Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:868

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-02-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
13/752063-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Overlevering België. De rechtbank is op grond van de brief van 12 februari 2018 namens de Belgische minister van justitie van oordeel dat zij geen bewijzen heeft dat gedetineerden die door Nederland aan België worden overgeleverd, bij de huidige stand van zaken en gelet op de gegeven algemene waarborgen, een reëel gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling bestaat (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 ( zaak A. zaak C. ), punten 88 en 89).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752063-17

RK-nummer: 17/7520

Datum uitspraak: 15 februari 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 november 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 24 oktober 2017 door de Rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen-afdeling Gent (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeeïste persoon] ,

geboren op [geboortedatum] 1990,

van Griekse nationaliteit,

thans gedetineerd in de [P.I.]

alias

[opgeeïste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedatum] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de [P.I.] .

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 januari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht, en door een tolk in het Koerdisch-Sorani.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst, teneinde de officier van justitie in gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten naar de identiteit van betrokkene aan de hand van (onder andere) bij betrokkene afgenomen vingerafdrukken en het beschikbare Iraakse paspoort.

De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 13 februari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht, en door een tolk in het Koerdisch-Sorani.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van onderzocht van de persoon die voor haar is verschenen. Deze persoon heeft ter zitting verklaard dat hij [opgeeïste persoon] is, dat hij in [geboortedatum] is geboren in Irak en dat hij de Iraakse nationaliteit heeft. De raadsman heeft betoogd dat de overlevering dient te worden geweigerd nu er een andere persoon wordt opgeëist.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit verweer dient te worden verworpen. In het EAB hebben de Belgische autoriteiten de overlevering verzocht van [opgeeïste persoon] , geboren op [geboortedatum] 1990 en van Griekse nationaliteit. [opgeeïste persoon] is op 17 november 2017 in Nederland aangehouden en heeft toen een Grieks paspoort getoond met de personalia [opgeeïste persoon] . De dag na zijn aanhouding in Nederland zijn foto’s van hem gemaakt die aan de Belgische autoriteiten ter beschikking zijn gesteld. Uit het navolgend proces-verbaal 017796/2017 van de Federale Gerechtelijke politie Gent blijkt dat:

- de persoon die de Belgische autoriteiten verdenken van de in het EAB genoemde strafbare feiten bij een controle op 9 februari 2017 een Grieks identiteitsdocument op naam van [opgeeïste persoon] heeft overgelegd;

- verscheiden personen bij hun verhoor hebben verklaard dat zij betrokkene kennen als “ [opgeeïste persoon] ” of [opgeeïste persoon] ”.

Uit navolgend proces-verbaal 002449/2018 blijkt dat:

- de getuigen [getuige] , [getuige] en [getuige] de persoon op die foto’s herkennen als de chauffeur van “ [naam] ”, één van de kopstukken van de criminele organisatie, en

- sommigen die persoon kenden onder de naam “ [opgeeïste persoon] ” of “ [opgeeïste persoon] ”.

Uit de e-mail van de onderzoeksrechter Marleen van Bemmel van 13 februari 2018 blijkt dat de persoon van wie een (positieve) fotovoorlegging gebeurde ten aanzien van verschillende aangehouden verdachte in België, (cfr. de voorgelegde PV’s) wel degelijk dezelfde persoon is, die zich [opgeeïste persoon] noemde en door de speurders op verschillende gelegenheden werd gezien gedurende de verschillende observaties.

De rechtbank heeft op grond van het voorgaande geen aanleiding om te twijfelen dat [opgeeïste persoon] de persoon is op wie het EAB betrekking heeft en die de Belgische autoriteiten overgeleverd wensen te hebben.

3 De vordering van de officier van justitie

In de vordering van 20 november 2017 staat dat het EAB afkomstig is van de Poolse autoriteiten. De raadsman is van oordeel dat de vordering moet worden geweigerd nu de Belgische autoriteiten de overlevering hebben verzocht en niet de Poolse autoriteiten.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit verweer dient te worden verworpen. Tijdens het gehele proces is voor alle betrokken partijen duidelijk geweest dat het om een Belgisch EAB gaat. In de vordering is abusievelijk Polen genoemd in plaats van België.

Deze kennelijke verschrijving kan niet leiden tot een weigering van de overlevering.

4 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een ‘BA bij verstek d.d. 24 oktober 2017’.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van België strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

5 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 3, te weten:

mensenhandel.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft verklaard dat hij niet de gezochte persoon is. Zoals in rubriek 2 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat betrokkene de persoon is die door de Belgische autoriteiten gezocht. Hij heeft tijdens zijn verhoor ter zitting zijn onschuld niet kunnen aantonen.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    de opsporing en vervolging zijn in België aangevangen;

  • -

    de bewijsstukken bevinden zich in België;

  • -

    de feiten hebben betrekking op een cel van een Belgische organisatie;

  • -

    de mensensmokkel vond plaats op Belgisch grondgebied.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Belgische autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Detentieomstandigheden

De rechtbank heeft kennis genomen van berichten in de media over recente ontwikkelingen in België over de detentieomstandigheden.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van de brief van 12 februari 2018 namens de Belgische minister van justitie. In deze brief wordt ingegaan op de stand van zaken rond stakingen in het gevangeniswezen in België en een eerdere mededeling van de Belgische minister van justitie in antwoord op kamervragen op 7 februari 2018, dat momenteel 125 gedetineerden in België op extra matrassen op de grond slapen

In deze brief is verder vermeld:

Als algemene regel, kunnen in België de volgende algemene waarborgen gegeven worden bij een overlevering in het kader van de tenuitvoerlegging van een Europees Arrestatiebevel:

- De overgeleverde persoon zal in een cel worden opgesloten waarvan de oppervlakte en de inrichting beantwoordt aan de normen van het CPT1 van de Europese Raad. Dit zowel wanneer hij alleen verblijft in een cel als wanneer hij een daarvoor aangepaste en grotere cel deelt met een persoon.

  • -

    De sanitaire blokken, doorgaans voorzien van een wasbak en toilet, zijn afgescheiden van de rest van de cel door een muur of door een scherm. Soms is er ook een douche voorzien. In dat geval is het sanitair complex afgescheiden van de rest van de cel.

  • -

    De gedetineerden kunnen binnen het gewone regime deelnemen aan activiteiten buiten de cel. De concrete activiteiten hangen af van gevangenis tot gevangenis en houden naast algemene regimeactiviteiten zoals de collectieve wandeling en familiebezoek, volgende activiteiten in: sport en fitness, bibliotheekbezoek, culturele- en ontspanningsactiviteiten, opleidingen en tewerkstelling.

  • -

    Tenzij er in hoofde van betrokkene uitzonderlijke veiligheidsmaatregelen zouden zijn, is het gewone detentieregime van toepassing. Of een gedetineerde al dan niet in dergelijke regime wordt geplaatst, is resultaat van een geïndividualiseerde beslissing en op basis van individuele aanwijzingen die dergelijk regime rechtvaardigen. De oplegging van een veiligheidsmaatregel dient gemotiveerd te worden volgens de wettelijke vereisten en kan onderworpen worden aan een rechterlijke controle.

De rechtbank is daarom van oordeel dat zij geen bewijzen heeft dat gedetineerden die door Nederland aan België wordt overgeleverd, bij de huidige stand van zaken en gelet op de gegeven algemene waarborgen, een reëel gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling bestaat (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 ( [zaak A.] en [zaak C.] ), punten 88 en 89).

De detentieomstandigheden in België vormen dan ook geen reden de overlevering van de opgeëiste persoon naar België niet toe te staan.

9 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen en 2, 5, 7, 13 OLW.

11 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeeïste persoon] alias [opgeeïste persoon] aan de Rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen-afdeling Gent (België) ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. A.K. Glerum en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 15 februari 2018.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing.