Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8687

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-12-2018
Datum publicatie
11-12-2018
Zaaknummer
AWB 18/59
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wmo 2015, huishoudelijke hulp, resultaatgericht indiceren, maatstaf huishoudelijke hulp gebaseerd op het onderzoek van bureau HHM. De maatstaf berust op deugdelijk onderzoek. Dit betekent dat verweerder met de maatstaf inzichtelijk heeft gemaakt dat met de in het afsprakenoverzicht genoemde activiteiten en frequentie een schoon en leefbaar huis kan worden gerealiseerd alsmede schone, draagbare en doelmatige kleding.

Een indicatie zonder de hoeveelheid tijd die voor de voorziening nodig is, biedt onvoldoende duidelijkheid voor de rechthebbende en is daarmee in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook komt hiermee de rechtsbescherming in het gedrang. De rechtbank is van oordeel dat de klachtenprocedure de rechtsbescherming in de oude situatie tegen de (onrechtmatige) vaststelling van de hoeveelheid tijd die met de hbh gemoeid is onvoldoende compenseert. Met deze werkwijze wordt het risico op een maatwerkvoorziening die geen passende bijdrage levert ten onrechte afgewenteld op de burger. Dit komt niet overeen met de overheidsverantwoordelijkheid van verweerder op grond van de Wmo 2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/59

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 december 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. Smit).

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser de voorziening hulp bij het huishouden toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 in de leveringsvorm Zorg in Natura (ZIN).

Bij besluit van 13 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in deze zaak en in de zaak AMS 18/582 heeft gevoegd plaatsgevonden op 5 september 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als deskundige is verschenen [naam] . Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde. Hij is vergezeld door [naam] en [naam] ( [functie] ) en [naam] (bureau [naam] ).

Nadat het onderzoek ter zitting is gesloten, heeft de rechtbank de zaken weer gesplitst.

Overwegingen

Achtergrond van het geschil

1.1.

Eiser is alleenwonend en geboren op [geboortedatum] ( [leeftijd] ). Hij lijdt aan een langzaam progressieve degeneratieve aandoening van de gewrichten. Eiser verplaatst zich binnenshuis met een elektrische rolstoel en buitenshuis met een aangepaste brommer. Eiser ontving op grond van de oude Wmo – die gold tot 31 december 2014 – ook al hulp bij het huishouden.

1.2.

Voor zover de rechtbank uit de gedingstukken kan opmaken, heeft eiser in verband met een herindicatie voor hulp bij huishouden (hbh) een intakegesprek gehad met de zorgaanbieder [naam] . Ook heeft het [naam] ( [naam] ) een onafhankelijk onderzoek gedaan. Op 12 oktober 2017 heeft een huisbezoek door een [functie] van het [naam] plaatsgevonden. Tijdens dit huisbezoek is een ondersteuningsplan opgesteld, een ZRM-Standaard-score-formulier (over de mate van zelfredzaamheid) en een afsprakenoverzicht ingevuld. Het advies van het [naam] staat in het Gezinsplan van 12 oktober 2017 waarin is geconcludeerd dat eiser hbh nodig heeft, omdat hij niet in staat is tot het uitvoeren van de zware huishoudelijke taken en het beschikken over een schone was. De zorgaanbieder [naam] voert de huishoudelijke activiteiten uit in eisers huis. Tevens blijkt uit het ondersteuningsplan dat hbh als Wmo-maatwerkvoorziening wordt ingezet. Eiser heeft tijdens het huisbezoek het ondersteuningsplan niet willen ondertekenen, omdat hij het niet eens was met de aangeboden hbh. Volgens de tekst op het ondersteuningsplan kan iemand in dat geval vragen om een besluit van verweerder. Eiser heeft daarom gevraagd om een besluit van verweerder. De [functie] van het [naam] heeft het ondersteuningsplan wel ondertekend.

1.3.

Met het primaire besluit heeft verweerder het door eiser gevraagde besluit genomen en het ondersteuningsplan bevestigd. Volgens het besluit heeft eiser recht op hbh. Het afsprakenoverzicht is bij het besluit bijgevoegd. Hierop is te zien welke huishoudelijke basisactiviteiten zullen worden overgenomen door [naam] en welke eiser zelf doet. De frequentie van de hbh is eenmaal per week. Ook is vermeld onder Aanvullende afspraken: “Extra taken voor het schoonmaken van badkamer en keuken”. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 5 december 2017 heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden.

1.4.

Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het [naam] een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat het advies ook als zorgvuldig moet worden aangemerkt. Eiser heeft een hbh-indicatie gekregen voor twee resultaatsgebieden: Schoon en leefbaar huis en Beschikken over schone was. In het afsprakenoverzicht bij het primaire besluit ontbreken, aldus verweerder, de incidentele huishoudelijke taken, zoals bijvoorbeeld deurposten, ramen en keukenkastjes schoonmaken, maar eiser komt ook hiervoor in aanmerking. Verweerder herstelt dit gebrek in dit bestreden besluit. Ten slotte is de zorgaanbieder verplicht de taken in het afsprakenoverzicht van eiser over te nemen. Indien dit niet gebeurt, kan eiser een klacht indienen bij verweerder en zal daarop actie worden ondernomen, aldus verweerder in het bestreden besluit.

Het juridisch kader

2.1.

Artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat het college er voor zorgdraagt dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert maatwerkvoorziening als op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van – voor zover hier van belang – de zelfredzaamheid.

2.2.

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid (of participatie) die de cliënt ondervindt beslist, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid (of participatie) en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

2.3.

Op grond van artikel 2.6.3 van de Wmo 2015 kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt mandateren aan een aanbieder.

2.4.

Op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wmo 2015, kan het college de uitvoering van deze wet, behoudens de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden laten verrichten.

2.5.

Op grond van artikel 4.8 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (de Verordening) kan een cliënt in aanmerking komen voor hulp bij het huishouden ingeval aantoonbare beperkingen bij het voeren van een huishouden, en problemen die zich voordoen bij gebruikelijke hulp en mantelzorg.

2.6.

Onder 4.9, onder a, van de Nadere Regels van de gemeente Amsterdam is de productbeschrijving gegeven voor hulp bij het huishouden:

“Hulp bij het huishouden (Hbh) is het geheel of gedeeltelijk overnemen van huishoudelijke

activiteiten bij Amsterdammers die deze niet of niet meer zelf kunnen (regelen).

De gemeente Amsterdam onderscheidt vijf te bereiken resultaten: een schoon en

leefbaar huis, beschikken over schone was, (…). Voor meer informatie zie ook bijlage 1,

maatstaf hulp bij het huishouden (…).

Een schoon en leefbaar huis

Om het resultaat van een schoon en leefbaar huis te kunnen behalen kan (gedeeltelijke)

overname van schoonmaakactiviteiten nodig zijn. Leefbaar staat voor opgeruimd

en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. In de maatstaf hulp bij het

huishouden in bijlage 1 worden alle structurele basis schoonmaakactiviteiten en

incidentele schoonmaakactiviteiten, inclusief de uitvoeringsfrequentie, voor een schoon

en leefbaar huis, omschreven. Aan de hand van de persoonlijke situatie wordt bepaald

wat daadwerkelijk gedaan moet worden.

Beschikken over schone was

Elke Amsterdammer moet kunnen beschikken over schone was. Hieronder wordt

verstaan dat de normale, dagelijkse kleding van de Amsterdammer, inclusief textiel

zoals handdoeken en beddengoed, gewassen en gedroogd wordt. In de maatstaf hulp

bij het huishouden in bijlage 1 worden de activiteiten beschreven die bij dit resultaat

horen. Ook wordt aangeven met welke maximale frequentie de activiteiten moeten

worden uitgevoerd.”

2.7.

In bijlage 1 van de Nadere Regels is de maatstaf Hulp bij het huishouden Amsterdam (de maatstaf) opgenomen:

“De voorliggende ‘maatstaf Hulp bij het huishouden Amsterdam ’ is opgesteld na

onderzoek door de combinatie van bureau [naam] en [naam] . Dit onderzoek vond

plaats in de periode september 2016 – januari 2017 en bestond uit een combinatie van

expertpanels, interviews met cliënten en observaties van professionals in de praktijk. De

gevolgde aanpak en de uitkomsten van het onderzoek zijn in een separate rapportage

verwoord. (…) De maatstaf omvat de activiteiten die verricht moeten

worden voor een verantwoord niveau van schoon voor een huishouden en de frequentie

waarmee deze activiteiten verricht moeten worden.”

De rapportage, Onderzoek Maatstaf hulp bij het huishouden Gemeente Amsterdam , van Bureau [naam] van 28 februari 2017 ligt ten grondslag aan de maatstaf in bijlage 1 van de Nadere Regels.

Beoordeling rechtbank

Omvang van het geding

3.1.

Allereerst overweegt de rechtbank dat eisers gronden die gericht zijn op de vraag wat de juridische status van het ondersteuningsplan is, buiten de omvang van het geding vallen. De vraag of dit moet worden gezien als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan in onderhavige procedure niet aan de orde komen. Het is in deze zaak niet de zorgaanbieder geweest die met een ondersteuningsplan een besluit over hbh heeft genomen. Verweerder heeft een primair besluit en vervolgens het bestreden besluit genomen, nadat eiser te kennen had gegeven dat hij het niet eens was met het ondersteuningsplan. Dit na een advies van het [naam] .

3.2.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in dit geschil slechts voorligt het advies van het [naam] en of verweerder hier zijn besluiten op heeft mogen baseren.

Proceskosten in de bezwaarfase

Standpunt eiser

4.1.

Eiser heeft allereerst aangevoerd dat het bezwaar gegrond had moeten worden verklaard, omdat het afsprakenoverzicht pas bij het bestreden besluit is aangevuld met de incidentele taken. Deze waren ten onrechte niet in het primaire besluit opgenomen. Nu het afsprakenoverzicht de basis vormt van de maatwerkvoorziening en daarin niet alle taken stonden, dient het primaire besluit te worden herroepen zodat daarmee ook de plicht voor verweerder ontstaat om de proceskosten te vergoeden, aldus eiser.

Standpunt verweerder

4.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de bezwaarfase een volledige heroverweging dient plaats te vinden. In het kader daarvan kan de motivering van een in bezwaar bestreden primair besluit worden aangevuld of verbeterd. Dit maakt op zichzelf nog niet dat het primaire besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, aldus verweerder.

Oordeel rechtbank

4.3.

De rechtbank oordeelt als volgt. Met het primaire besluit kwam eiser slechts in aanmerking voor de basisactiviteiten. Met het bestreden besluit werd duidelijk dat eiser ook recht heeft op alle activiteiten die zijn opgesomd in de maatstaf, dus ook de incidentele taken. Hiermee is verweerder tegemoetgekomen aan een deel van de bezwaren van eiser en heeft verweerder het primaire besluit herroepen. De rechtsgevolgen van het primaire besluit, in dit geval de aanspraken waar eiser recht op heeft, zijn immers met het bestreden besluit gewijzigd. Met andere woorden: eiser had deze incidentele taken niet gekregen, als hij geen bezwaar had gemaakt. Verweerder had daarom het bezwaar gegrond moeten verklaren en aan eiser een proceskostenvergoeding moeten toekennen.

4.4.

Gelet hierop verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit.

4.5.

De rechtbank zal hierna onderzoeken of er reden is om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Resultaatgericht indiceren

Standpunt eiser

5.1.

Eiser heeft aangevoerd dat de wijze van toekennen van de maatwerkvoorziening hbh onvoldoende concreet is en daarom in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

In het afsprakenoverzicht staan wel de schoonmaakactiviteiten en de frequentie daarvan genoemd, echter de maatstaf beantwoordt niet de vraag wat een verantwoord niveau van schoon is en er is geen tijdsduur gegeven. Dat is in strijd met de Wmo 2015 en de rechtspraak van de CRvB, omdat niet duidelijk wordt gemaakt dat de maatwerkvoorziening is toegespitst op de individuele casus. De tijdsduur is essentieel, omdat dat van grote invloed is op het resultaat. Bovendien wordt bij een persoonsgebonden budget (pgb) wel een tijdsduur genoemd, terwijl dit niet zo is bij ZIN. Doordat geen tijdsduur wordt genoemd, betekent dit dat de zorgaanbieder in de praktijk beslist hoe lang er wordt schoongemaakt bij een cliënt. Ten onrechte ligt deze verantwoordelijkheid niet bij verweerder.

Voorts voert eiser aan dat de maatstaf niet op deugdelijk onderzoek berust. Nergens is gedefinieerd wat schoon is en de normtijden en frequentie per activiteit zijn te laag. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser een tegenrapport overgelegd van [functie] [naam] van de [naam] van 3 augustus 2018, waarin onder andere wordt gewezen op het Hawthorne-effect. Dit is het effect van een interventie op een onderzocht persoon dat uitsluitend te wijten is aan het feit dat deze aan een onderzoek meedoet. Zo zouden de onderzochte schoonmakers harder werken als ze onderzocht werden.

Dit effect betekent dat de gemeten tijd voor een activiteit korter is dan doorgaans aan tijd voor een activiteit nodig is. Gelet op dit effect zou dus juist 10% tijd moeten worden toegevoegd aan de gemeten tijd, aldus eiser.

Standpunt verweerder

5.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat indiceren in resultaat, dus zonder vermelding van de tijdsduur, wel mogelijk is. Uit het besluit dient te blijken welke concrete zorg geboden wordt en op welke wijze de zorg bijdraagt aan de zelfredzaamheid en participatie van de zorgontvanger. Uit de besluitvorming valt op te maken dat eiser recht heeft op een schoon en leefbaar huis en op schone was. Doordat het afsprakenoverzicht onderdeel uitmaakt van het besluit, en aangevuld in bezwaar, is het eiser duidelijk welke taken bij eiser thuis verricht dienen te worden en met welke frequentie dit gebeurt. Bij het nemen van het besluit wordt rekening gehouden met de persoonskenmerken, de behoeften en de wensen van de cliënt. De tijd die gemoeid is met de uitvoering kan per moment verschillen, afhankelijk van de mate van vervuiling. Hierdoor is juist sprake van maatwerk. Daarmee is de aard, omvang en frequentie van de huishoudelijke ondersteuning in eisers concrete situatie vastgesteld en is er sprake van voldoende rechtszekerheid. Verweerder heeft hierbij verwezen naar het Advies integrale geschilbeslechting in het sociaal domein van [functie] [naam] van 30 mei 2017, waarin wordt gesproken over een nieuwe vorm van geschilbeslechting met de bijbehorende rechtsbescherming.

Verder zijn de gehanteerde normen gebaseerd op een objectief en deugdelijk onderzoek door bureau [naam] , die zijn vervat in de maatstaf. Hiermee is voldaan aan de onderzoeksplicht zoals deze is geformuleerd in de rechtspraak door de CRvB.1 Daarnaast worden er klantwaarderingsonderzoeken gedaan en gaan er regelmatig kwaliteitsmedewerkers van de gemeente op bezoek bij de burger om de tevredenheid over de uitgevoerde werkzaamheden na te gaan.

Het niveau van schoon is verder nader uitgewerkt in paragraaf 4.9 van de Nadere regels. Mocht de zorgaanbieder de huishoudelijke activiteiten niet goed uitvoeren, dan kan eiser een klacht indienen bij verweerder, waarna een huisbezoek zal plaatsvinden om vervolgens maatregelen te kunnen nemen, aldus verweerder.

Oordeel rechtbank

6.1.

De rechtbank onderzoekt allereerst of de Maatstaf hulp bij het huishouden berust op een deugdelijk onderzoek. Daarna zal de rechtbank een oordeel geven over het indiceren zonder tijdsduur.

Onderzoek Maatstaf hulp bij het huishouden Gemeente Amsterdam , van Bureau [naam]

6.2.

De rapportage, Onderzoek Maatstaf hulp bij het huishouden Gemeente Amsterdam , van Bureau [naam] van 28 februari 2017 ligt ten grondslag aan de maatstaf in bijlage 1 van de Nadere Regels. De maatstaf omvat de activiteiten die verricht moeten worden voor een verantwoord niveau van schoon voor een huishouden en de frequentie waarmee deze activiteiten verricht moeten worden. Ook geeft de maatstaf inzicht in

de factoren die de frequentie en/of de tijdbesteding van de benodigde activiteiten

kunnen beïnvloeden.

6.3.

Uit de rechtspraak van de CRvB2 blijkt dat verweerder op grond van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb bevoegd is om ter invulling van het begrip schoon en leefbaar huis beleidsregels vast te stellen. Deze regels mogen echter niet willekeurig zijn en dienen, gelet op de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, op objectieve criteria, steunend op deugdelijk onderzoek, te berusten.

6.4.

Het onderzoek van bureau [naam] en [naam] bestond uit een combinatie van expertpanels, interviews met cliënten en observaties van professionals in de praktijk. Het tegenonderzoek van eiser bevat behalve kritiek op de onderzoeksmethoden geen inhoudelijk tegenonderzoek naar de hoeveelheid tijd die voor schoonmaakactiviteiten nodig is. Gelet hierop biedt het tegenonderzoek geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het onderzoek van bureau [naam] en [naam] . De rechtbank acht het namelijk voor de uitvoering van de Wmo 2015 niet noodzakelijk dat een onderzoek voldoet aan de strikte wetenschappelijke onderzoeksmethoden, zoals bepleit in de tegenrapportage en toegelicht op zitting, om te kunnen spreken over een deugdelijk onderzoek. Relevant is dat het onderzoek onafhankelijk is uitgevoerd, en op basis van gedegen onderzoek objectief wordt onderbouwd welk niveau van schoon voor een huishouden verantwoord is, welke concrete activiteiten daarvoor verricht moeten worden, met welke frequentie deze activiteiten verricht moeten worden en hoeveel tijd nodig is om de activiteiten te verrichten om te kunnen spreken van een schone en leefbare woning. In haar oordeel neemt de rechtbank mee dat in het kader van het onderzoek een onafhankelijke expertgroep heeft vastgesteld welke activiteiten nodig zijn om het resultaat een schoon en leefbaar huis te bereiken. Verder zijn de frequenties van die activiteiten en de tijdsduur per activiteit in praktijkonderzoeken getoetst. Er zijn 75 interviews gevoerd met cliënten in de gemeente Utrecht die de basisvoorziening hbh ontvangen en er zijn 121 bezoeken van huishoudelijke hulpen geobserveerd tijdens hun werk bij cliënten thuis. De rechtbank acht het onderzoek daarom deugdelijk.

6.5.

Dit betekent dat verweerder met de maatstaf inzichtelijk heeft gemaakt dat met de in het afsprakenoverzicht genoemde activiteiten en frequentie een schoon en leefbaar huis kan worden gerealiseerd alsmede schone, draagbare en doelmatige kleding. De tegenrapportage kan dan ook niet bijdragen aan de gegrondheid van het beroep, zodat de kosten hiervan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Indiceren zonder tijdsduur

7.1.

Eveneens is in geschil of het indiceren van de maatwerkvoorziening hbh, zonder de concretisering van de hoeveelheid tijd die daarvoor nodig is, in overeenstemming is met de Wmo 2015.

7.2.

Bij het oordeel van de rechtbank staat voorop dat uit de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 van de Wmo 2015 voortvloeit dat het gemeentebestuur grote beleidsvrijheid heeft bij de uitvoering van de Wmo 2015. Dit betekent dat de beleidskeuzes van de gemeenteraad en – binnen de daarvoor gestelde grenzen – het college van burgemeester en wethouders voor de bestuursrechter een gegeven zijn, die slechts met terughoudendheid kunnen worden getoetst.

7.3.

De rechtbank benadrukt verder dat uit de Wmo 2015 voortvloeit dat de verantwoordelijkheid voor het leveren van de maatwerkvoorziening hbh bij verweerder ligt en niet bij de zorgaanbieder of de burger. Dit brengt met zich dat verweerder ervoor verantwoordelijk is dat de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin eiser in staat wordt gesteld zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven. Eveneens is verweerder ervoor verantwoordelijk dat het beleid voldoende waarborgen biedt voor de rechtszekerheid en rechtsbescherming.

7.4.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de CRvB in zijn uitspraak van
18 mei 20163 heeft geoordeeld dat het beleid zou moeten berusten op objectief te verrichten onderzoek, uitgevoerd door onafhankelijke, geen belang bij de uitkomst hebbende, derden. Nu in die zaak de genoemde maatstaven voor een schoon en leefbaar huis niet op zodanig onderzoek berustten, bestond geen inzicht in de vraag welk niveau van schoon voor een huishouden verantwoord is, welke concrete activiteiten daarvoor verricht moeten worden, hoeveel tijd daarvoor nodig is en met welke frequentie deze activiteiten verricht moeten worden om te kunnen spreken van een schoon en leefbaar huis.

7.5.

De rechtbank begrijpt verweerder zo dat verweerder met zijn beleid maatwerk probeert te leveren door niet de hoeveelheid tijd in het besluit te concretiseren, omdat de tijd die gemoeid is met de uitvoering van het te bereiken resultaat ‘schoon en leefbaar huis’ per moment kan verschillen, afhankelijk van de mate van vervuiling.

7.6.1.

Deze werkwijze is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de hiervoor genoemde beginselen en de rechtspraak van de CRvB, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel4.

7.6.2.

Zoals eiser terecht heeft opgemerkt betekent deze werkwijze dat de zorgaanbieder in de praktijk beslist hoe lang er wordt schoongemaakt bij een cliënt. Ter zitting is duidelijk geworden dat de zorgaanbieder heeft bepaald dat eiser 2,5 uur hbh krijgt per week. Verweerder is op geen enkele wijze betrokken geweest bij deze beoordeling. Dit is strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel waaruit voortvloeit dat een besluit door een bestuursorgaan aan de burger voldoende duidelijk moet maken waar hij aan toe is. Het is de verantwoordelijkheid van verweerder om de rechten van de burger vast te stellen, en daarmee ook de hoeveelheid tijd hbh waarop een burger recht heeft op grond van de Wmo 2015. Dit komt ook overeen met de bedoeling van de wetgever. Hoewel uit artikel 2.6.3. van de Wmo 2015 voortvloeit dat het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt kan mandateren aan een aanbieder, blijkt uit de toelichting op dit artikel dat het ongewenst is deze taken door derden te laten uitvoeren. In de toelichting staat: “Het college kan de taken die het op grond van deze wet heeft, laten uitvoeren door ambtenaren. Zo kan het college bijvoorbeeld het onderzoek en de verstrekking van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget in mandaat laten verrichten. Het wordt echter onwenselijk geacht dat deze taken, die zozeer zijn verweven met de specifieke overheidsverantwoordelijkheid op grond van deze wet, door derden doet uitvoeren die niet tot de overheid behoren. Dit artikel sluit daarom het verlenen van mandaat aan anderen dan bestuursorganen uit wat betreft het vaststellen van de rechten en plichten van de belanghebbende.”5

7.6.3.

Verder is de hoeveelheid tijd een onderdeel van de aanspraak waar eiser recht op heeft. Een indicatie zonder de hoeveelheid tijd die voor de voorziening nodig is, biedt onvoldoende duidelijkheid voor de rechthebbende en is daarmee in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

7.6.4.

Ook is van belang dat met deze nieuwe werkwijze van verweerder de rechtsbescherming in het gedrang komt. In de oude situatie kon eiser de rechtsmiddelen bezwaar, beroep en hoger beroep aanwenden tegen een besluit van verweerder als hij het niet eens was met de vaststelling van de hoeveelheid uur hbh waar hij per week recht op had. In de huidige situatie komt verweerder pas in beeld, wanneer na een klacht door de zorgvrager wordt gecontroleerd of sprake is van een schoon en leefbaar huis. De rechtbank is van oordeel dat de klachtenprocedure de rechtsbescherming in de oude situatie tegen de (onrechtmatige) vaststelling van de hoeveelheid tijd die met de hbh gemoeid is onvoldoende compenseert. Met deze werkwijze wordt het risico op een maatwerkvoorziening die geen passende bijdrage levert ten onrechte afgewenteld op de burger. Dit komt niet overeen met de overheidsverantwoordelijkheid van verweerder op grond van de Wmo 2015.

Conclusie

8. Gelet op het voorgaande kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand worden gelaten. In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen en aan te sluiten bij de laatste niet in geschil zijnde indicatie van eiser onder de oude Wmo. De rechtbank zal beslissen dat eiser vanaf 12 oktober 2017 in aanmerking komt voor 3,5 uur per week hulp bij huishouden. Nu het beroep gegrond is, komt de rechtbank niet meer toe aan de grond van eiser over het ontbreken van het verslag van de hoorzitting.

9. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van het bezwaar en voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Onder 4.3 had de rechtbank al geoordeeld dat eiser recht had op proceskostenvergoeding in bezwaar. Omdat het bestreden besluit in 2017 is genomen, begroot de rechtbank de kosten in de bewaarfase begroot op € 990,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van

€ 495,- en een gewicht van 1). De kosten in beroep begroot de rechtbank op € 1.002,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een gewicht van 1).

10. De rechtbank zal tevens bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46,- aan hem vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat aan eiser per 12 oktober 2017 3,5 uur per week hulp bij huishouden wordt verstrekt;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- (zegge: zesenveertig euro) aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in bezwaar tot een bedrag van € 990,- (zegge: negenhonderd negentig euro);

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van 1.002,- (zegge: duizend twee euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, voorzitter, en mr. E.J. Otten en mr. P. Sloot, leden, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Uitspraken van de CRvB van o.a. 18 mei 2016 met nummer ECLI:NL:CRVB:2016:1402, 1403 en 1404, te vinden via www.rechtspraak.nl

2 Idem

3 ECLI:NL:CRVB:2016:1491

4 Vgl. ECLI:NL:CRVB:2017:3633 en ECLI:NL:CRVB:2018:3241

5 Memorie van toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 841, nr. 3, p. 161