Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8664

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-11-2018
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4458
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:3598, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Verweerder mocht de urgentieverklaring weigeren. Er is geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem als de aanvrager een tijdelijke huurovereenkomst heeft en dat heeft eiseres. De omstandigheid dat de huisbewaring in december 2018 afloopt, is geen reden om aan eiseres een urgentie toe te kennen. Verweerder heeft daarnaast kunnen concluderen dat het huisvestingsprobleem is ontstaan als een gevolg van verwijtbaar gedrag van eiseres. Hiervan is sprake is bij woninguitzetting wegens bijvoorbeeld huurschuld en dat had eiseres. Verweerder was niet gehouden om op grond van de hardheidsclausule af te wijken van zijn beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/4458

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

22 november 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Bleijendaal),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. R.H. Lo Fo Sang).

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een urgentieverklaring voor woningtoewijzing afgewezen.

Bij besluit van 7 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2018.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. Bouhout.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiseres heeft gevraagd om een urgentieverklaring voor woningtoewijzing en verweerder heeft dat afgewezen. De rechtbank vindt daar het volgende van.

2. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de bevoegdheid tot het toekennen van een urgentieverklaring beoordelings- en beleidsruimte heeft. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit terughoudend moet toetsen. Het strenge beleid van verweerder ten aanzien van urgentieverklaringen is door de hoger beroepsinstantie niet onredelijk geacht, gelet op het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en de kleine woningvoorraad in [woonplaats] . De rechtbank mag dus alleen beoordelen of de afwijzing goed gemotiveerd, zorgvuldig en redelijk is.

3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de urgentieverklaring mocht weigeren op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (Verordening). Verweerder heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van een urgent huisvestingsprobleem. Vaststaat dat eiseres woonachtig is aan de [adres] te [woonplaats] . Eiseres is dus niet dakloos. Uit de toelichting in de beleidsregels van verweerder blijkt dat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem als de aanvrager een tijdelijke huurovereenkomst heeft en dat heeft eiseres. De omstandigheid dat de huisbewaring in december 2018 afloopt, is geen reden om aan eiseres een urgentie toe te kennen.

4. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder de urgentieverklaring mocht weigeren op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, onder e, van de Verordening. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat het huisvestingsprobleem is ontstaan als een gevolg van verwijtbaar gedrag van eiseres. Uit de toelichting in de beleidsregels van verweerder blijkt dat hiervan in ieder geval sprake is bij woninguitzetting wegens bijvoorbeeld huurschuld en dat had eiseres. Wat eiseres er ook van vindt, de huurschuld was er en deze heeft eiseres niet betaald.

5. Eiseres heeft zich ook beroepen op de urgentiecategorie medische of sociale reden, als bedoeld in artikel 2.6.8, eerste lid, onder b, van de Verordening. Dat artikel bepaalt echter dat een dergelijke urgentie kan worden verleend als zich geen algemene weigeringsgrond voordoet. Omdat in deze zaak sprake is van algemene weigeringsgronden kan eiseres geen geslaagd beroep doen op deze urgentiecategorie, maar alleen nog op de hardheidsclausule.

6. Eiseres heeft zich ook beroepen op de zogenaamde hardheidsclausule van artikel 2.6.11 van de Verordening. Ook bij het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule heeft verweerder beleidsvrijheid die de rechtbank terughoudend moet toetsen.

De rechtbank beseft dat eiseres in een lastige situatie verkeert en dat haar woonsituatie onwenselijk is. Haar woonsituatie is onzeker en die onzekerheid tast alles aan. Vooral voor haar kinderen wil eiseres graag een vaste en stabiele woonomgeving. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie waarin eiseres verkeert en dit vervelend voor haar vindt, is eiseres hierin – zoals verweerder terecht heeft gezegd – niet uniek. Verweerder was daarom niet gehouden om op grond van de hardheidsclausule af te wijken van zijn beleid. De brief van 18 juli 2018 van [naam] , [functie] , is onvoldoende onderbouwd en specifiek, zodat dit medisch stuk verweerder geen aanleiding hoefde te geven om advies aan de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) [plaatsnaam] te vragen.

7. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep van eiseres ongegrond is. Verweerder hoeft dus geen urgentie te verstrekken. De rechtbank raadt eiseres ten zeerste aan om met de gemeente om tafel te zitten en om te bespreken wat haar verdere mogelijkheden zijn.

8. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.Y. Sumer, griffier, op 22 november 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.