Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8473

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1777
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Raad voor Rechtsbijstand mocht weigeren om 50 uur extra rechtsbijstand te vergoeden voor de verdediging van een man die wordt verdacht van het ondersteunen van IS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/1777

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

mr. [eiseres], te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F. Dölle),

en

Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: drs. C.W. Wijnsta).

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 22 augustus 2017 om 50 extra uren aan de zaak van eiser te mogen besteden afgewezen.

Bij besluit van 30 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2018. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser wordt ervan verdacht dat hij op sociale media berichten heeft geplaatst ter ondersteuning van Islamitische Staat (IS). Eiser is daarom verspreiding van opruiend materiaal ten laste gelegd en deelname aan een terroristische organisatie. Eiseres is eisers advocaat in de strafzaak en heeft bij verweerder om 50 extra uren gevraagd voor de behandeling van de zaak van eiser.

2. Verweerder heeft de aanvraag in het primaire besluit afgewezen. Hij geeft daarin aan dat hij zich bewust is van de ernst van het feit dat eiser ten laste is gelegd, maar dat in dit stadium van de zaak nog niet gesproken kan worden van een bewerkelijke zaak. Als er zich op korte termijn ontwikkelingen voordoen, kan eiseres een nieuwe aanvraag doen.

3. Het primaire besluit heeft verweerder gehandhaafd in het bestreden besluit onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor Bezwaar van de Raad voor Rechtsbijstand (bezwaarcommissie) van 26 januari 2018.

Omvang van het geschil

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een aanvraag om extra uren moet worden beoordeeld naar het moment van indiening van die aanvraag. Eisers hebben dit niet betwist. Dit standpunt is in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 november 2015.1 Het geschil spitst zich dus toe op de vraag of de door eisers bij de aanvraag genoemde werkzaamheden op dat moment naar verwachting in redelijkheid nog moesten worden verricht en of daarmee sprake was van een bewerkelijke zaak waarvoor extra uren moeten worden vergoed.

5. Bij de beantwoording van de vraag of de aanvraag ziet op een bewerkelijke zaak heeft verweerder beslissingsruimte. Dit moet de rechtbank daarom terughoudend toetsen.

Was sprake van een complexe zaak?

6. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een bewerkelijke zaak. De zaak is feitelijk en juridisch complex. De feitelijke complexiteit blijkt uit de omvang van het dossier, de vele processuele handelingen die hebben plaatsgevonden, de ernst van het ten laste gelegde feit, onderzoek naar de laptop en telefoon van eiser door het OM en de verdediging, de vele onderzoekswensen van de verdediging en meerdere inhoudelijke zittingen. De juridische complexiteit blijkt uit de samenvoeging van de ten laste gelegde feiten opruiing en deelname aan een terroristische organisatie en de omstandigheid dat eiser uit IS-gebied komt.

7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat ten tijde van het verzoek op 22 augustus 2017 nog niet gesproken kon worden van een feitelijke of juridisch complexe zaak. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder en overweegt daartoe als volgt.

8. Op het moment van de aanvraag was een groot deel van de door eisers gestelde omstandigheden nog niet aan de orde. Zoals verweerder heeft aangegeven was nog geen sprake van een omvangrijk dossier. Ook hadden op dat moment nog geen inhoudelijke zittingen plaatsgevonden. De zittingen die plaats hadden gehad waren in het kader van de voorlopige hechtenis van eiser. Hetzelfde geldt voor de door eisers aangevoerde processuele handelingen. Het onderzoek naar de laptop en telefoon van eiser door het OM is nog niet afgerond en uit het proces-verbaal algemeen dossier blijkt dat dit nog tot eind 2018 kan duren. Van een tegenonderzoek is ook nog geen sprake. Verder waren en zijn de onderzoekswensen van eisers nog niet ingediend, althans daarover blijkt niets uit het dossier. Op het moment van de aanvraag speelde vooral de voorlopige hechtenis van eiser. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat handelingen ten aanzien van de voorlopige hechtenis onder het forfait vallen, onder verwijzing naar zijn Werkinstructie extra uren in strafzaken.2 De rechtbank ziet niet in dat de ernst van het ten laste gelegde feit op zichzelf al maakt dat sprake is van een juridisch complexe zaak. Verweerder heeft daarom in redelijkheid kunnen beslissen dat geen sprake was van een feitelijk complexe zaak. Dit geldt ook voor de juridische complexiteit. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht was op het moment van de aanvraag nog onvoldoende duidelijk tegen welke feiten eiser zich tegen moest verdedigen. De beroepsgronden slagen daarom niet.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van E.P.W. Kwakman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 ECLI:NL:RVS:2015:3445.

2 Gepubliceerd op www.kenniswijzer.rvr.org.