Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8653

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-12-2018
Datum publicatie
05-12-2018
Zaaknummer
C/13/419369 / HA ZA 09-449
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Amsterdam heeft opnieuw over de boedel van Yukos Oil Company (YOC) geoordeeld: twee “kleindochterondernemingen” van de failliete Russische oliemaatschappij mogen grote geldvorderingen (46 miljard roebel en 335 miljoen dollar plus 79 miljard roebel – omgerekend in totaal circa 2 miljard euro) op YOC incasseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/419369 / HA ZA 09-449

Vonnis van 5 december 2018

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

YUKOS CAPITAL LIMITED,

gevestigd te Road Town, Tortola, Britse Maagdeneilanden,

als rechtsopvolgster onder algemene titel van de rechtspersoon naar buitenlands recht Yukos Capital S.à.r.l.,

eiseres in conventie in de hoofdzaak, verweerster in reconventie in de hoofdzaak, verweerster tegen de door OOO Promneftstroy als tussenkomende partij ingestelde vorderingen, verweerster in de incidenten,

advocaat eerst mr. B.F.H. Rumora-Scheltema, vervolgens mr. R. Schellaars, thans mr. E.R. Meerdink te Amsterdam,

tegen

de voormalige rechtspersoon naar buitenlands recht

OAO YUKOS OIL COMPANY,

voorheen gevestigd te Moskou, Russische Federatie,

oorspronkelijk gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

en

de rechtspersoon naar buitenlands recht

OOO PROMNEFTSTROY,

gevestigd te Moskou, Russische Federatie,

verweerster in conventie in de hoofdzaak ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015, eiseres in reconventie in de hoofdzaak, tussenkomende partij, eiseres in de incidenten,

advocaat eerst mr. D.J. Oranje, thans mr. J.F. Ouwehand te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Yukos Capital (waarmee in voorkomend geval ook haar rechtsvoorgangster wordt bedoeld), Yukos Oil en Promneftstroy worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 juni 2008, van Yukos Capital,

  • -

    de akte houdende overlegging producties van 11 februari 2009, met producties, van Yukos Capital,

  • -

    het vonnis in incident van 9 juni 2010, waarin het Promneftstroy is toegestaan om tussen te komen, en de daarin vermelde stukken,

  • -

    het vonnis in incident van 9 november 2011, waarin de vordering van Promneftstroy tot het overleggen van stukken is afgewezen, en de daarin vermelde stukken,

  • -

    het vonnis in incident van 4 juli 2012, waarin primair de exceptie van onbevoegdheid ex artikel 10 juncto 767 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van Promneftstroy en subsidiair de vordering van Promneftstroy tot niet-ontvankelijkverklaring van Yukos Capital is afgewezen, en de daarin vermelde stukken,

  • -

    het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2014, waarin het vonnis in incident van 4 juli 2012 is bekrachtigd,

  • -

    het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015, waarin het cassatieberoep van Promneftstroy tegen het arrest van 13 mei 2014 is verworpen,

  • -

    de akte wijziging van 30 december 2015, met producties, van Yukos Capital,

  • -

    de antwoordakte van 13 januari 2016 op akte wijziging van eis tevens houdende verzoek tot (i) aanhouding en (ii) een ruime termijn voor inhoudelijk verweer, met producties, van Promneftstroy,

  • -

    de antwoordakte van 27 januari 2016 op verzoek tot aanhouding en een ruime termijn voor inhoudelijk verweer, van Yukos Capital,

  • -

    de rolbeslissing van 10 februari 2016, waarin het verzoek is afgewezen,

  • -

    de incidentele conclusie van 16 maart 2016 strekkende tot onbevoegdverklaring ex artikel 10 jo. 767 en 1074 Rv, tevens voorwaardelijk incidentele conclusies tot schorsing van het geding resp. tot exhibitie ex artikel 843a, 162 en 22 Rv, met tevens verzoek om uitstel voor conclusie van antwoord, met producties, van Promneftstroy,

  • -

    de conclusie van antwoord van 13 april 2016 in het incident strekkende tot onbevoegdverklaring ex artikel 10 jo. 767 en 1074 Rv, tevens voorwaardelijke incidenten tot schorsing van het geding, resp. tot exhibitie ex artikel 843a, 162 en 22 Rv, met tevens verzoek om uitstel voor conclusie van antwoord, met producties, van Yukos Capital,

  • -

    de rolbeslissing van 4 mei 2016, waarin is geoordeeld dat op de incidentele vorderingen niet eerst en vooraf wordt beslist,

  • -

    de akte van 1 juni 2016 in verband met de rolbeslissing van 4 mei 2016 en verzoek tot heroverweging van de beslissing niet eerst en vooraf te beslissen op Promneftstroys incidenten, van Promneftstroy,

  • -

    de rolbeslissing van 15 juni 2016, waarin is geoordeeld dat geen aanleiding bestaat terug te komen van de rolbeslissing van 4 mei 2016,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 27 juli 2016, met producties, van Promneftstroy,

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie van 28 december 2016, met producties, van Yukos Capital,

  • -

    het rolbericht van 27 december 2016 van Yukos Capital, luidende dat laatstgenoemde conclusie tevens heeft te gelden als conclusie van antwoord in de tussenkomst,

  • -

    de incidentele conclusie van 3 mei 2017 strekkende tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv resp. tot exhibitie ex artikel 843a Rv, met tevens verzoek om uitstel voor conclusie van dupliek, met producties, van Promneftstroy,

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie van 17 mei 2017, met producties, van Promneftstroy,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident strekkende tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv resp. tot exhibitie ex artikel 843a Rv tevens conclusie van dupliek in reconventie van 28 juni 2017, met producties, van Yukos Capital,

  • -

    de akte uitlating producties in het incident strekkende tot zekerheidsstelling ex artikel 224 Rv resp. tot exhibitie ex artikel 843a Rv van 26 juli 2017, van Promneftstroy,

  • -

    de akte vermindering van eis van 6 september 2017, van Promneftstroy, waarbij zij haar incidentele vordering tot zekerheidstelling vermeld in randnummer 6.1 onder a sub (i) van haar incidentele conclusie van 3 mei 2017 heeft ingetrokken,

  • -

    de akte uitlating eisvermindering in het incident van 20 september 2017, van Yukos Capital,

  • -

    het exploot aanzegging en hervatting ex artikel 225 en 227 Rv van 8 mei 2018, met producties, van Yukos Capital,

  • -

    de akte houdende uitlating over het exploot van Yukos Capital Limited tot schorsing en hervatting van het onderhavige geding van 30 mei 2018, met een productie, van Promneftstroy,

  • -

    de rolbeslissing van 12 juli 2018, waarin onder meer is geoordeeld dat Yukos Capital S.à.r.l. per 8 mei 2018 als procespartij is vervangen door Yukos Capital Limited,

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooien, gehouden op 5 en 6 september 2018, en de daarin vermelde stukken,

  • -

    de brief van mr. Meerdink van 30 september 2018 en de brief van mr. Ouwehand van 1 oktober, beide naar aanleiding van het proces-verbaal van de pleidooien, gehouden op 5 en 6 september 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

Heden wordt tevens vonnis gewezen in de zaak 415603 / HA ZA 08-3565 van Financial Performance Holdings B.V. (hierna: FPH), rechtsopvolgster onder algemene titel van Glendale Group Limited (hierna: Glendale), als eiseres in conventie in de hoofdzaak/verweerster in reconventie in de hoofdzaak/verweerster tegen de door Promneftstroy als tussenkomende partij ingestelde vorderingen/verweerster in de incidenten tegen Yukos Oil als oorspronkelijk gedaagde in de hoofdzaak en Promneftstroy als verweerster in conventie in de hoofdzaak ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015/eiseres in reconventie in de hoofdzaak/tussenkomende partij/eiseres in de incidenten. Partijen hebben bij de pleidooien, gehouden op 5 en 6 september 2018, desgevraagd verklaard dat al hetgeen is aangevoerd in die zaak ook geacht moet worden te zijn aangevoerd in deze zaak.

1.4.

De in dit vonnis in het Engels gestelde citaten van oorspronkelijk in het Russisch gestelde stukken zijn afkomstig uit door Yukos Capital en/of Promneftstroy in het geding gebrachte vertalingen.

2 De feiten

Het Yukos-concern

2.1.

De rechtspersoon naar Russisch recht Yukos Oil was, tezamen met haar directe en indirecte dochtervennootschappen, een van de grootste oliebedrijven in de Russische Federatie.

2.2.

Tot het Yukos-concern (zijnde Yukos Oil en haar directe en indirecte dochtervennootschappen) behoorden productievennootschappen, zoals OOO Yuganskneftegaz, die in de Russische Federatie olie produceerden. De productievennootschappen verkochten de olie aan eveneens tot het Yukos-concern behorende handelsvennootschappen, zoals OOO Fargoil (hierna: Fargoil) en ZAO Yukos-M (hierna: Yukos-M), die de olie op hun beurt aan marktpartijen verkochten. Daarbij trad Yukos Oil, die als enige toegang had tot het oliepijplijnnetwerk, (naar eigen zeggen) op als agent. De handelsvennootschappen waren gevestigd in Russische lage-belastingregio’s en betaalden over de door hen met de verkoop van olie behaalde winst lokale winstbelasting conform het lage belastingtarief in de regio’s waar zij gevestigd waren.

2.3.

Yukos Capital en Glendale waren indirecte dochtervennootschappen van Yukos Oil.

De leningsovereenkomsten

2.4.

Tot de gedingstukken behoort een leningsovereenkomst tussen Yukos Capital en Yukos Oil van 2 december 2003, met een addendum van 27 oktober 2005. In de overeenkomst is bepaald dat Yukos Capital aan Yukos Oil een rentedragende lening zal verstrekken van maximaal RUB 80.000.000.000 tegen een rentepercentage van 9% per jaar (artikel 1.1), dat de rente per kwartaal dient te worden voldaan (artikel 2.4), dat de vervaldatum van de lening 31 december 2008 is en dat bij te laat terugbetalen een boeterente van 0,1% verschuldigd is (artikel 3.2). In artikel 6.1 is een rechtskeuze voor Russisch recht opgenomen. De overeenkomst is ondertekend door [naam 1] , destijds hoofd van de afdeling Treasury van Yukos Oil.

2.5.

Tot de gedingstukken behoort ook een leningsovereenkomst tussen Yukos Capital en Yukos Oil van 19 augustus 2004, met een addendum van 27 oktober 2005. In deze overeenkomst is bepaald dat Yukos Capital aan Yukos Oil een rentedragende lening zal verstrekken van USD 355.000.000 tegen een rentepercentage van LIBOR plus 1,75% per jaar (artikel 1.1), dat de rente per half jaar dient te worden voldaan (artikel 1.1), dat de vervaldatum van de lening 30 december 2009 is en dat bij te laat terugbetalen een boeterente van 0,1% verschuldigd is (artikel 3.2). In artikel 6.1 is een rechtskeuze voor Russisch recht opgenomen. De overeenkomst is ondertekend door [naam 2] , destijds Chief Financial Officer van Yukos Oil.

2.6.

De beide addenda bij de leningsovereenkomsten zijn ondertekend door [naam 3] , destijds President van Yukos Oil. In beide addenda is bepaald:

“1. The article 5.1 of the Loan Agreement (…) shall be amended and restated in its entirety to read as follows:

Any dispute, claim or controversy arising out of or relating to this Agreement or the performance, breach, validity, interpretation, application or termination thereof (“Dispute”), shall be finally resolved by arbitration in accordance with the then current Rules of Arbitration of the International Chamber of Commerce (“ICC Rules”), and judgment on the award may be entered in any court having jurisdiction thereof.

The seat of arbitration shall be New York City, U.S.A., and the language of the arbitration shall be English. The arbitrator(s) shall determine the matters at issue in the Dispute in accordance with the substative law of the State of New York, U.S.A. (…)

2. Exclude article 6.1 of the Loan Agreement (…)”.

2.7.

Yukos Capital heeft tussen 3 december 2003 en 29 juni 2004 verschillende bedragen, in totaal RUB 79.301.105.902, aan Yukos Oil overgemaakt uit hoofde van de leningsovereenkomst van december 2003.

2.8.

Yukos Capital heeft op 19 augustus 2004 een bedrag van USD 355.000.000 aan Yukos Oil overgemaakt uit hoofde van de leningsovereenkomst van augustus 2004.

2.9.

Yukos Capital heeft op 19 oktober 2004 een late payment notice aan Yukos Oil gestuurd ten aanzien van de rente op de lening van december 2003, waarin onder meer is vermeld:

“According to this Loan Agreement (…) you are obliged to pay interests at the rate of 9% per annum for the loan amount. These interests accrue quarterly and are payable not later than on the last business day of the last month in the quarter.

Until now, we have received no such interest payments.

Please be reminded to respect your contractual obligations”.

2.10.

Yukos Oil, vertegenwoordigd door haar Chief Financial Officer [naam 2] , heeft daarop bij brief van 12 november 2004 aan Yukos Capital geschreven:

“We refer to your letter dd. 19.10.04, for which we thank you. Please be advised that in strict compliance with the Loan Agreement YU03-342/842 dd. 02.12.03 (“the Loan Agreement”) we paid quarterly interest accrued on the loan facility granted to us thereunder on 30th December 2003, 31st March 2004 and 29th June 2004.

Unfortunately, we have been unable to make quarterly interest payment due on 30th September 2004 due to suspension by tax authorities of all payments out of our bank accounts until complete satisfaction of tax claims brought against our company. Please be assured that immediately upon repayment of our tax debt we will continue to effect all payments under the Loan Agreement as scheduled”.

2.11.

Yukos Capital heeft op 20 januari 2005 een tweede late payment notice aan Yukos Oil gestuurd, waarna geen betaling van rente is gevolgd. Yukos Capital heeft op 11 november 2005 een formele notice of default aan Yukos Oil gestuurd, waarin is vermeld:

“You have already been reminded - without any success – to respect your obligation to pay the interest (by courier dated as of 19th of October 2004 and as of 20th January 2005).

Since your company has failed to fulfill its contractual obligations please consider this letter as an official notice of default. We hereby demand the immediate payment of the interest due .

Please note that non-payment of the accrued interest and the financial position of your company in general provides sufficient grounds to assume that OAO Yukos NK is not able to timely repay the principal amount. Pursuant to article 2.4.1 and 2.4.2 of the Loan Agreement we therefore also demand immediate payment of the principal amount outstanding. Pursuant to article 3.2 of the Loan Agreement your Company will be charged with the penalty interest in the amount of 0.1 per cent over the principal amount for each day that there is a delay in repayment of the principal amount with effect from today.”

2.12.

Yukos Oil heeft op 31 december 2004 twee door Yukos Capital aan haar gezonden reconciliations of mutual liability ondertekend waarin is vermeld welke bedragen Yukos Capital uit hoofde van de leningsovereenkomsten te vorderen had.

2.13.

Yukos Oil, vertegenwoordigd door haar Chief Executive Officer [naam 3] , heeft bij brief van 12 juli 2006 aan Yukos Capital bevestigd:

“I inform you that to date OAO Oil Company YUKOS has been unable to fulfil its obligations on the pre-schedule return of the loan sum in the order established in items 2.4 and 2.4.1. of the aforementioned loan agreements, owing to the fact that all the assets of OAO Oil Company YUKOS, including as of November 2005, to 28.03.2006, were seized by court bailiffs as a part of the demands of the tax authorities of the Russian Federation and other creditors.

From 29.03.06, OAO Oil Company YUKOS was also restricted in the handling of its own assets, linked with a supervision order, introduced in relation to OAO Oil Company YUKOS, a bankruptcy procedure under Russian Federation legislation.

Nevertheless, OAO Oil Company YUKOS fully acknowledges as being due its obligations on the pre-schedule return of the loan sums under the aforementioned loan agreements, which, on the strength of items 2.4 and 2.4.1. of each of the Agreements, arose on 14.11.2005, that is, from the moment OAO Oil Company YUKOS received your letter dated 11.11.05.”

De Russische belastingheffing en –invordering

2.14.

In en na 2003 heeft de Russische belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat Yukos Oil zich stelselmatig en op grote schaal onttrok aan de reguliere belastingheffing in de Russische Federatie. Dit heeft geleid tot belastingaanslagen, naheffingen en boetes, en vervolgens ook tot freezing orders, als gevolg waarvan de activa van Yukos Oil werden bevroren.

2.15.

Volgens de Russische belastingautoriteiten waren de in lage-belastingregio’s gevestigde handelsvennootschappen behorend tot het Yukos-concern schijnvennootschappen. Yukos Oil moest volgens de Russische belastingautoriteiten, kort gezegd, als de actual owner van de olie en dus als de belastingplichtige ter zake van de met de verkoop daarvan gerealiseerde winst worden beschouwd. Zij stelden zich op het standpunt dat sprake was van schijntransacties tussen de productievennootschappen en de handelsvennootschappen tegen kunstmatig lage prijzen.

2.16.

Yukos Oil heeft bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) geklaagd over verzuimen in de procedures ter vaststelling van haar belastingschuld voor het fiscale jaar 2000 en over de illegaliteit en disproportionaliteit van de belastingaanslagen over 2000-2003 en de invordering daarvan.

2.17.

In de uitspraak van 20 september 2011 (14902/04) heeft het EHRM een deel van de klachten gegrond verklaard en het overige deel verworpen. Het EHRM heeft bij uitspraak van 31 juli 2014 EUR 1,8 miljard aan schadevergoeding aan de voormalige aandeelhouders van Yukos Oil toegekend.

Insolventieprocedure Yukos Oil

2.18.

Op 6 maart 2006 heeft een consortium van internationale banken bij de Moscow Arbitrazh Court een verzoek ingediend om ten aanzien van Yukos Oil de Russische insolventieprocedure te openen. Op 14 maart 2006 heeft het consortium haar vordering op Yukos Oil overgedragen aan OJSC Rosneft Oil Company (hierna: Rosneft).

Bij uitspraak van 28 maart 2006 heeft de Moscow Arbitrazh Court de zogeheten waarnemingsprocedure (supervision procedure) op Yukos Oil van toepassing verklaard, waarbij [naam 4] (hierna: [naam 4] ) als waarnemer (temporary receiver) werd benoemd.

2.19.

Bij uitspraak van 1 augustus 2006 heeft de Moscow Arbitrazh Court Yukos Oil in staat van faillissement (bankrupt) verklaard, met aanstelling van [naam 4] tot curator (receiver).

2.20.

Bij uitspraak van 26 september 2006 heeft de Ninth Arbitrazh Court of Appeal het hoger beroep van Yukos Oil tegen haar faillietverklaring afgewezen, onder meer omdat geen bewijs was overgelegd dat een procedure bij het EHRM aanhangig was gemaakt. Het hoger beroep is buiten aanwezigheid van Yukos Oil behandeld aangezien [naam 4] de (proces)volmachten van de advocaten van Yukos Oil had ingetrokken, en Yukos Oil ook anderszins niet was vertegenwoordigd.

Renvooiprocedures Yukos Capital

2.21.

Yukos Capital heeft in een renvooiprocedure tijdens de zogeheten waarnemingsprocedure (zie 2.18) verzocht haar vordering uit leningsovereenkomsten toe te laten tot de lijst van schuldeisers. De waarnemer en enkele andere schuldeisers hebben de vordering betwist.

2.22.

Bij uitspraak van 19 juli 2006 heeft de Moscow Arbitrazh Court geweigerd de vordering van Yukos Capital uit hoofde van de leningsovereenkomsten toe te laten tot de lijst van schuldeisers in de waarnemingsprocedure. Yukos Capital heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Ninth Arbitrazh Court of Appeal. Bij uitspraak van de Ninth Arbitrazh Court of Appeal van 28 september 2006 is het hoger beroep geschorst in verband met een strafzaak die voor de beoordeling van belang werd geacht. Bij uitspraak van 20 juli 2007 heeft de Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region de behandeling van het cassatieberoep van Yukos Capital tegen de uitspraak van 28 september 2006 aangehouden wegens het ontbreken van volmachten en bewijzen van verzending aan andere procesdeelnemers.

2.23.

Yukos Capital heeft in een renvooiprocedure tijdens het faillissement opnieuw verzocht haar vordering uit leningsovereenkomsten toe te laten tot de lijst van schuldeisers. De zaak is ter zitting van 27 november 2006 buiten aanwezigheid van Yukos Capital en haar advocaat behandeld; de advocaat van Yukos Capital is voorafgaand aan de zitting niet in kennis gesteld van de (inhoud van de) verweren tegen de vordering.

2.24.

Bij uitspraak van 4 december 2006 heeft de Moscow Arbitrazh Court geweigerd de vordering van Yukos Capital uit hoofde van de leningsovereenkomsten toe te laten tot de lijst van schuldeisers.

2.25.

Bij uitspraak van 22 februari 2007 heeft de Ninth Arbitrazh Court of Appeal het hoger beroep van Yukos Capital tegen de uitspraak van 4 december 2006 verworpen.

2.26.

Yukos Capital heeft tegen de uitspraak van 22 februari 2007 op 10 april 2007 cassatieberoep ingesteld bij de Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region. Op 24 mei 2007 heeft de curator verzocht om schorsing van deze cassatieprocedure in verband met door hem aanhangig gemaakte procedures tot vernietiging van de leningsovereenkomsten op grond van het Russische equivalent van de Nederlandse faillissementspauliana (artikelen 19, 103 en 129 Russische Faillissementswet). De Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region heeft de cassatieprocedure bij uitspraak van 31 mei 2007 geschorst.

Renvooiprocedure Glendale

2.27.

Glendale heeft in een renvooiprocedure de Moscow Arbitrazh Court op 11 oktober 2006 verzocht haar vordering uit hoofde van de 74 orderbriefjes ter grootte van (in hoofdsom) RUB 46.294.208.319 toe te laten tot de lijst van schuldeisers in het faillissement van Yukos Oil. De curator en enkele andere schuldeisers hebben de vordering betwist. De zaak is ter zitting van 27 november 2006 buiten aanwezigheid van Glendale en haar advocaat behandeld. De advocaat van Glendale is voorafgaand aan de zitting niet in kennis gesteld van de (inhoud van de) verweren tegen de vordering.

2.28.

Bij uitspraak van 4 december 2006 heeft de Moscow Arbitrazh Court geweigerd de vordering van Glendale uit hoofde van de orderbriefjes toe te laten tot de lijst van schuldeisers.

2.29.

Bij uitspraak van 12 maart 2007 heeft de Ninth Arbitrazh Court of Appeal het hoger beroep van Glendale tegen de uitspraak van 4 december 2006 verworpen. In de uitspraak is onder meer vermeld dat namens Glendale geen vertegenwoordiger is verschenen in het geding:

“The appellant, being duly informed of the time and place of the appeal consideration, did not send its representative to the appellate court. Under such circumstances, the court believes it possible to consider the case in the absence of a representative of Glendale Group Limited pursuant to the procedure set forth in Articles 123 and 156 of the RF Arbitrazh Procedure Code”.

2.30.

Bij uitspraak van 25 juli 2007 heeft de Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region het beroep van Glendale tegen de uitspraak van 12 maart 2007 verworpen. In deze procedure is Glendale vertegenwoordigd door advocaat A.G. [naam 12] .

2.31.

Bij uitspraak van 19 december 2007 heeft de Russian Federation Supreme Arbitrazh Court het verzoek van Glendale om herziening van de uitspraken in de renvooiprocedure (review on a supervisory basis) afgewezen.

2.32.

Bij uitspraak van 10 januari 2012 heeft de Moscow Arbitrazh Court het verzoek van Glendale om teruggave van de in de renvooiprocedure gedeponeerde orderbriefjes afgewezen.

Het beslag op en de verkoop van de aandelen in Yukos Finance

2.33.

Bij verzoekschrift van 9 augustus 2007 heeft Yukos Capital de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht haar verlof te verlenen om ten laste van Yukos Oil conservatoir beslag te leggen op de door Yukos Oil gehouden aandelen in het kapitaal van Yukos Finance B.V. (hierna: Yukos Finance), gevestigd te Amsterdam.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft het verzochte verlof op 9 augustus 2007 verleend. De termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak is bepaald op twintig weken na het leggen van het beslag.

2.34.

Op 10 augustus 2007 heeft Yukos Capital voormeld beslag ten laste van Yukos Oil gelegd. Op 17 augustus 2007 heeft zij dit beslag overbetekend aan Yukos Oil (althans getracht dit te doen).

2.35.

Op 20 augustus 2007 heeft de curator de door Yukos Oil gehouden aandelen Yukos Finance verkocht aan Promneftstroy, een consortium van investeerders waarvan Renaissance Capital deel uitmaakte. Op 10 september 2007 is een tot levering van de verkochte aandelen Yukos Finance strekkende notariële akte verleden ten overstaan van een notaris in Amsterdam.

Beëindiging faillissement Yukos Oil

2.36.

Bij uitspraak van 15 november 2007 heeft de Moscow Arbitrazh Court beslist dat het faillissement van Yukos Oil is geëindigd. Hoewel (onder meer) Yukos Capital hoger beroep had ingesteld tegen dat vonnis, heeft de curator die uitspraak op 21 november 2007 ingeschreven in het Russische handelsregister. Als gevolg hiervan is Yukos Oil naar het toepasselijke Russisch recht opgehouden te bestaan.

2.37.

Vóór de inschrijving van de uitspraak van 15 november 2007 in het handelsregister heeft Glendale hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Bij uitspraak van 4 december 2007 heeft de Ninth Arbitrazh Court of Appeal geoordeeld dat hoger beroep niet mogelijk was omdat Yukos Oil volgens de wettelijke regels was geliquideerd.

2.38.

Door de beëindiging van het faillissement werd de door Yukos Capital ingestelde (geschorste) cassatieprocedure (zie hiervoor onder 2.26) eveneens beëindigd.

2.39.

Op 19 december 2007 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op verzoek van Yukos Capital bepaald dat de eis in de hoofdzaak uiterlijk 30 juni 2008 dient te worden ingesteld. Yukos Capital heeft op 30 juni 2008 de inleidende dagvaarding openbaar betekend aan Yukos Oil (althans getracht dit te doen). In de dagvaarding is vermeld dat Yukos Oil naar Russisch recht is opgehouden te bestaan, waardoor zij geen bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland meer heeft, maar nog wel activa waarop schuldeisers zich kunnen verhalen.

Het onderhavige geding

2.40.

Na een door Promneftstroy opgeworpen bevoegdheidsincident heeft de Hoge Raad in het arrest van 13 november 2015 geoordeeld dat Yukos Capital in de gegeven omstandigheden haar eis in de hoofdzaak na het leggen van het conservatoire beslag had moeten instellen jegens Promneftstroy, als verkrijger van de aandelen in Yukos Finance en de enig overgebleven belanghebbende met betrekking tot de vraag of de vorderingen waarvoor beslag is gelegd toewijsbaar zijn. Kort gezegd heeft de Hoge Raad overwogen dat de beslaglegger Yukos Capital vanaf het moment dat Yukos Oil is opgehouden te bestaan geen wederpartij meer heeft tegen wie de eis in de hoofdzaak kan worden ingesteld en dat het onaanvaardbaar zou zijn dat een beslaglegger met een onvoldane vordering die hij in beginsel kan verhalen op de beslagen goederen niet de mogelijkheid heeft om zijn recht te vervolgen, enkel als gevolg van het feit dat Yukos Oil is opgehouden te bestaan.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Yukos Capital vordert - na wijziging van eis - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

(i) Yukos Oil zal veroordelen tot betaling van een bedrag van USD 355.000.000 plus RUB 79.301.105.902 althans de tegenwaarde daarvan in USD, althans in EUR, aan hoofdsom, vermeerderd met de overeengekomen rente en boeterente zoals gespecificeerd in paragraaf 10 van de dagvaarding,

(ii) voor recht zal verklaren dat de vordering van Yukos Capital uit de leningsovereenkomsten zoals omschreven in paragraaf 4 van de dagvaarding tot betaling van USD 355.000.000 plus RUB 79.301.105.902 althans de tegenwaarde daarvan in USD, althans in EUR, aan hoofdsom, vermeerderd met de overeengekomen rente en boeterente zoals gespecificeerd in paragraaf 10 van de dagvaarding, toewijsbaar is,

(iii) voor recht zal verklaren dat Yukos Capital ter voldoening van haar vordering omschreven in sub (ii) van het petitum verhaal kan nemen op de door haar beslagen aandelen in Yukos Finance,

(iv) Promneftstroy zal veroordelen in de proceskosten, met bepaling dat deze kosten binnen veertien dagen na de datum van het vonnis moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan Promneftstroy van rechtswege in verzuim zal zijn.

3.2.

Promneftstroy voert op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015 verweer tegen de vorderingen in conventie die tegen haar zijn gericht. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

in de tussenkomst

3.3.

Promneftstroy vordert, voor zover thans nog relevant, indien en voor zover de niet-ontvankelijk niet in het incident wordt afgedaan, dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair:

(i) Yukos Capital niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen jegens Yukos Oil,

(ii) voor recht zal verklaren dat de door Yukos Capital ten laste van Yukos Oil gelegde beslagen van rechtswege zijn vervallen,

(iii) de door Yukos Capital ten laste van Yukos Oil gelegde conservatoire beslagen met onmiddellijke ingang per datum vonnis op te heffen,

subsidiair:

(iv)

(v) vernietiging van de vorderingen van Yukos Capital op grond van artikel 6:229 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) (artikelen 170 juncto 425 Russisch Burgerlijk Wetboek (hierna: RBW)),

een en ander met veroordeling van Yukos Capital in de proceskosten.

3.4.

Yukos Capital voert verweer. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

in reconventie

3.5.

Promneftstroy vordert in reconventie dat de rechtbank, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de door Yukos Capital ten laste van Yukos Oil gelegde conservatoire beslagen met onmiddellijke ingang opheft, met veroordeling van Yukos Capital in de proceskosten inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis,

3.6.

Yukos Capital voert verweer. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

in de incidenten

3.7.

Bij haar incidentele conclusie strekkende tot onbevoegdverklaring ex artikel 10 jo. 767 en 1074 Rv, tevens voorwaardelijke incidentele conclusie tot schorsing van het geding, resp. tot exhibitie ex artikel 843a, 162 en 22 Rv, met tevens verzoek om uitstel voor conclusie van antwoord van 16 maart 2016 heeft Promneftstroy gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

( a) primair ten aanzien van de exceptie van onbevoegdheid:

i. zich onbevoegd verklaart tot kennisneming van de door Yukos Capital tegen Yukos Oil en Promneftstroy ingestelde vorderingen;

voor recht verklaart dat de door Yukos Capital ten laste van Yukos Oil gelegde conservatoire beslagen van rechtswege zijn vervallen; althans

de door Yukos Capital ten laste van Yukos Oil gelegde conservatoire beslagen met onmiddellijke ingang per datum vonnis opheft; althans

Yukos Capital beveelt de door haar ten laste van Yukos Oil gelegde beslagen op te heffen binnen drie werkdagen na het ter zake te wijzen vonnis; en

aan het sub (iv) genoemde bevel een dwangsom verbindt van EUR 500.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Yukos Capital in gebreke blijft om aan het sub (iii) genoemde bevel te voldoen;

( b) subsidiair, ten aanzien van de incidentele vordering tot schorsing van dit geding:

i. bepaalt dat dit geding wordt geschorst totdat in het ten tijde van het instellen van de incidentele conclusie bij het gerechtshof Amsterdam onder zaaknummers 200.002.097/01 en 200.002.104/01 aanhangige geding tussen enerzijds Promneftstroy en de heren [naam 5] en [naam 6] , alsmede Yukos Finance zoals door dezen vertegenwoordigd en anderzijds de heren [naam 7] en [naam 2] , alsmede Yukos Finance zoals door dezen vertegenwoordigd, met kracht van gewijsde zal zijn beslist over de vraag of de door [naam 7] cum suis opgeworpen openbare-orde-exceptie al dan niet in de weg staat aan de geldigheid van de verkrijging door Promneftstroy van de aandelen in Yukos Finance ingevolge de verkoop en levering ervan aan haar door Yukos Oil’s curator [naam 4] , en

bepaalt dat het Promneftstroy en Yukos Capital, elk afzonderlijk met afschrift aan de ander, vrij zal staan om zodra de onder (i) bedoelde uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, de rechtbank te benaderen om dit geding te hervatten;

( c) meer subsidiair, ten aanzien van de exhibitievordering ex artikel 843a Rv en de verzoeken ex artikel 162 Rv en artikel 22 Rv:

i. Yukos Capital beveelt om binnen zeven dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis in incident aan Promneftstroy afschrift van de in hoofdstuk 5 van de conclusie genoemde bescheiden alsmede haar administratie en bescheiden die zien op Yukos Oil, althans op de vorderingen die zij in dit geding stelt te hebben op Yukos Oil, te verschaffen door afgifte daarvan aan de advocaat van Promneftstroy, en/of subsidiair, namelijk voor zover de rechtbank ten aanzien van bepaalde bescheiden een dergelijke tussenstop noodzakelijk acht, aan een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijke derde, met het doel als geschetst in paragraaf 8.7 van de conclusie en onder nader door de rechtbank te stellen voorwaarden;

aan het sub (i) genoemde bevel een dwangsom verbindt van EUR 10.000.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Yukos Capital in gebreke blijft om aan het sub (i) genoemde bevel te voldoen; en

( d) ten aanzien van het gevorderde sub (a), (b) en (c), Yukos Capital veroordeelt in de kosten van de incidenten;

alles bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.8.

Bij haar incidentele conclusie strekkende tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv respectievelijk tot exhibitie ex artikel 843a Rv, met tevens verzoek om uitstel van conclusie van dupliek van 3 mei 2017 heeft Promneftstroy gevorderd:

( a) ten aanzien van de incidentele vordering tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv:

i. te gelasten dat Yukos Capital jegens Promneftstroy zekerheid stelt voor proceskosten ten belope van EUR 29.552,00, door middel van het stellen van een onherroepelijke bankgarantie afgegeven door een te goeder naam en faam bekendstaande en in Nederland gevestigde bank, welke bankgarantie op eerste afroep uitwinbaar is door Promneftstroy op vertoon van een vonnis waarbij Yukos Capital jegens Promneftstroy in de proceskosten wordt veroordeeld, althans een bedrag en een vorm door uw rechtbank in goede justitie te bepalen;

( b) ten aanzien van de exhibitievordering ex artikel 843a Rv:

i. Yukos Capital te bevelen om binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis in incident aan Promneftstroy afschrift van de in hoofdstuk 4 van de conclusie genoemde bescheiden te verschaffen door afgifte daarvan aan de advocaten van Promneftstroy;

aan het sub (i) genoemde bevel een dwangsom te verbinden van EUR 10.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Yukos Capital in gebreke blijft om aan het sub (i) genoemde bevel te voldoen;

( c) Yukos Capital en FPH te veroordelen in de kosten van de incidenten;

alles bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.9.

Bij haar akte vermindering van eis van 6 september 2017 heeft Promneftstroy de hiervoor onder 3.8 onder (a) sub (i) weergegeven vordering ingetrokken.

Yukos Capital voert verweer tegen de door Promneftstroy gehandhaafde vordering tot veroordeling van Yukos Capital in de kosten van het incident. Zij vordert veroordeling van Promneftstroy in de kosten van het incident.

3.10.

Bij pleidooi heeft Promneftstroy de hiervoor onder 3.7 onder (c) weergegeven vordering vermeerderd in die zin dat zij tevens vordert dat Yukos Capital wordt bevolen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis op straffe van een dwangsom van EUR 10.000.000,00 voor iedere dag dat Yukos Capital in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, de processtukken uit de procedure bij het EHRM met zaaknummer 25151/05 over te leggen waarin Yukos Capital haar inhoudelijke klachten heeft uitgewerkt alsook de beslissing waaruit blijkt dat deze zijn afgewezen.

Yukos Capital voert hiertegen allereerst aan dat deze eisvermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Yukos Capital voert voorts inhoudelijk verweer.

3.11.

Yukos Capital voert ook tegen de overige incidentele vorderingen verweer.

3.12.

De rechtbank heeft beslist dat op de incidenten niet eerst en vooraf zal worden beslist (artikel 209 Rv).

3.13.

Met betrekking tot de vordering van Promneftstroy die ertoe strekt dat dit geding wordt geschorst (zie hiervoor onder 3.7 onder (b) onder (i)), wordt het volgende overwogen. De door Promneftstroy genoemde zaken zijn inmiddels aanhangig bij de Hoge Raad. Na afloop van het pleidooi in de onderhavige zaak heeft de rechtbank beslist dat, indien het arrest van de Hoge Raad in – wat hierna zal worden aangeduid als – de Halloween-procedure eerder wordt uitgesproken dan het vonnis in de onderhavige zaak, het ieder van partijen vrijstaat de rechtbank schriftelijk te verzoeken om gelegenheid tot het nemen van een akte in de onderhavige zaak over (de gevolgen van) dat arrest. Daarbij heeft de rechtbank de (eventuele) betekenis van dat arrest voor de onderhavige zaak uitdrukkelijk in het midden gelaten. Gelet op de aard van deze procedure en hetgeen hierna in 4.1 en 4.2 wordt overwogen, heeft Promneftstroy onvoldoende duidelijk gemaakt welk belang zij bij schorsing heeft.

4 De beoordeling

Dit onderdeel van de beoordeling is als volgt opgebouwd:

 in het incident tot onbevoegdheid (4.1 tot en met 4.5)

 in conventie (4.6 tot en met 4.59):

 rechtsmacht (4.6)

 toepasselijk recht (4.7 en verder)

 belang Promneftstroy (4.9 en verder)

 betekenis Russische uitspraken in renvooiprocedures (4.11 en verder)

 de beslissingen in de Russische renvooiprocedures (4.13)

 de beslissingen in de Russische renvooiprocedures – standpunt Yukos Capital (4.14)

 de beslissingen in de Russische renvooiprocedures – standpunt Promneftstroy (4.15 en verder)

 de oneigenlijke erkenning van de beslissingen in de Russische renvooiprocedures (4.18 en verder)

 de beslissingen in de Russische renvooiprocedures – conclusie (4.26.15 en verder)

 leningsovereenkomsten geldig tot stand gekomen? (4.27 en verder)

 afdwingbaarheid leningsovereenkomsten (4.32 en verder)

 leningsovereenkomsten nietig? (4.35 en verder)

 fusie (4.49 en verder)

 schending goede procesorde en artikel 21 Rv (4.51 en verder)

 conclusie vorderingen (4.54)

 uitvoerbaarverklaring bij voorraad/zekerheidstelling (4.55 en verder)

 proceskosten (4.58 en 4.59)

 in de tussenkomst (4.60 en 4.61)

 in reconventie (4.62 tot en met 4.64).

in het incident tot onbevoegdheid

4.1.

Promneftstroy beroept zich op de in de addenda bij de leningsovereenkomsten opgenomen arbitragebedingen (zie 2.6). Zij stelt dat de rechtbank op grond van artikel 1074 Rv niet bevoegd is om kennis te nemen van de oorspronkelijke vordering jegens Yukos Oil en evenmin van de - daarop voortbouwende declaratoire - vorderingen jegens Promneftstroy. De rechtbank kan volgens Promneftstroy geen bevoegdheid ontlenen aan artikel 10 in samenhang met artikel 767 Rv nu laatstgenoemd artikel vereist dat er geen andere weg is om een executoriale titel in Nederland te verkrijgen. Voor Yukos Capital bestond er echter wel een andere weg, namelijk het aanhangig maken van een arbitrageprocedure tegen Yukos Oil bij de International Chamber of Commerce (hierna: de ICC) in New York, hetgeen zou hebben geleid tot een arbitraal vonnis dat op grond van het Arbitrageverdrag van New York in Nederland ten uitvoer had kunnen worden gelegd. Aangezien Yukos Capital haar eis in hoofdzaak uiterlijk op 30 juni 2008 bij de ICC in New York aanhangig had moeten maken, is het beslag overeenkomstig artikel 700 lid 3 Rv van rechtswege komen te vervallen. Promneftstroy voert aan dat zij door het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015 onverwacht in de positie is gebracht dat zij verweer moet voeren tegen de (naar aanleiding van datzelfde arrest) aangepaste (en tegen haar gerichte) vorderingen van Yukos Capital. Volgens haar is de onderhavige exceptie van onbevoegdheid dan ook vóór alle weren ten gronde aangevoerd.

4.2.

Yukos Capital voert daartegenover aan dat Promneftstroy reeds eerder een incidentele vordering tot onbevoegdverklaring heeft ingesteld, die tot aan de Hoge Raad is verworpen. De beslissing dat de Nederlandse rechter bevoegd is, heeft gezag van gewijsde. Bovendien is het onderhavige beroep op onbevoegdheid niet vóór alle weren ten gronde gedaan, nu Promneftstroy haar materiële verweer reeds op hoofdlijnen had ingediend. Promneftstroy is voorts geen partij bij de arbitrageovereenkomst, aldus steeds Yukos Capital.

4.3.

De omstandigheid dat de door Promneftstroy als interveniënte ingestelde incidentele vordering tot onbevoegdverklaring is afgewezen (bij vonnis in incident van 4 juli 2012, zie 1.1), staat er niet aan in de weg dat zij thans als verweerster tegen de (naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015) aangepaste en tegen haar gerichte vorderingen van Yukos Capital wederom een exceptie van onbevoegdheid opwerpt. Dat zij als interveniënte reeds op hoofdlijnen inhoudelijke stellingen heeft betrokken in de voorwaardelijke/voorlopige conclusie van eis in de tussenkomst, betekent niet dat zij als verweerster tegen de aangepaste, declaratoire vorderingen reeds verweren ten gronde heeft gevoerd. De onderhavige exceptie is derhalve tijdig opgeworpen.

4.4.

Promneftstroy is evenwel geen partij bij de leningsovereenkomsten waarin het arbitragebeding is opgenomen. Zij kan evenmin worden aangemerkt als rechtsopvolgster van Yukos Oil in verband met deze leningsovereenkomsten dan wel de daarin opgenomen arbitrageovereenkomsten. Anders dan Promneftstroy betoogt, volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015 niet dat zij de processuele positie van Yukos Oil heeft overgenomen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat Yukos Capital als beslaglegger de eis in de hoofdzaak kan (instellen of) vervolgen tegen de verkrijger van de beslagen goederen, in een daartoe aangepaste vorm, inhoudende dat de beslaglegger vordert dat voor recht wordt verklaard dat de vorderingen (ter verzekering waarvan het beslag is gelegd) toewijsbaar zijn en dat de beslaglegger daarvoor verhaal kan nemen op de goederen waarop het conservatoir beslag rust. Promneftstroy kan gelet hierop niet worden veroordeeld tot betaling van de vorderingen van Yukos Capital op Yukos Oil. Zij zal in geval van toewijzing van de hiervoor bedoelde verklaring voor recht moeten dulden dat Yukos Capital haar vorderingen op Yukos Oil verhaalt op de door Promneftstroy (na beslaglegging) eventueel verkregen aandelen. Promneftstroy heeft niet duidelijk gemaakt waarom deze door de Hoge Raad geïntroduceerde zelfstandige vordering jegens Promneftstroy aan arbitrage zou zijn onderworpen. De hiervoor in 3.7 onder (a) onder (i) vermelde incidentele vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.5.

Ook de vorderingen onder (ii) tot en met (v) zullen worden afgewezen. De Hoge Raad heeft immers in het hiervoor genoemde arrest bepaald dat de eis in de hoofdzaak (als bedoeld in artikel 700 lid 3 Rv) kan worden vervolgd tegen de verkrijger van de beslagen goederen. Hij heeft tevens geoordeeld dat Yukos Capital - nu dat niet uit de wet volgt en evenmin eerder is beslist - daarmee geen rekening hoefde te houden en dat zij in het vervolg van de procedure bij de rechtbank haar vordering in de hiervoor genoemde aangepaste vorm tegen Promneftstroy kan richten, omdat Promneftstroy aanstonds in het geding is tussengekomen en daardoor niet in enig te respecteren belang is geschaad. Daaruit volgt dat Yukos Capital geacht moet worden de eis in de hoofdzaak tijdig te hebben ingesteld zodat van verval of opheffing van het beslag zoals door Promneftstroy bepleit geen sprake kan zijn.

in conventie

rechtsmacht

4.6.

Afgezien van het beroep op het arbitraal beding staat de rechtsmacht van deze rechtbank niet ter discussie. Gelet op het hiervoor in 4.4 weergegeven oordeel van de Hoge Raad staat vast dat er geen mogelijkheid bestond om jegens de niet meer bestaande rechtspersoon Yukos Oil een executoriale titel in Nederland (waaronder begrepen een arbitraal vonnis) te verkrijgen. Om die reden heeft de Hoge Raad bepaald dat de eis in de hoofdzaak kan worden vervolgd tegen Promneftstroy. De rechtbank concludeert daaruit dat zij op grond van artikel 10 in samenhang met artikel 767 Rv bevoegd is om kennis te nemen van de aangepaste vorderingen jegens Promneftstroy.

toepasselijk recht

4.7.

Aan de vorderingen liggen leningsovereenkomsten ten grondslag die zijn gesloten voor 17 december 2009, zodat zij buiten het temporele toepassingsgebied van de Rome I-Verordening vallen. Het op de vordering toepasselijke recht dient derhalve te worden bepaald aan de hand van het Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Trb. 1980, 156) (hierna: EVO). Ingevolge artikel 3 lid 1 EVO wordt de overeenkomst beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. Niet in geschil is dat partijen aanvankelijk in de leningsovereenkomsten een rechtskeuze voor Russisch recht hebben gedaan en later in de addenda die rechtskeuze hebben gewijzigd in een rechtskeuze voor het recht van de staat New York. Een dergelijke wijziging in de rechtskeuze na de totstandkoming van de overeenkomst is op grond van artikel 3 lid 2 EVO mogelijk en heeft geen invloed op de formele geldigheid van de leningsovereenkomsten. Bovendien wordt het bestaan en de geldigheid van de overeenkomsten en de addenda beheerst door het recht dat toepasselijk zou zijn indien de overeenkomsten en de addenda geldig zouden zijn (artikel 8 lid 1 EVO).

De rechtbank volgt Promneftstroy dan ook niet in haar stelling dat de wijziging van de rechtskeuze in de addenda rechtens geen gevolg heeft gehad omdat de leningsovereenkomsten ab initio nietig waren naar het volgens de aanvankelijke rechtskeuze toepasselijke Russisch recht.

4.8.

Op de vorderingen uit hoofde van de leningsovereenkomsten is derhalve het recht van de staat van New York van toepassing. Dit toepasselijk recht beheerst (onder meer) de volgende onderwerpen: de geldigheid van de leningsovereenkomsten (artikel 8 lid 1 EVO), de nakoming daarvan en de gevolgen van eventuele nietigheid van de overeenkomsten (artikel 10 EVO). Het New Yorks recht is evenwel niet van toepassing op het bewijs en de rechtspleging (artikel 1 lid 2 sub h EVO), behoudens voor zover het ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst wettelijke vermoedens vestigt of regels over de verdeling van de bewijslast bevat (artikel 14 EVO). Het Nederlands procesrecht is daarom van toepassing (artikel 10:3 BW). Het New Yorkse internationaal privaatrecht is evenmin van toepassing (artikel 15 EVO en artikel 10:5 BW). De toepassing van een bepaling van het recht van de staat New York kan ingevolge artikel 16 EVO alleen terzijde worden gesteld indien deze toepassing kennelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde.

belang Promneftstroy

4.9.

Yukos Capital betoogt dat Promneftstroy geen belang heeft bij haar verweer. Zij stelt daartoe dat in de Halloween-procedure het gerechtshof Amsterdam in zijn arrest van 19 mei 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:1695), evenals eerder deze rechtbank in haar vonnis van 31 oktober 2007 (ECLI:NL:RBAMS:2007:BB6782), heeft geoordeeld dat ‘erkenning’ van het Russische vonnis waarbij Yukos Oil in staat van faillissement is verklaard, in de zin dat daaraan in Nederland rechtsgevolgen worden toegekend, strijdig is met de Nederlandse openbare orde. Gelet daarop moet worden aangenomen dat de curator in het Russische faillissement nooit bevoegd is geweest om de aandelen in Yukos Finance te verkopen en te leveren aan Promneftstroy, zodat zij geen rechthebbende op de aandelen is geworden. Volgens Yukos Capital dient de rechtbank - ook zonder de uitkomst van het cassatieberoep tegen voormeld arrest van 19 mei 2017 af te wachten - in deze procedure hetzelfde te oordelen. Als Promneftstroy geen rechthebbende is geworden op de aandelen heeft zij ook geen belang bij haar verweer en moet daaraan voorbij worden gegaan. Daarmee ontvalt ook de grond voor tussenkomst. De vorderingen van Yukos Capital moeten derhalve worden toegewezen, aldus steeds Yukos Capital.

4.10.

De rechtbank overweegt dat uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat Yukos Capital haar eis in de hoofdzaak in de zin van artikel 700 lid 3 Rv niet kan instellen tegen de niet meer bestaande rechtspersoon Yukos Oil, maar (in een daartoe aangepaste vorm) kan instellen of vervolgen tegen Promneftstroy als verkrijger van de aandelen Yukos Finance. Yukos Capital heeft er vervolgens zelf voor gekozen haar eis in de hoofdzaak in bedoelde aangepaste vorm tegen Promneftstroy te richten. In die situatie kan zij zich er niet op beroepen dat Promneftstroy geen belang heeft bij het voeren van verweer en dat haar verweer daarom gepasseerd moet worden. Een procespartij tegen wie een vordering wordt ingesteld heeft immers in beginsel een belang zich daartegen te verweren.

Daarbij komt dat, indien zou komen vast te staan Promneftstroy nimmer aandeelhouder is geworden, niet zeker is dat Yukos Capital haar eis in de hoofdzaak had kunnen vervolgen tegen Promneftstroy. De Hoge Raad heeft Promneftstroy immers in haar hoedanigheid van verkrijger van de aandelen (welke hoedanigheid in het kader van dat incident in cassatie niet meer in geschil was) aangemerkt als de enig overgebleven belanghebbende met betrekking tot de beslagen aandelen en met betrekking tot de vraag of de vorderingen waarvoor het beslag is gelegd toewijsbaar zijn.

De rechtbank merkt verder op dat, voor zover de vraag of Promneftstroy rechthebbende op de aandelen is geworden al behoort tot ‘de rechtsbetrekking in geschil’ in deze procedure, in ieder geval ten tijde van het wijzen van vonnis in deze instantie (nog) niet met gezag van gewijsde vast staat of Promneftstroy al dan niet aandeelhouder is geworden. Zolang daarover geen definitief oordeel is gegeven, moet het ervoor worden gehouden dat Promneftstroy wel degelijk belang heeft bij het voeren van verweer in deze procedure.

betekenis Russische uitspraken in renvooiprocedures

4.11.

Promneftstroy heeft aangevoerd dat, gezien de hiervoor in 2.22 tot en met 2.26 vermelde renvooibeslissingen van de Russische rechter, een arbiter of rechter die naar New Yorks recht dezelfde vorderingen beoordeelt op grond van het leerstuk van collateral estoppel tot hetzelfde oordeel moet komen (omdat de feitelijke vaststellingen van de Russische rechter vaststaan nu het om identieke kwesties gaat).

4.12.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het leerstuk van collateral estoppel maakt deel uit van het News Yorks procesrecht, dat - zoals hiervoor onder 4.8 overwogen - niet van toepassing is.

De beslissingen in de Russische renvooiprocedures

4.13.

Promneftstroy heeft voorts aangevoerd dat de hiervoor in 2.22 tot en met 2.26 vermelde uitspraken van de Russische rechter in deze procedure moeten worden erkend.

De rechtbank komt nu toe aan deze door Promneftstroy opgeworpen vraag of de beslissingen in de Russische renvooiprocedures van invloed zijn op de onderhavige procedure. Hiertoe zal zij eerst ingaan op de standpunten van partijen.

De beslissingen in de Russische renvooiprocedures – standpunt Yukos Capital

4.14.

Yukos Capital stelt dat de renvooibeslissingen om meerdere redenen niet aan haar kunnen worden tegengeworpen:

a. Uit het tussen partijen gewezen arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015 volgt dat de afwijzing van de vorderingen in de Russische renvooiprocedures niet in de weg staat aan verhaal (en dus ook niet aan inhoudelijke behandeling) in Nederland. De Hoge Raad heeft immers bepaald dat Yukos Capital haar beslag op de aandelen Yukos Finance mag vervolgen onafhankelijk van het Russische faillissement.

b. Het territorialiteitsbeginsel brengt met zich dat verhaal in Nederland mogelijk is ongeacht of de vorderingen wel of niet in het buitenlandse faillissement zijn toegelaten. De Hoge Raad heeft in het arrest van 13 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ5668, rechtsoverweging 3.2.2) immers overwogen dat onvoldane schuldeisers in een buitenlands faillissement zich moeten kunnen verhalen op in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de (voormalige) failliet. Dit veronderstelt dat de Nederlandse rechter niet a priori aan de renvooibeslissingen is gebonden. Die renvooibeslissingen zijn een rechtstreeks gevolg van het buitenlandse faillissement. Het territorialiteitsbeginsel brengt daarom mee dat die beslissingen niet in de weg staan aan verhaal in Nederland door onvoldane schuldeisers.

c. De faillissementsuitspraak betreffende Yukos Oil is, naar eerder door de rechtbank en het gerechtshof te Amsterdam is geoordeeld (zie ook hiervoor onder 4.9), tot stand gekomen op een wijze die strijdig is met de Nederlandse openbare orde. De renvooibeslissingen, die immers een direct gevolg zijn van de faillissementsuitspraak, komen daarom evenmin voor erkenning in aanmerking.

d. De Russische rechters in de aan Yukos Oil gerelateerde zaken en in het bijzonder in de renvooiprocedures functioneerden bovendien niet onafhankelijk en onpartijdig. Voorzitters van Russische gerechten zijn direct of indirect benoemd door de Russische president en via het systeem van telephone justice, waarbij rechters van hogerhand te horen krijgen hoe zij moeten beslissen in zaken die het staatsbelang aangaan, wordt de rechtspraak beïnvloed door de uitvoerende macht.

e. De renvooiprocedures zelf voldeden, zo stelt Yukos Capital, in materieel en procedureel opzicht evenmin aan de eisen van een behoorlijke rechtspleging. Daarbij beroept Yukos Capital zich ook op de gang van zaken in de renvooiprocedures van FPH. Yukos Capital voert in dat verband het volgende aan.

(i). De renvooiprocedure inzake Yukos Capital is in twee feitelijke instanties buiten aanwezigheid van Yukos Capital en haar advocaat behandeld, terwijl de verweren van de curator niet van tevoren aan haar bekend zijn gemaakt. De cassatieprocedure is (op verzoek van de curator van Yukos Oil) geschorst in afwachting van de uitkomst van twee andere procedures van de curator strekkende tot ongeldigverklaring van de geldleningen van Yukos Capital aan Yukos Oil, aangezien de uitkomst van die procedures van invloed zou kunnen zijn op de beslissing in de renvooiprocedure. De leningen zijn echter nooit ongeldig verklaard en als gevolg van de voortijdige beëindiging van het faillissement van Yukos Oil is de renvooiprocedure ook niet meer niet hervat. De renvooibeslissingen (van 4 december 2006 en 22 februari 2007) inzake Yukos Capital binden de Nederlandse rechter dan ook niet.

Ook de gronden waarop de vorderingen van Yukos Capital door de Moscow Arbitrazh Court zijn afgewezen (de leningen zijn niet opeisbaar en betreffen eigen geld van Yukos Oil, dat in het kader van belastingontduiking offshore was geplaatst) zijn onjuist. De opeisbaarheid was niet in geschil en iedere motivering voor de overweging dat het uitgeleende geld van Yukos Oil was, ontbrak.

(ii). Op 6 augustus 2006 en 10 november 2006 hebben in het kader van een strafonderzoek tegen Yukos Oil invallen plaatsgevonden van politie en Openbaar Ministerie op de kantoren en in de woonhuizen van de Russische advocaten van Yukos Capital en FPH, [naam 8] en [naam 9] , althans de vader van laatstgenoemde. Daarbij is al het materiaal dat de advocaten voorhanden hadden over Yukos Capital en FPH (inclusief de voor de procedure vereiste volmachten) in beslag genomen, zonder achterlating van kopieën. Ook werd gedreigd met strafvervolging tegen de echtgenoot van [naam 8] . Als gevolg van deze intimidatie van overheidswege was het voor de advocaten van FPH en Yukos Capital onmogelijk bijstand ter zitting te verlenen, hetgeen ook kenbaar is gemaakt aan de rechtbank, onder meer in een brief van het advocatenkantoor aan het gerecht van november 2006. Desalniettemin hebben de mondelinge behandelingen van 27 november 2006 en 15 februari 2007 (Yukos Capital) , alsmede 27 november 2006 en 5 maart 2007 (FPH) doorgang gevonden, zonder dat de advocaten van Yukos Capital en FPH daarbij aanwezig waren en zonder dat Yukos Capital en FPH anderszins vertegenwoordigd werden. Ook zijn Yukos Capital en FPH toen niet voorafgaand aan de zitting op de hoogte gesteld van de verweren van de curator en andere schuldeisers tegen erkenning van de vorderingen.

(iii). De beslissingen van de twee feitelijke instanties van 4 december 2006 en 12 maart 2007 inzake FPH getuigen van willekeur, nu een identieke vordering van Deutsche Bank, gebaseerd op vrijwel dezelfde orderbriefjes, op dezelfde dag (4 december 2006) door dezelfde rechtbank (Moscow Arbitrazh Court) en dezelfde rechter ( [naam 10] ) in eerste aanleg wel toegelaten werd in het faillissement van Yukos Oil. Ook een vordering van Rosneft, die eveneens gebaseerd was op door Yukos Oil uitgegeven orderbriefjes, is met verwijzing naar het abstracte karakter van het waardepapier door een andere Russische rechtbank (Samara Oblast Arbitrazh Court) bij uitspraak van 21 mei 2007 toewijsbaar geoordeeld. Het verweer van Promneftstroy dat de renvooibeslissingen inzake FPH toch gerechtvaardigd zijn omdat de onderliggende transacties nietig zijn, vindt geen steun in de wet en ook niet in de overwegingen die aan die beslissingen ten grondslag zijn gelegd.

Het bezwaar van FPH tegen de door de feitenrechters gehanteerde overwegingen is ten aanzien van twee van de drie gronden voor het niet toelaten van haar vordering in het faillissement (geen twee handtekeningen en geen bewijs van rechtmatig houderschap) in cassatie gegrond bevonden (uitspraak van 25 juli 2007 van de Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region). Toch zijn de beslissingen van de feitenrechters in cassatie bekrachtigd. Deze beslissingen van de feitenrechters zijn echter onjuist, omdat de bewijslast voor de bevoegdheid van [naam 1] ten onrechte bij FPH is gelegd en FPH ten onrechte de mogelijkheid is onthouden om op dit punt bewijs te leveren. De renvooibeslissingen getuigen aldus van willekeur en kennelijke onredelijkheid en zijn daarmee in strijd met de beginselen van een behoorlijke rechtspleging.

(iv). Ook de weigering van 10 januari 2012 door (rechter [naam 10] van) de Arbitrazh Court of Moscow van teruggave aan FPH van de originele, aldaar door haar gedeponeerde orderbriefjes is onbegrijpelijk.

de beslissingen in de Russische renvooiprocedures – standpunt Promneftstroy

4.15.

Promneftstroy heeft tot haar verweer aangevoerd dat de renvooibeslissingen van de Russische rechters, waarbij aan de vorderingen van Yukos Capital toelating tot de lijst van schuldeisers in het faillissement is onthouden door de Nederlandse rechter moeten worden erkend. Het territorialiteitsbeginsel staat niet in de weg aan erkenning van de renvooibeslissingen. De territoriale werking van een buitenlands faillissement, waarop Yukos Capital zich beroept, is beperkt in die zin a) dat het in het buitenland op het vermogen van de gefailleerde rustende faillissementsbeslag niet mede omvat zijn in Nederland aanwezige baten en b) dat de rechtsgevolgen die door het faillissementsrecht van dat andere land aan een faillissement worden verbonden, in Nederland niet kunnen worden ingeroepen voor zover zij ertoe zouden leiden dat onvoldane schuldeisers zich niet meer kunnen verhalen op – tijdens of na afloop van het faillissement – in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de (voormalige) gefailleerde (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5668). De renvooiprocedures vallen echter onder categorie c), andere gevolgen van een in het buitenland uitgesproken faillissement, aan de werking waarvan ingevolge genoemd arrest het territorialiteitsbeginsel niet in de weg staat.

4.16.

Promneftstroy voert aan dat voor de vraag of de renvooibeslissingen door de Nederlandse rechter moeten worden erkend beslissend is of voldaan is aan de criteria voor erkenning van een buitenlands vonnis op de voet van artikel 431 lid 2 Rv, genoemd in het arrest van HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank).

Volgens Promneftstroy voldoen de renvooibeslissingen aan de voorwaarden voor erkenning genoemd in het Gazprombank-arrest en heeft Yukos Capital niet aangetoond dat in de renvooiprocedures (van Yukos Capital en/of FPH) geen sprake was van behoorlijke rechtspleging. Het verwijt dat de Russische rechters vooringenomen zijn geweest jegens haar of dat sprake was van telephone justice is niet hard gemaakt. De invallen bij advocaten en andere adviseurs in het kader van de strafzaak tegen Yukos Oil zijn (ook in het Westen) niet ongebruikelijk en behelzen geen schending van het recht op een eerlijk proces. [naam 8] heeft immers ook na de invallen bij haar op kantoor en thuis van augustus 2006 op 6 oktober 2006 nog een tweede verzoek tot verificatie van de vordering van Yukos Capital ingediend bij de Moscow Arbitrazh Court. De door Yukos Capital als productie 176 overgelegde verklaring van [naam 11] van 2 augustus 2018 kan niet tot het bewijs bijdragen, aangezien hij ten aanzien van de gebeurtenissen na 5 april 2006 niet uit eigen waarneming kan verklaren. Hij had vanaf die datum immers de Russische Federatie verlaten. Bovendien zijn in de bijlagen bij zijn verklaring grote delen zwart gelakt en ontbreken de originele teksten bij sommige vertalingen. Dit betreft in het bijzonder bijlage 12, een brief van november 2006 van de gemachtigde van Yukos Capital aan de Moscow Arbitrazh Court, waarin wordt meegedeeld dat Yukos Capital, als gevolg van de op haar raadslieden door het Openbaar Ministerie uitgeoefende druk, niet in staat is om een advocaat te vinden die op 27 november 2006 ter zitting namens haar verweer kan voeren. Yukos Capital heeft ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verzoek tot wraking of herziening in te dienen.

Voor zover de Moscow Arbitrazh Court heeft nagelaten om Yukos Capital in kennis te stellen van de door de curator tegen erkenning van haar vordering ingebrachte bezwaren, geldt dat FPH daar zelf bij de Moscow Arbitrazh Court kennis van had kunnen nemen. Yukos Capital is bovendien bij de zitting van de Federal Arbitrazh Court gewoon verschenen, ondanks door haar ervaren van overheidswege uitgeoefende druk. Dat het faillissement van Yukos Oil al bij uitspraak van 15 november 2007 was beëindigd voordat het herzieningsverzoek van FPH betreffende de renvooibeslissing, waarbij haar vordering niet is toegelaten in het faillissement, was beoordeeld (en afgewezen wegens een gebrek aan cassatiemerites), wijst niet op een oneerlijk proces.

4.17.

Promneftstroy heeft zich meer in het algemeen (met name met verwijzing naar haar akte van 20 september 2016 in de Halloween-procedure) tegen het verwijt van schending van artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) verweerd door erop te wijzen dat er geen concrete aanwijzingen zijn aangevoerd dat de Russische Federatie (ontoelaatbare) invloed heeft uitgeoefend in de procedures tegen Yukos Oil en aan haar gerelateerde vennootschappen zoals FPH en Yukos Capital. Ook het EHRM heeft die beïnvloeding niet vastgesteld. Tot slot komt FPH geen beroep op de openbare-orde-exceptie toe, omdat zij zich zelf schuldig hebben gemaakt aan spionage en aldus aan schending van artikel 8 EVRM en de goede procesorde, aldus Promneftstroy.

de oneigenlijke erkenning van de beslissingen in de Russische renvooiprocedures

4.18.

De rechtbank stelt voorop dat de renvooibeslissingen (inhoudende dat de vorderingen van Yukos Capital niet zijn toegelaten tot de lijst van schuldeisers in het faillissement van Yukos Oil) geen condemnatoire beslissingen betreffen.

4.19.

In het Gazprombank-arrest (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838), waarin het ging om een condemnatoire beslissing, is tot uitgangspunt genomen dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend, mits voldaan is aan vier voorwaarden. Deze voorwaarden luiden als volgt:

  1. de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is;

  2. de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging;

  3. de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde;

  4. de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.

4.20.

Daargelaten of deze ‘Gazprombank-voorwaarden’ op de onderhavige renvooibeslissingen van toepassing zijn, volgt uit hetgeen hierna zal worden overwogen dat niet aan al deze voorwaarden is voldaan.

4.21.

Het debat van partijen heeft zich vooral toegespitst op de vraag of is voldaan aan de hiervoor onder 4.19 onder (ii) en (iii) genoemde voorwaarden, die hierna ook wel zullen worden aangeduid als de procedurele respectievelijk de materiële openbare orde. Voordat de rechtbank overgaat tot bespreking van dit onderdeel van het geschil, wordt eerst de vraag behandeld of Yukos Capital haar beroep op de openbare-orde-exceptie heeft prijsgegeven zoals Promneftstroy heeft aangevoerd met een beroep op de memorie van antwoord van Yukos Capital (paragrafen 5 en 110) in de procedure die heeft geleid tot het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2014 (zie 1.1). Daarbij heeft Promneftstroy ook gewezen op de volgende passage in het proces-verbaal van de zitting van 29 januari 2014 van het gerechtshof te Amsterdam:

"Mr. Meerdink verklaart desgevraagd dat Yukos Capital en Glendale in deze procedure geen discussie beogen te voeren over de vraag of het Russische faillissementsvonnis tot stand is gekomen op een wijze die strijd is met de Nederlandse openbare orde".

4.22.

Deze uitlatingen zijn echter gedaan in het hoger beroep van het tussenvonnis van deze rechtbank van 4 juli 2012 in het door Promneftstroy als tussenkomende partij gestarte incident tot vervallenverklaring van het door Yukos Capital gelegde conservatoire beslag en als uitvloeisel daarvan tot onbevoegdverklaring van de rechtbank. Daargelaten of de woorden dat Yukos Capital “geen discussie beoogt te voeren” over de openbare-orde-exceptie in redelijkheid moeten worden begrepen als het prijsgeven van een stelling, is duidelijk dat zij alleen betrekking hebben op de bij het gerechtshof lopende (incidentele) procedure. Er staat immers: “in deze procedure”. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk waarom die woorden aldus moeten worden begrepen dat het beroep op de openbare-orde-exceptie ook in de bij de rechtbank lopende hoofdzaak is prijsgegeven. In de parallelle Halloween-procedure werd immers nog volop gestreden over die kwestie. De rechtbank zal daarom thans overgaan tot bespreking van de openbare-ordetoets.

4.23.

Deze rechtbank (in haar vonnis van 31 oktober 2007) en het gerechtshof te Amsterdam (in zijn arrest van 9 mei 2017) zijn beide in de Halloween-procedure tot het oordeel gekomen dat “erkenning” van het vonnis waarbij Yukos Oil in 2006 in de Russische Federatie failliet is verklaard, in die zin dat daaraan in Nederland rechtsgevolgen worden toegekend, strijdig is met de openbare orde, omdat, samengevat, uit alle omstandigheden van het geval kan worden afgeleid dat beoogd werd om het faillissement van Yukos Oil uit te lokken. Partijen hebben in hun debat over de openbare-ordetoets in dit geding geen nieuwe argumenten aangevoerd ten opzichte van hetgeen in de Halloween-procedure aan de orde is geweest en beslist. De rechtbank maakt in het onderhavige geschil het oordeel van de hiervoor genoemde gerechten in de Halloween-procedure, dat aan het faillissement in Nederland geen rechtsgevolgen kunnen worden toegekend, tot het hare.

4.24.

Nu de renvooiprocedures alle zijn gevoerd binnen de Russische Federatie, is het vervolgens de vraag of het oordeel dat het Russische faillissementsvonnis ten aanzien van Yukos Oil wegens strijd met de Nederlandse openbare orde niet kan worden erkend (in die zin dat daaraan in Nederland rechtsgevolgen worden toegekend) noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat ook de renvooibeslissingen betreffende (niet-)toelating tot de lijst van schuldeisers in dat faillissement wegens strijd met de Nederlandse openbare orde niet kunnen worden erkend. De vraag is dus of door erkenning van de renvooibeslissingen niet alsnog rechtsgevolg wordt toegekend aan het Russische faillissementsvonnis, dat in Nederland nu juist niet wordt erkend.

4.25.

Bij gebreke van een toepasselijke verdragsrechtelijke of wettelijke regeling zoekt de rechtbank aansluiting bij de Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures (de Insolventieverordening), paragraaf 196 van het Virgós/Schmit rapport (dat beschouwd kan worden als een officieuze toelichting op de bepalingen van de Insolventieverordening) en het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1404, [partij] / [partij] , [partij] en [partij] q.q.).

De rechtbank is van oordeel dat de gevoerde renvooiprocedures insolventiegerelateerd zijn en in een onlosmakelijk verband staan tot het faillissement van Yukos Oil. Daarvoor is allereerst van belang dat een renvooiprocedure in zijn algemeenheid rechtstreeks voortvloeit uit de insolventieprocedure en daar nauw op aansluit, in die zin dat de renvooiprocedure uitsluitend tijdens de insolventie kan worden gevoerd en haar oorsprong vindt in het insolventierecht. Dat geldt ook voor de hier gevoerde renvooiprocedures. De uitkomst van deze renvooiprocedures is ook van belang geweest voor de positie van de andere schuldeisers in het faillissement van Yukos Oil, aangezien tot een andere uitdelingslijst zou zijn gekomen als FPH en Yukos Capital wel als schuldeisers zouden zijn toegelaten. Verder is relevant dat het verweer van Yukos Oil in de renvooiprocedures niet door haarzelf is gevoerd, maar door de curator. Het is aannemelijk dat de uitkomst van de renvooiprocedures daardoor ook beïnvloed is. Eerder had Yukos Oil de vorderingen van Yukos Capital immers erkend (zie 2.10, 2.12 en 2.13). De curator heeft de vorderingen van Yukos Capital echter betwist en dat verweer is in de renvooiprocedures gehonoreerd. Daarmee heeft de curator in het faillissement van Yukos Oil dus een relevante rol gespeeld in de gevoerde renvooiprocedures en kunnen de renvooiprocedures niet los van het faillissement van Yukos Oil worden beschouwd. De bevoegdheid van de curator wordt in Nederland (als rechtsgevolg van het faillissement) echter niet erkend. Gelet op het onlosmakelijke verband tussen het faillissement en de renvooiprocedures dient de niet-erkenning van de rechtsgevolgen van het Russische faillissement tot gevolg te hebben dat ook de renvooibeslissingen niet kunnen worden erkend.

4.26.

Maar ook indien niet-erkenning van de renvooibeslissingen niet rechtstreeks volgt uit de niet-erkenning van het faillissementsvonnis, is erkenning van de renvooibeslissingen naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de Nederlandse openbare orde.

4.26.1.

De vorderingen van Yukos Capital uit hoofde van geldleningen zijn bij beslissing van de Moscow Arbitrazh Court (rechter [naam 10] ) van 19 juli 2006 (zie 2.22) niet toegelaten tot de lijst van erkende vorderingen in de waarnemingsprocedure van Yukos Oil, aangezien vervroegde opeising van de leningen (op de grond dat Yukos Oil als gevolg van naheffingsaanslagen niet meer in staat zou zijn tot tijdige terugbetaling van de leningen) niet toelaatbaar werd geacht, hoewel Yukos Oil de opeisbaarheid had erkend.

4.26.2.

Op 6 augustus 2006 en 10 november 2006 hebben invallen plaatsgevonden door het Openbaar Ministerie van de Russische Federatie en de politie op de kantoren en in het woonhuis van de Russische advocaten van Yukos Capital, [naam 8] en [naam 9] , althans in de woning van de vader van laatstgenoemde. Daarbij is al het materiaal dat de advocaten voorhanden hadden betreffende Yukos Capital en FPH (inclusief de voor de procedures vereiste volmachten) in beslag genomen, zonder dat kopieën of zelfs maar een proces-verbaal werden achtergelaten. Daarnaast is gedreigd de echtgenoot van [naam 8] strafrechtelijk te vervolgen en is [naam 8] ondervraagd over de aan Yukos Capital verleende bijstand. Dit alles geschiedde zonder dat ten aanzien van [naam 8] sprake was van een strafrechtelijke verdenking, zo heeft mr. Van Dijk desgevraagd bij gelegenheid van het pleidooi op 5 september 2018 namens Promneftstroy verklaard. De mondelinge behandeling van het hoger beroep tegen de afwijzing van de eerste vordering tot erkenning van de vordering van Yukos Capital geschiedde ten gevolge van dit alles dan ook buiten aanwezigheid van Yukos Capital en haar advocaat, zoals blijkt uit de brief van [naam 8] aan Yukos Capital van 17 augustus 2006, waarin zij schrijft:

“Due to effected search from [advocatenkantoor] Law Office have been taken ALL the documents received from you and a power of attorney issued by you on 24.04.2006 which is necessary for participation in the court hearings nominated in the 9th Court of Appeal on 23.08.2006.

(…)

In view of the above please be informed that in the coming court hearings while considering the appeal we will have to:

1. Inform the court that due to the search in the premises of [advocatenkantoor] Law Office under the Principal from the Lawyers have been taken all the documents received from the principal: loan agreements and other documents in copies notary attested and apostilled as well as the original of the power of attorney. And in this connection the Lawyers have no possibility to represent the above mentioned documents in the court hearings”.

Vervolgens is de hoger-beroepprocedure van Yukos Capital tegen de uitspraak van 19 juli 2006 geschorst totdat in een bepaalde strafzaak een in kracht van gewijsde gegane uitspraak zou zijn gedaan, aangezien de uitkomst van die strafzaak van belang werd geacht voor de beoordeling van de vordering van Yukos Capital (zie 2.22). Een strafzaak (waarin is geoordeeld over de (on)geldigheid van de leningen van Yukos Capital aan Yukos Oil) heeft echter nooit plaatsgevonden en de geschorste procedure is niet meer hervat. In het hoger beroep van Yukos Capital is derhalve nooit een inhoudelijke uitspraak gedaan.

4.26.3.

Yukos Capital heeft op 6 oktober 2006 een tweede verzoek (ditmaal in het faillissement van Yukos Oil) gedaan tot erkenning van haar vorderingen uit hoofde van de geldleningen. Deze zaak is in eerste aanleg behandeld op 27 november 2006 buiten aanwezigheid van Yukos Capital en haar advocaat en zonder dat de verweren van de overige procespartijen tegen erkenning aan Yukos Capital kenbaar waren gemaakt. Bij beslissing van 4 december 2006 van de Moscow Arbitrazh Court (rechter [naam 10] ) is het verzoek afgewezen, wederom met de overweging dat de vorderingen niet opeisbaar waren en dat het geleende geld in werkelijkheid toebehoorde aan Yukos Oil.

4.26.4.

In het door Yukos Capital ingestelde hoger beroep is bij beslissing van 22 februari 2007 (zie 2.25) de uitspraak van 4 december 2006 bekrachtigd. Ook het hoger beroep is behandeld buiten aanwezigheid van Yukos Capital en haar advocaat en zonder dat het standpunt van de wederpartij aan Yukos Capital bekend was gemaakt.

4.26.5.

Het cassatieberoep van Yukos Capital tegen de uitspraak van 22 februari 2007 is op verzoek van de curator van Yukos Oil bij uitspraak van de Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region van 31 mei 2007 (zie 2.26) geschorst in afwachting van de uitkomst van twee door de curator gestarte procedures tot ongeldigverklaring van de leningen van Yukos Capital. Door het beëindigen van het faillissement van Yukos Oil is in de procedures tot ongeldigverklaring van de leningen nooit uitspraak gedaan. Daardoor is ook in het cassatieberoep tegen de uitspraak van 22 februari 2007, waarbij de uitspraak van 4 december 2006 is bekrachtigd, nooit een einduitspraak gedaan. Een negatieve declaratoire beslissing (zoals de uitspraak van 4 december 2006, inhoudende dat de vorderingen van Yukos Capital niet worden toegelaten tot de lijst van schuldeisers in het faillissement) komt pas voor erkenning in aanmerking (in die zin dat daaraan in een Nederlandse procedure het gevolg wordt verbonden dat de vordering wordt afgewezen) als daarover met gezag van gewijsde is beslist. Door de schorsing en het (als gevolg van beëindiging van het faillissement) niet meer hervatten van de renvooiprocedure is dat stadium niet bereikt. Het is onaanvaardbaar om in een dergelijk geval door oneigenlijke erkenning toch (in feite) gezag van gewijsde toe te kennen aan de beslissing van 22 februari 2007.

4.26.6.

De rechtbank acht ook de gang van zaken rondom de renvooibeslissingen ten aanzien van FPH van betekenis voor haar beoordeling. FPH is door de Ninth Arbitrazh Court of Appeal bij uitspraak van 4 december 2007 (zie 2.37) niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen de (volgens haar voortijdige) beëindiging van het faillissement van Yukos Oil, omdat niet geappelleerd kan worden tegen een beslissing tot beëindiging van een faillissement indien de schuldenaar volgens de wettelijke regels is geliquideerd. (“Whereas the debtor has been liquidated in the manner prescribed by law, the ruling that has finalised the bankruptcy proceedings against the debtor pursuant to Article 149 of the Federal Law On Insolvency (Bankruptcy) cannot be appealed”). Op dat moment was in de renvooiprocedure van FPH echter nog geen einduitspraak gedaan; de procedure bij de Russian Federation Supreme Arbitrazh Court, die eindigde met de uitspraak van 19 december 2007 (zie 2.31), was immers nog niet voltooid. Het faillissement van Yukos Oil is derhalve beëindigd terwijl nog niet op het verzoek tot herziening van de renvooibeslissing inzake FPH was beslist.

4.26.7.

Het cassatieberoep van FPH tegen de beslissing van 4 december 2007 (zie 2.37) is op 22 april 2008 door de Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region niet-ontvankelijk verklaard met als overweging:

“In light of the foregoing, the court of cassation instance is unable to evaluate the arguments of the appeal in cassation on their merits and is obligated to discontinue proceedings initiated by the appeal in cassation lodged by Glendale Group Limited because the imperative provision of Clause 5, Part 1, Article 150 of the Arbitrazh Procedure Code of the Russian Federation rules out the possibility of continued examination of the case (appeal in cassation) once the debtor company involved in the proceedings has been liquidated.

Given such circumstances, the proceedings initiated by the appeal in cassation lodged by Glendale Group Limited on 14 March 2008 must be discontinued.”

Het resultaat hiervan is dat het faillissement van Yukos Oil kon worden (en is) beëindigd (als gevolg waarvan zij ophield te bestaan), voordat op het verzoek tot herziening van de renvooibeslissing inzake FPH was beslist.

4.26.8.

Bij uitspraak van 4 december 2006 (zie 2.24) van de Moscow Arbitrazh Court (rechter [naam 10] ) is bepaald dat de vorderingen van FPH niet voor toelating in het faillissement in aanmerking komen om drie redenen:

1. FPH heeft niet aangetoond dat [naam 1] bevoegd was tot ondertekening van de orderbriefjes;

2. de orderbriefjes zijn (in strijd met het in artikel 22 van de statuten van Yukos Oil) niet door twee personen ondertekend;

3. FPH heeft niet aangetoond dat zij rechtmatig houder is van de orderbriefjes.

De mondelinge behandeling van het verzoek om erkenning van FPH vond plaats op 27 november 2006 buiten aanwezigheid van FPH en haar advocaat en zonder dat de verweren van de curator aan FPH bekend waren gemaakt. Aan het gerecht was kenbaar gemaakt dat haar advocaat [naam 8] als gevolg van op haar uitgeoefende druk en inbeslagneming van dossierstukken en volmachten niet in staat was bijstand te verlenen aan FPH.

4.26.9.

[naam 11] , vanaf januari 2005 het hoofd juridische zaken van Yukos Oil, heeft daarover in zijn schriftelijke verklaring van 2 augustus 2018 het volgende verklaard:

“53. I note that paragraphs 138 and 139 of the YC Statement of Reply refer to the decision of the Moscow Arbitrazh Court to proceed with the hearing on 27 November 2006, despite having been notified by Yukos Capital that it would be unrepresented due to the improper pressure being placed on its counsel.

(…)

The application explained clearly that (i) pressure was being put on Yukos Capital’s legal counsel through searches of their offices and home as well as interrogations and (ii) the authorities’ seizure of documents meant that [advocatenkantoor] was unable to properly represent Yukos Capital’s interests, and that Yukos Capital was moreover precluded from engaging new legal counsel without the relevant documents for its case.”

4.26.10.

De volgens [naam 11] door de advocaat van Yukos Capital in november 2006 aan de Moscow Arbitrazh Court verzonden brief, waarin gemeld wordt dat geen advocaat zal verschijnen, luidt voor zover thans van belang als volgt:

“4. However, we believe that pressure is being put upon the said lawyers of the

Company through investigators of the General Office of the Public Prosecutor of the Russian Federation, who carry out searches in the [advocatenkantoor] Law Bureau offices, in the lawyer’s living quarters, and try to interrogate them on issues of rendering the legal assistance to the Company.

5. Documents, which were connected with rendering legal assistance to the Company,

were taken away from the [advocatenkantoor] Law Bureau lawyers in the course of investigation activities As a result, the lawyers cannot represent the Company’s interests in this affair in a proper way, and the Company, having no relevant documents, cannot engage other representatives.

6. Thus, the Company is practically deprived of possibility to get a qualified legal

assistance and to have the procedural representatives in this affair.

7. In view of the aforesaid reasons, having no possibility to ensure participation of its

representatives at the court session on November 27, 2006, the Company has to request that the Moscow Arbitration Court considers the Company’s Application relating to inclusion of its claims into the register of claims filed by creditors of OAO NK YUKOS in absence of the

Company’s representatives”.

4.26.11.

Promneftstroy betwist de juistheid van de verklaring van [naam 11] (en de als bijlage 12 aan zijn verklaring gehechte brief van de advocaat van Yukos Capital), onder meer door erop te wijzen dat [naam 11] niet uit eigen waarneming kan verklaren, omdat hij al op 5 april 2006 naar het Verenigd Koninkrijk is geëmigreerd en dat hij niet verklaart hoe hij zijn kennis betreffende de gebeurtenissen in de Russische Federatie heeft verkregen. Bovendien ontbreken grote delen van de door hem overgelegde stukken, evenals het origineel van de brief van november 2006. Voorts is het volgens Promneftstroy opvallend dat andere advocaten ( [naam 12] en [naam 9] ) hun bijstand aan Yukos Capital en FPH wel hebben voortgezet.

4.26.12.

De rechtbank is van oordeel dat de betwisting door Promneftstroy van de verklaring van [naam 11] onvoldoende specifiek is. Uit de verklaring van [naam 11] blijkt immers dat hij vanaf juli 1997 werkzaam was bij de juridische afdeling van Yukos (en vanaf januari 2005 als hoofd juridische zaken). Hij heeft uit eigen waarneming verklaard hoe de Russische autoriteiten vanaf 2004 het Yukos Oil en haar dochtervennootschappen, waaronder Yukos Capital, haar juridische afdeling en haar advocaten door invallen, verhoren, inbeslagnemingen en opsluiting moeilijk en uiteindelijk zelfs onmogelijk maakten om verweer te voeren in de fiscale geschillen. [naam 11] stelt in zijn verklaring dat advocaten van het Yukos-concern zijn gedwongen om in verhoren vertrouwelijke informatie over hun cliënten prijs te geven aan de autoriteiten. Nadat in de zomer van 2004 de woning en het kantoor van het toenmalige hoofd juridische zaken van Yukos Oil, [naam 13] , waren doorzocht, zag deze zich gedwongen naar het Verenigd Koninkrijk uit te wijken. Toen het [naam 13] niet lukte om vanuit het Verenigd Koninkrijk leiding te geven aan de juridische afdeling van Yukos Oil heeft mevrouw [naam 14] , zijn plaatsvervanger, de positie van [naam 13] overgenomen. Binnen een maand na haar aantreden werd zij gearresteerd en uiteindelijk veroordeeld tot 7 jaar gevangenisstraf. Vanaf januari 2005 heeft [naam 11] de positie van [naam 13] en [naam 14] overgenomen als hoofd juridische zaken van Yukos Oil. In maart 2006, rond de tijd dat de insolventieprocedure van Yukos Oil werd gestart, is [naam 11] gedurende vier dagen ondervraagd door de Russische autoriteiten over transacties uit de jaren 2000 – 2002 waar hij niets van afwist. [naam 11] verklaart dat hij vermoedt dat het de bedoeling was om hem af te houden van zijn juridische werkzaamheden. Op 1 april 2006 werd de heer [naam 15] , die Yukos Oil in 2003 verlaten had, aangesteld als executive vice president van Yukos Oil, teneinde het bedrijf behulpzaam te zijn bij het voeren van verweer in de insolventieprocedure. Op 6 april 2006 werd [naam 15] echter gearresteerd en verdween hij voor jaren in de gevangenis. De arrestatie van [naam 15] vond plaats toen [naam 11] voor overleg in Londen was en was aanleiding voor laatstgenoemde om niet meer terug te keren naar de Russische Federatie. Hoewel [naam 11] dus vanaf april 2006 in Londen verbleef, bleef hij verantwoordelijk voor de aansturing van de juristen van Yukos Oil en de advocaten (zoals [naam 8] en [naam 9] ) in de Russische Federatie en hield hij toezicht op de vele juridische procedures waarbij het Yukos-concern betrokken was. Daarmee is dan ook verklaard hoe [naam 11] ook na april 2006 aan zijn gedetailleerde kennis betreffende de behandeling van Yukos Oil, haar medewerkers en advocaten komt. Het verweer van Promneftstroy dat de verklaring van [naam 11] niet geloofwaardig is omdat hij ten tijde van de gebeurtenissen waarover hij verklaart buiten de Russische Federatie verbleef is dan ook te summier en overtuigt niet. Ook het verweer dat onderdelen van de door [naam 11] overgelegde bijlagen zijn zwartgemaakt wordt niet gevolgd. Zonder toelichting is niet goed te begrijpen waarom de wel leesbare gedeelten niet of minder overtuigend zouden zijn. Daarmee staat vast dat Yukos Capital en FPH als gevolg van grove intimidatie van hun juristen en advocaten langere tijd van juridische bijstand en advies verstoken zijn geweest. Het gevolg daarvan was dat het geschil betreffende de erkenning van de vorderingen van Yukos Capital en FPH in feitelijke instanties is behandeld zonder dat zij afdoende juridische bijstand hadden (en zonder dat zij op de hoogte waren van de verweren van de curator en de overige schuldeisers).

4.26.13.

Het hoger beroep tegen de beslissing van 4 december 2006 is bij beslissing van 12 maart 2007 (zie 2.29) verworpen. De mondelinge behandeling van het hoger beroep vond wederom plaats zonder dat FPH op de hoogte was gesteld van de verweren van de curator en schuldeisers en bij afwezigheid van FPH en haar advocaat, blijkens het vonnis in appel:

The appellant, being duly informed of the time and place of the appeal

consideration, did not send its representative. to the appellate court. Under such circumstances, the court believes it possible to consider the case in the absence of a

representative of Glendale Group Limited pursuant to the procedure set forth in Articles 123 and 156 of the RF Arbitrazh Procedure Code.”

4.26.14.

De beslissing van 12 maart 2007 is in cassatie bij beslissing van de Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region van 25 juli 2007 (zie 2.30) bekrachtigd. FPH werd blijkens het vonnis toen wel bijgestaan door een advocaat, te weten [naam 12] . De cassatierechter overwoog, voor zover van belang:

“The arguments contained in the cassation complaint concerning the incorrect application of the bill of exchange law by the judges is for the most part well-grounded.”

Toch werden de beslissingen bekrachtigd op de hiervoor in 4.26.8 onder 1 vermelde grond. De hierop betrekking hebbende overweging luidt: “The court of cassation does not have the right to prejudge issues of the reliability or unreliability of evidence that was already assessed by the lower court or court of appeals”.

De omstandigheid dat FPH noch haar advocaten als gevolg van de intimidaties van overheidswege in beide feitelijke instanties ter zitting waren verschenen (en evenmin in kennis waren gesteld van de verweren van de wederpartijen) kreeg daarmee dus blijvende gevolgen.

de beslissingen in de Russische renvooiprocedures - conclusie

4.26.15.

Het beeld dat uit de processtukken oprijst over de procedures die door of tegen Yukos Oil, Yukos Capital en FPH zijn gevoerd is het volgende. De advocaten van Yukos Capital en FPH zijn door intimidatie van de zijde van de Russische overheid in de vorm van doorzoekingen op hun kantoor en in hun woningen, door inbeslagnemingen van dossiers en (proces)volmachten en door ondervragingen over hun cliënten actief tegengewerkt bij het geldend maken van de vorderingen van hun cliënten. De negatieve gevolgen daarvan voor Yukos Capital en FPH hebben zich verder uitgestrekt dan tot de procedures waarin Yukos Capital en FPH niet ter zitting zijn verschenen en geen bijstand hebben gehad van een advocaat. Promneftstroy heeft onvoldoende weersproken dat als gevolg van de afwezigheid van de advocaten in feitelijke instanties een debat over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [naam 1] niet heeft kunnen plaatsvinden. De relevantie hiervan blijkt uit het feit dat de overige bezwaren tegen niet-erkenning van de vordering van FPH gegrond (“well-grounded”) waren volgens de Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region. De gerechten die betrokken waren bij de door Yukos Capital en FPH gevoerde procedures hebben vervolgens nagelaten om de door het optreden van de Russische overheid verstoorde balans te herstellen. Zij hebben niet voorkomen dat de door Yukos Capital aanhangig gemaakte renvooiprocedure door toedoen van de curator of anderszins blijvend is geschorst, waardoor nooit een definitief oordeel is verkregen over haar renvooivorderingen. FPH werd niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen de beëindiging van het faillissement van Yukos Oil in feite omdat de vereffening al was voltooid (“Whereas the debtor has been liquidated in the manner prescribed by law, the ruling that has finalised the bankruptcy proceedings (…) cannot be appealed”), hoewel op het verzoek tot herziening van de renvooibeslissing(en) van FPH nog niet was beslist. De tegenwerking en het ontbreken van een effectieve remedie daartegen blijkt voorts uit het gegeven dat het verzoek van FPH om teruggave van de door haar gedeponeerde orderbriefjes werd geweigerd met een zodanig onbegrijpelijke redenering dat deze niet anders kan worden verklaard dan door een gebrek aan onafhankelijkheid. De overweging luidt: “Laws of the Russian Federation currently in effect do not prohibit releasing the originals of documents from case files. However, in light of the considerable nominal value of the promissory notes, the court is unable to send the originals of the promissory notes by post to the British Virgin Islands. According to Part 1 of Article 65 of the RF Arbitrazh Procedure Code, every person/entity involved in case proceedings must prove the circumstances cited by this person/entity as grounds for its claims or objections. In light of this, the motion of Glendale Group Limited cannot be granted)”. Er werd immers geen verweer gevoerd tegen teruggave van de orderbriefjes, zodat niet valt in te zien waarom FPH onvoldoende heeft aangevoerd om teruggave van de door haar gedeponeerde orderbriefjes te rechtvaardigen.

4.26.16.

De hiervoor gesignaleerde gebreken in de procedures van Yukos Capital en FPH passen in een groter geheel van deels eerder vastgestelde en deels in dit geding onvoldoende weersproken onregelmatigheden in procedures betreffende Yukos-vennootschappen binnen en buiten de Russische Federatie; dat laatste betreft bijvoorbeeld Armenië. De gang van zaken rond de aanloop naar en de totstandkoming van het faillissement van Yukos Oil is een in het oog springend voorbeeld. Ook het onder druk zetten van rechters in Rusland ( [naam 16] : “I am under a pressure beyond compare. Ministry people were out to influence me for a verdict as I was considering one of the many ministry suits against the Yukos-to redress a miserly two thousand roubles.”) of zelfs Armenië ( [naam 17] , die onder ede heeft verklaard dat een door hem op 23 februari 2011 uitgesproken vonnis niet door hemzelf is geschreven, maar hem is aangereikt op een USB-stick door een rechter van het Armeense Hof van Cassatie) om een voor de staat of een staatsbedrijf gunstig vonnis te verkrijgen, tonen aan dat in procedures betreffende aan Yukos Oil gelieerde vennootschappen en personen, een eerlijk proces geen vanzelfsprekendheid was. In verklaringen van voormalige rechtbankmedewerkers [naam 18] en [naam 19] is beschreven hoe ook rechter [naam 20] , die de strafzaak van [naam 21] behandelde, het door hem gewezen vonnis niet zelf schreef maar van hogerhand aangereikt kreeg en hoe rechters werden beloond of bestraft, al naar gelang hun uitspraak de machthebbers (senior officials) beviel of niet. Het is de rechtbank bekend dat rechter [naam 20] deze gang van zaken heeft ontkend, maar uit een verklaring van 20 mei 2008 van de toenmalige president van de Russische Federatie [naam 22] blijkt dat dit gebrek aan onafhankelijkheid indertijd ook binnen de Russische Federatie als een breed en serieus probleem werd gezien:

“Our main objective is to achieve independence for the judicial system. It is a well-known principle that courts must be subject to the law, and, indeed, this is the basis of respect for justice and for the belief in its fairness. This is our basic task and it is hugely important. To move in this direction, we need to consider a range of issues associated with preparing a series of measures aimed at eliminating the miscarriage of justice. As we all know, when justice fails it often does so because of pressure of various kinds, such as surreptitious phone calls and money – there is no point in beating around the bush”.

4.26.17.

In het rapport van 21 december 2011 van de Presidentiële Raad, ingesteld door toenmalig president [naam 22] naar aanleiding van het tweede strafproces tegen [naam 21] , is fundamentele kritiek geuit op de wijze waarop die procedure is gevoerd.

Een aantal leden van de Presidentiële Raad werd vervolgens onderworpen aan doorzoekingen in kantoren en woningen, inbeslagnemingen en ondervragingen. Als gevolg van deze, als intimiderend ervaren, behandeling heeft één Russisch lid van de Presidentiële Raad ( [naam 23] ) zich gedwongen gezien de Russische Federatie te verlaten, terwijl een ander lid ( [naam 24] ) de Russische Federatie niet meer in durft te reizen.

4.26.18.

De omstandigheid dat ook Yukos Oil zich (bijvoorbeeld door spionage) zou hebben schuldig gemaakt aan schending van in het EHRM gewaarborgde rechten, kan Promneftstroy niet baten. Voor zover dat al zou kunnen worden vastgesteld, heeft te gelden dat het handelen en nalaten van een overheid niet op één lijn kan worden gesteld met dat van andere rechtssubjecten indien het gaat om inachtneming van grondrechten zoals dat op een eerlijk proces. Anders gezegd: het recht op een eerlijk proces is absoluut en laat zich niet relativeren door het handelen van een in rechte betrokken rechtssubject en al helemaal niet door dat van een niet (meer) betrokken rechtssubject (zoals Yukos Oil).

4.26.19.

De slotsom is dan ook dat de renvooibeslissingen niet voor erkenning op de voet van artikel 431 Rv in aanmerking komen, ten eerste gelet op hetgeen hiervoor in 4.25 is overwogen en ten tweede omdat niet is komen vast te staan dat de renvooibeslissingen tot stand zijn gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging. Daarom zullen de vorderingen van Yukos Capital hierna inhoudelijk worden beoordeeld.

leningsovereenkomsten geldig tot stand gekomen?

4.27.

Promneftstroy heeft aangevoerd dat de leningsovereenkomsten niet geldig tot stand zijn gekomen omdat Yukos Oil bij het aangaan van de leningsovereenkomsten niet rechtsgeldig vertegenwoordigd was aangezien de statuten van Yukos Oil voor dergelijke transacties twee handtekeningen vereisen, namelijk van de President en de Financial Director dan wel personen die door hen gevolmachtigd zijn.

4.28.

Promneftstroy betoogt terecht dat de vraag naar de rechtsgeldigheid van de vertegenwoordiging van Yukos Oil wordt beheerst door het recht van de Russische Federatie (zie artikel 10:119 sub c BW en artikel 1 lid 2 sub f EVO).

4.29.

De rechtbank volgt het verweer van Promneftstroy niet. Vast staat dat de leningsovereenkomst van 2 december 2003 is ondertekend door [naam 1] , destijds hoofd van de afdeling Treasury van Yukos Oil. In de overeenkomst is vermeld dat [naam 1] handelde krachtens twee volmachten, te weten de volmachten met nummers 219/02 en 19c-782 die door Yukos Capital zijn overgelegd. Uit deze volmachten blijkt dat [naam 1] door zowel de President als de Chief Financial Officer van Yukos Oil was gevolmachtigd. Daarom is voldaan aan de statutaire bepalingen en was Yukos Oil rechtsgeldig vertegenwoordigd bij het aangaan van deze leningsovereenkomst.

4.30.

De leningsovereenkomst van 19 augustus 2004 is ondertekend door [naam 2] , destijds Chief Financial Officer van Yukos Oil. In de leningsovereenkomst is vermeld dat hij tevens handelde krachtens een volmacht met nummer Y-23/04. Promneftstroy heeft de rechtsgeldigheid van deze volmacht niet betwist. Derhalve was Yukos Oil ook ten aanzien van deze leningsovereenkomst rechtsgeldig vertegenwoordigd.

4.31.

De beide addenda bij de leningsovereenkomsten zijn ondertekend door [naam 3] , destijds President van Yukos Oil. Yukos Capital heeft terecht betoogd dat de addenda enkel zien op het wijzigen van de rechtskeuze en de wijze van geschilbeslechting. Zij hebben dus geen betrekking op transacties betreffende eigendom of gelden van Yukos Oil, zodat de statutaire bepalingen waarop Promneftstroy zich beroept niet van toepassing zijn. Ook van de addenda kan dus niet worden vastgesteld dat zij onbevoegd zijn aangegaan en op die grond niet geldig zouden zijn.

afdwingbaarheid leningsovereenkomsten

4.32.

Promneftstroy heeft verder aangevoerd dat de leningsovereenkomsten naar New Yorks recht niet afdwingbaar zijn vanwege strijd met Russisch recht. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de leningsovereenkomsten kwalificeren als nietige mock en sham transacties in de zin van artikel 170 RBW. Naar New Yorks recht kan een contract dat in strijd is met het recht van de plaats van uitvoering (lees: Russisch recht) niet worden afgedwongen, aldus Promneftstroy.

4.33.

Naar het oordeel van de rechtbank miskent Promneftstroy met dit betoog dat het New Yorks internationaal privaatrecht niet van toepassing is (zie 4.8). De Nederlandse rechter zal met inachtneming van zijn eigen Nederlands internationaal privaatrecht (in dit geval artikel 7 lid 1 EVO) moeten beoordelen of aan bepalingen van Russisch recht gevolg kan worden toegekend. Eventuele strijdigheid met Russisch recht kan dus niet via de band van het op de vorderingen toepasselijke materiële News Yorks recht tot de conclusie leiden dat de leningsovereenkomsten niet afdwingbaar zijn.

4.34.

Voor zover Promneftstroy met dit verweer tevens een beroep heeft willen doen op artikel 7 lid 1 EVO overweegt de rechtbank als volgt. Uit dit artikel volgt dat de Nederlandse rechter bij de toepassing van het op de vorderingen toepasselijke New Yorkse recht gevolg kan toekennen aan bijzondere dwingende bepalingen van het recht van een ander land waarmee het geval nauw verbonden is (lees: Russisch recht), indien en voor zover deze bepalingen volgens Russisch recht toepasselijk zijn, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst. Het gaat dan om zogenaamde voorrangsregels. Promneftstroy heeft evenwel niet toegelicht dat de betreffende bepalingen uit het Russisch Burgerlijk Wetboek moeten worden gekwalificeerd als voorrangsregels in de zin van artikel 7 lid 1 EVO.

leningsovereenkomsten nietig?

4.35.

Nu de geldigheid van de leningsovereenkomsten wordt beheerst door New Yorks recht (zie 4.7) gaat de rechtbank voorbij aan de stellingen van Promneftstroy over (ver)nietig(baar)heid van de leningsovereenkomsten naar Nederlands, Engels dan wel Russisch recht.

4.36.

Promneftstroy stelt dat de leningsovereenkomsten naar New Yorks recht nietig zijn wegens strijd met de openbare orde dan wel wegens het illegale doel of de verbondenheid met een illegale constructie. Bij gebreke van voor dit geval relevante bepalingen van New Yorks recht over de verdeling van de bewijslast (laatste volzin van artikel 14 EVO) is het Nederlandse bewijsrecht van toepassing is (zie 4.7). Niet in geschil is dat er tussen Yukos Oil en Yukos Capital onderhandse akten zijn opgemaakt waarvan de inhoud kwalificeert als op zichzelf toelaatbare leningsovereenkomsten (zie 2.4 en 2.5). Nu Promneftstroy (die zelf geen partij is bij deze overeenkomsten) zich beroept op de rechtsgevolgen van nietigheid van deze rechtshandelingen, rust overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv op Promneftstroy de stelplicht, en bij voldoende betwisting de bewijslast, van feiten waaruit het illegale doel of de verbondenheid met een illegale constructie blijkt, dan wel feiten die strijd met de openbare orde opleveren.

4.37.

Promneftstroy stelt in dit verband dat de leningsovereenkomsten ertoe strekken geld wit te wassen dan wel witwasgedragingen vormen. De stellingen van Promneftstroy komen er samengevat op neer dat Yukos Oil jarenlang winstbelasting heeft ontdoken door gebruik te maken van onzelfstandige schijnvennootschappen in lage belastingregio’s in Rusland (zoals Fargoil en Yukos-M) die tegen onzakelijke prijzen olie inkochten bij de olieproductievennootschappen binnen het concern om deze vervolgens tegen marktprijzen door te verkopen aan marktpartijen. Omdat de daarmee gerealiseerde miljardenwinsten ‘op papier’ werden behaald door de schijnvennootschappen, die onderworpen waren aan een lager belastingtarief, werd daarover te weinig winstbelasting betaald. De zwarte opbrengsten van die belastingontduiking werden via dividenduitkeringen en andere geldstromen naar diverse buitenlandse groepsvennootschappen geleid teneinde deze gelden wit te wassen en uiteindelijk weer ten goede te laten komen aan Yukos Oil (althans haar uiteindelijke aandeelhouders) ten nadele van de Russische fiscus en de minderheidsaandeelhouders van de olieproductievennootschappen. Volgens Promneftstroy maken de onderhavige leningsovereenkomsten een onlosmakelijk onderdeel uit van deze ‘witwas-carrousel’.

4.38.

Yukos Capital betwist dat Yukos Oil winstbelasting heeft ontdoken. Zij voert aan dat de handelsvennootschappen aan alle voorwaarden voldeden om gebruik te maken van de belastingvoordelen in de regio’s. Bij de olieverkopen binnen het concern zijn de regels voor transfer pricing correct toegepast en de Russische belastingautoriteiten waren volledig op de hoogte van de concernstructuur van Yukos Oil inclusief de handelsvennootschappen, aldus Yukos Capital. Ook indien Yukos Oil te weinig winstbelasting zou hebben betaald, geldt dat de naheffingsaanslagen fiscale correcties zijn en dat daarmee nog geen sprake is van strafbare belastingfraude, terwijl evenmin een ander misdrijf is aangetoond. Bij gebreke van een gronddelict kan geen sprake zijn van witwassen. Verder betwist Yukos Capital de illegale herkomst van de door haar aan Yukos Oil uitgeleende gelden.

4.39.

De rechtbank overweegt dat vast staat dat aan Yukos Oil naheffingsaanslagen zijn opgelegd ter zake winstbelasting en btw. Wat betreft de naheffingsaanslagen ter zake btw maakt de rechtbank het oordeel van het gerechtshof Amsterdam van 9 mei 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:1695, r.o. 4.28 tot en met 4.38.3) tot het hare op de in die uitspraak genoemde gronden. Dat betekent dat de naheffingsaanslagen ter zake btw ten onrechte zijn opgelegd. In deze procedure kan in het midden blijven of de aanslagen ter zake winstbelasting terecht zijn opgelegd. Met het opleggen van de naheffingsaanslagen ter zake winstbelasting staat nog niet vast dat Yukos Oil een misdrijf heeft begaan als bedoeld in artikel 199 van het Russische Wetboek van Strafrecht of anderszins. Yukos Oil is in Rusland niet strafrechtelijk vervolgd of veroordeeld voor winstbelastingfraude. Promneftstroy verwijst naar de strafrechtelijke veroordelingen van [naam 21] en [naam 25] (indirect aandeelhouders van Yukos Oil) in twee strafprocedures in Rusland. Het eerste strafvonnis is in deze procedure niet overgelegd. Uit de uitspraak van het EHRM van 25 juli 2013 (zaaknummers 11082/06 en 137772/05) inzake [naam 21] en [naam 25] /Rusland maakt de rechtbank op dat aan hen in eerste instantie fraude en verduistering in verband met de privatisering van Apatit (een niet aan Yukos Oil gerelateerde entiteit) ten laste is gelegd. De tenlastelegging is later aangevuld maar Promneftstroy heeft onvoldoende toegelicht dat deze aanvullingen betrekking hebben op de door haar gestelde winstbelastingfraude en de naheffingsaanslagen die in deze procedure aan de orde zijn. Het tweede strafvonnis betreft evenmin een veroordeling voor winstbelastingfraude (maar voor het stelen of verduisteren en witwassen van olie).

Promneftstroy heeft voorts onvoldoende toegelicht dat de door haar gestelde benadeling van minderheidsaandeelhouders van (zo begrijpt de rechtbank) de olieproductiemaatschappijen, (naar Russisch recht) kwalificeert als een misdrijf. Ook de algemene stellingen van Promneftstroy over andere misdrijven (omkoping van ambtenaren bij de verkrijging van de voormalige staatsonderneming Yukos Oil, betrokkenheid bij geweldsmisdrijven van de ‘veiligheidsdienst’ van Yukos Oil en dividendbelastingfraude) zijn onvoldoende uitgewerkt, laat staan dat duidelijk is gemaakt welke illegale opbrengsten Yukos Oil uit deze misdrijven zou hebben verkregen.

4.40.

Ook indien echter wordt aangenomen dat Yukos Oil winstbelastingfraude heeft gepleegd, betekent dat niet dat al het vermogen binnen het hele Yukos Oil-concern van misdrijf afkomstig is. Alleen het vermogen waarover Yukos Oil de beschikking heeft gekregen doordat belasting is ontdoken, geldt immers als van misdrijf afkomstig. Vast staat dat binnen het concern olie is geproduceerd die uiteindelijk is verkocht aan marktpartijen. Ook indien over de verkoopopbrengst van olie te weinig winstbelasting is afgedragen, brengt dat niet mee dat die gehele verkoopopbrengst zwart geld betreft of afkomstig is van belastingfraude.

Gelet op hetgeen hiervoor in 4.36 is overwogen, dient Promneftstroy derhalve een concreet verband te leggen tussen zwarte gelden van Yukos Oil en de gelden die onder de leningsovereenkomsten door Yukos Capital aan Yukos Oil zijn uitgeleend. Bij gebreke daarvan kunnen de leningsovereenkomsten immers niet worden aangemerkt als witwashandelingen. Promneftstroy heeft op dit punt, gelet op de gemotiveerde en met stukken onderbouwde betwisting door Yukos Capital, niet aan haar stelplicht voldaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.41.

Tussen partijen is niet in geschil dat Yukos Capital de gelden die zij onder de leningsovereenkomst van december 2003 aan Yukos Oil heeft uitgeleend, zelf heeft ingeleend bij Brittany Assets Limited (hierna: Brittany). Brittany was gevestigd op de Britse Maagdeneilanden en was indirect een volledige dochtervennootschap van Yukos Oil. Yukos Capital heeft de achterliggende leningsovereenkomst tussen haar en Brittany van 20 november 2003 overgelegd. Promneftstroy heeft niet weersproken dat de tekst daarvan kwalificeert als een gebruikelijke back-to-back-leningsovereenkomst. Volgens Yukos Capital waren de gelden van Brittany waaruit de lening is verstrekt afkomstig uit gebruikelijke inkomsten uit eigen investeringen, treasury activiteiten en Russische en buitenlandse handelswinsten. Promneftstroy heeft daartegenover niet specifiek onderbouwd dat de gelden die Brittany heeft uitgeleend aan Yukos Capital afkomstig zijn uit zwarte gelden van Yukos Oil. De algemene stelling van Promneftstroy dat Brittany dividend ontving van Brill, die weer dividend ontving van Moonstone, die weer dividend ontving van Nassaubridge, die weer dividend ontving van de handelsvennootschap Fargoil, is daartoe niet voldoende. Gesteld noch gebleken is immers dat al deze vennootschappen geen legale inkomsten hadden, terwijl gelet op de verkoop van geproduceerde olie aan marktpartijen (zie 4.40) bovendien vast staat dat ook Fargoil zelf legale inkomsten had. Ook de verklaringen van [naam 26] en [naam 27] zien niet specifiek op de herkomst van de gelden die Brittany heeft uitgeleend aan Yukos Capital.

4.42.

Niet in geschil is dat Yukos Capital de gelden die zij onder de leningsovereenkomst van augustus 2004 aan Yukos Oil heeft uitgeleend, heeft ingeleend via een (door Yukos Capital in deze procedure overgelegde) back-to-back-leningsovereenkomst tussen haar en Hedgerow Limited (hierna: Hedgerow) van 18 augustus 2004. Hedgerow was gevestigd op Cyprus en was indirect een volledige dochtervennootschap van Yukos Oil. Yukos Capital voert aan dat de gelden van Hedgerow waaruit de lening is verstrekt afkomstig waren uit de verkoopopbrengst van een aandelenbelang dat Hedgerow had in Rospan Overseas Limited (hierna: Rospan), een vennootschap actief in de gas- en olieindustrie. Deze verkoop ontstond doordat de andere aandeelhouder Rizben Enterprises Limited, een vennootschap binnen het olieconcern TNK-BP, een call-optie uitoefende ter verkrijging van die aandelen. Ter onderbouwing verwijst Yukos Capital naar notulen van de bestuursvergadering van Yukos Oil van 19 augustus 2004, waarin is vermeld:

“ [naam 2] informed the members of the Board of Directors that YUKOS Oil Company OJSC would be taking out a loan from YUKOS Capital S.a.r.l., which in turn would receive these funds from a company that had sold its stake in the gas company ROSPAN. YUKOS Capital would provide this amount as a loan to YUKOS Oil Company OJSC, which would then transfer these monies to the state to settle part of its tax debt for the year 2000”.

Yukos Capital verwijst ook naar een (door Promneftstroy overgelegde) brief van augustus 2004 van [naam 13] , bedrijfsjurist van Yukos Oil, waarin is vermeld dat de deurwaarder belast met executie van de Russische naheffingsaanslagen had geïnformeerd naar een aandelenbelang van Yukos Oil in Rospan. In de brief is vermeld dat Hedgerow haar belang in Rospan zal verkopen aan Rizben en dat de opbrengst daarvan uiteindelijk zal worden aangewend om de belastingautoriteiten te betalen. Yukos Capital wijst erop dat het niet voor de hand ligt dat Yukos Oil dit aan de Russische autoriteiten zou berichten indien inderdaad sprake zou zijn van witwashandelingen.

4.43.

Promneftstroy heeft deze gestelde herkomst van de gelden van Hedgerow niet weersproken. Promneftstroy heeft ook niet specifiek gesteld en evenmin is gebleken dat de verkoopopbrengst van de aandelen Rospan uit misdrijf (belastingfraude of anderszins) afkomstig was. Promneftstroy leidt uit de brief van [naam 13] weliswaar af dat de verkoopopbrengst van de aandelen Yukos Oils ‘eigen geld’ was, maar - wat daar ook van zij - dat levert geen feitelijke onderbouwing op van de illegale herkomst van déze gelden.

4.44.

Dat Promneftstroy - naar eigen zeggen - de herkomst van de gelden niet verder kán specificeren of onderbouwen doet aan het voorgaande niet af. Dat geldt immers ook voor Yukos Capital. De partij die de stelplicht en bewijslast heeft, draagt nu eenmaal ook het daaraan verbonden risico.

4.45.

Niet in geschil is dat de leningsovereenkomsten zelf niet zijn aangegaan met het oogmerk om belasting te ontduiken. De door Promneftstroy aangehaalde jurisprudentie die betrekking heeft op overeenkomsten die zijn aangegaan teneinde belasting te ontduiken, behoeft derhalve geen behandeling.

4.46.

Promneftstroy stelt verder dat de leningsovereenkomsten integraal onderdeel uitmaken van ‘a fraudulent scheme’ jegens schuldeisers (waaronder de Russische belastingdienst). Zij beroept zich in dit verband op Section 4(a) van de Uniform Fraudulent Transfer Act (1984), die deel uitmaakt van New Yorks recht, en waarin is bepaald:

“A transfer made or obligation incurred by a debtor is fraudulent as to a creditor, if the debtor made the transfer or incurred the obligation (1) with actual intent to hinder, delay or defraud any creditor of the debtor.”

Yukos Capital voert daartegenover aan dat Promneftstroy niet heeft onderbouwd dat is voldaan aan deze bepaling.

4.47.

Zoals reeds uit deze bepaling zelf volgt, strekt deze ter bescherming van schuldeisers van de schuldenaar (Yukos Oil) die de verplichting is aangegaan. Promneftstroy miskent dat Yukos Oil zelf (in tegenstelling tot haar schuldeisers) geen beroep toekomt op deze bepaling. Promneftstroy, die de verweren tegen de vorderingen kan voeren die Yukos Oil had kunnen voeren, komt derhalve evenmin een beroep op deze bepaling toe.

4.48.

Promneftstroy heeft verder nog een beroep gedaan op strijd van de leningsovereenkomsten met de Nederlandse openbare orde, maar voor toetsing aan de Nederlandse openbare orde is slechts plaats in de context van artikel 16 EVO (zie 4.7). Gesteld noch gebleken is dat de toepassing van een bepaling van New Yorks recht kennelijk onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde (artikel 16 EVO).

fusie

4.49.

Promneftstroy betwist dat de vordering is overgegaan bij de fusie van Yukos Capital S.à.r.l. en Yukos Capital Limited.

4.50.

De rechtbank overweegt dat de fusie van Yukos Capital S.à.r.l. en Yukos Capital Limited heeft plaatsgevonden tijdens de onderhavige procedure. Na de rolbeslissing van 12 juli 2018 heeft Promneftstroy zich niet meer tegen de partijwissel verzet. Promneftstroy heeft voorts erkend dat het vermogen van Yukos Capital S.à.r.l. als gevolg van de fusie onder algemene titel is overgegaan naar Yukos Capital S.à.r.l. Op zichzelf is niet uitgesloten dat Yukos Capital S.à.r.l. (die is opgegaan in Yukos Capital Limited en dus zelf geen vermogensbestanddelen kan hebben behouden) de vordering na aanvang van de onderhavige procedure en vóór de fusie heeft overgedragen aan een derde. Het is echter aan Promneftstroy om voldoende gemotiveerd te stellen dat dit laatste het geval is geweest. Promneftstroy heeft dit nagelaten. Zij heeft aldus niet voldaan aan haar stelplicht. Aan dit verweer wordt daarom voorbijgegaan.

schending goede procesorde en artikel 21 Rv

4.51.

Promneftstroy stelt dat binnen het Yukos-concern sprake was van spionagepraktijken die ook na het faillissement van Yukos Oil door bestuurders en managers zijn voortgezet. In deze en andere procedures zijn interne e-mails van Promneftstroy overgelegd die slechts op illegale wijze kunnen zijn verkregen. Dit levert een schending van de goede procesorde op die rechtstreeks tot afwijzing van de vorderingen of niet-ontvankelijkverklaring van Yukos Capital dient te leiden. Subsidiair dienen de producties 125 tot en met 139 van Yukos Capital als onrechtmatig verkregen materiaal, gelet op het bewuste en systematische karakter van de opdrachten tot het illegaal en onrechtmatig verkrijgen ervan, buiten beschouwing te worden gelaten, aldus steeds Promneftstroy.

Yukos Capital weerspreekt deze beschuldiging. Volgens haar is het betreffende materiaal beschikbaar gekomen nadat Renaissance Capital eind 2012 een wijziging in haar aandeelhoudersstructuur onderging.

4.52.

De vraag of het Yukos-concern en/of haar bestuurders en managers zich in het algemeen bedienden van spionagepraktijken hoeft hier niet te worden beantwoord. Mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door Yukos Capital is niet komen vast te staan dat in deze procedure stukken zijn overgelegd die op illegale wijze zijn verkregen. Overigens zijn de door Promneftstroy genoemde producties voor de beoordeling van de vorderingen niet relevant, zodat bewijsuitsluiting reeds om die reden niet aan de orde is.

4.53.

Promneftstroy heeft aangevoerd dat Yukos Capital in de inleidende dagvaarding artikel 21 Rv heeft geschonden omdat (i) zij in strijd met de waarheid heeft vermeld dat haar niet is gebleken van enig verweer van Yukos Oil en (ii) zij ten onrechte niet heeft vermeld dat over dezelfde vordering op dat moment al een arbitrage onder het Energy Charter Treaty aanhangig was gemaakt. Volgens Promneftstroy zou dit moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring c.q. afwijzing van de vorderingen. De rechtbank overweegt dat van schending van artikel 21 Rv in de inleidende dagvaarding geen sprake is. Yukos Capital heeft in paragraaf 7 van de dagvaarding vermeld dat zij haar vordering op Yukos Oil had ingediend bij de Russische curator in het faillissement van Yukos Oil maar dat de curator de vordering niet heeft erkend, en dat ook de rechtbank in Moskou erkenning van de vordering in het faillissement heeft geweigerd. Verder heeft Yukos Capital terecht opgemerkt dat de hiervoor bedoelde arbitrage ten tijde van de inleidende dagvaarding nog niet aanhangig was.

conclusie vorderingen

4.54.

De vorderingen uit hoofde van de leningsovereenkomsten zijn gelet op het voorgaande toewijsbaar. Promneftstroy heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de toewijsbaarheid van de rente. De gevorderde verklaring voor recht (zie 3.1 onder (ii)) is daarom ook toewijsbaar.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015 en het desbetreffende verweer van Promneftstroy tegen dit onderdeel van de vordering, dient Yukos Capital in haar hiervoor onder 3.1 onder (i) weergegeven vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

In het midden kan blijven of Promneftstroy heeft te gelden als verkrijger van de aandelen. Nu het conservatoir beslag reeds was gelegd ten tijde van die (eventuele) verkrijging, kan Yukos Capital op de beslagen aandelen verhaal nemen voor de vorderingen. Ook de daarop betrekking hebbende verklaring voor recht (zie 3.1 onder (iii)) is derhalve toewijsbaar.

uitvoerbaarverklaring bij voorraad/zekerheidstelling

4.55.

Promneftstroy heeft verzocht het onderhavige vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, aangezien tussentijdse executie van dit vonnis een niet terugdraaibare verkoop van de aandelen betekent en dus een reëel restitutierisico zal doen ontstaan. Voor zover het vonnis toch uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, verzoekt Promneftstroy daaraan op de voet van artikel 233 lid 3 Rv de voorwaarde te verbinden dat Yukos Capital zekerheid stelt door middel van een bankgarantie van € 500.000.000,-.

4.56.

De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad heeft bepaald dat toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht een executoriale titel oplevert voor het verhaal op de beslagen aandelen (r.o. 3.5.7 van het arrest van 13 november 2015). Nu sprake is van een executoriale titel (om de executie te dulden, vgl. artikel 435 lid 3 Rv) is deze specifieke verklaring voor recht naar het oordeel van de rechtbank vatbaar voor uitvoerbaar bij voorraad verklaring. De rechtbank ziet geen reden om aan de beslissing uitvoerbaarheid bij voorraad te onthouden. In het normale geval dat de beslaglegger (Yukos Capital) de eis in de hoofdzaak tegen de beslagene/beslagdebiteur (Yukos Oil) zou hebben kunnen instellen, zou toewijzing van de vordering uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard met de motivering dat Yukos Capital er recht op en belang bij heeft het aanzienlijke aan haar verschuldigde bedrag daadwerkelijk te ontvangen. De rechtbank ziet in de enkele omstandigheid dat Yukos Oil - buiten toedoen van Yukos Capital - heeft opgehouden te bestaan geen reden om in dit geval (nu de eis in de hoofdzaak is vervolgd tegen de derde-verkrijger van de beslagen aandelen) anders te oordelen over de uitvoerbaarheid bij voorraad.

4.57.

Ook het verzoek om zekerheidstelling zal worden afgewezen. Verkoop van de inbeslaggenomen aandelen kan bovendien eerst plaatsvinden nadat daartoe verlof van deze rechtbank is verkregen (artikel 704 in samenhang met artikel 474g Rv). In die procedure kan eventueel als voorwaarde zekerheidsstelling worden bevolen, waarbij – gezien de te verwachten datum waarop de Hoge Raad uitspraak zal doen – mogelijk ook rekening kan worden gehouden met de uitkomst van de Halloween-procedure.

proceskosten

4.58.

Promneftstroy zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Yukos Capital, voor zover deze zijn gemaakt in de procedure tegen Promneftstroy (dus vanaf de akte wijziging van eis van 30 december 2015). De kosten worden begroot op € 15.424,00 (4 punten van tarief VIII ad € 3.856,00). De explootkosten van de dagvaarding en het griffierecht blijven voor rekening van Yukos Capital nu deze kosten (evenals de beslagkosten) reeds waren gemaakt voordat de procedure werd vervolgd tegen Promneftstroy.

4.59.

De nakosten en de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen zoals hierna, in de beslissing, zal worden vermeld.

in de tussenkomst

4.60.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.54 is overwogen, heeft Promneftstroy haar hiervoor onder 3.3 weergegeven primaire vordering onder (i) op zichzelf terecht ingesteld, maar heeft zij daarbij geen belang meer. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld, zullen ook de hiervoor onder 3.3 weergegeven primaire vorderingen onder (ii) en (iii) en de aldaar weergegeven subsidiaire vordering worden afgewezen.

4.61.

Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten in de tussenkomst worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in reconventie

4.62.

Nu in conventie is geoordeeld dat de vorderingen waarvoor het beslag is gelegd toewijsbaar zijn, is voor opheffing van het conservatoir beslag geen plaats. In het midden kan blijven of Yukos Capital in haar beslagrekest artikel 21 Rv heeft geschonden. Ook indien dat zo zou zijn, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. In de omstandigheden van dit geval is niet waarschijnlijk dat het beslagverlof niet zou zijn verleend indien de gegevens zouden zijn vermeld die Promneftstroy in het beslagrekest mist, zodat opheffing van het beslag de rechtbank niet geraden voorkomt.

4.63.

De vordering in reconventie zal derhalve worden afgewezen. Promneftstroy zal worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie, aan de zijde van Yukos Capital tot op heden begroot op € 3.856,00 (factor 0,5 x 2 punten van tarief VIII ad € 3.856,00).

4.64.

De nakosten en de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen zoals hierna, in het dictum, zal worden vermeld.

5 De beoordeling in de incidenten

5.1.

Het schorsingsincident is hiervoor onder 3.13 reeds afgedaan. Het bevoegdheidsincident is hiervoor onder 4.1 tot en met 4.5 reeds afgedaan.

5.2.

De in hoofdstuk 5 van de incidentele conclusie van 16 maart 2016 van Promneftstroy vermelde bescheiden zijn de volgende:

a. volledig zichtbare afschriften van gepubliceerde en niet gepubliceerde ongeconsolideerde en geconsolideerde jaarstukken van Yukos Capital vanaf 2003 tot en met 16 maart 2016;

b. volledig zichtbare afschriften van gepubliceerde en niet gepubliceerde ongeconsolideerde jaarstukken van Yukos Oil vanaf 2003 tot aan faillissement, zoals die zijn opgesteld (i) onder de Russische accountancyregels en (ii) onder de generally accepted accounting principles (GAAP);

c. volledig zichtbare afschriften van bankafschriften van Yukos Capital met betrekking tot de betaling van de Yukos Capital leningen aan Yukos Oil en de financiering hiervan met aan Yukos Capital ‘back-to-back’ door andere leden van de Yukos Oil groep geleende en betaalde bedragen;

d. volledig zichtbare afschriften van alle leningsovereenkomsten waarin de gestelde Yukos Capital leningen aan Yukos Oil als de te financieren sublening worden aangemerkt en waarin de voorwaarden staan inzake de terugbetaling ervan;

e. alle vergunningen en aanvragen daartoe die door de Russische Centrale Bank en/of andere overheidsinstellingen zijn verstrekt en die verband houden met de litigieuze Yukos Capital leningen;

f. Het volledige procesdossier van de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 19 juli 2016 en de daartegen door Yukos Capital – tevergeefs – ingestelde beroepen.

g. Het volledige procesdossier van de tweede renvooiprocedure.

h. De volledige procesdossiers van de Russische zaken met zaaknummers A40-24173/07-88-97 en A40-24172/07-88-96.

De rechtbank roept in herinnering (zie hiervoor onder 3.10) dat Promneftstroy haar eis heeft vermeerderd.

5.3.

De in hoofdstuk 4 van de incidentele conclusie van 3 mei 2017 van Promneftstroy vermelde bescheiden zijn de volgende:

a. Documenten waaruit blijkt tegen welke partij Promneftstroy procedeert.

b. Bewijs van een rechtsgeldige overgang van de litigieuze leningen, zoals een overeenkomst tussen Yukos Capital en de vennootschap waarop de litigieuze leningen zijn overgegaan en een document waarin mededeling van de crediteurwisseling wordt gedaan aan de leningnemer;

c. De akte van fusie of andere documenten waaruit blijkt in welke vennootschap Yukos Capital beweerdelijk is gefuseerd en waar deze vennootschap is gevestigd.

d. Documenten waaruit blijkt wie de bestuurders en aandeelhouders zijn van de vennootschap waarin Yukos Capital is gefuseerd, zoals een aandeelhoudersovereenkomst, statuten, aandeelhoudersregister, bestuurdersregister, aanstellingsbesluiten van de bestuurders, ongeconsolideerde en geconsolideerde jaarstukken vanaf 2015 tot en met 3 mei 2017, notulen van bestuursvergaderingen, notulen van aandeelhoudersvergaderingen.

e. Bewijs dat de vennootschap waarin Yukos Capital is gefuseerd tot de Yukos Finance Groep behoort.

5.4.

De rechtbank is met Yukos Capital van oordeel dat de vermeerdering van eis (zie hiervoor onder 5.2, slot) in strijd is met de eisen van een goede procesorde en daarom buiten beschouwing moet worden gelaten. De onderhavige procedure heeft jarenlang geduurd. Vele en zeer omvangrijke processtukken en dito producties zijn ingediend. Daarin zijn, naar moet worden aangenomen, alle redelijkerwijs in aanmerking komende argumenten naar voren gebracht. Niet aanvaardbaar is dat tijdens de afrondende pleidooien het zoeklicht dan nog eens wordt gericht op een niet eerder genoemde procedure die volgens Promneftstroy zelf reeds enkele jaren geleden is afgerond. Promneftstroy licht ook niet voldoende concreet toe waarom zij die procedure niet eerder kon aankaarten. De enkele opmerking dat zij hiermee pas recent bekend is geworden is daarvoor onvoldoende.

5.5.

Met betrekking tot de overige hiervoor onder 5.2 vermelde bescheiden overweegt de rechtbank als volgt. Aan Promneftstroy kan worden toegegeven dat het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015 haar in een bijzondere processuele positie heeft geplaatst. Daar staat tegenover dat Promneftstroy reeds in haar eerste processtuk, de van 4 maart 2009 daterende incidentele conclusie tot tussenkomst ex artikel 217 Rv, naar voren heeft gebracht dat zij “stellig van mening” was dat de vordering van Yukos Capital op Yukos Oil niet bestond. Promneftstroy heeft die mening vervolgens gehandhaafd en met argumenten en producties toegelicht en onderbouwd. In die zin is de positie van Promneftstroy door het arrest van de Hoge Raad niet wezenlijk veranderd. Er is dan ook geen aanleiding om Promneftstroy in het kader van het onderhavige incident bijzondere aanspraken toe te kennen. Een deel van de door Promneftstroy verlangde bescheiden is in het voorgaande reeds behandeld en afgedaan. Voor het overige weerlegt Promneftstroy niet voldoende het verweer van Yukos Capital dat zij (van de verlangde bescheiden) alle haar ter beschikking staande bescheiden in het geding heeft gebracht. Promneftstroy maakt voorts, tegenover de gemotiveerde betwisting van Yukos Capital, niet voldoende duidelijk welk rechtmatig belang zij heeft bij de volgens haar nog ontbrekende bescheiden. De vordering zal worden afgewezen.

5.6.

Met betrekking tot de hiervoor onder 5.3 vermelde bescheiden verwijst de rechtbank naar de rolbeslissing van 12 juli 2018 en naar hetgeen hiervoor onder 4.49 en 4.50 is overwogen over de fusie. Promneftstroy maakt, tegenover de gemotiveerde betwisting van Yukos Capital, niet voldoende duidelijk welk rechtmatig belang zij thans nog heeft bij de volgens haar nog ontbrekende bescheiden. De vordering zal worden afgewezen.

5.7.

In het incident strekkende tot het stellen van zekerheid door Yukos Capital dient nog te worden beslist over de proceskosten; zie hiervoor onder 3.9. Promneftstroy weerlegt niet voldoende het verweer van Yukos Capital dat dit incident onnodig was omdat zij, Yukos Capital, van de aanvang af bereid was tot het stellen van de door Promneftstroy verlangde zekerheid (en daartoe ook daadwerkelijk is overgegaan).

5.8.

Promneftstroy zal, als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld zowel in de kosten van het in 2016 door haar geopende incident als in de kosten van het in 2017 door haar geopende incident, tot dit vonnis aan de zijde van Yukos Capital in beide gevallen begroot op EUR 543,00. De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals hierna, in de beslissing, zal worden vermeld.

6 De beslissing

De rechtbank:

in de incidenten

6.1.

wijst de incidentele vorderingen van Promneftstroy af,

6.2.

veroordeelt Promneftstroy in de proceskosten van de incidenten, aan de zijde van Yukos Capital begroot op EUR 1.086,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

in conventie

6.3.

verklaart Yukos Capital niet-ontvankelijk in haar rechtsvordering jegens Yukos Oil,

6.4.

verklaart voor recht dat de vordering van Yukos Capital uit de leningsovereenkomsten zoals omschreven in paragraaf 4 van de dagvaarding tot betaling van USD 355.000.000 plus RUB 79.301.105.902 aan hoofdsom, vermeerderd met de overeengekomen rente en boeterente zoals gespecificeerd in paragraaf 10 van de dagvaarding, toewijsbaar is,

6.5.

verklaart voor recht dat Yukos Capital ter voldoening van haar vordering omschreven in 6.4 van dit dictum verhaal kan nemen op de door haar beslagen aandelen in Yukos Finance,

6.6.

veroordeelt Promneftstroy in de proceskosten, aan de zijde van Yukos Capital tot op heden begroot op € 15.424,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de veertiende dag na de datum van dit vonnis,

in reconventie

6.7.

wijst de vordering af,

6.8.

veroordeelt Promneftstroy in de proceskosten, aan de zijde van Yukos Capital tot op heden begroot op € 3.856,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

in de tussenkomst

6.9.

wijst de vorderingen af,

6.10.

compenseert de kosten van het geding in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt,

in conventie, in reconventie en in de incidenten

6.11.

veroordeelt Promneftstroy in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 246,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Promneftstroy niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten vanaf veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

6.12.

verklaart dit vonnis wat betreft 6.2, 6.4, 6.5, 6.6, 6.8 en 6.11 uitvoerbaar bij voorraad,

6.13.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, mr. C. Bakker en mr. M.E.M. James-Pater, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2018.