Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8567

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
08-11-2019
Zaaknummer
13/751972-17
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Vervolging België: genoegzaamheid-verweer en detentieomstandigheden-verweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751972-17

RK-nummer: 17/7283

Datum uitspraak: 28 september 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 26 oktober 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 20 september 2017 door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1975,

verblijvend op het [adres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 19 juni 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. T. Deckwitz, advocaat te Den Bosch.

De rechtbank heeft op 19 juni 2018 de behandeling aangehouden tot 19 juli 2018 om 15:00 uur, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een terugkeergarantie bij de uitvaardigende justitiële autoriteit op te vragen.

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 19 juli 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie M. Diependaal.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door bovengenoemde raadsman.

De rechtbank heeft op 19 juli 2018 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Bij tussenuitspraak van 2 augustus 2018 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst in verband met de recente ontwikkelingen in België met betrekking tot de detentieomstandigheden aldaar.

Het onderzoek is hervat op de openbare zitting van 14 september 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich wederom doen bijstaan door bovengenoemde raadsman.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van 20 september 2017 uitgevaardigd door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van België strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en in de brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 17 januari 2018. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel en van deze brief zijn als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Genoegzaamheid

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het EAB niet voldoet aan de vereisten van artikel 2 OLW.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat de rol van de opgeëiste persoon bij het derde feit niet is gespecificeerd. Daarnaast heeft de raadsman erop gewezen dat de uitvaardigende justitiële autoriteit geen e-mailadres heeft opgegeven.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

De opgeëiste persoon wordt er – kort gezegd – van verdacht medepleger te zijn van de teelt van cannabis, het bezit van cannabis en de diefstal van elektriciteit ten behoeve van de cannabisteelt, zoals de Belgische justitiële autoriteit – inclusief pleegperiode en pleegplaatsen – heeft omschreven in het EAB en in de brief van 17 januari 2018.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de feiten met deze omschrijving genoegzaam zijn omschreven. Ook de omstandigheid dat de uitvaardigende justitiële autoriteit geen e-mailadres heeft opgegeven, maakt niet dat de informatie ongenoegzaam is. Het verweer wordt verworpen.

5 Strafbaarheid

5.1.

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het eerste en tweede feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit deze strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.2.

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het derde feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel heeft op 16 januari 2018 de volgende garantie gegeven:

Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon] ( [geboortedag] 1975).

Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

De onder 5 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

  • -

    Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

  • -

    Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

  • -

    Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    Het onderzoek is in België aangevangen;

  • -

    Het bewijs bevindt zich in België;

  • -

    De hennepplantage en de verdovende middelen werden in België aangetroffen.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Belgische autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Detentieomstandigheden in België

8.1.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft bepleit dat de overlevering dient te worden geweigerd, dan wel dat het onderzoek moet worden aangehouden wegens een dreigend gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden in Belgische gevangenissen. De raadsman heeft daartoe het volgende naar voren gebracht.

In haar e-mail van 11 juli 2018 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit erkend dat in het geval van stakingen niet kan worden gegarandeerd dat de detentieomstandigheden zullen beantwoorden aan de eisen van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). De media hebben blijk gegeven van aankomende stakingen binnen het gevangeniswezen. Op 28 september 2018 staat een betoging gepland in Brussel en uit een persbericht gedateerd 28 augustus 2018 blijkt dat de sociale vakbond ABVV/FGTB een oproep doet om deel te nemen aan een actiedag op 2 oktober 2018. Een inhumane behandeling in de Belgische gevangenissen kan op dit moment dan ook niet worden uitgesloten.

8.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van het verweer en zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de detentieomstandigheden verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 14 augustus 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5938. Daar is geoordeeld dat er op dat moment geen sprake was van stakingen en dat de kans daarop ook niet meer reëel was, waardoor er geen sprake was van een toestand die strijdig is met artikel 4 van het Handvest. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen over de huidige detentieomstandigheden in België. Daarvoor is van belang dat de verstrekte informatie betrekking heeft op betogingen en niet op stakingen. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Het Openbaar Ministerie heeft uitgesproken bij de feitelijke overlevering rekening te houden met een eventuele nieuwe staking. Voor zover er sprake zal zijn van stakingen na de uitspraak van de rechtbank en voor de feitelijke overlevering zal de opgeëiste persoon zich tot de officier van justitie kunnen wenden teneinde - zo nodig in rechte - te bewerkstelligen dat de feitelijke overlevering wordt opgeschort.

9 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47 en 311 Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

11 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. M.C.P. de Ridder en I. Verstraeten-Jochemsen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 28 september 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.