Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8618

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-12-2018
Datum publicatie
05-12-2018
Zaaknummer
C/13/415603 / HA ZA 08-3565
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Amsterdam heeft opnieuw over de boedel van Yukos Oil Company (YOC) geoordeeld: twee “kleindochterondernemingen” van de failliete Russische oliemaatschappij mogen grote geldvorderingen (46 miljard roebel en 335 miljoen dollar plus 79 miljard roebel – omgerekend in totaal circa 2 miljard euro) op YOC incasseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/415603 / HA ZA 08-3565

Vonnis van 5 december 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FINANCIAL PERFORMANCE HOLDINGS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

als rechtsopvolgster onder algemene titel van de rechtspersoon naar buitenlands recht Glendale Group Limited,

eiseres in conventie in de hoofdzaak, verweerster in reconventie in de hoofdzaak, verweerster tegen de door OOO Promneftstroy als tussenkomende partij ingestelde vorderingen, verweerster in de incidenten,

advocaat eerst mr. P.C. Veerman, vervolgens mr. A.W. Brantjes, thans mr. E.R. Meerdink te Amsterdam,

tegen

de voormalige rechtspersoon naar buitenlands recht

OAO YUKOS OIL COMPANY,

voorheen gevestigd te Moskou (Russische Federatie),

oorspronkelijk gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

en

de rechtspersoon naar buitenlands recht

OOO PROMNEFTSTROY,

gevestigd te Moskou (Russische Federatie),

verweerster in conventie in de hoofdzaak ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015, eiseres in reconventie in de hoofdzaak, tussenkomende partij, eiseres in de incidenten,

advocaat eerst mr. D.J. Oranje, thans mr. J.F. Ouwehand te Amsterdam.

Financial Performance Holdings B.V. zal hierna FPH worden genoemd, waarmee ook haar rechtsvoorgangster Glendale Group Limited wordt bedoeld. Glendale Group Limited zal hierna in voorkomend geval ook Glendale worden genoemd. OAO Yukos Oil Company zal hierna Yukos Oil worden genoemd. OOO Promneftstroy zal hierna Promneftstroy worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 januari 2008, van Glendale,

  • -

    de akte overleggen producties van 4 februari 2009, met producties, van Glendale,

  • -

    het vonnis in incident van 9 juni 2010, waarin het Promneftstroy is toegestaan om tussen te komen, en de daarin vermelde stukken,

  • -

    het vonnis in incident van 9 november 2011, waarin de vordering van Promneftstroy tot het overleggen van stukken is afgewezen, en de daarin vermelde stukken,

  • -

    het vonnis in incident van 4 juli 2012, waarin primair de exceptie van onbevoegdheid ex artikel 10 juncto 767 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van Promneftstroy en subsidiair de vordering van Promneftstroy tot niet-ontvankelijkverklaring van Glendale is afgewezen, en de daarin vermelde stukken,

  • -

    het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2014, waarin het vonnis in incident van 4 juli 2012 is bekrachtigd,

  • -

    het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015, waarin het cassatieberoep van Promneftstroy tegen het arrest van 13 mei 2014 is verworpen,

  • -

    de akte wijziging van eis van 30 december 2015, met producties, van Glendale,

  • -

    de antwoordakte van 13 januari 2016 op akte wijziging van eis tevens houdende verzoek tot (i) aanhouding en (ii) een ruime termijn voor inhoudelijk verweer, met producties, van Promneftstroy,

  • -

    de antwoordakte van 27 januari 2016 op verzoek tot aanhouding en een ruime termijn voor inhoudelijk verweer, van Glendale,

  • -

    de rolbeslissing van 10 februari 2016, waarin het verzoek is afgewezen,

  • -

    de incidentele conclusie van 16 maart 2016 strekkende tot schorsing van het geding, tevens voorwaardelijk incidentele conclusies tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv resp. tot exhibitie ex artikel 85, 162, 22 en 843a Rv, met tevens verzoek om uitstel voor conclusie van antwoord, met producties, van Promneftstroy,

  • -

    de conclusie van antwoord van 13 april 2016 in de incidenten strekkende tot schorsing van het geding, tevens voorwaardelijke incidenten tot zekerheidstelling ex artikel 224, tot exhibitie ex artikel 85, 162, 22 en 843a Rv, en het verzoek om uitstel voor conclusie van antwoord, met producties, van Glendale,

  • -

    de rolbeslissing van 4 mei 2016, waarin is geoordeeld dat op de incidentele vorderingen, behoudens de incidentele vordering tot zekerheidstelling, niet eerst en vooraf wordt beslist,

  • -

    de akte van 1 juni 2016 in verband met de rolbeslissing van 4 mei 2016 en verzoek tot heroverweging van de beslissing niet eerst en vooraf te beslissen op Promneftstroys incidenten, van Promneftstroy,

  • -

    de rolbeslissing van 15 juni 2016, waarin is vastgesteld dat het incident strekkende tot zekerheidstelling is afgedaan en dat FPH de rechtsopvolgster onder algemene titel van Glendale is, en waarin voorts is geoordeeld dat geen aanleiding bestaat terug te komen van de rolbeslissing van 4 mei 2016,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie van 27 juli 2016, met producties, van Promneftstroy,

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie van 28 december 2016, met producties, van FPH,

  • -

    het rolbericht van 27 december 2016 van FPH, luidende dat laatstgenoemde conclusie tevens heeft te gelden als conclusie van antwoord in de tussenkomst,

  • -

    de incidentele conclusie van 3 mei 2017 strekkende tot zekerheidstelling ex artikel 224 resp. tot exhibitie ex artikel 843a Rv, met tevens verzoek om uitstel voor conclusie van dupliek, met producties, van Promneftstroy,

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie van 17 mei 2017, met producties, van Promneftstroy,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident strekkende tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv resp. tot exhibitie ex artikel 843a Rv tevens conclusie van dupliek in reconventie van 28 juni 2017, van FPH,

  • -

    het proces-verbaal van de pleidooien, gehouden op 5 en 6 september 2018, en de daarin vermelde stukken,

  • -

    de brief van mr. Meerdink van 30 september 2018 en de brief van mr. Ouwehand van 1 oktober 2018, beide naar aanleiding van het proces-verbaal van de pleidooien, gehouden op 5 en 6 september 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

Heden wordt tevens vonnis gewezen in de zaak 419369 / HA ZA 09-449 van Yukos Capital Limited (hierna: Yukos Capital) als eiseres in conventie in de hoofdzaak/verweerster in reconventie in de hoofdzaak/verweerster tegen de door Promneftstroy als tussenkomende partij ingestelde vorderingen/verweerster in de incidenten tegen Yukos Oil als oorspronkelijk gedaagde in de hoofdzaak en Promneftstroy als verweerster in conventie in de hoofdzaak ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015/eiseres in reconventie in de hoofdzaak/tussenkomende partij/eiseres in de incidenten. Partijen hebben bij de pleidooien, gehouden op 5 en 6 september 2018, desgevraagd verklaard dat al hetgeen is aangevoerd in die zaak ook geacht moet worden te zijn aangevoerd in deze zaak.

1.4.

De in dit vonnis in het Engels gestelde citaten van oorspronkelijk in het Russisch gestelde stukken zijn afkomstig uit door Glendale/FPH en/of Promneftstroy in het geding gebrachte vertalingen.

2 De feiten in de hoofdzaak en in de incidenten

Het Yukos-concern

2.1.

De rechtspersoon naar Russisch recht Yukos Oil was, tezamen met haar directe en indirecte dochtervennootschappen, een van de grootste oliebedrijven in de Russische Federatie.

2.2.

Tot het Yukos-concern (zijnde Yukos Oil en haar directe en indirecte dochtervennootschappen) behoorden productievennootschappen, zoals OOO Yuganskneftegaz, die in de Russische Federatie olie produceerden. De productievennootschappen verkochten de olie aan eveneens tot het Yukos-concern behorende handelsvennootschappen, zoals OOO Fargoil (hierna: Fargoil) en ZAO Yukos-M (hierna: Yukos-M), die de olie op hun beurt aan marktpartijen verkochten. Daarbij trad Yukos Oil, die als enige toegang had tot het oliepijplijnnetwerk, (naar eigen zeggen) op als agent. De handelsvennootschappen waren gevestigd in Russische lage-belastingregio’s en betaalden over de door hen met de verkoop van olie behaalde winst lokale winstbelasting conform het lage belastingtarief in de regio’s waar zij gevestigd waren.

2.3.

Glendale en Yukos Capital waren indirecte dochtervennootschappen van Yukos Oil.

De promissory notes

2.4.

Op 12 en 15 maart 2004 hebben respectievelijk Quera Finance S.A. en Argenta Business Management Ltd., twee tot het Yukos-concern behorende vennootschappen, koopovereenkomsten gesloten met Glendale, op grond waarvan Glendale in totaal 74 promissory notes (orderbriefjes) van hen heeft gekocht en geleverd gekregen. De op grond van de gesloten koopovereenkomsten verschuldigde koopprijs is in maart 2004 betaald. De orderbriefjes betreffen door Yukos Oil in 2003 aan Fargoil respectievelijk Yukos-M uitgegeven orderbriefjes. Alle orderbriefjes zijn na uitgifte in blanco geëndosseerd door Fargoil respectievelijk Yukos-M. De orderbriefjes bevatten de handtekening van [naam hoofd afdeling] (hierna: [naam hoofd afdeling] ) namens Yukos Oil. [naam hoofd afdeling] was destijds hoofd van de afdeling Treasury van Yukos Oil.

De Russische belastingheffing en –invordering

2.5.

In en na 2003 heeft de Russische belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat Yukos Oil zich stelselmatig en op grote schaal onttrok aan de reguliere belastingheffing in de Russische Federatie. Dit heeft geleid tot belastingaanslagen, naheffingen en boetes, en vervolgens ook tot freezing orders, als gevolg waarvan de activa van Yukos Oil werden bevroren.

2.6.

Volgens de Russische belastingautoriteiten waren de in lage-belastingregio’s gevestigde handelsvennootschappen behorend tot het Yukos-concern schijnvennootschappen. Yukos Oil moest volgens de Russische belastingautoriteiten, kort gezegd, als de actual owner van de olie en dus als de belastingplichtige ter zake van de met de verkoop daarvan gerealiseerde winst worden beschouwd. Zij stelden zich op het standpunt dat sprake was van schijntransacties tussen de productievennootschappen en de handelsvennootschappen tegen kunstmatig lage prijzen.

2.7.

Yukos Oil heeft bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) geklaagd over verzuimen in de procedures ter vaststelling van haar belastingschuld voor het fiscale jaar 2000 en over de illegaliteit en disproportionaliteit van de belastingaanslagen over 2000-2003 en de invordering daarvan.

2.8.

In de uitspraak van 20 september 2011 (14902/04) heeft het EHRM een deel van de klachten gegrond verklaard en het overige deel verworpen. Het EHRM heeft bij uitspraak van 31 juli 2014 EUR 1,8 miljard aan schadevergoeding aan de voormalige aandeelhouders van Yukos Oil toegekend.

Insolventieprocedure Yukos Oil

2.9.

Op 6 maart 2006 heeft een consortium van internationale banken bij de Moscow Arbitrazh Court een verzoek ingediend om ten aanzien van Yukos Oil de Russische insolventieprocedure te openen. Op 14 maart 2006 heeft het consortium haar vordering op Yukos Oil overgedragen aan OJSC Rosneft Oil Company (hierna: Rosneft).

Bij uitspraak van 28 maart 2006 heeft de Moscow Arbitrazh Court de zogeheten waarnemingsprocedure (supervision procedure) op Yukos Oil van toepassing verklaard, waarbij [naam waarnemer] (hierna: [naam waarnemer] ) als waarnemer (temporary receiver) werd benoemd.

2.10.

Bij uitspraak van 1 augustus 2006 heeft de Moscow Arbitrazh Court Yukos Oil in staat van faillissement (bankrupt) verklaard, met aanstelling van [naam waarnemer] tot curator (receiver).

Bij uitspraak van 26 september 2006 heeft de Ninth Arbitrazh Court of Appeal het hoger beroep van Yukos Oil tegen haar faillietverklaring afgewezen, onder meer omdat geen bewijs was overgelegd dat een procedure bij het EHRM aanhangig was gemaakt. Het hoger beroep is buiten aanwezigheid van Yukos Oil behandeld aangezien [naam waarnemer] de (proces)volmachten van de advocaten van Yukos Oil had ingetrokken, en Yukos Oil ook anderszins niet was vertegenwoordigd.

Renvooiprocedure Glendale

2.11.

Glendale heeft in een renvooiprocedure de Moscow Arbitrazh Court op 11 oktober 2006 verzocht haar vordering uit hoofde van de 74 orderbriefjes ter grootte van (in hoofdsom) RUB 46.294.208.319 toe te laten tot de lijst van schuldeisers in het faillissement van Yukos Oil. De curator en enkele andere schuldeisers hebben de vordering betwist. De zaak is ter zitting van 27 november 2006 buiten aanwezigheid van Glendale en haar advocaat behandeld. De advocaat van Glendale is voorafgaand aan de zitting niet in kennis gesteld van de (inhoud van de) verweren tegen de vordering.

2.12.

Bij uitspraak van 4 december 2006 heeft de Moscow Arbitrazh Court geweigerd de vordering van Glendale uit hoofde van de orderbriefjes toe te laten tot de lijst van schuldeisers.

2.13.

Bij uitspraak van 12 maart 2007 heeft de Ninth Arbitrazh Court of Appeal het hoger beroep van Glendale tegen de uitspraak van 4 december 2006 verworpen. In de uitspraak is onder meer vermeld dat namens Glendale geen vertegenwoordiger is verschenen in het geding:

“The appellant, being duly informed of the time and place of the appeal consideration, did not send its representative to the appellate court. Under such circumstances, the court believes it possible to consider the case in the absence of a representative of Glendale Group Limited pursuant to the procedure set forth in Articles 123 and 156 of the RF Arbitrazh Procedure Code”.

2.14.

Bij uitspraak van 25 juli 2007 heeft de Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region het beroep van Glendale tegen de uitspraak van 12 maart 2007 verworpen. In deze procedure is Glendale vertegenwoordigd door advocaat A.G. Morozov.

2.15.

Bij uitspraak van 19 december 2007 heeft de Russian Federation Supreme Arbitrazh Court het verzoek van Glendale om herziening van de uitspraken in de renvooiprocedure (review on a supervisory basis) afgewezen.

2.16.

Bij uitspraak van 10 januari 2012 heeft de Moscow Arbitrazh Court het verzoek van Glendale om teruggave van de in de renvooiprocedure gedeponeerde orderbriefjes afgewezen.

Renvooiprocedures Yukos Capital

2.17.

Yukos Capital heeft in een renvooiprocedure tijdens de zogeheten waarnemingsprocedure (zie 2.9) verzocht haar vordering uit leningsovereenkomsten toe te laten tot de lijst van schuldeisers. De waarnemer en enkele andere schuldeisers hebben de vordering betwist.

2.18.

Bij uitspraak van 19 juli 2006 heeft de Moscow Arbitrazh Court geweigerd de vordering van Yukos Capital uit hoofde van de leningsovereenkomsten toe te laten tot de lijst van schuldeisers in de waarnemingsprocedure. Yukos Capital heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Ninth Arbitrazh Court of Appeal. Bij uitspraak van de Ninth Arbitrazh Court of Appeal van 28 september 2006 is het hoger beroep geschorst in verband met een strafzaak die voor de beoordeling van belang werd geacht. Bij uitspraak van 20 juli 2007 heeft de Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region de behandeling van het cassatieberoep van Yukos Capital tegen de uitspraak van 28 september 2006 aangehouden wegens het ontbreken van volmachten en bewijzen van verzending aan andere procesdeelnemers.

2.19.

Yukos Capital heeft in een renvooiprocedure tijdens het faillissement opnieuw verzocht haar vordering uit leningsovereenkomsten toe te laten tot de lijst van schuldeisers. De zaak is ter zitting van 27 november 2006 buiten aanwezigheid van Yukos Capital en haar advocaat behandeld; de advocaat van Yukos Capital is voorafgaand aan de zitting niet in kennis gesteld van de (inhoud van de) verweren tegen de vordering.

2.20.

Bij uitspraak van 4 december 2006 heeft de Moscow Arbitrazh Court geweigerd de vordering van Yukos Capital uit hoofde van de leningsovereenkomsten toe te laten tot de lijst van schuldeisers.

2.21.

Bij uitspraak van 22 februari 2007 heeft de Ninth Arbitrazh Court of Appeal het hoger beroep van Yukos Capital tegen de uitspraak van 4 december 2006 verworpen.

2.22.

Yukos Capital heeft tegen de uitspraak van 22 februari 2007 op 10 april 2007 cassatieberoep ingesteld bij de Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region. Op 24 mei 2007 heeft de curator verzocht om schorsing van deze cassatieprocedure in verband met door hem aanhangig gemaakte procedures tot vernietiging van de leningsovereenkomsten op grond van het Russische equivalent van de Nederlandse faillissementspauliana (artikelen 19, 103 en 129 Russische Faillissementswet). De Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region heeft de cassatieprocedure bij uitspraak van 31 mei 2007 geschorst.

Het beslag op en de verkoop van de aandelen in Yukos Finance

2.23.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 13 augustus 2007 Glendale verlof verleend om ten laste van Yukos Oil conservatoir verhaalsbeslag te leggen op de door deze gehouden aandelen in het kapitaal van Yukos Finance B.V. te Amsterdam (hierna: Yukos Finance). Yukos Oil was de enige aandeelhouder van Yukos Finance.

2.24.

Op 14 augustus 2007 heeft Glendale voormeld beslag gelegd. Op 17 augustus 2007 heeft Glendale dit beslag overbetekend aan Yukos Oil (althans getracht dit te doen).

2.25.

Op 20 augustus 2007 heeft de curator de door Yukos Oil gehouden aandelen in Yukos Finance verkocht aan Promneftstroy, een consortium van investeerders waarvan Renaissance Capital deel uitmaakte. De tot levering van deze aandelen strekkende notariële akte is op 10 september 2007 verleden ten overstaan van een notaris te Amsterdam.

Beëindiging faillissement Yukos Oil

2.26.

Bij uitspraak van 15 november 2007 heeft de Moscow Arbitrazh Court beslist dat het faillissement van Yukos Oil is geëindigd. Die uitspraak is op 21 november 2007 ingeschreven in het Russische handelsregister. Als gevolg hiervan is Yukos Oil naar het toepasselijke Russische recht opgehouden te bestaan.

2.27.

Vóór de inschrijving van de uitspraak van 15 november 2007 in het handelsregister heeft Glendale hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Bij uitspraak van 4 december 2007 heeft de Ninth Arbitrazh Court of Appeal geoordeeld dat hoger beroep niet mogelijk was omdat Yukos Oil volgens de wettelijke regels was geliquideerd.

Het onderhavige geding

2.28.

Na een door Promneftstroy opgeworpen bevoegdheidsincident heeft de Hoge Raad in het arrest van 13 november 2015 geoordeeld dat Glendale in de gegeven omstandigheden haar eis in de hoofdzaak na het leggen van het conservatoire beslag had moeten instellen jegens Promneftstroy, als verkrijger van de aandelen in Yukos Finance en de enig overgebleven belanghebbende met betrekking tot de vraag of de vorderingen waarvoor beslag is gelegd toewijsbaar zijn. Kort gezegd heeft de Hoge Raad overwogen dat de beslaglegger Glendale vanaf het moment dat Yukos Oil is opgehouden te bestaan geen wederpartij meer heeft tegen wie de eis in de hoofdzaak kan worden ingesteld en dat het onaanvaardbaar zou zijn dat een beslaglegger met een onvoldane vordering die hij in beginsel kan verhalen op de beslagen goederen niet de mogelijkheid heeft om zijn recht te vervolgen, enkel als gevolg van het feit dat Yukos Oil is opgehouden te bestaan.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

FPH vordert na wijziging van eis dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Yukos Oil zal veroordelen tot betaling van een bedrag groot RUB 46.294.209.319 (in woorden: zesenveertig miljard tweehonderd vierennegentig miljoen tweehonderdnegen duizend driehonderdnegentien Russische roebel) of de tegenwaarde daarvan in USD, althans in EUR, inzake de orderbriefjes genoemd in de overeenkomsten van 12 en 15 maart 2004 en als vermeld in paragraaf 5 van de dagvaarding, te vermeerderen met de voor deze orderbriefjes geldende rente vanaf de vervaldatum tot aan de dag der algehele betaling;

  2. een verklaring voor recht zal geven dat de vordering van FPH uit de orderbriefjes genoemd in de overeenkomsten van 12 en 15 maart 2004 en als vermeld in paragraaf 5 van de dagvaarding tot betaling van RUB 46.294.209.319 of de tegenwaarde daarvan in USD, althans in EUR, te vermeerderen met de voor deze orderbriefjes geldende rente vanaf de vervaldatum tot aan de dag der algehele betaling, toewijsbaar is;

  3. een verklaring voor recht zal geven dat FPH ter voldoening van haar vordering omschreven in sub (ii) van het petitum verhaal kan nemen op de door haar beslagen aandelen in Yukos Finance;

  4. Promneftstroy zal veroordelen in de proceskosten, met bepaling dat deze kosten binnen veertien dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan Promneftstroy van rechtswege in verzuim zal zijn.

3.2.

Promneftstroy voert op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015 verweer tegen de vorderingen in conventie die tegen haar zijn gericht.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

in de tussenkomst

3.4.

Promneftstroy vordert, voor zover thans nog relevant, indien en voor zover de niet-ontvankelijkheid niet in het incident wordt afgedaan:

primair

  1. FPH niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen jegens Yukos Oil, en

  2. voor recht te verklaren dat de door FPH ten laste van Yukos Oil gelegde conservatoire beslagen van rechtswege zijn vervallen; althans

  3. de door FPH ten laste van Yukos Oil gelegde conservatoire beslagen met onmiddellijke ingang per datum vonnis op te heffen,

subsidiair

vernietiging van de vorderingen van FPH op grond van artikel 6:229 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) (artikelen 170 juncto 425 Russisch Burgerlijk Wetboek (hierna: RBW)),

in alle gevallen

FPH te veroordelen in de kosten van het geding, en

de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.5.

FPH voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

in reconventie

3.7.

Promneftstroy vordert dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het door FPH gelegde beslag met onmiddellijke ingang opheft, met veroordeling van FPH in de kosten van het geding en de nakosten, bij niet tijdige betaling te vermeerderen met wettelijke rente over de (na)kosten.

3.8.

FPH voert verweer.

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

in de incidenten

3.10.

Bij haar incidentele conclusie strekkende tot schorsing van het geding, tevens voorwaardelijk incidentele conclusies tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv resp. tot exhibitie ex artikel 85, 162, 22 en 843a Rv, met tevens verzoek om uitstel voor conclusie van antwoord van 16 maart 2016 heeft Promneftstroy gevorderd:

( a) primair ten aanzien van de incidentele vordering tot schorsing van dit geding:

  1. te bepalen dat dit geding wordt geschorst totdat in het ten tijde van het instellen van de incidentele conclusie bij het gerechtshof Amsterdam onder zaaknummers 200.002.097/01 en 200.002.104/01 aanhangige geding tussen enerzijds Promneftstroy en de heren [naam 1] en [naam 2] , alsmede Yukos Finance zoals door dezen vertegenwoordigd en anderzijds de heren [naam 3] en [naam 4] , alsmede Yukos Finance zoals door dezen vertegenwoordigd, met kracht van gewijsde zal zijn beslist over de vraag of de door [naam 3] cum suis opgeworpen openbare-orde-exceptie al dan niet in de weg staat aan de geldigheid van de verkrijging door Promneftstroy van de aandelen in Yukos Finance ingevolge de verkoop en levering ervan aan haar door Yukos Oils curator [naam waarnemer] , en

  2. te bepalen dat het Promneftstroy en Glendale, elk afzonderlijk met afschrift aan de ander, vrij zal staan om zodra de onder (i) bedoelde uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, de rechtbank te benaderen om dit geding te hervatten;

( b) subsidiair, ten aanzien van de incidentele vordering tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv:

te gelasten dat Glendale jegens Promneftstroy zekerheid stelt voor proceskosten ten belope van EUR 25.688,00, door middel van het stellen van een onherroepelijke bankgarantie afgegeven door een te goeder naam en faam bekendstaande bank, welke bankgarantie uitwinbaar is door Promneftstroy op vertoon van een vonnis waarbij FPH jegens Promneftstroy in de proceskosten wordt veroordeeld, althans een bedrag en een vorm door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

( c) meer subsidiair, ten aanzien van de exhibitievordering ex artikel 843a Rv en de verzoeken ex artikel 85 Rv, artikel 162 Rv en artikel 22 Rv:

  1. FPH te bevelen om binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis in incident aan Promneftstroy afschrift van de in hoofdstuk 5 van de conclusie genoemde bescheiden alsmede haar administratie en bescheiden die zien op Yukos Oil, althans op de vorderingen die zij in dit geding stelt te hebben op Yukos Oil, te verschaffen door afgifte daarvan aan de advocaat van Promneftstroy, en/of subsidiair, namelijk voor zover de rechtbank ten aanzien van bepaalde bescheiden een dergelijke tussenstop noodzakelijk acht, aan een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijke derde, met het doel als geschetst in paragraaf 8.7 van de conclusie en onder nader door de rechtbank te stellen voorwaarden;

  2. FPH te bevelen om binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis in incident de originele orderbriefjes en endossementen ter inzage bij de griffie van de rechtbank te deponeren;

  3. aan het sub (i) en (ii) genoemde bevel een dwangsom te verbinden van EUR 10.000.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat FPH in gebreke blijft om aan het sub (i) en (ii) genoemde bevel te voldoen; en

( d) ten aanzien van het gevorderde sub (a), (b) en (c), FPH te veroordelen in de kosten van de incidenten;

alles bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.11.

Bij haar incidentele conclusie strekkende tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv respectievelijk tot exhibitie ex artikel 843a Rv, met tevens verzoek om uitstel van conclusie van dupliek van 3 mei 2017 heeft Promneftstroy gevorderd:

( a) ten aanzien van de incidentele vordering tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv:

i. te gelasten dat Yukos Capital jegens Promneftstroy zekerheid stelt voor proceskosten ten belope van EUR 29.552,00, door middel van het stellen van een onherroepelijke bankgarantie afgegeven door een te goeder naam en faam bekendstaande en in Nederland gevestigde bank, welke bankgarantie op eerste afroep uitwinbaar is door Promneftstroy op vertoon van een vonnis waarbij Yukos Capital jegens Promneftstroy in de proceskosten wordt veroordeeld, althans een bedrag en een vorm door uw rechtbank in goede justitie te bepalen;

( b) ten aanzien van de exhibitievordering ex artikel 843a Rv:

  1. Yukos Capital te bevelen om binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis in incident aan Promneftstroy afschrift van de in hoofdstuk 4 van de conclusie genoemde bescheiden te verschaffen door afgifte daarvan aan de advocaten van Promneftstroy;

  2. aan het sub (i) genoemde bevel een dwangsom te verbinden van EUR 10.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Yukos Capital in gebreke blijft om aan het sub (i) genoemde bevel te voldoen;

( c) Yukos Capital en FPH te veroordelen in de kosten van de incidenten;

alles bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.12.

FPH voert verweer.

3.13.

De rechtbank heeft in de rolbeslissing van 15 juni 2016 vastgesteld dat het op 16 maart 2016 door Promneftstroy geopende incident zekerheidstelling is afgedaan omdat Glendale (Britse Maagdeneilanden) als procespartij is opgevolgd door FPH (Nederland).

3.14.

De rechtbank heeft beslist dat op de overige incidenten niet eerst en vooraf zal worden beslist (artikel 209 Rv).

3.15.

Met betrekking tot de vordering van Promneftstroy die ertoe strekt dat dit geding wordt geschorst (zie hiervoor onder 3.10 onder (a)), wordt het volgende overwogen. De door Promneftstroy genoemde zaken zijn inmiddels aanhangig bij de Hoge Raad. Na afloop van het pleidooi in de onderhavige zaak heeft de rechtbank beslist dat, indien het arrest van de Hoge Raad in – wat hierna zal worden aangeduid als – de Halloween-procedure eerder wordt uitgesproken dan het vonnis in de onderhavige zaak, het ieder van partijen vrijstaat de rechtbank schriftelijk te verzoeken om gelegenheid tot het nemen van een akte in de onderhavige zaak over (de gevolgen van) dat arrest. Daarbij heeft de rechtbank de (eventuele) betekenis van dat arrest voor de onderhavige zaak uitdrukkelijk in het midden gelaten. Gelet op de aard van deze procedure en hetgeen hierna onder 4.1 en 4.2 wordt overwogen, heeft Promneftstroy onvoldoende duidelijk gemaakt welk belang zij bij schorsing heeft.

4 De beoordeling in de hoofdzaak en in de incidenten

Dit onderdeel van de beoordeling is als volgt opgebouwd:

 In conventie (4.1 tot en met 4.59):

 Belang Promneftstroy (4.1 en verder)

 De beslissingen in de Russische renvooiprocedures (4.3)

 De beslissingen in de Russische renvooiprocedures – standpunt FPH (4.4)

 De beslissingen in de Russische renvooiprocedures – standpunt Promneftstroy (4.5 en verder)

 De oneigenlijke erkenning van de beslissingen in de Russische renvooiprocedures (4.8 en verder)

 De beslissingen in de Russische renvooiprocedures – conclusie (4.16.15 en verder)

 Toepasselijk recht (4.17 en verder)

 Russisch recht (4.21 en verder)

 Nietigheid van de orderbriefjes (4.25 en verder)

 Ondertekening orderbriefjes (4.31 en verder)

 Rechtmatig verkregen en rechtmatig houder? (4.34 en verder)

 Vorderingen tenietgegaan? (4.44 en verder)

 Fusie (4.46 en verder)

 Spionage / artikel 21 Rv (4.48 en verder)

 Rente (4.52 en verder)

 Conclusie in conventie (4.54 en verder)

 Uitvoerbaarverklaring bij voorraad en zekerheidstelling (4.57 en verder)

 In reconventie (4.60 tot en met 4.62).

in conventie

Belang Promneftstroy

4.1.

FPH betoogt dat Promneftstroy geen belang heeft bij haar verweer. Zij stelt daartoe dat in de Halloween-procedure het gerechtshof Amsterdam in zijn arrest van 19 mei 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:1695), evenals eerder deze rechtbank in haar vonnis van 31 oktober 2007 (ECLI:NL:RBAMS:2007:BB6782), heeft geoordeeld dat ‘erkenning’ van het Russische vonnis waarbij Yukos Oil in staat van faillissement is verklaard, in de zin dat daaraan in Nederland rechtsgevolgen worden toegekend, strijdig is met de Nederlandse openbare orde. Gelet daarop moet worden aangenomen dat de curator in het Russische faillissement naar Nederlands recht nooit bevoegd is geweest om de aandelen in Yukos Finance te verkopen en te leveren aan Promneftstroy, zodat zij geen rechthebbende op de aandelen is geworden. Volgens FPH dient de rechtbank - ook zonder de uitkomst van het cassatieberoep tegen voormeld arrest van 19 mei 2017 af te wachten (zie hiervoor onder 3.15) - in deze procedure hetzelfde te oordelen. Als Promneftstroy geen rechthebbende is geworden op de aandelen heeft zij ook geen belang bij haar verweer en moet daaraan voorbij worden gegaan. Daarmee ontvalt ook de grond voor tussenkomst. De vorderingen van FPH moeten derhalve worden toegewezen, aldus steeds FPH.

4.2.

De rechtbank overweegt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015 volgt dat FPH haar eis in de hoofdzaak in de zin van artikel 700 lid 3 Rv niet kan instellen tegen de niet meer bestaande rechtspersoon Yukos Oil, maar (in een daartoe aangepaste vorm) kan instellen of vervolgen tegen Promneftstroy als verkrijger van de aandelen Yukos Finance. FPH heeft er vervolgens zelf voor gekozen haar eis in de hoofdzaak in bedoelde aangepaste vorm tegen Promneftstroy te richten. In die situatie kan zij zich er niet op beroepen dat Promneftstroy geen belang heeft bij het voeren van verweer en dat haar verweer daarom gepasseerd moet worden. Een procespartij tegen wie een vordering wordt ingesteld heeft immers in beginsel een belang zich daartegen te verweren.

Daarbij komt dat, indien zou komen vast te staan Promneftstroy nimmer aandeelhouder is geworden, niet zeker is dat FPH haar eis in de hoofdzaak had kunnen vervolgen tegen Promneftstroy. De Hoge Raad heeft Promneftstroy immers in haar hoedanigheid van verkrijger van de aandelen (welke hoedanigheid in het kader van dat incident in cassatie niet meer in geschil was) aangemerkt als de enig overgebleven belanghebbende met betrekking tot de beslagen aandelen en met betrekking tot de vraag of de vorderingen waarvoor het beslag is gelegd toewijsbaar zijn.

De rechtbank merkt verder op dat, voor zover de vraag of Promneftstroy rechthebbende op de aandelen is geworden al behoort tot ‘de rechtsbetrekking in geschil’ in deze procedure, in ieder geval ten tijde van het wijzen van vonnis in deze instantie (nog) niet met gezag van gewijsde vast staat of Promneftstroy al dan niet aandeelhouder is geworden. Zolang daarover geen definitief oordeel is gegeven, moet het ervoor worden gehouden dat Promneftstroy wel degelijk belang heeft bij het voeren van verweer in deze procedure.

De beslissingen in de Russische renvooiprocedures

4.3.

De rechtbank komt nu toe aan de door Promneftstroy opgeworpen vraag of de beslissingen in de Russische renvooiprocedures van invloed zijn op de onderhavige procedure. Hiertoe zal zij eerst ingaan op de standpunten van partijen.

De beslissingen in de Russische renvooiprocedures – standpunt FPH

4.4.

FPH stelt dat de renvooibeslissingen om meerdere redenen niet aan haar kunnen worden tegengeworpen:

a. Uit het tussen partijen gewezen arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015 volgt dat de afwijzing van de vorderingen in de Russische renvooiprocedures niet in de weg staat aan verhaal (en dus ook niet aan inhoudelijke behandeling) in Nederland. De Hoge Raad heeft immers bepaald dat FPH haar beslag op de aandelen Yukos Finance mag vervolgen onafhankelijk van het Russische faillissement.

b. Het territorialiteitsbeginsel brengt met zich dat verhaal in Nederland mogelijk is ongeacht of de vorderingen wel of niet in het buitenlandse faillissement zijn toegelaten. De Hoge Raad heeft in het arrest van 13 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ5668, rechtsoverweging 3.2.2) immers overwogen dat onvoldane schuldeisers in een buitenlands faillissement zich moeten kunnen verhalen op in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de (voormalige) failliet. Dit veronderstelt dat de Nederlandse rechter niet a priori aan de renvooibeslissingen is gebonden. Die renvooibeslissingen zijn een rechtstreeks gevolg van het buitenlandse faillissement. Het territorialiteitsbeginsel brengt daarom mee dat die beslissingen niet in de weg staan aan verhaal in Nederland door onvoldane schuldeisers.

c. De faillissementsuitspraak betreffende Yukos Oil is, naar eerder door de rechtbank en het gerechtshof te Amsterdam is geoordeeld (zie ook hiervoor onder 4.1), tot stand gekomen op een wijze die strijdig is met de Nederlandse openbare orde. De renvooibeslissingen, die immers een direct gevolg zijn van de faillissementsuitspraak, komen daarom evenmin voor erkenning in aanmerking.

d. De Russische rechters in de aan Yukos Oil gerelateerde zaken en in het bijzonder in de renvooiprocedures functioneerden bovendien niet onafhankelijk en onpartijdig. Voorzitters van Russische gerechten zijn direct of indirect benoemd door de Russische president en via het systeem van telephone justice, waarbij rechters van hogerhand te horen krijgen hoe zij moeten beslissen in zaken die het staatsbelang aangaan, wordt de rechtspraak beïnvloed door de uitvoerende macht.

e. De renvooiprocedures zelf voldeden, zo stelt FPH, in materieel en procedureel opzicht evenmin aan de eisen van een behoorlijke rechtspleging. Daarbij beroept FPH zich ook op de gang van zaken in de renvooiprocedures van Yukos Capital. FPH voert in dat verband het volgende aan.

(i). Op 6 augustus 2006 en 10 november 2006 hebben in het kader van een strafonderzoek tegen Yukos Oil invallen plaatsgevonden van politie en Openbaar Ministerie op de kantoren en in de woonhuizen van de Russische advocaten van Yukos Capital en FPH, [naam advocaat 1] en [naam advocaat 2] , althans de vader van laatstgenoemde. Daarbij is al het materiaal dat de advocaten voorhanden hadden over Yukos Capital en FPH (inclusief de voor de procedure vereiste volmachten) in beslag genomen, zonder achterlating van kopieën. Ook werd gedreigd met strafvervolging tegen de echtgenoot van [naam advocaat 1] . Als gevolg van deze intimidatie van overheidswege was het voor de advocaten van FPH en Yukos Capital onmogelijk bijstand ter zitting te verlenen, hetgeen ook kenbaar is gemaakt aan de rechtbank, onder meer in een brief van het advocatenkantoor aan het gerecht van november 2006. Desalniettemin hebben de mondelinge behandelingen van 27 november 2006 en 5 maart 2007 (FPH), alsmede 27 november 2006 en 15 februari 2007 (Yukos Capital) doorgang gevonden, zonder dat de advocaten van FPH en Yukos Capital daarbij aanwezig waren en zonder dat FPH en Yukos Capital anderszins vertegenwoordigd werden. Ook zijn FPH en Yukos Capital toen niet voorafgaand aan de zitting op de hoogte gesteld van de verweren van de curator en andere schuldeisers tegen erkenning van de vorderingen.

(ii). De beslissingen van de twee feitelijke instanties van 4 december 2006 en 12 maart 2007 getuigen van willekeur, nu een identieke vordering van Deutsche Bank, gebaseerd op vrijwel dezelfde orderbriefjes, op dezelfde dag (4 december 2006) door dezelfde rechtbank (Moscow Arbitrazh Court) en dezelfde rechter (P.A. Markov) in eerste aanleg wel toegelaten werd in het faillissement van Yukos Oil. Ook een vordering van Rosneft, die eveneens gebaseerd was op door Yukos Oil uitgegeven orderbriefjes, is met verwijzing naar het abstracte karakter van het waardepapier door een andere Russische rechtbank (Samara Oblast Arbitrazh Court) bij uitspraak van 21 mei 2007 toewijsbaar geoordeeld. Het verweer van Promneftstroy dat de renvooibeslissingen inzake FPH toch gerechtvaardigd zijn omdat de onderliggende transacties nietig zijn, vindt geen steun in de wet en ook niet in de overwegingen die aan die beslissingen ten grondslag zijn gelegd.

Het bezwaar van FPH tegen de door de feitenrechters gehanteerde overwegingen is ten aanzien van twee van de drie gronden voor het niet toelaten van haar vordering in het faillissement (geen twee handtekeningen en geen bewijs van rechtmatig houderschap) in cassatie gegrond bevonden (uitspraak van 25 juli 2007 van de Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region). Toch zijn de beslissingen van de feitenrechters in cassatie bekrachtigd. Deze beslissingen van de feitenrechters zijn echter onjuist, omdat de bewijslast voor de bevoegdheid van [naam hoofd afdeling] ten onrechte bij FPH is gelegd en FPH ten onrechte de mogelijkheid is onthouden om op dit punt bewijs te leveren. De renvooibeslissingen getuigen aldus van willekeur en kennelijke onredelijkheid en zijn daarmee in strijd met de beginselen van een behoorlijke rechtspleging.

(iii). Ook de weigering van 10 januari 2012 door (rechter P.A. Markov van) de Arbitrazh Court of Moscow van teruggave aan FPH van de originele, aldaar door haar gedeponeerde orderbriefjes is onbegrijpelijk.

(iv). De renvooiprocedure inzake Yukos Capital is in twee feitelijke instanties eveneens buiten aanwezigheid van Yukos Capital en haar advocaat behandeld, terwijl de verweren van de curator niet van tevoren aan haar bekend zijn gemaakt. De cassatieprocedure is (op verzoek van de curator van Yukos Oil) geschorst in afwachting van de uitkomst van twee andere procedures van de curator strekkende tot ongeldigverklaring van de geldleningen van Yukos Capital aan Yukos Oil, aangezien de uitkomst van die procedures van invloed zou kunnen zijn op de beslissing in de renvooiprocedure. De leningen zijn echter nooit ongeldig verklaard en als gevolg van de voortijdige beëindiging van het faillissement van Yukos Oil is de renvooiprocedure ook niet meer niet hervat. De renvooibeslissingen (van 4 december 2006 en 22 februari 2007) inzake Yukos Capital binden de Nederlandse rechter dan ook niet.

Ook de gronden waarop de vorderingen van Yukos Capital door de Moscow Arbitrazh Court zijn afgewezen (de leningen zijn niet opeisbaar en betreffen eigen geld van Yukos Oil, dat in het kader van belastingontduiking offshore was geplaatst) zijn onjuist. De opeisbaarheid was niet in geschil en iedere motivering voor de overweging dat het uitgeleende geld van Yukos Oil was, ontbrak.

De beslissingen in de Russische renvooiprocedures – standpunt Promneftstroy

4.5.

Promneftstroy heeft tot haar verweer aangevoerd dat de uitspraken van de Russische rechters, waarbij aan de vorderingen van FPH (zie 2.12 tot en met 2.15) toelating tot de lijst van schuldeisers in het faillissement is onthouden door de Nederlandse rechter moeten worden erkend. Het territorialiteitsbeginsel staat niet in de weg aan erkenning van de renvooibeslissingen. De territoriale werking van een buitenlands faillissement, waarop FPH zich beroept, is beperkt in die zin a) dat het in het buitenland op het vermogen van de gefailleerde rustende faillissementsbeslag niet mede omvat zijn in Nederland aanwezige baten en b) dat de rechtsgevolgen die door het faillissementsrecht van dat andere land aan een faillissement worden verbonden, in Nederland niet kunnen worden ingeroepen voor zover zij ertoe zouden leiden dat onvoldane schuldeisers zich niet meer kunnen verhalen op – tijdens of na afloop van het faillissement – in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de (voormalige) gefailleerde (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5668). De renvooiprocedures vallen echter onder categorie c), andere gevolgen van een in het buitenland uitgesproken faillissement, aan de werking waarvan ingevolge genoemd arrest het territorialiteitsbeginsel niet in de weg staat.

4.6.

Promneftstroy voert aan dat voor de vraag of de renvooibeslissingen door de Nederlandse rechter moeten worden erkend beslissend is of voldaan is aan de criteria voor erkenning van een buitenlands vonnis op de voet van artikel 431 lid 2 Rv, genoemd in het arrest van HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank).

Volgens Promneftstroy voldoen de renvooibeslissingen aan de voorwaarden voor erkenning genoemd in het Gazprombank-arrest en heeft FPH niet aangetoond dat in de renvooiprocedures (van FPH en/of Yukos Capital) geen sprake was van behoorlijke rechtspleging. Het verwijt dat de Russische rechters vooringenomen zijn geweest jegens haar of dat sprake was van telephone justice is niet hard gemaakt. De invallen bij advocaten en andere adviseurs in het kader van de strafzaak tegen Yukos Oil zijn (ook in het Westen) niet ongebruikelijk en behelzen geen schending van het recht op een eerlijk proces. [naam advocaat 1] heeft immers ook na de invallen bij haar op kantoor en thuis van augustus 2006 op 6 oktober 2006 nog een tweede verzoek tot verificatie van de vordering van Yukos Capital ingediend bij de Moscow Arbitrazh Court. De door FPH als productie 156 overgelegde verklaring van [naam 5] van 2 augustus 2018 kan niet tot het bewijs bijdragen, aangezien hij ten aanzien van de gebeurtenissen na 5 april 2006 niet uit eigen waarneming kan verklaren. Hij had vanaf die datum immers de Russische Federatie verlaten. Bovendien zijn in de bijlagen bij zijn verklaring grote delen zwart gelakt en ontbreken de originele teksten bij sommige vertalingen. Dit betreft in het bijzonder bijlage 12, een brief van november 2006 van de gemachtigde van Yukos Capital aan de Moscow Arbitrazh Court, waarin wordt meegedeeld dat Yukos Capital, als gevolg van de op haar raadslieden door het Openbaar Ministerie uitgeoefende druk, niet in staat is om een advocaat te vinden die op 27 november 2006 ter zitting namens haar verweer kan voeren. Yukos Capital heeft ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verzoek tot wraking of herziening in te dienen.

Voor zover de Moscow Arbitrazh Court heeft nagelaten om FPH in kennis te stellen van de door de curator tegen erkenning van haar vordering ingebrachte bezwaren, geldt dat FPH daar zelf bij de Moscow Arbitrazh Court kennis van had kunnen nemen. FPH is bovendien bij de zitting van de Federal Arbitrazh Court gewoon verschenen, ondanks door haar ervaren van overheidswege uitgeoefende druk. Dat het faillissement van Yukos Oil al bij uitspraak van 15 november 2007 was beëindigd voordat het herzieningsverzoek van FPH betreffende de renvooibeslissing, waarbij haar vordering niet is toegelaten in het faillissement, was beoordeeld (en afgewezen wegens een gebrek aan cassatiemerites), wijst niet op een oneerlijk proces.

4.7.

Promneftstroy heeft zich meer in het algemeen (met name met verwijzing naar haar akte van 20 september 2016 in de Halloween-procedure) tegen het verwijt van schending van artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) verweerd door erop te wijzen dat er geen concrete aanwijzingen zijn aangevoerd dat de Russische Federatie (ontoelaatbare) invloed heeft uitgeoefend in de procedures tegen Yukos Oil en aan haar gerelateerde vennootschappen zoals FPH en Yukos Capital. Ook het EHRM heeft die beïnvloeding niet vastgesteld. Tot slot komt FPH geen beroep op de openbare-orde-exceptie toe, omdat zij zich zelf schuldig hebben gemaakt aan spionage en aldus aan schending van artikel 8 EVRM en de goede procesorde, aldus Promneftstroy.

De oneigenlijke erkenning van de beslissingen in de Russische renvooiprocedures

4.8.

De rechtbank stelt voorop dat de renvooibeslissingen (inhoudende dat de vorderingen van FPH niet zijn toegelaten tot de lijst van schuldeisers in het faillissement van Yukos Oil) geen condemnatoire beslissingen betreffen.

4.9.

In het Gazprombank-arrest (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838), waarin het ging om een condemnatoire beslissing, is tot uitgangspunt genomen dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend, mits voldaan is aan vier voorwaarden. Deze voorwaarden luiden als volgt:

  1. de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is;

  2. de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging;

  3. de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde;

  4. de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.

4.10.

Daargelaten of deze ‘Gazprombank-voorwaarden’ op de onderhavige renvooibeslissingen van toepassing zijn, volgt uit hetgeen hierna zal worden overwogen dat niet aan al deze voorwaarden is voldaan.

4.11.

Het debat van partijen heeft zich vooral toegespitst op de vraag of is voldaan aan de hiervoor onder 4.9 onder (ii) en (iii) genoemde voorwaarden, die hierna ook wel zullen worden aangeduid als de procedurele respectievelijk de materiële openbare orde. Voordat de rechtbank overgaat tot bespreking van dit onderdeel van het geschil, wordt eerst de vraag behandeld of FPH haar beroep op de openbare-orde-exceptie heeft prijsgegeven zoals Promneftstroy heeft aangevoerd met een beroep op de memorie van antwoord van FPH (paragrafen 5 en 110) in de procedure die heeft geleid tot het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2014 (zie 1.1). Daarbij heeft Promneftstroy ook gewezen op de volgende passage in het proces-verbaal van de zitting van 29 januari 2014 van het gerechtshof te Amsterdam:

"Mr. Meerdink verklaart desgevraagd dat Yukos Capital en Glendale in deze procedure geen discussie beogen te voeren over de vraag of het Russische faillissementsvonnis tot stand is gekomen op een wijze die strijd is met de Nederlandse openbare orde".

4.12.

Deze uitlatingen zijn echter gedaan in het hoger beroep van het tussenvonnis van deze rechtbank van 4 juli 2012 in het door Promneftstroy als tussenkomende partij gestarte incident tot vervallenverklaring van het door FPH gelegde conservatoire beslag en als uitvloeisel daarvan tot onbevoegdverklaring van de rechtbank. Daargelaten of de woorden dat FPH “geen discussie beoogt te voeren” over de openbare-orde-exceptie in redelijkheid moeten worden begrepen als het prijsgeven van een stelling, is duidelijk dat zij alleen betrekking hebben op de bij het gerechtshof lopende (incidentele) procedure. Er staat immers: “in deze procedure”. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk waarom die woorden aldus moeten worden begrepen dat het beroep op de openbare-orde-exceptie ook in de bij de rechtbank lopende hoofdzaak is prijsgegeven. In de parallelle Halloween-procedure werd immers nog volop gestreden over die kwestie. De rechtbank zal daarom thans overgaan tot bespreking van de openbare-ordetoets.

4.13.

Deze rechtbank (in haar vonnis van 31 oktober 2007) en het gerechtshof te Amsterdam (in zijn arrest van 9 mei 2017) zijn beide in de Halloween-procedure tot het oordeel gekomen dat “erkenning” van het vonnis waarbij Yukos Oil in 2006 in de Russische Federatie failliet is verklaard, in die zin dat daaraan in Nederland rechtsgevolgen worden toegekend, strijdig is met de openbare orde, omdat, samengevat, uit alle omstandigheden van het geval kan worden afgeleid dat beoogd werd om het faillissement van Yukos Oil uit te lokken. Partijen hebben in hun debat over de openbare-ordetoets in dit geding geen nieuwe argumenten aangevoerd ten opzichte van hetgeen in de Halloween-procedure aan de orde is geweest en beslist. De rechtbank maakt in het onderhavige geschil het oordeel van de hiervoor genoemde gerechten in de Halloween-procedure, dat aan het faillissement in Nederland geen rechtsgevolgen kunnen worden toegekend, tot het hare.

4.14.

Nu de renvooiprocedures alle zijn gevoerd binnen de Russische Federatie, is het vervolgens de vraag of het oordeel dat het Russische faillissementsvonnis ten aanzien van Yukos Oil wegens strijd met de Nederlandse openbare orde niet kan worden erkend (in die zin dat daaraan in Nederland rechtsgevolgen worden toegekend) noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat ook de renvooibeslissingen betreffende (niet-)toelating tot de lijst van schuldeisers in dat faillissement wegens strijd met de Nederlandse openbare orde niet kunnen worden erkend. De vraag is dus of door erkenning van de renvooibeslissingen niet alsnog rechtsgevolg wordt toegekend aan het Russische faillissementsvonnis, dat in Nederland nu juist niet wordt erkend.

4.15.

Bij gebreke van een toepasselijke verdragsrechtelijke of wettelijke regeling zoekt de rechtbank aansluiting bij de Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures (de Insolventieverordening), paragraaf 196 van het [naam rapport] rapport (dat beschouwd kan worden als een officieuze toelichting op de bepalingen van de Insolventieverordening) en het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1404, [naam arrest] q.q.).

De rechtbank is van oordeel dat de gevoerde renvooiprocedures insolventie gerelateerd zijn en in een onlosmakelijk verband staan tot het faillissement van Yukos Oil. Daarvoor is allereerst van belang dat een renvooiprocedure in zijn algemeenheid rechtstreeks voortvloeit uit de insolventieprocedure en daar nauw op aansluit, in die zin dat de renvooiprocedure uitsluitend tijdens de insolventie kan worden gevoerd en haar oorsprong vindt in het insolventierecht. Dat geldt ook voor de hier gevoerde renvooiprocedures. De uitkomst van deze renvooiprocedures is ook van belang geweest voor de positie van de andere schuldeisers in het faillissement van Yukos Oil, aangezien tot een andere uitdelingslijst zou zijn gekomen als FPH en Yukos Capital wel als schuldeisers zouden zijn toegelaten. Verder is relevant dat het verweer van Yukos Oil in de renvooiprocedures niet door haarzelf is gevoerd, maar door de curator. Het is aannemelijk dat de uitkomst van de renvooiprocedures daardoor ook beïnvloed is. Eerder had Yukos Oil de vorderingen van FPH immers niet betwist. De curator heeft de vorderingen van FPH echter betwist en dat verweer is in de renvooiprocedures gehonoreerd. Daarmee heeft de curator in het faillissement van Yukos Oil dus een relevante rol gespeeld in de gevoerde renvooiprocedures en kunnen de renvooiprocedures niet los van het faillissement van Yukos Oil worden beschouwd. De bevoegdheid van de curator wordt in Nederland (als rechtsgevolg van het faillissement) echter niet erkend. Gelet op het onlosmakelijke verband tussen het faillissement en de renvooiprocedures dient de niet-erkenning van de rechtsgevolgen van het Russische faillissement tot gevolg te hebben dat ook de renvooibeslissingen niet kunnen worden erkend.

4.16.

Maar ook indien niet-erkenning van de renvooibeslissingen niet rechtstreeks volgt uit de niet-erkenning van het faillissementsvonnis, is erkenning van de renvooibeslissingen naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de Nederlandse openbare orde.

4.16.1.

FPH is door de Ninth Arbitrazh Court of Appeal bij uitspraak van 4 december 2007 (zie 2.27) niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen de (volgens haar voortijdige) beëindiging van het faillissement van Yukos Oil, omdat niet geappelleerd kan worden tegen een beslissing tot beëindiging van een faillissement indien de schuldenaar volgens de wettelijke regels is geliquideerd. (“Whereas the debtor has been liquidated in the manner prescribed by law, the ruling that has finalised the bankruptcy proceedings against the debtor pursuant to Article 149 of the Federal Law On Insolvency (Bankruptcy) cannot be appealed”). Op dat moment was in de renvooiprocedure van FPH echter nog geen einduitspraak gedaan; de procedure bij de Russian Federation Supreme Arbitrazh Court, die eindigde met de uitspraak van 19 december 2007 (zie 2.15), was immers nog niet voltooid. Het faillissement van Yukos Oil is derhalve beëindigd terwijl nog niet op het verzoek tot herziening van de renvooibeslissing inzake FPH was beslist.

4.16.2.

Het cassatieberoep van FPH tegen de beslissing van 4 december 2007 (zie 2.27) is op 22 april 2008 door de Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region niet-ontvankelijk verklaard met als overweging:

“In light of the foregoing, the court of cassation instance is unable to evaluate the arguments of the appeal in cassation on their merits and is obligated to discontinue proceedings initiated by the appeal in cassation lodged by Glendale Group Limited because the imperative provision of Clause 5, Part 1, Article 150 of the Arbitrazh Procedure Code of the Russian Federation rules out the possibility of continued examination of the case (appeal in cassation) once the debtor company involved in the proceedings has been liquidated.

Given such circumstances, the proceedings initiated by the appeal in cassation lodged by Glendale Group Limited on 14 March 2008 must be discontinued.”

Het resultaat hiervan is dat het faillissement van Yukos Oil kon worden (en is) beëindigd (als gevolg waarvan zij ophield te bestaan), voordat op het verzoek tot herziening van de renvooibeslissing inzake FPH was beslist.

4.16.3.

Bij uitspraak van 4 december 2006 (zie 2.12) van de Moscow Arbitrazh Court (rechter P.A. Markov) is bepaald dat de vorderingen van FPH niet voor toelating in het faillissement aanmerking komen om drie redenen:

1. FPH heeft niet aangetoond dat [naam hoofd afdeling] bevoegd was tot ondertekening van de orderbriefjes;

2. de orderbriefjes zijn (in strijd met het in artikel 22 van de statuten van Yukos Oil) niet door twee personen ondertekend;

3. FPH heeft niet aangetoond dat zij rechtmatig houder is van de orderbriefjes.

De mondelinge behandeling van het verzoek om erkenning van FPH vond plaats op 27 november 2006 buiten aanwezigheid van FPH en haar advocaat en zonder dat de verweren van de curator aan FPH bekend waren gemaakt. Aan het gerecht was kenbaar gemaakt dat haar advocaat [naam advocaat 1] als gevolg van op haar uitgeoefende druk en inbeslagneming van dossierstukken en volmachten niet in staat was bijstand te verlenen aan FPH.

4.16.4.

[naam 5] , vanaf januari 2005 het hoofd juridische zaken van Yukos Oil, heeft daarover in zijn schriftelijke verklaring van 2 augustus 2018 het volgende verklaard:

“58. I note that paragraph 135 of the FPH Statement of Reply describes the intimidation

and harassment of FPH’s lawyers by the Russian authorities quite concisely. To

elaborate and further substantiate this description, I refer to the letter from Ms.

[naam advocaat 1] to FPH from 17 November 2006. As noted, Ms. [naam advocaat 1] ’s

offices were raided for the first time in August 2006 in the context of the Yukos

Capital bankruptcy claim. After she had submitted FPH’s promissory note claim

in October, she was the subject of another raid by Russian prosecutors on 10

November 2006. (…) As described in the letter, not only Ms. [naam advocaat 1] ’s offices, but also her personal apartment were searched and all documents necessary for representing FPH in the bankruptcy proceedings were seized. I believe that this must have been the final straw for Ms. [naam advocaat 1] .

In the same letter, she ends [naam advocatenkantoor] ’ engagement with FPH. As a result, FPH

was not represented at the hearing of 27 November 2006 at the Moscow Arbitrazh

Court. FPH’s claim was denied shortly afterwards.

59. All in all, I believe that FPH was denied a fair trial. This is not only evidenced by

the way FPH’s promissory note claim was denied, but also by the treatment of its initial lawyers, which were repeatedely intimidated and harrassed by the Russian authorities until they were forced to give up and end their legal assistance to FPH.”

4.16.5.

De volgens [naam 5] door de advocaat van FPH in november 2006 aan de Moscow Arbitrazh Court verzonden brief, waarin gemeld wordt dat geen advocaat zal verschijnen, luidt voor zover thans van belang als volgt:

“4. However, we believe that pressure is being put upon the said lawyers of the

Company through investigators of the General Office of the Public Prosecutor of the Russian Federation, who carry out searches in the [naam advocatenkantoor] Law Bureau offices, in the lawyer’s living quarters, and try to interrogate them on issues of rendering the legal assistance to the Company.

5. Documents, which were connected with rendering legal assistance to the Company,

were taken away from the [naam advocatenkantoor] Law Bureau lawyers in the course of investigation activities As a result, the lawyers cannot represent the Company’s interests in this affair in a proper way, and the Company, having no relevant documents, cannot engage other representatives.

6. Thus, the Company is practically deprived of possibility to get a qualified legal

assistance and to have the procedural representatives in this affair.

7. In view of the aforesaid reasons, having no possibility to ensure participation of its

representatives at the court session on November 27, 2006, the Company has to request that the Moscow Arbitration Court considers the Company’s Application relating to inclusion of its claims into the register of claims filed by creditors of OAO NK YUKOS in absence of the

Company’s representatives”.

4.16.6.

Promneftstroy betwist de juistheid van de verklaring van [naam 5] (en de als bijlage 12 aan zijn verklaring gehechte brief van de advocaat van FPH), onder meer door erop te wijzen dat [naam 5] niet uit eigen waarneming kan verklaren, omdat hij al op 5 april 2006 naar het Verenigd Koninkrijk is geëmigreerd en dat hij niet verklaart hoe hij zijn kennis betreffende de gebeurtenissen in de Russische Federatie heeft verkregen. Bovendien ontbreken grote delen van de door hem overgelegde stukken, evenals het origineel van de brief van november 2006. Voorts is het volgens Promneftstroy opvallend dat andere advocaten (Morozov en [naam advocaat 2] ) hun bijstand aan FPH en Yukos Capital wel hebben voortgezet.

4.16.7.

De rechtbank is van oordeel dat de betwisting door Promneftstroy van de verklaring van [naam 5] onvoldoende specifiek is. Uit de verklaring van [naam 5] blijkt immers dat hij vanaf juli 1997 werkzaam was bij de juridische afdeling van Yukos (en vanaf januari 2005 als hoofd juridische zaken). Hij heeft uit eigen waarneming verklaard hoe de Russische autoriteiten vanaf 2004 het Yukos Oil en haar dochtervennootschappen, waaronder FPH, haar juridische afdeling en haar advocaten door invallen, verhoren, inbeslagnemingen en opsluiting moeilijk en uiteindelijk zelfs onmogelijk maakten om verweer te voeren in de fiscale geschillen. [naam 5] stelt in zijn verklaring dat advocaten van het Yukos-concern zijn gedwongen om in verhoren vertrouwelijke informatie over hun cliënten prijs te geven aan de autoriteiten. Nadat in de zomer van 2004 de woning en het kantoor van het toenmalige hoofd juridische zaken van Yukos Oil, [naam hoofd juridische zaken] , waren doorzocht, zag deze zich gedwongen naar het Verenigd Koninkrijk uit te wijken. Toen het [naam hoofd juridische zaken] niet lukte om vanuit het Verenigd Koninkrijk leiding te geven aan de juridische afdeling van Yukos Oil heeft mevrouw [naam 6] , zijn plaatsvervanger, de positie van [naam hoofd juridische zaken] overgenomen. Binnen een maand na haar aantreden werd zij gearresteerd en uiteindelijk veroordeeld tot 7 jaar gevangenisstraf. Vanaf januari 2005 heeft [naam 5] de positie van [naam hoofd juridische zaken] en [naam 6] overgenomen als hoofd juridische zaken van Yukos Oil. In maart 2006, rond de tijd dat de insolventieprocedure van Yukos Oil werd gestart, is [naam 5] gedurende vier dagen ondervraagd door de Russische autoriteiten over transacties uit de jaren 2000 – 2002 waar hij niets van afwist. [naam 5] verklaart dat hij vermoedt dat het de bedoeling was om hem af te houden van zijn juridische werkzaamheden. Op 1 april 2006 werd de heer [naam 7] , die Yukos Oil in 2003 verlaten had, aangesteld als executive vice president van Yukos Oil, teneinde het bedrijf behulpzaam te zijn bij het voeren van verweer in de insolventieprocedure. Op 6 april 2006 werd [naam 7] echter gearresteerd en verdween hij voor jaren in de gevangenis. De arrestatie van [naam 7] vond plaats toen [naam 5] voor overleg in Londen was en was aanleiding voor laatstgenoemde om niet meer terug te keren naar de Russische Federatie. Hoewel [naam 5] dus vanaf april 2006 in Londen verbleef, bleef hij verantwoordelijk voor de aansturing van de juristen van Yukos Oil en de advocaten (zoals [naam advocaat 1] en [naam advocaat 2] ) in de Russische Federatie en hield hij toezicht op de vele juridische procedures waarbij het Yukos-concern betrokken was. Daarmee is dan ook verklaard hoe [naam 5] ook na april 2006 aan zijn gedetailleerde kennis betreffende de behandeling van Yukos Oil, haar medewerkers en advocaten komt. Het verweer van Promneftstroy dat de verklaring van [naam 5] niet geloofwaardig is omdat hij ten tijde van de gebeurtenissen waarover hij verklaart buiten de Russische Federatie verbleef is dan ook te summier en overtuigt niet. Ook het verweer dat onderdelen van de door [naam 5] overgelegde bijlagen zijn zwartgemaakt wordt niet gevolgd. Zonder toelichting is niet goed te begrijpen waarom de wel leesbare gedeelten niet of minder overtuigend zouden zijn. Daarmee staat vast dat FPH en Yukos Capital als gevolg van grove intimidatie van hun juristen en advocaten langere tijd van juridische bijstand en advies verstoken zijn geweest. Het gevolg daarvan was dat het geschil betreffende de erkenning van de vorderingen van FPH en Yukos Capital in feitelijke instanties is behandeld zonder dat zij afdoende juridische bijstand hadden (en zonder dat zij op de hoogte waren van de verweren van de curator en de overige schuldeisers).

4.16.8.

Het hoger beroep tegen de beslissing van 4 december 2006 is bij beslissing van 12 maart 2007 (zie 2.13) verworpen. De mondelinge behandeling van het hoger beroep vond wederom plaats zonder dat FPH op de hoogte was gesteld van de verweren van de curator en schuldeisers en bij afwezigheid van FPH en haar advocaat, blijkens het vonnis in appel:

The appellant, being duly informed of the time and place of the appeal

consideration, did not send its representative. to the appellate court. Under such circumstances, the court believes it possible to consider the case in the absence of a

representative of Glendale Group Limited pursuant to the procedure set forth in Articles 123 and 156 of the RF Arbitrazh Procedure Code.”

4.16.9.

De beslissing van 12 maart 2007 is in cassatie bij beslissing van de Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region van 25 juli 2007 (zie 2.14) bekrachtigd. FPH werd blijkens het vonnis toen wel bijgestaan door een advocaat, te weten A.G. Morozov. De cassatierechter overwoog, voor zover van belang:

“The arguments contained in the cassation complaint concerning the incorrect application of the bill of exchange law by the judges is for the most part well-grounded.”

Toch werden de beslissingen bekrachtigd op de hiervoor in 4.16.3 onder 1 vermelde grond. De hierop betrekking hebbende overweging luidt: “The court of cassation does not have the right to prejudge issues of the reliability or unreliability of evidence that was already assessed by the lower court or court of appeals”.

De omstandigheid dat FPH noch haar advocaten als gevolg van de intimidaties van overheidswege in beide feitelijke instanties ter zitting waren verschenen (en evenmin in kennis waren gesteld van de verweren van de wederpartijen) kreeg daarmee dus blijvende gevolgen.

4.16.10.

De rechtbank acht ook de gang van zaken rondom de renvooibeslissingen ten aanzien van Yukos Capital van betekenis voor haar beoordeling. De vorderingen van Yukos Capital uit hoofde van geldleningen zijn bij beslissing van de Moscow Arbitrazh Court (rechter P.A. Markov) van 19 juli 2006 (zie 2.18) niet toegelaten tot de lijst van erkende vorderingen in de waarnemingsprocedure van Yukos Oil, aangezien vervroegde opeising van de leningen (op de grond dat Yukos Oil als gevolg van naheffingsaanslagen niet meer in staat zou zijn tot tijdige terugbetaling van de leningen) niet toelaatbaar werd geacht, hoewel Yukos Oil de opeisbaarheid had erkend.

4.16.11.

Op 6 augustus 2006 en 10 november 2006 hebben invallen plaatsgevonden door het Openbaar Ministerie van de Russische Federatie en de politie op de kantoren en in het woonhuis van de Russische advocaten van Yukos Capital, [naam advocaat 1] en [naam advocaat 2] , althans in de woning van de vader van laatstgenoemde. Daarbij is al het materiaal dat de advocaten voorhanden hadden betreffende FPH en Yukos Capital (inclusief de voor de procedures vereiste volmachten) in beslag genomen, zonder dat kopieën of zelfs maar een proces-verbaal werden achtergelaten. Daarnaast is gedreigd de echtgenoot van [naam advocaat 1] strafrechtelijk te vervolgen en is [naam advocaat 1] ondervraagd over de aan Yukos Capital verleende bijstand. Dit alles geschiedde zonder dat ten aanzien van [naam advocaat 1] sprake was van een strafrechtelijke verdenking, zo heeft mr. Van Dijk desgevraagd bij gelegenheid van het pleidooi op 5 september 2018 namens Promneftstroy verklaard. De mondelinge behandeling van het hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot toelating van de vordering van Yukos Capital in de waarnemingsprocedure geschiedde ten gevolge van dit alles dan ook buiten aanwezigheid van Yukos Capital en haar advocaat, zoals blijkt uit de brief van [naam advocaat 1] aan Yukos Capital van 17 augustus 2006, waarin zij schrijft:

“Due to effected search from [naam advocatenkantoor] Law Office have been taken ALL the documents received from you and a power of attorney issued by you on 24.04.2006 which is necessary for participation in the court hearings nominated in the 9th Court of Appeal on 23.08.2006.

(…)

In view of the above please be informed that in the coming court hearings while considering the appeal we will have to:

1. Inform the court that due to the search in the premises of [naam advocatenkantoor] Law Office under the Principal from the Lawyers have been taken all the documents received from the principal: loan agreements and other documents in copies notary attested and apostilled as well as the original of the power of attorney. And in this connection the Lawyers have no possibility to represent the above mentioned documents in the court hearings”.

Vervolgens is de beroepsprocedure van Yukos Capital tegen de uitspraak van 19 juli 2006 geschorst totdat in een bepaalde strafzaak een in kracht van gewijsde gegane uitspraak zou zijn gedaan, aangezien de uitkomst van die strafzaak van belang werd geacht voor de beoordeling van de vordering van Yukos Capital (zie 2.18). Een strafzaak (waarin is geoordeeld over de (on)geldigheid van de leningen van Yukos Capital aan Yukos Oil) heeft echter nooit plaatsgevonden en de geschorste procedure is niet meer hervat. In het hoger beroep van Yukos Capital is derhalve nooit een inhoudelijke uitspraak gedaan.

4.16.12.

Yukos Capital heeft op 6 oktober 2006 een tweede verzoek (ditmaal in het faillissement van Yukos Oil) gedaan tot toelating van haar vorderingen uit hoofde van de geldleningen tot de lijst van schuldeisers. Deze zaak is in eerste aanleg behandeld op 27 november 2006 buiten aanwezigheid van Yukos Capital en haar advocaat en zonder dat de verweren van de overige procespartijen tegen erkenning aan Yukos Capital kenbaar waren gemaakt. Bij beslissing van de Moscow Arbitrazh Court (rechter P.A. Markov) van 4 december 2006 is het verzoek afgewezen, wederom met de overweging dat de vorderingen niet opeisbaar waren en dat het geleende geld in werkelijkheid toebehoorde aan Yukos Oil.

4.16.13.

In het door Yukos Capital ingestelde hoger beroep is bij beslissing van 22 februari 2007 (zie 2.21) de uitspraak van 4 december 2006 bekrachtigd. Ook het hoger beroep is behandeld buiten aanwezigheid van Yukos Capital en haar advocaat en zonder dat het standpunt van de wederpartij aan Yukos Capital bekend was gemaakt.

4.16.14.

Het cassatieberoep van Yukos Capital tegen de uitspraak van 22 februari 2007 is op verzoek van de curator van Yukos Oil bij uitspraak van de Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region van 31 mei 2007 (zie 2.22) geschorst in afwachting van de uitkomst van twee door de curator gestarte procedures tot ongeldigverklaring van de leningen van Yukos Capital. Door het beëindigen van het faillissement van Yukos Oil is in de procedures tot ongeldigverklaring van de leningen nooit uitspraak gedaan. Daardoor is ook in het cassatieberoep tegen de uitspraak van 22 februari 2007, waarbij de uitspraak van 4 december 2006 is bekrachtigd, nooit een einduitspraak gedaan. Een negatieve declaratoire beslissing (zoals de renvooibeslissing van 4 december 2006 dat de vorderingen van Yukos Capital niet worden toegelaten tot de lijst van schuldeisers in het faillissement) komt pas voor erkenning in aanmerking (in die zin dat daaraan in een Nederlandse procedure het gevolg wordt verbonden dat de vordering wordt afgewezen) als daarover met gezag van gewijsde is beslist. Door de schorsing en het (als gevolg van beëindiging van het faillissement) niet meer hervatten van de renvooiprocedure is dat stadium niet bereikt. Het is onaanvaardbaar om in een dergelijk geval door oneigenlijke erkenning toch (in feite) gezag van gewijsde toe te kennen aan de renvooibeslissing van 22 februari 2007.

De beslissingen in de Russische renvooiprocedures - conclusie

4.16.15.

Het beeld dat uit de processtukken oprijst over de procedures die door of tegen Yukos Oil, FPH en Yukos Capital zijn gevoerd is het volgende. De advocaten van FPH en Yukos Capital zijn door intimidatie van de zijde van de Russische overheid in de vorm van doorzoekingen op hun kantoor en in hun woningen, door inbeslagnemingen van dossiers en (proces)volmachten en door ondervragingen over hun cliënten actief tegengewerkt bij het geldend maken van de vorderingen van hun cliënten. De negatieve gevolgen daarvan voor FPH en Yukos Capital hebben zich verder uitgestrekt dan tot de procedures waarin FPH en Yukos Capital niet ter zitting zijn verschenen en geen bijstand hebben gehad van een advocaat. Promneftstroy heeft onvoldoende weersproken dat als gevolg van de afwezigheid van de advocaten in feitelijke instanties een debat over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [naam hoofd afdeling] niet heeft kunnen plaatsvinden. De relevantie hiervan blijkt uit het feit dat de overige bezwaren tegen niet-toelating van de vordering van FPH gegrond (“well-grounded”) waren volgens de Federal Arbitrazh Court of the Moscow Region. De gerechten die betrokken waren bij de door FPH en Yukos Capital gevoerde procedures hebben vervolgens nagelaten om de door het optreden van de Russische overheid verstoorde balans te herstellen. Zij hebben niet voorkomen dat de door Yukos Capital aanhangig gemaakte renvooiprocedure door toedoen van de curator of anderszins blijvend is geschorst, waardoor nooit een definitief oordeel is verkregen over de toelaatbaarheid van haar vorderingen in het faillissement. FPH werd niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep tegen de beëindiging van het faillissement van Yukos Oil in feite omdat de vereffening al was voltooid (“Whereas the debtor has been liquidated in the manner prescribed by law, the ruling that has finalised the bankruptcy proceedings (…) cannot be appealed”), hoewel op het verzoek tot herziening van de renvooibeslissing(en) van FPH nog niet was beslist. De tegenwerking en het ontbreken van een effectieve remedie daartegen blijkt voorts uit het gegeven dat het verzoek van FPH om teruggave van de door haar gedeponeerde orderbriefjes werd geweigerd met een zodanig onbegrijpelijke redenering dat deze niet anders kan worden verklaard dan door een gebrek aan onafhankelijkheid. De overweging luidt: “Laws of the Russian Federation currently in effect do not prohibit releasing the originals of documents from case files. However, in light of the considerable nominal value of the promissory notes, the court is unable to send the originals of the promissory notes by post to the British Virgin Islands. According to Part 1 of Article 65 of the RF Arbitrazh Procedure Code, every person/entity involved in case proceedings must prove the circumstances cited by this person/entity as grounds for its claims or objections. In light of this, the motion of Glendale Group Limited cannot be granted”). Er werd immers geen verweer gevoerd tegen teruggave van de orderbriefjes, zodat niet valt in te zien waarom FPH onvoldoende heeft aangevoerd om teruggave van de door haar gedeponeerde orderbriefjes te rechtvaardigen.

4.16.16.

De hiervoor gesignaleerde gebreken in de procedures van FPH en Yukos Capital passen in een groter geheel van deels eerder vastgestelde en deels in dit geding onvoldoende weersproken onregelmatigheden in procedures betreffende Yukos-vennootschappen binnen en buiten de Russische Federatie; dat laatste betreft bijvoorbeeld Armenië. De gang van zaken rond de aanloop naar en de totstandkoming van het faillissement van Yukos Oil is een in het oog springend voorbeeld. Ook het onder druk zetten van rechters in Rusland ( [naam rechter 1] : “I am under a pressure beyond compare. Ministry people were out to influence me for a verdict as I was considering one of the many ministry suits against the Yukos-to redress a miserly two thousand roubles.”) of Armenië ( [naam rechter 2] , die onder ede heeft verklaard dat een door hem op 23 februari 2011 uitgesproken vonnis niet door hemzelf is geschreven, maar hem is aangereikt op een USB-stick door een rechter van het Armeense Hof van Cassatie) om een voor de staat of een staatsbedrijf gunstig vonnis te verkrijgen, tonen aan dat in procedures betreffende aan Yukos Oil gelieerde vennootschappen en personen, een eerlijk proces geen vanzelfsprekendheid was. In verklaringen van voormalige rechtbankmedewerkers [naam 8] en [naam 9] is beschreven hoe ook rechter [naam rechter 3] , die de strafzaak van [naam 10] behandelde, het door hem gewezen vonnis niet zelf schreef maar van hogerhand aangereikt kreeg en hoe rechters werden beloond of bestraft, al naar gelang hun uitspraak de machthebbers (senior officials) beviel of niet. Het is de rechtbank bekend dat rechter [naam rechter 3] deze gang van zaken heeft ontkend, maar uit een verklaring van 20 mei 2008 van de toenmalige president van de Russische Federatie [naam toenmalige president] blijkt dat dit gebrek aan onafhankelijkheid indertijd ook binnen de Russische Federatie als een breed en serieus probleem werd gezien:

“Our main objective is to achieve independence for the judicial system. It is a well-known principle that courts must be subject to the law, and, indeed, this is the basis of respect for justice and for the belief in its fairness. This is our basic task and it is hugely important. To move in this direction, we need to consider a range of issues associated with preparing a series of measures aimed at eliminating the miscarriage of justice. As we all know, when justice fails it often does so because of pressure of various kinds, such as surreptitious phone calls and money – there is no point in beating around the bush”.

4.16.17.

In het rapport van 21 december 2011 van de Presidentiële Raad, ingesteld door toenmalig president [naam toenmalige president] naar aanleiding van het tweede strafproces tegen [naam 10] , is fundamentele kritiek geuit op de wijze waarop die procedure is gevoerd.

Een aantal leden van de Presidentiële Raad werd vervolgens onderworpen aan doorzoekingen in kantoren en woningen, inbeslagnemingen en ondervragingen. Als gevolg van deze, als intimiderend ervaren, behandeling heeft één Russisch lid van de Presidentiële Raad ( [naam Russisch lid 1] ) zich gedwongen gezien de Russische Federatie te verlaten, terwijl een ander lid ( [naam Russisch lid 2] ) de Russische Federatie niet meer in durft te reizen.

4.16.18.

De omstandigheid dat ook Yukos Oil zich (bijvoorbeeld door spionage) zou hebben schuldig gemaakt aan schending van in het EHRM gewaarborgde rechten, kan Promneftstroy niet baten. Voor zover dat al zou kunnen worden vastgesteld, heeft te gelden dat het handelen en nalaten van een overheid niet op één lijn kan worden gesteld met dat van andere rechtssubjecten indien het gaat om inachtneming van grondrechten zoals dat op een eerlijk proces. Anders gezegd: het recht op een eerlijk proces is absoluut en laat zich niet relativeren door het handelen van een in rechte betrokken rechtssubject en al helemaal niet door dat van een niet (meer) betrokken rechtssubject (zoals Yukos Oil).

4.16.19.

De slotsom is dan ook dat de renvooibeslissingen niet voor erkenning op de voet van artikel 431 Rv in aanmerking komen, ten eerste gelet op hetgeen hiervoor in 4.15 is overwogen en ten tweede omdat niet is komen vast te staan dat de renvooibeslissingen tot stand zijn gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging. Daarom zullen de vorderingen van FPH hierna inhoudelijk worden beoordeeld.

Toepasselijk recht

4.17.

Op 7 juni 1930 is te Genève tot stand gekomen de Convention providing a uniform law for bills of exchange and promissory notes (het Verdrag tot invoering van een eenvormige wet op wisselbrieven en orderbriefjes), hierna: het Verdrag van Genève, waarbij Nederland en (thans) de Russische Federatie partij zijn. Blijkens de preambule stellen de verdragsluitende staten zich ten doel “avoiding the difficulties caused by differences in the laws of countries in which bills of exchange circulate, and of thus giving more security and stimulus to international trade relations”. Voor promissory notes geldt, naar moet worden aangenomen, hetzelfde.

4.18.

Eveneens op 7 juni 1930 is te Genève tot stand gekomen de Convention for the settlement of certain conflicts of laws in connection with bills of exchange and promissory notes (het Verdrag tot regeling van zekere wetsconflicten ten aanzien van wisselbrieven en orderbriefjes), hierna: het wetsconflictenverdrag, waarbij Nederland en (thans) de Russische Federatie partij zijn.

4.19.

Artikel 2 van het wetsconflictenverdrag luidt, voor zover hier van belang: “The capacity of a person to bind himself by a (…) promissory note shall be determined by his national law”.

Artikel 3 van het wetsconflictenverdrag luidt, voor zover hier van belang: “The form of any contract arising out of a (…) promissory note is regulated by the laws of the territory in which the contract has been signed”.

Artikel 4 van het wetsconflictenverdrag luidt, voor zover hier van belang: “The effects of the obligations of the (…) maker of a promissory note are determined by the law of the place in which these instruments are payable. The effects of the signatures of the other parties liable on a (…) promissory note are determined by the law of the country in which is situated the place where the signatures were affixed”.

Artikel 6 van het wetsconflictenverdrag luidt, voor zover hier van belang: “The question whether there has been an assignment to the holder of the debt which has given rise to the issue of the instrument is determined by the law of the place where the instrument was issued”.

4.20.

De aangehaalde bepalingen uit het wetsconflictenverdrag leiden met betrekking tot de daarin geregelde onderwerpen tot toepasselijkheid van het recht van de Russische Federatie. Dat is tussen partijen ook niet in geschil.

Russisch recht

4.21.

De met het Verdrag van Genève tot stand gekomen Uniform Law (hierna: de eenvormige wet) is in 1937 in (thans) de Russische Federatie geïmplementeerd door, wat in de door FPH bij de conclusie van repliek (productie 11, bijlage 8) in het geding gebrachte Engelse vertaling heten, de Regulations on bills of exchange and promissory notes (hierna: de 1937 Rules).

4.22.

De 1937 Rules bestaan uit twee delen: “On bills of exchange” (deel I, artikelen 1 tot en met 74) en “On promissory notes” (deel II, artikelen 75 tot en met 78).

4.23.

Artikel 77 van de 1937 Rules luidt, voor zover hier van belang: “The following provisions relating to bills of exchange shall apply to promissory notes to the extent that they are not inconsistent with the nature of such documents, notably: endorsement (Articles 11-20); time of payment (Articles 33-37); payments (Articles 38-42); actions in the event of non-acceptance or non-payment (Articles 43-50, 52-54); (…); statutes of limitation (Articles 70-71)”.

4.24.

De 1937 Rules zijn in 1997 op enkele onderdelen gewijzigd door, wat in de door FPH bij de conclusie van repliek (productie 11, bijlage 11) in het geding gebrachte Engelse vertaling heet, de Federal law on bills of exchange and promissory notes (hierna: de 1997 Law).

Nietigheid van de orderbriefjes

4.25.

Promneftstroy voert aan dat de orderbriefjes nietig zijn wegens strijd met de openbare orde. De orderbriefjes kwalificeren ook als mock en sham transacties in de zin van artikel 170 RBW en zijn op die grond nietig althans niet afdwingbaar. De orderbriefjes dienden er toe om te verhullen dat er geld binnen het concern werd rondgepompt dat in wezen Yukos Oils eigen geld betrof. De orderbriefjes hadden niet tot doel daadwerkelijk afdwingbare verbintenissen tussen FPH en Yukos Oil te creëren, maar waren slechts een middel om frauduleus verkregen gelden wit te wassen. Het betrof steeds geld waarover ten onrechte geen of veel te weinig belasting was afgedragen, winsten die feitelijk aan Yukos Oil toebehoorden en bij haar hadden moeten zijn belast. De orderbriefjes waren een middel om Yukos Oil van geld te voorzien en illegale winsten buiten het zicht van de belastingdienst en de minderheidsaandeelhouders te houden. Transacties die ertoe strekken de belastingdienst en minderheidsaandeelhouders te benadelen zijn in rechte niet afdwingbaar. Dergelijke transacties zijn nietig wegens strijd met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden of de openbare orde. Uit de artikelen 166, 167 en 170 RBW volgt dat schijntransacties van rechtswege nietig zijn en dat aan dergelijke transacties geen rechtsgevolgen toekomen, aldus steeds Promneftstroy.

4.26.

In artikel 17 van de 1937 Rules, dat op grond van artikel 77 van toepassing is op orderbriefjes, staat: “Persons sued in respect of a bill of exchange may not oppose the objections of the holder based on their personal relations to the drawer or to previous holders, unless the holder, in acquiring the bill, acted knowingly to the detriment to the debtor”. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 17 van de eenvormige wet, dat luidt: “Persons sued on a bill of exchange cannot set up against the holder defences founded on their personal relations with the drawer or with previous holders, unless the holder, in acquiring the bill, has knowingly acted to the detriment of the debtor.”.

4.27.

De door FPH ingeschakelde deskundige [naam deskundige 1] heeft naar voren gebracht dat orderbriefjes naar Russisch recht een abstract karakter dragen en dat er door het uitgeven van een orderbriefje een nieuwe rechtsverhouding ontstaat die los staat van de onderliggende rechtsverhouding. Ter onderbouwing hiervan heeft [naam deskundige 1] gewezen op voormeld artikel 17 van de 1937 Rules en op hierover geschreven literatuur, die dit standpunt bevestigt. Ook is verwezen naar artikel 147 lid 2 RBW, waarin onder meer is opgenomen: “Refusal to fulfill the obligations certified by the commercial paper or securities, by reliance on the absence of grounds for the obligation or on its invalidity is not permitted”.

De door Promneftstroy ingeschakelde deskundige [naam deskundige 2] (hierna: [naam deskundige 2] ) onderschrijft het abstracte karakter van orderbriefjes naar Russisch recht, maar betwist dat hier in dit geval een beroep op kan worden gedaan, aangezien FPH niet de rechtmatige houder is en zij de orderbriefjes niet te goeder trouw heeft verkregen.

4.28.

Gelet op deze abstrahering doet de (rechtsgeldigheid van de) onderliggende rechtsverhouding tussen de uitgever en degene aan wie of aan wiens order de betaling moet worden gedaan naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake. Een en ander betekent dat verweren die voortvloeien uit de (ongeldigheid van de) onderliggende rechtsverhouding niet kunnen worden gevoerd, tenzij de houder van het orderbriefje bij het verkrijgen ervan bewust ten nadele van de schuldenaar heeft gehandeld. Anders dan Promneftstroy onder verwijzing naar de rapporten van [naam deskundige 2] meent, is dus geen plaats voor beoordeling van de rechtshandeling(en) die aan de uitgifte van de orderbriefjes ten grondslag lag(en).

4.29.

Promneftstroy brengt ter onderbouwing van haar standpunt dat FPH niet te goeder trouw was samengevat naar voren dat sprake was van gelieerde partijen die werden gecontroleerd door dezelfde bestuurders en managers en dat FPH wist althans behoorde te weten, zowel voorafgaand aan als ten tijde van de verkrijging van de orderbriefjes, wat de frauduleuze achtergronden en verhullende doelstellingen waren van de orderbriefjes. FPH heeft gemotiveerd weersproken dat zij bij de verkrijging van de orderbriefjes bewust ten nadele van Yukos Oil heeft gehandeld en dat zij te kwader trouw heeft gehandeld. Volgens haar is onduidelijk waarom zij ten tijde van de verkrijging van de orderbriefjes moest weten dat deze specifieke uitgiftes van de orderbriefjes nietig zouden zijn op de gronden die Promneftstroy aanvoert.

4.30.

De rechtbank overweegt dat ook indien zou komen vast te staan dat deze specifieke orderbriefjes de door Promneftstroy gestelde frauduleuze achtergrond of witwas-strekking zouden hebben en dat FPH daar ten tijde van de verkrijging van de orderbriefjes van op de hoogte was, daarmee nog niet vaststaat dat zij bij de verkrijging ten nadele van Yukos Oil heeft gehandeld.

Ondertekening orderbriefjes

4.31.

Promneftstroy voert daarnaast aan dat de orderbriefjes niet rechtsgeldig zijn ondertekend. De statuten van Yukos Oil bevatten een tweehandtekeningenclausule die betrekking heeft op de onderhavige transacties. De orderbriefjes bevatten slechts één handtekening, namelijk die van [naam hoofd afdeling] . [naam hoofd afdeling] was bovendien niet bevoegd de orderbriefjes namens Yukos Oil te ondertekenen. De orderbriefjes zijn daarom niet rechtsgeldig uitgegeven, aldus Promneftstroy.

4.32.

Artikel 75 van de 1937 Rules luidt: “A promissory note contains: 1) the term “promissory note” included in the actual text and expressed in the language in which this document is drawn up; 2) a straightforward and unconditional promise to pay in a definite amount; 3) an indication of the time of payment; 4) an indication of the place where the payment is to be made; 5) the name of the person, to whom or on whose order payment is to be made; 6) an indication of the date and place of issue of the promissory note; 7) the signature of the person issuing the document (maker)”. Die bepaling is gebaseerd op artikel 75 van de eenvormige wet, dat luidt: “A promissory note contains: (1) The term “promissory note” inserted in the body of the instrument and expressed in the language employed in drawing up the instrument; (2) An unconditional promise to pay a determinate sum of money; (3) A statement of the time of payment; (4) A statement of the place where payment is to be made; (5) The name of the person to whom or to whose order payment is to be made; (6) A statement of the date and of the place where the promissory note is issued; (7) The signature of the person who issues the instrument (maker)”.

Artikel 76 van de 1937 Rules voegt hieraan, voor zover hier van belang, toe dat “a document in which any of the requirements specified in the previous article is lacking shall be invalid as a promissory note (…)”. Die bepaling is gebaseerd op artikel 76 van de eenvormige wet, dat, voor zover hier van belang, luidt: “An instrument in which any of the requirements mentioned in the preceding articles are wanting is invalid as a promissory note (…)”.

4.33.

Artikel 75 van de 1937 Rules bepaalt dus dat een orderbriefje onder meer de handtekening bevat van degene die de titel uitgeeft (de ondertekenaar), bij gebreke waarvan het orderbriefje ingevolge artikel 76 ongeldig is. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit vereiste bij de uitgifte van een orderbriefje door een rechtspersoon mee, dat een orderbriefje ondertekend moet zijn door een persoon die bevoegd is de betreffende rechtspersoon te vertegenwoordigen. Niet is vereist dat het volmachtnummer op het orderbriefje wordt vermeld of dat de originele volmacht aan de vertegenwoordiger van de rechtspersoon die het orderbriefje uitgeeft in deze procedure wordt overgelegd. Voor deze door Promneftstroy bepleite stelling valt geen steun te vinden in de 1937 Rules of de eenvormige wet. In dit geval bevatten alle orderbriefjes de handtekening van [naam hoofd afdeling] . FPH heeft twee volmachten van zowel de president als de CFO van Yukos Oil overgelegd, waarin onder meer is opgenomen dat [naam hoofd afdeling] bevoegd is “to sign notes for which Yukos Oil Company OJSC is the noteholder, to guarantee a note in the name of Yukos Oil Company OJSC, to make endorsements, to accept notes in the name of Yukos Oil Company OJSC, and to perform all actions necessary for making payments on notes presented for payment”. Gelet hierop bevatten de orderbriefjes de handtekening van een persoon die krachtens volmacht bevoegd was Yukos Oil te vertegenwoordigen. Promneftstroy heeft de authenticiteit van de volmachten niet (althans niet voldoende) betwist. De omstandigheid dat in de statuten een tweehandtekeningenregel is opgenomen doet aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [naam hoofd afdeling] niet af. De statuten van Yukos Oil staan er niet aan in de weg dat zowel de President als de CFO een volmacht verstrekken aan dezelfde persoon.

Rechtmatig verkregen en rechtmatig houder?

4.34.

Promneftstroy stelt zich verder op het standpunt dat FPH de orderbriefjes niet rechtmatig heeft verkregen. Zij wijst erop dat Yukos Oil in een persbericht heeft verklaard dat in maart 2006 aan het licht is gekomen dat er door Yukos Oil aan Fargoil uitgegeven orderbriefjes zouden zijn gestolen.

4.35.

Het door FPH betwiste standpunt van Promneftstroy dat de aan de vordering ten grondslag liggende orderbriefjes zijn gestolen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesubstantieerd, nog afgezien van de vraag welke gevolgen hieraan verbonden zouden kunnen worden. Daarvoor is van belang dat de vermeende diefstal ergens in het najaar van 2005 zou hebben plaatsgevonden. FPH heeft, onder verwijzing naar door haar overgelegde (i) Deposit Instructions van eind maart 2004, (ii) Certificates of Delivery and Acceptance of Promissory Notes van Deutsche Bank van 24 en 25 maart 2004 en (iii) facturen van in rekening gebrachte custody fees, voldoende onderbouwd dat zij de orderbriefjes in maart 2004 in bewaring heeft gegeven bij Deutsche Bank. In reactie hierop heeft Promneftstroy geen nadere toelichting gegeven die aanleiding geeft aan deze door FPH gegeven onderbouwing te twijfelen. Dat betekent dat de diefstal niet de onderhavige orderbriefjes kan betreffen, aangezien ervan uitgegaan kan worden dat deze orderbriefjes ten tijde van de diefstal in bewaring bij Deutsche Bank waren.

4.36.

Promneftstroy voert verder aan dat FPH geen rechtmatig houder is van de orderbriefjes, omdat zij niet de originele orderbriefjes onder zich heeft. Volgens Promneftstroy moet FPH de originele orderbriefjes tonen om aanspraak te kunnen maken op betaling, temeer nu gerede twijfel bestaat over de vorderingen. De orderbriefjes zijn immers niet vermeld in de jaarrekening en de interne stukken van Yukos Oil.

4.37.

FPH brengt hiertegen in dat Promneftstroy zich niet met succes kan beroepen op het feit dat FPH niet meer over de originele orderbriefjes beschikt en dat niet vereist is in deze procedure originele orderbriefjes of gewaarmerkte kopieën hiervan te presenteren. FPH wijst erop dat zij niet meer over de originele orderbriefjes kán beschikken, omdat de Russische rechter na afloop van de renvooiprocedure diverse verzoeken om teruggave van de originele orderbriefjes telkens op evident onjuiste gronden heeft afgewezen.

4.38.

Vast staat dat FPH de originele orderbriefjes heeft overgelegd in de Russische renvooiprocedure. In de uitspraak van de Moscow Arbitrazh Court van 4 december 2006 is immers vermeld:

“The claim against the debtor, OAO “Yukos Oil Company”, arose as a result of the issuance by OAO “Yukos Oil Company” of seventy-four promissory notes, the originals of which were included in the case file”.

4.39.

Niet in geschil is dus dat FPH de originele orderbriefjes voorafgaand aan de renvooiprocedures onder zich had. Promneftstroy heeft niet of niet voldoende weersproken dat hier sprake is geweest van een ononderbroken reeks van endossementen, nadat de orderbriefjes na uitgifte in blanco waren geëndosseerd door Yukos-M en Fargoil en overgedragen. Dat betekent dat FPH op grond van artikel 16 van de 1937 Rules, dat op grond van artikel 77 van toepassing is op orderbriefjes, als rechtmatige houder van de orderbriefjes wordt beschouwd. Hierin staat immers:

“The possessor of a bill of exchange is deemed to be its lawful holder if he substantiates his title through a continuous series of endorsements, even if the last endorsement is blank”.

4.40.

Gegeven deze bepaling wordt Promneftstroy niet gevolgd in haar standpunt dat gelet op de blanco endossementen en de omvang van het bedrag op FPH de plicht rustte om na te gaan of verkoper van de orderbriefjes de rechtmatig houder daarvan was.

4.41.

Ingevolge artikel 34 van de 1937 Rules, dat op grond van artikel 77 van toepassing is op orderbriefjes, is een op zicht betaalbaar orderbriefje betaalbaar bij de aanbieding ervan. Aanbieding geschiedt aan de debiteur die het orderbriefje ondertekend heeft (de uitgever). In herinnering wordt gebracht dat de uitgever Yukos Oil is en niet Promneftstroy. In de gegeven omstandigheden heeft de indiening van de originele orderbriefjes in de renvooiprocedure in het faillissement van Yukos Oil, waarin de curator verweer heeft gevoerd, tot gevolg dat de orderbriefjes aan Yukos Oil ter betaling zijn aangeboden. Niet valt in te zien waarom de aanbieding aan de uitgever niet in een gerechtelijke procedure zou kunnen plaatsvinden. Gelet op het faillissement was de renvooiprocedure hiervoor de geëigende plaats.

4.42.

Anders dan Promneftstroy bepleit, betekent de aanbieding ter betaling door overlegging van de originele orderbriefjes in de renvooiprocedure niet, dat FPH niet langer als de rechtmatig houder in de zin van artikel 16 van de 1937 Rules kan worden beschouwd. Deze uitleg zou immers betekenen dat zodra een houder van een orderbriefje deze in rechte overlegt hij geen houder meer zou zijn. Dat is een te enge uitleg van het bepaalde in artikel 16 van de 1937 Rules. Daarbij is nog van belang dat de enige reden dat FPH thans niet meer over de originele orderbriefjes beschikt, is gelegen in de omstandigheid dat de Russische rechter na afloop van de renvooiprocedures heeft geweigerd de originelen terug te geven (zie 2.16). De motivering voor deze weigering is in het licht van het bepaalde in artikel 75 (10) van de Russische Code of Arbitrazh Procedure (op grond waarvan originele documenten na een gerechtelijke procedure teruggegeven dienen te worden) zodanig onbegrijpelijk dat deze niet anders kan worden verklaard dan door een gebrek aan onafhankelijkheid (zie 4.16.15).

4.43.

Ten slotte wordt erop gewezen dat – afgezien van de tussen partijen in geschil zijnde vraag of hier sprake is van een situatie als bedoeld in artikelen 67 en 68 van de 1937 Rules – de 1937 Rules noch de eenvormige wet voorschrijven dat (ook) in de onderhavige procedure de originele orderbriefjes worden overgelegd. Uit de door partijen aangehaalde artikelen 67 en 68 valt niet af te leiden dat uitsluitend onder de in die bepalingen aangehaalde voorwaarden een kopie mag worden overgelegd. In door de Russische hoogste rechters gehanteerde Guidances ziet de rechtbank juist steun voor het bestaan van de mogelijkheid naar Russisch recht tot het overleggen van een kopie, daargelaten hoe deze Guidances precies moeten worden gekwalificeerd. In paragraaf 6 van Resolution No. 33 of the Supreme Court of the Russian Federation, the Plenum of the RF Supreme Arbitration Court No. 14, dated 04/12/2000 On Certain Practical Issues on Considering Disputes Related to the Circulation of Bills of Exchange (hierna: 2000 Guidance) is immers vermeld:

“When considering claims on the execution of obligations in respect of a bill, courts should bear in mind that the plaintiff is obliged to provide the court with an original document on which he is basing his claim, as the exercise of a right certified by a security is only possible after its presentation (Article 142(1) of the Code). The document should be considered genuine if it has a signature in the handwriting of the person, who drew up or accepted the obligation. However, the fact that the plaintiff does not have the bill may not per se serve as grounds for dismissing the claim, if the court establishes that the bill was transferred to the defendant in order to obtain payment and the plaintiff has still not received this payment. The plaintiff is obliged in this case to prove the aforementioned circumstances (article 408(2) of the Code)”.

Vorderingen tenietgegaan?

4.44.

Een volgend argument dat Promneftstroy naar voren brengt, houdt in dat de vorderingen uit hoofde van de orderbriefjes moeten zijn tenietgegaan, omdat deze niet zijn vermeld in de jaarrekening. Indien de jaarrekening niet klopt, staat daarmee de kwade trouw van Yukos Oil en FPH vast. Indien FPH echter van de juistheid van de jaarrekening uitgaat, kan de conclusie geen andere zijn dan dat op enigerlei wijze de vordering uit hoofde van de orderbriefjes al teniet is gegaan door middel van verrekening en/of betaling.

4.45.

FPH betwist dat de vorderingen zijn tenietgegaan. Zij betoogt dat de door Yukos Oil gehanteerde US GAAP Accounting Principles voorschrijven dat indien (klein)dochtervennootschappen worden meegeconsolideerd, transacties tussen Yukos Oil en (klein)dochtervennootschappen wegvallen. Daarom is in de Interim Condensed Consolidated Financial Statements van Yukos Oil van 30 september 2003 de schuld uit de Orderbriefjes niet opgenomen. Ter zitting heeft FPH gesteld dat de orderbriefjes wel degelijk zijn verantwoord in de jaarrekening van Yukos Oil. Hoe zich deze twee standpunten tot elkaar verhouden is de rechtbank niet duidelijk geworden. Het antwoord op de vraag of de vordering uit hoofde van de orderbriefjes in de jaarstukken is verantwoord kan echter in het midden worden gelaten. Hoewel hieraan enige betekenis kan toekomen, vormt het niet vermelden van de schuld in de jaarstukken geen dwingend bewijs dat de vordering is tenietgegaan of niet bestaat. Voor een dergelijke verrekening of betaling zijn geen aanknopingspunten gevonden; integendeel, het standpunt van Promneftstroy dat de orderbriefjes ertoe dienden om Yukos Oil over opbrengsten van de olie te kunnen laten beschikken impliceert juist dat geen verrekening of betaling heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat onvoldoende is gebleken dat de vordering uit hoofde van de orderbriefjes niet (meer) bestaat.

Fusie

4.46.

Promneftstroy betwist dat de vordering is overgegaan bij de fusie van Glendale en FPH.

4.47.

De rechtbank overweegt dat de fusie van Glendale en FPH heeft plaatsgevonden tijdens de onderhavige procedure. Promneftstroy heeft zich niet tegen de partijwissel verzet. Promneftstroy heeft voorts erkend dat het vermogen van Glendale als gevolg van de fusie onder algemene titel is overgegaan naar FPH. Op zichzelf is niet uitgesloten dat Glendale (die is opgegaan in FPH en dus zelf geen vermogensbestanddelen kan hebben behouden) de vordering na aanvang van de onderhavige procedure en vóór de fusie heeft overgedragen aan een derde. Het is echter aan Promneftstroy om voldoende gemotiveerd te stellen dat dit laatste het geval is geweest. Promneftstroy heeft dit nagelaten. Zij heeft aldus niet voldaan aan haar stelplicht. Aan dit verweer wordt daarom voorbijgegaan.

Spionage / artikel 21 Rv

4.48.

Promneftstroy stelt dat binnen het Yukos-concern sprake was van spionagepraktijken die ook na het faillissement van Yukos Oil door bestuurders en managers zijn voortgezet. In deze en andere procedures zijn interne e-mails van Promneftstroy overgelegd die slechts op illegale wijze kunnen zijn verkregen. Dit levert een schending van de goede procesorde op die rechtstreeks tot afwijzing van de vorderingen of niet-ontvankelijkverklaring van FPH dient te leiden. Subsidiair dienen de producties 101 tot en met 115 van FPH als onrechtmatig verkregen materiaal, gelet op het bewuste en systematische karakter van de opdrachten tot het illegaal en onrechtmatig verkrijgen ervan, buiten beschouwing te worden gelaten, aldus steeds Promneftstroy.

FPH weerspreekt deze beschuldiging. Volgens haar is het betreffende materiaal beschikbaar gekomen nadat Renaissance Capital eind 2012 een wijziging in haar aandeelhoudersstructuur onderging.

4.49.

De vraag of het Yukos-concern en/of haar bestuurders en managers zich in het algemeen bedienden van spionagepraktijken hoeft hier niet te worden beantwoord. Mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door FPH is niet komen vast te staan dat in deze procedure stukken zijn overgelegd die op illegale wijze zijn verkregen. Overigens zijn de door Promneftstroy genoemde producties voor de beoordeling van de vorderingen niet relevant, zodat bewijsuitsluiting reeds om die reden niet aan de orde is.

4.50.

Promneftstroy betoogt verder dat FPH in de dagvaarding artikel 21 Rv heeft geschonden door niet te vermelden dat (en waarom) de vordering van FPH in de Russische renvooiprocedure in twee instanties was afgewezen.

4.51.

Vooropgesteld wordt dat de dagvaarding met acht pagina’s summier is te noemen, ook in het licht van de (omvang van de) processtukken die daarna zijn gevolgd. Dat betekent echter niet dat de dagvaarding niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Er is immers vermeld dat de vordering niet is betaald ondanks verzoeken en procedures in de Russische Federatie, dat de Russische rechter heeft geweigerd FPH als crediteur te erkennen en dat daartegen beroep is ingesteld. Ook is ingegaan op de vraag of de Russische beslissing kan worden erkend. Terecht heeft Promneftstroy erop gewezen dat de opmerking in de dagvaarding dat de Russische procedure inzake de erkenning van FPH als schuldeiser nog niet is afgewikkeld onjuist is. Op het moment van dagvaarden op 24 januari 2008 was er immers al een arrest van de hoogste Russische rechter. In zoverre is dus inderdaad in strijd met artikel 21 Rv gehandeld, aangezien de rechtbank op dit punt niet juist en volledig is voorgelicht. Deze schending is echter niet van invloed op de oordeelsvorming in de onderhavige procedure. Evenmin is gebleken dat Promneftstroy hierdoor op enige relevante wijze in haar belangen is benadeeld. Er is in de gegeven omstandigheden geen sprake van een zodanige schending dat hieraan consequenties dienen te worden verbonden.

Rente

4.52.

De door FPH gevorderde verklaring voor recht ziet naast de hoofdsom ook op “de voor deze orderbriefjes geldende rente vanaf de vervaldatum”. Dit betreft volgens FPH drie renteposten, die zij, samengevat weergegeven, als volgt heeft toegelicht.

Artikel 48 lid 1 van de 1937 Rules brengt mee dat de verplichting tot betaling van rente in de eerste plaats ziet op het betalen van rente die in de orderbriefjes is aangegeven ("Note Interest"), zijnde 16 respectievelijk 18%. Deze gaat ingevolge artikel 5 van de 1937 Rules lopen vanaf de datum van uitgifte en moet worden berekend tot de maturity date van de orderbriefjes, in het onderhavige geval 11 oktober 2006 (de datum waarop de orderbriefjes in het faillissement zijn aangeboden). De Note Interest bedraagt gelet hierop RUB 18.207.170.641,45.

Daarnaast dient de schuldenaar over de hoofdsom plus de daarover berekende Note Interest wettelijke rente (artikel 48 lid 2) en boeterente (artikel 48 lid 4) te voldoen. De wettelijke rente en de boeterente gaan lopen vanaf de maturity date. Ingevolge artikel 3 van de 1997 Law gelden voor de wettelijke rente en de boeterente in plaats van de rentetarieven genoemd in leden 2 en 4 van artikel 48 van de 1937 Rules de gewone Russische wettelijke rentetarieven voor deze posten. Per saldo bestaat dus naast de hoofdsom en de Note Interest recht op een bedrag gelijk aan twee maal de wettelijke rente, aldus steeds FPH.

4.53.

FPH heeft een renteberekening van [naam deskundige 1] overgelegd, die gebaseerd is op deze uitgangspunten. Deze door FPH gestelde uitgangspunten zijn niet voldoende weersproken. Promneftstroy heeft in haar conclusie van dupliek slechts verwezen naar het rapport van [naam deskundige 2] , waarin staat dat [naam deskundige 1] de omvang van de vordering en de rente verkeerd heeft berekend. Naar aanleiding hiervan heeft FPH ter zitting verwezen naar een nieuwe renteberekening van [naam deskundige 1] . In deze tweede renteberekening is [naam deskundige 1] ingegaan op de kritiekpunten van [naam deskundige 2] op de eerste renteberekening en heeft hij enkele uitgangspunten dienovereenkomstig aangepast. [naam deskundige 1] komt in zijn tweede renteberekening uit op een totaal verschuldigd bedrag van RUB 213.140.433.867,08 per 1 januari 2019. Hierop is Promneftstroy niet meer ingegaan. Daarmee heeft FPH de door haar gehanteerde renteberekening, conform de tweede renteberekening van [naam deskundige 1] , voldoende onderbouwd.

Conclusie in conventie

4.54.

De gevorderde verklaring voor recht (de hiervoor onder 3.1 onder (ii) weergegeven vordering) is toewijsbaar.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015 en het desbetreffende verweer van Promneftstroy tegen dit onderdeel van de vordering, dient FPH in haar hiervoor onder 3.1 onder (i) weergegeven vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

In het midden kan blijven of Promneftstroy heeft te gelden als verkrijger van de aandelen. Nu het conservatoir beslag reeds was gelegd ten tijde van die (eventuele) verkrijging, kan FPH op de beslagen aandelen verhaal nemen voor de vorderingen. Ook de daarop betrekking hebbende verklaring voor recht (de hiervoor onder 3.1 onder (iii) weergegeven vordering) is derhalve toewijsbaar.

4.55.

Promneftstroy zal als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie aan de zijde van FPH, voor zover deze zijn gemaakt in de procedure tegen Promneftstroy (dus vanaf de akte wijziging van eis van 30 december 2015). De kosten worden begroot op EUR 15.424,00 (vier punten van tarief VIIII ad EUR 3.856,00). De explootkosten van de dagvaarding en het griffierecht blijven voor rekening van FPH nu deze kosten (evenals de beslagkosten) reeds waren gemaakt voordat de procedure werd vervolgd tegen Promneftstroy.

4.56.

De nakosten en de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen zoals hierna, in de beslissing, zal worden vermeld.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad en zekerheidstelling

4.57.

Promneftstroy heeft verzocht het onderhavige vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, aangezien tussentijdse executie van dit vonnis een niet terugdraaibare verkoop van de in beslag genomen aandelen betekent en dus een reëel restitutierisico zal doen ontstaan. Voor zover het vonnis toch uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, verzoekt Promneftstroy daaraan op de voet van artikel 233 lid 3 Rv de voorwaarde te verbinden dat FPH zekerheid stelt door middel van een bankgarantie van EUR 500.000.000,00.

4.58.

De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad heeft bepaald dat toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht een executoriale titel oplevert voor het verhaal op de beslagen aandelen (rechtsoverweging 3.5.7 van het arrest van 13 november 2015). Nu sprake is van een executoriale titel (om de executie te dulden, vergelijk artikel 435 lid 3 Rv) is deze specifieke verklaring voor recht naar het oordeel van de rechtbank vatbaar voor uitvoerbaar bij voorraad verklaring. De rechtbank ziet geen reden om aan de beslissing uitvoerbaarheid bij voorraad te onthouden. In het normale geval dat de beslaglegger (FPH) de eis in de hoofdzaak tegen de beslagene/beslagdebiteur (Yukos Oil) zou hebben kunnen instellen, zou toewijzing van de vordering uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard met de motivering dat FPH er recht op en belang bij heeft het aanzienlijke reeds lang aan haar verschuldigde bedrag daadwerkelijk te ontvangen. De rechtbank ziet in de enkele omstandigheid dat Yukos Oil - buiten toedoen van FPH - is opgehouden te bestaan geen reden om in dit geval (nu de eis in de hoofdzaak is vervolgd tegen de derde-verkrijger van de beslagen aandelen, Promneftstroy) anders te oordelen over de uitvoerbaarheid bij voorraad.

4.59.

Ook het verzoek om zekerheidstelling zal worden afgewezen. Verkoop van de inbeslaggenomen aandelen kan bovendien eerst plaatsvinden nadat daartoe verlof van deze rechtbank is verkregen (artikel 704 in samenhang met 474g Rv). In die procedure kan eventueel als voorwaarde zekerheidstelling worden bevolen, waarbij – gezien de te verwachten datum waarop de Hoge Raad uitspraak zal doen – mogelijk ook rekening kan worden gehouden met de uitkomst van de Halloween-procedure.

in reconventie

4.60.

Nu in conventie is geoordeeld dat de vorderingen waarvoor het beslag is gelegd toewijsbaar zijn, is voor opheffing van het conservatoir beslag geen plaats. In het midden kan blijven of FPH in haar beslagrekest artikel 21 Rv heeft geschonden. Ook indien dat zo zou zijn, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. In de omstandigheden van dit geval staat niet vast dat het beslagverlof niet zou zijn verleend indien de gegevens zouden zijn vermeld die Promneftstroy in het beslagrekest mist, zodat opheffing van het beslag de rechtbank niet geraden voorkomt. Evenmin is gebleken van andere opheffingsgronden. Afweging van de wederzijdse belangen leidt niet (alsnog) tot het oordeel dat het gelegde beslag dient te worden opgeheven.

4.61.

De vordering in reconventie zal worden afgewezen. Promneftstroy zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie, aan de zijde van FPH tot op heden begroot op EUR 3.856,00 (factor 0,5 x twee punten van tarief VIII ad EUR 3.856,00).

4.62.

De nakosten en de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen zoals hierna, in de beslissing, zal worden vermeld.

5 De beoordeling in de tussenkomst

5.1.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.54 is overwogen, heeft Promneftstroy haar hiervoor onder 3.4 weergegeven primaire vordering onder (i) op zichzelf terecht ingesteld, maar heeft zij daarbij geen belang meer. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld, zullen ook de hiervoor onder 3.4 weergegeven primaire vorderingen onder (ii) en (iii) en de aldaar weergegeven subsidiaire vordering worden afgewezen.

5.2.

Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in de tussenkomst worden gecompenseerd in die zin iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beoordeling in de incidenten

6.1.

Uit hetgeen hiervoor in 4.43 is overwogen vloeit voort dat de hiervoor onder 3.10 onder (c) (ii) weergegeven incidentele vordering dient te worden afgewezen. Geoordeeld is immers dat FPH niet gehouden is de originele orderbriefjes en endossementen in het geding te brengen.

6.2.

Ter beoordeling ligt verder nog voor (een deel van) de hiervoor onder 3.10 onder (c) (i) weergegeven vordering.

De in hoofdstuk 5 van de incidentele conclusie van 16 maart 2016 van Promneftstroy vermelde bescheiden zijn de volgende:

a. de originele volmacht, althans een gelegaliseerde kopie daarvan, op grond waarvan [naam hoofd afdeling] de bevoegdheid had de orderbriefjes namens Yukos Oil rechtsgeldig te ondertekenen;

b. volledig zichtbare afschriften van gepubliceerde en niet gepubliceerde ongeconsolideerde en geconsolideerde jaarstukken van Yukos Oil vanaf 2003 tot aan faillissement, zoals die zijn opgesteld (i) onder de Russische accountancyregels en (ii) onder de generally accepted principles (GAAP);

c. de processtukken en producties in de arbitrageprocedure die FPH en/of haar dochters en/of Glendale op 16 maart 2016 voerde/voeren tegen de Russische Federatie en die zin op de vraag of de Russische Federatie FPH (indirect) zou hebben onteigend doordat zij haar investering (voor zover bestaande uit orderbriefjes via Glendale) heeft verloren;

d. volledig zichtbare afschriften van ongeconsolideerde en geconsolideerde jaarstukken van Glendale vanaf 2004 tot en met 16 maart 2016;

e. volledig zichtbare afschriften van de aanstellingsbesluiten van de bestuurders van Glendale vanaf 2004 tot en met 16 maart 2016;

f. volledig zichtbare afschriften van bankafschriften van Glendale betreffende de maand maart 2004, althans de periode 12 maart 2004 tot en met 31 maart 2004;

g. alle vergunningen, aanvragen daartoe en/of aangiftebewijzen die door de Russische Centrale Bank en/of andere overheidsinstellingen zijn verstrekt en die verband houden met de orderbriefjes;

h. de schikkingsovereenkomst die is gesloten met Rosneft en (onder meer) Glendale;

i. alle bijlagen bij het Rehabilitatieplan;

j. het volledige procesdossier van de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Arbitrazh rechtbank in Moskou op 27 november 2006 en de daartegen door Glendale – tevergeefs – ingestelde beroepen.

Promneftstroy vordert voorts afschrift van de administratie en bescheiden van FPH die zien op Yukos Oil, althans op de vorderingen die FPH in dit geding stelt te hebben op Yukos Oil.

6.3.

FPH voert verweer.

6.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Aan Promneftstroy kan worden toegegeven dat het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015 haar in een bijzondere processuele positie heeft geplaatst. Daar staat tegenover dat Promneftstroy reeds in haar eerste processtuk, de van 4 februari 2009 daterende incidentele conclusie tot tussenkomst ex artikel 217 Rv, naar voren heeft gebracht dat zij “stellig van mening” was dat de vordering van Glendale/FPH op Yukos Oil niet bestond. Promneftstroy heeft die mening vervolgens gehandhaafd en met argumenten en producties toegelicht en onderbouwd. In die zin is de positie van Promneftstroy door het arrest van de Hoge Raad niet wezenlijk veranderd. Er is dan ook geen aanleiding om Promneftstroy in het kader van het onderhavige incident bijzondere aanspraken toe te kennen. Dit geldt te meer waar in het voorgaande aan Promneftstroy geen bewijsopdracht is gegeven (en Promneftstroy zich dus ook niet op bewijsnood kan beroepen). Een deel van de door Promneftstroy verlangde bescheiden is in het voorgaande reeds behandeld en afgedaan. Voor het overige weerlegt Promneftstroy niet voldoende het verweer van FPH, houdster van niet aan haar uitgegeven orderbriefjes, dat zij (van de verlangde bescheiden) alle haar ter beschikking staande bescheiden in het geding heeft gebracht. Promneftstroy maakt voorts, tegenover de gemotiveerde betwisting van FPH, niet voldoende duidelijk welk rechtmatig belang zij heeft bij de volgens haar nog ontbrekende bescheiden. De vordering zal worden afgewezen.

6.5.

Promneftstroy zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van (de diverse onderdelen van) het incident, tot dit vonnis begroot op EUR 543,00 (een punt, tarief II). De niet weersproken gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar.

6.6.

Ter beoordeling liggen voorts nog voor de hiervoor onder 3.11 weergegeven vorderingen.

6.7.

Die vorderingen zijn slechts voor zover het de kosten van het incident betreft (mede) gericht tegen FPH en voor het overige tegen Yukos Capital. Promneftstroy heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door FPH, geen gronden aangevoerd voor veroordeling van FPH in de kosten van het in wezen slechts tegen Yukos Capital gerichte incident. De vordering zal daarom worden afgewezen. Promneftstroy zal worden veroordeeld in de kosten van het incident, tot dit vonnis aan de zijde van FPH begroot op nihil. De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals hierna, in de beslissing, zal worden vermeld.

7 De beslissing

De rechtbank:

in conventie

7.1.

verklaart FPH niet-ontvankelijk in haar tegen Yukos Oil gerichte vordering,

7.2.

verklaart voor recht dat de vordering van FPH uit de orderbriefjes genoemd in de overeenkomsten van 12 en 15 maart 2004 en als vermeld in paragraaf 5 van de dagvaarding tot betaling van RUB 46.294.209.319,00 (zesenveertig miljard tweehonderdvierennegentig miljoen tweehonderdnegenduizend driehonderdnegentien Russische roebel), te vermeerderen met de voor deze orderbriefjes geldende rente vanaf de vervaldatum tot aan de dag der algehele betaling, toewijsbaar is,

7.3.

verklaart voor recht dat FPH ter voldoening van haar onder 7.2 vermelde vordering verhaal kan nemen op de door haar beslagen aandelen in Yukos Finance,

7.4.

veroordeelt Promneftstroy in de kosten van het geding, tot dit vonnis aan de zijde van FPH begroot op EUR 15.424,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

7.5.

verklaart de verklaringen voor recht en de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

7.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.7.

wijst de vorderingen af,

7.8.

veroordeelt Promneftstroy in de kosten van het geding, tot dit vonnis aan de zijde van FPH begroot op EUR 3.856,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

7.9.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de tussenkomst

7.10.

wijst de vorderingen af,

7.11.

compenseert de kosten van het geding in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt,

in de incidenten

7.12.

wijst de vorderingen af,

7.13.

veroordeelt Promneftstroy in de kosten van het geding, tot dit vonnis aan de zijde van FPH begroot op EUR 543,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,

7.14.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in conventie, in reconventie en in de incidenten

7.15.

veroordeelt Promneftstroy in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op EUR 246,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Promneftstroy niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met EUR 82,00 aan salaris advocaat en de kosten van het exploot van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over deze bedragen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

7.16.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, mr. C. Bakker en mr. M.E.M. James-Pater, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2018.