Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:864

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
13/751408-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

overlevering Duitsland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751408-17

RK-nummer: 17/3836

Datum uitspraak: 13 februari 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 juni 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 21 april 2017 door de Hoofdofficier van Justitie van het Staatsanwaltschaft Aachen (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres

[adres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 januari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. Th. Boumans, advocaat te Heerlen.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van 6 april 2017 uitgevaardigd door het Ambtsgericht Aachen (dossiernummer 620 Gs 493/17).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Onschuldverweer

De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd voor de feiten 1 en 8, voor zover die feiten betrekking hebben op gedragingen ten aanzien van respectievelijk “XTC-tabletten” en “ecstasy-tabletten”, nu de vermeende verdovende middelen nooit zijn onderzocht.

Voor zover de raadsman heeft beoogd hiermee een bewijsverweer te voeren, geldt dat een dergelijk bewijsverweer in de Duitse strafprocedure aan de hand van het strafdossier, waarover de rechtbank gelet op de aard van de overleveringsprocedure niet beschikt, zal moeten worden beoordeeld, door de Duitse strafrechter. De enkele stelling dat de verdovende middelen niet zijn onderzocht, is onvoldoende om het verweer te doen slagen. Het verweer kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De officier van justitie van het Staatsanwaltschaft Aachen heeft op 27 juni 2017 de volgende garantie gegeven:

“Er wordt verzekerd, dat de vervolgde persoon voor het geval van een rechtsgeldige veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van de geldige versie van de kaderbeslissing 2008/909/JI van de raad van 27.11.2008 over de toepassing van het principe van de wederzijdse erkenning van oordelen in strafzaken, waardoor een de vrijheid ontnemende straf of maatregel wordt opgelegd, voor het doeleinde van de executie in de Europese Unie (ambtelijk blad L 327 van 05.12.2008, pagina 27) voor de verdere strafexecutie naar Nederland wordt overgebracht.”

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

Zoals reeds eerder overwogen, heeft de raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd voor de feiten 1 en 8, voor zover die feiten betrekking hebben op gedragingen ten aanzien van respectievelijk “XTC-tabletten” en “ecstasy-tabletten”, nu de tabletten nooit zijn aangetroffen en er daarom geen onderzoek naar de samenstelling van de tabletten kon worden gedaan.

Voor zover de raadsman hiermee het verweer heeft willen voeren dat niet kan worden vastgesteld dat de feiten 1 en 8 ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren, zodat er ten aanzien van deze feiten niet is voldaan aan het vereiste van artikel 6, eerste lid, OLW, verwerpt de rechtbank dit verweer.

Uit de inleiding van de omschrijving van de feiten in het EAB onder rubriek e) blijkt dat de opgeëiste persoon tussen 25 mei en 1 juli 2015 heeft gehandeld in verdovende middelen, te weten amfetamine, marihuana, hasj en MDMA. Hij leverde de verdovende middelen aan een medeverdachte, [medeverdachte] , die er op zijn beurt voor zorgde dat de middelen naar Duitsland werden gebracht. De opgeëiste persoon was hiervan op de hoogte.

Ten aanzien van feit 1 heeft de Duitse justitiële autoriteit aangegeven dat de opgeëiste persoon op 25 mei 2015 in [plaats] een liter amfetamine-olie en 200 XTC-tabletten zou hebben geleverd aan de medeverdachte. Feit 8 betreft de levering op 23 juni 2015 in Nederland van drie kilogram amfetamine, 200 gram hasj en 100 ecstasy-tabletten aan de medeverdachte.

De rechtbank beziet de levering van de XTC-/ecstasy-tabletten in het licht van de algemene verdenking dat de opgeëiste persoon een ‘aanzienlijke handel’ in onder meer MDMA dreef. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat de XTC- en ecstasytabletten MDMA bevatten.

De rechtbank acht bij haar oordeel van belang dat bij de negen feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, nergens over ‘MDMA’ wordt gerept. Bovendien is in de brief van 27 juni 2017 onder II vermeld dat er bij gerechten in de Bondsrepubliek Duitsland regelmatig van wordt uitgegaan, dat XTC-tabletten of MDMA of MDA bevatten. Derhalve kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat met de handel in MDMA de handel in de XTC- en ecstasytabletten is bedoeld.

De onder 4 bedoelde feiten zijn derhalve inderdaad alle naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Aan de bovengenoemde voorwaarde is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    het strafrechtelijk onderzoek is in Duitsland aangevangen;

  • -

    de bewijsmiddelen bevinden zich op Duits grondgebied;

  • -

    de medeverdachten worden in Duitsland vervolgd;

  • -

    de verdovende middelen waren bestemd voor de Duitse markt.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Duitse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Niet zou zijn gebleken dat de verzochte overlevering aan de Duitse autoriteiten en de verdere vervolging in Duitsland de voorkeur verdienen, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat uit de stukken niet blijkt dat de opgeëiste persoon actief op Duits grondgebied heeft gehandeld.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

8. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 6, 7, 13 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Hoofdofficier van Justitie van het Staatsanwaltschaft Aachen ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. J. Edgar en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 februari 2018.

.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]