen. De Hoge Raad heeft al eens duidelijk gemaakt dat wie uitlokt tot beroving in beginsel ook opzet heeft op het daarvoor meestal gebruikte geweld (HR 10 februari 1970, ECLI:NL:HR:1970:AB4319, NJ 1970, 269). Gezien de feiten en omstandigheden heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het gebruik van geweld en een vuurwapen. Dit houdt in dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de overval met geweld gepaard zou gaan en dat verdachte ook bewust die kans heeft aanvaard. Hoewel [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] ‘slechts’ € 80.000,- mee hadden genomen, waren de verdachten in de veronderstelling dat er € 300.000,- zou worden betaald. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat het geld van [slachtoffer 1] ‘gepakt’ zou worden. Het afhandig maken van een dergelijk groot geldbedrag zal nooit zonder slag of stoot gaan en dus gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte wist, of in ieder geval had moeten weten, dat er geweld gebruikt zou worden. Verdachte heeft de regie over de beroving uit handen gegeven. Hij heeft mensen geregeld die het geld van de “kopers van schoenen” zouden afpakken. Hiermee heeft hij een risico aanvaard, namelijk dat die personen de kopers zouden overvallen op een wijze die zij zelf passend vonden. Zelfs als dat met vuurwapens zou zijn. Bovendien vond de transactie midden in de nacht plaats op een afgelegen terrein in het Westelijk Havengebied in Amsterdam. Gezien al deze omstandigheden heeft verdachte zich bewust ingelaten met de kans dat er fors (vuurwapen)geweld zou worden toegepast bij de beroving van [slachtoffer 2] .

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van uitlokking.

4 Bewezenverklaring

Kort samengevat acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk uitlokken van het met geweld beroven van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

De rechtbank acht bewezen dat tot nu toe onbekend gebleven anderen op of omstreeks 22 juni 2017 te Amsterdam, op de openbare weg (te weten het Portsmuiden), tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen een geldbedrag van 80.000 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat de daders opzettelijk gewelddadig en dreigend

  • -

    één vuurwapen aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] hebben getoond en

  • -

    één vuurwapen op het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] hebben gezet en

  • -

    met voornoemd vuurwapen hebben geschoten en

  • -

    tegen voornoemde [slachtoffer 2] hebben gezegd: ‘Give me the bag’ en

  • -

    voornoemde [slachtoffer 2] tegen het hoofd en/of tegen het lichaam hebben geslagen en/of geschopt

  • -

    aan de tas van voornoemde [slachtoffer 2] hebben getrokken;

welk feit verdachte in of omstreeks de periode van 1 juni 2017 tot en met 22 juni 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften, en door het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen, welke opzettelijke uitlokking hieruit heeft bestaan dat verdachte en zijn mededaders die onbekend gebleven personen:

- hebben verzocht tot het plegen van een diefstal met geweld,

  • -

    in de gelegenheid hebben gesteld die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te overvallen door die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar een afgelegen industrieterrein te lokken onder het voorwendsel dat ze een grote partij schoenen zouden kunnen kopen en

  • -

    een geldbedrag c.q. een evenredig gedeelte van de buit in het vooruitzicht te stellen en

  • -

    hebben ingelicht over de plaats en het tijdstip waarop die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met een grote hoeveelheid geld zouden verschijnen, en

  • -

    intensief op de hoogte hebben gehouden en ingelicht op het tijdstip van de overval via de telefoon.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank zal dit verkort vonnis, dat wil zeggen een vonnis waarin de bewijsmiddelen niet zijn opgenomen, aanvullen met de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gebaseerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

6 De strafbaarheid van het feit

De rechtbank dient te kijken of wat is bewezen volgens de wet ook strafbaar is, met andere woorden of het is te kwalificeren als strafbaar feit. Zij is van oordeel dat het bewezen geachte feit, gelet op wat er staat in artikel 47 (medeplegen en opzettelijke uitlokking) in combinatie met artikel 312 van het Wetboek Strafrecht (diefstal met geweld), inderdaad strafbaar is.

Hetgeen is bewezen verklaard kan worden gekwalificeerd als: Medeplegen van het door beloften en het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen opzettelijk uitlokken van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden, dat wil zeggen dat er geen gerechtvaardigde reden was voor verdachte om te doen wat hij heeft gedaan.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierentwintig maanden met aftrek van voorarrest waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging rekening mee te houden met het feit dat verdachte niet wist of kon weten dat er geweld gebruikt zou worden. Zij heeft namens verdachte verder gevraagd rekening te houden met zijn persoonlijke omstandigheden. Verdachte heeft een kans om op korte termijn te beginnen met een baan als taxichauffeur en verder wil hij graag zijn studie kunnen voortzetten. De reclasseringsrapportages van 19 oktober 2017 en 24 november 2017 geven een positief beeld van verdachte. Er zijn geen probleemgebieden en hulptrajecten zijn ook niet noodzakelijk. Er is geen reden om aan hem een langere onvoorwaardelijke straf op te leggen dan de tijd die hij al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Als de rechtbank verdachte wel verantwoordelijk houdt voor het geweld dan verzoekt de raadsvrouw het onvoorwaardelijke deel van de detentie zo kort mogelijk te houden en de rest voorwaardelijk op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk uitlokken van een gewelddadige beroving. Samen met anderen is er een plan bedacht om iemand een mooie deal voor te spiegelen en deze persoon vervolgens door anderen te laten beroven. Verdachte heeft daarbij de mensen benaderd die de beroving zouden uitvoeren en hij heeft ze op de hoogte gebracht van de datum en tijd waarop het moest gebeuren. De omstandigheid dat de daders een vuurwapen bij zich hadden en er is geschoten, maakt ook dat de beroving voor het slachtoffer heel beangstigend is geweest. De rechtbank laat ten nadele van verdachte meewegen dat hij een belangrijke schakel is geweest tussen zijn medeverdachten en de daders van de overval. Zijn mededaders hebben de dag en tijd van de geplande overval aan de potentiele kopers doorgegeven. Verdachte heeft voorafgaand aan de overval contact gehouden met zijn medeverdachten die ter plekke waren en contact onderhielden met de potentiele kopers en is de contactpersoon geweest met de personen die uiteindelijk de beroving uitvoerden.

[slachtoffer 2] is mishandeld en is samen met [slachtoffer 1] voor een groot bedrag het schip ingegaan.

De rechtbank vindt dat in dit geval een gevangenisstraf gepast en geboden is. Bij de bepaling van de duur daarvan zoekt de rechtbank aansluiting bij het reclasseringsrapport van 24 november 2017. Daaruit volgt dat geen aanwijzingen naar voren komen voor aanwezigheid van risicofactoren en verdachte over voldoende vaardigheden beschikt om zelfredzaam te zijn. Daarnaast houdt de rechtbank uitdrukkelijk rekening met de omstandigheid dat verdachte, op één verkeersdelict na, geen strafblad heeft, tot aan zijn aanhouding een baan heeft gehad, een tweedejaars hbo-student is en hij de indruk wekt aan zijn toekomst te werken. Hoewel de ernst van wat verdachte heeft gedaan een maandenlange gevangenisstraf zou kunnen rechtvaardigen, legt de rechtbank een aanzienlijk minder lange gevangenisstraf op dan als geëist, maar ook minder lang dan de duur van de voorlopige hechtenis tot nu toe. Verdachte heeft mogelijk langer dan noodzakelijk in voorlopige hechtenis gezeten omdat hij in een zeer laat stadium en pas na de verklaring van [medeverdachte 1] zelf een verklaring heeft afgelegd. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen met aftrek van voorarrest. De ernst van de zaak brengt wel mee dat daarnaast ook de maximale taakstraf van 240 uur wordt opgelegd. Omdat verdachte 172 dagen in voorarrest heeft gezeten, en hem een gevangenisstraf van 100 dagen zal worden opgelegd, zullen de resterende 72 dagen worden afgetrokken van de taakstraf, naar de maatstaf van twee uren per dag.

9 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 80.000,00 aan materiële-schadevergoeding en

€ 2.700,00 aan immateriële-schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is op 13 september 2017 ingediend in de zaken van de medeverdachten (13/665251-17 en 13/665252-17).

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden begrepen dat de vordering ook in de zaak van verdachte en de overige medeverdachte is ingediend. Volgens hem kan het gehele gevorderde bedrag worden toegewezen, maar moet dit worden verdeeld over de vier verdachten. Hij heeft geëist de vordering in deze zaak toe te wijzen tot € 20.675,00.

De raadsvrouw is van mening dat de vordering niet in de zaak van verdachte is ingebracht en er daarom niet op beslist kan worden dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank stelt vast dat de vordering van [slachtoffer 2] is aangebracht in de zaak van twee van de medeverdachten. Niet is gebleken dat [slachtoffer 2] er niet van op de hoogte was dat er ook nog meerdere verdachten zijn. Hij is immers ook uitgenodigd voor de zitting(-en). Omdat de vordering niet is ingebracht in de zaak van verdachte zal de rechtbank dan ook geen beslissing nemen ten aanzien van de vordering benadeelde partij.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert de volgende juridische kwalificatie op:

Medeplegen van het door beloften en het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen opzettelijk uitlokken van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 100 (honderd) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag voor zover die tijd niet al bij de gevangenisstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en P. Farahani, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Klaveren, griffier.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 februari 2018.

De oudste rechter is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.