Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:860

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
13/752125-17
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

overlevering Duitsland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752125-17

RK-nummer: 17/7970

Datum uitspraak: 13 februari 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 december 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 15 november 2017 door de officier van justitie van het Kantongerecht Keulen (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[Opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1981,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres]

thans gedetineerd in het [detentieplaats] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 januari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. C.J.B. Rijser, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Turkse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Turkse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van 28 oktober 2017 uitgevaardigd door het Kantongerecht Keulen (dossiernummer 501 Gs 2759/17).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. Het advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 24 januari 2018, inhoudende dat ten aanzien van de opgeëiste persoon de verwachting bestaat dat hij zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel, betreft een voorlopig advies en is te ongewis voor een ander oordeel. Er dient een terugkeergarantie verstrekt te worden, bij gebreke waarvan de overlevering geweigerd dient te worden.

De officier van justitie heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verwezen naar de brief van de IND van 24 januari 2018. De opgeëiste persoon kan, nu de verwachting is dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest, niet gelijk worden gesteld met een Nederlander waardoor er ook geen terugkeergarantie vereist is.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit genoemde brief van de IND blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 14 september 2004 in het bezit is van een reguliere verblijfsvergunning. Met ingang van 2 november 2009 heeft hij een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, met de aantekening: ‘langdurig ingezetene EU’. Het is niet aan de overleveringsrechter om ten gronde te beoordelen of de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest als gevolg van een veroordeling voor de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Deze beoordeling zal eventueel op een later moment geschieden door de Minister van Veiligheid en Justitie. De vreemdelingenrechter zal in voorkomende gevallen deze beoordeling ten gronde toetsen.

In het geval van de beoordeling van het verlies van het verblijfsrecht heeft de wetgever de overleveringsrechter opgedragen hierover een ‘voorlopig’ oordeel te geven. De overleveringsrechter kan en moet zich beperken tot de vraag of de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. In de praktijk heeft deze toets vorm gekregen doordat de officier van justitie de IND laat beoordelen of deze verwachting bestaat. De overleveringsrechter baseert zich vervolgens op de beoordeling door de IND bij die voorlopige toetsing. Dit brengt mee dat zowel het advies van de IND als de door de rechtbank uit te voeren toets een voorlopig karakter dragen.

In de onderhavige zaak geldt dat de IND in de brief van 24 januari 2018 heeft aangegeven dat de opgeëiste persoon in Nederland transacties heeft geaccepteerd en een werkstraf opgelegd heeft gekregen. Uitgaande van de door de Duitse justitie gezochte veroordeling, concludeert de IND vooralsnog dat het verblijfsrecht zeer wel mogelijk zal kunnen worden beëindigd. De opgeëiste persoon is als een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang te beschouwen. De fictieve eis van het Openbaar Ministerie is een gevangenisstraf tussen vijf en zes jaar. De toets aan artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit staat niet aan verblijfsbeëindiging in de weg. Bij een nieuwe veroordeling is de opgeëiste persoon een veelpleger en dan overschrijdt hij de hoogste norm van 60 à 72 maanden gevangenisstraf zeer ruim. Ook de Duitse veroordeling op zichzelf is voldoende voor intrekking: de norm van lid 3 (30 maanden) wordt eveneens overschreden. Het tiende lid, dat een extra eis stelt als het verblijf al langer dan 10 jaar duurt, staat de intrekking toe omdat er een zeer ernstig drugsdelict aan de orde is.

Uit de voornoemde brief van 24 januari 2018 blijkt voorts dat de IND de omstandigheid dat de opgeëiste persoon een gezin en een bedrijf heeft in Nederland bij het voorlopig advies heeft betrokken. Dit is echter geen omstandigheid die zich op voorhand verzet tegen verblijfsbeëindiging.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze brief van de IND niet kan worden gezegd dat de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon niet zijn verblijfsrecht zal verliezen ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Daarmee voldoet de opgeëiste persoon niet aan één van de vereisten van artikel 6, vijfde lid, van de OLW en kan hij geen aanspraak maken op de in artikel 6, eerste lid, van de OLW bedoelde waarborg. Een terugkeergarantie hoeft door de officier van justitie dan ook niet te worden aangevraagd.

Het verweer wordt verworpen.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    de vervolging is in Duitsland aangevangen;

  • -

    de bewijsmiddelen bevinden zich op Duits grondgebied;

  • -

    de overdracht van de verdovende middelen heeft in Keulen plaatsgevonden.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Duitse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en 2, 5, 6, 7, 13 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [Opgeëiste persoon] aan de officier van justitie van het Kantongerecht Keulen ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. J. Edgar en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 februari 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]