Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8425

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
13/650587-16 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 27-jarige man krijgt 9 maanden gevangenisstraf omdat hij in 2015, toen hij als uitzendkracht bij de ING bank in Amsterdam werkte, 125.500 euro verduisterde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650587-16 (Promis)

Datum uitspraak: 27 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres,

[adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 november 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. Hara en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R. Offermans naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 7 mei 2015 tot en met 7 augustus 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk 125.500 euro, in elk geval enig geldbedrag, dat geheel of ten dele toebehoorde aan ING Bank N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk geldbedrag verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als externe medewerker (uitzendkracht) bij de Afdeling OS/Betalen/Klachten en Verschillen van ING Bank N.V., in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Verdachte was vanaf 9 februari tot en met 10 augustus 2015 werkzaam als uitzendkracht bij de ING Bank N.V. (hierna: de ING) op de afdeling OS/Betalen/Klachten en Verschillen. Verdachte was onder meer verantwoordelijk voor het overboeken van verschillen met betrekking tot transacties gedaan via geldstortautomaten.

Deze overboekingsprocedure werkt als volgt. Indien een verschil ontstaat tussen een gestort bedrag en het door het automaat geregistreerde bedrag, kan het bedrag naar aanleiding van een klacht van de klant worden vergoed. Een tweede optie is dat de verschillen pro-actief worden vergoed. Dit gebeurt wanneer een medewerker van de ING zelf een verschil constateert zonder dat hier een klacht van een klant aan vooraf is gegaan. Het pro-actief vergoeden wordt gedaan door allereerst een formulier aan te maken met de details van het incident in het systeem KLARA. Vervolgens komt het formulier met de betaalopdracht via het systeem PLAISIR in de PLAISIR-bak terecht. Hierna moet de betaalopdracht worden goedgekeurd en uitgevoerd, eveneens via het systeem PLAISIR. De ING heeft mede gedeeld dat de laatste goedkeuringen in PLAISIR ‘blind’ worden getekend. Alle handelingen in zowel KLARA als PLAISIR worden geregistreerd door middel van een Corporate Key. Deze Corporate Key is een uniek persoons-gebonden nummer dat is gekoppeld aan één medewerker. Wanneer de gehele procedure is door-lopen, wordt betaald vanaf een tussenrekening van de ING en krijgt de klant het geldbedrag op zijn of haar ING-rekening gestort.

De ING heeft geconstateerd dat in de periode van 7 mei 2015 tot en met 10 augustus 2015 in totaal 24 frauduleuze boekingen zijn verricht voor een totaalbedrag van € 125.500. Hierbij is gebruik gemaakt van de ING-rekeningen van 23 verschillende personen. Bij iedere overboeking is de Corporate Key van verdachte gebruikt. Naar aanleiding hiervan is een onderzoek gestart en heeft de ING aangifte gedaan tegen verdachte.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De officier van justitie baseert haar standpunt onder meer op de aangifte van de ING, waaruit blijkt dat bij de frauduleuze overboekingen de Corporate Key van verdachte is gebruikt en de desbetreffende bankrekeningen zonder zakelijk doel meermalen door de Corporate Key van verdachte zijn geraadpleegd. Daarnaast heeft de officier van justitie ook verwezen naar de belastende verklaringen van de medeverdachten en het relatieschema waaruit blijkt dat de medeverdachten (de zogenaamde ‘geldezels’) zich in het netwerk van verdachte bevinden.

4.3

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft primair verwezen naar het door verdachte geschetste alternatieve scenario. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard het wachtwoord van zijn Corporate Key te hebben gegeven aan collega [naam collega 1] . Verdachte heeft dit mondeling gedaan, terwijl op dat moment ook collega [naam collega 2] in dezelfde ruimte aanwezig was. [naam collega 2] zou ook banden hebben met een aantal mensen uit het relatieschema. Mogelijk hebben [naam collega 1] en/of [naam collega 2] de frauduleuze betaalopdrachten aangemaakt met de Corporate Key van verdachte.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is van verduistering, omdat verdachte niet het geld van de ING onder zich heeft gehad. Verdachte zou slechts de betaalopdracht in het systeem KLARA hebben aangemaakt en niet zelf de overboeking in het systeem PLAISIR hebben verwerkt. Verdachte is slechts één van de vier personen in de keten, die alleen tezamen een overboeking kunnen laten plaatsvinden. Ook om deze reden zou volgens de raadsman vrijspraak moeten volgen.

4.4

Oordeel van de rechtbank

Bewijsoverweging

Uit de aangifte blijkt dat alle 24 frauduleuze betaalopdrachten met de Corporate Key van verdachte in het systeem KLARA zijn aangemaakt. Het betreft iedere keer bedragen tussen de € 1.000,- en € 9.000,-, welke vanuit een tussenrekening van de ING aan een medeverdachte is overgemaakt. Bij medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] zijn ook de loggegevens uit Kijkglas in het dossier gevoegd, waaruit blijkt dat met de Corporate Key van verdachte een spoedbetaling is aangemaakt. Voorts blijkt uit bijlage J van de aangifte dat de Corporate Key van verdachte middels het systeem Kijkglas meerdere malen bankrekeningen waar de frauduleuze overboekingen hebben plaatsgevonden, heeft geraadpleegd op de dag van de overschrijving en in de dagen erna. Voor deze raadplegingen bestond geen enkel zakelijk doel.

Vervolgens is het werkstation van verdachte door de ING onderzocht. Op het bureaublad is een zogenoemde ‘sticky note’ aangetroffen. Deze bevat zeven rekeningnummers met daarbij de aantekening: “Bijgaand de dwingende incasso’s voor vandaag.” Deze rekeningnummers zijn allen gebruikt voor de laatste zeven frauduleuze overboekingen tussen 3 en 7 augustus 2015.

Opmerkelijk is dat in de laatste drie weken van juli 2015, geen enkele frauduleuze transactie met de Corporate Key van verdachte heeft plaatsgevonden. Gebleken is dat verdachte in die periode met vakantie was.

22 van de 23 medeverdachten zijn gehoord. Uit de verklaringen van medeverdachten en het relatieschema blijkt dat veel medeverdachten elkaar kennen en dat alle personen tot het sociale netwerk van verdachte behoren. De rechtbank vindt met name de volgende verklaringen van belang. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 10] hebben allen verklaard dat zij benaderd werden door een jongen genaamd ‘ [naam 1] ’, ‘ [naam 2] ’ of ‘ [naam 3] ’ die bij de ING zou werken en aan hen een lening zou kunnen verstrekken. Niet lang na dat gesprek ontdekten zij dat door de ING een paar duizend euro naar hun rekening was overgemaakt. Dit hoefden zij van [verdachte] niet terug te betalen. [medeverdachte 11] heeft verklaard dat haar beste vriend [medeverdachte 12] haar heeft gevraagd of zij haar rekening aan hem ter beschikking wilde stellen omdat hij voor zijn onderneming snel geld gestort kon krijgen via de ING. Dit geld zou worden overgemaakt door [verdachte] . Pas later begreep [medeverdachte 11] dat sprake zou zijn van een frauduleuze overboeking. [medeverdachte 12] heeft toegezegd met verdachte te gaan praten en heeft hierna screenshots van een WhatsApp-gesprek naar [medeverdachte 11] gestuurd waarin over de rol van verdachte wordt gesproken. In het WhatsApp-gesprek met de contactpersoon ‘ [naam contactpersoon] ’ worden de contactgegevens van ‘ [verdachte] ’ gedeeld nadat wordt gesproken over de problemen die [medeverdachte 11] heeft ondervonden met de ING naar aanleiding van de frauduleuze storting. Even verder op in het gesprek wordt gezegd: “Heb [verdachte] gevraagd of ie het nog had maar hij heeft alleen fotos er nog van anders kon ik het morgen meenemen.” Hierop antwoordt [naam contactpersoon] : “En dan zorgen jij en [verdachte] dat dat geld dat jullie via haar hebben doorgesluisd terug komt en dit betaald wordt.”

Alternatief scenario

Verdachte heeft bij de ING en later bij de politie een verklaring afgelegd, waarin hij stelt dat hij is ‘genaaid door zijn collega’s’. Hij noemt in dat verband alleen de naam van zijn collega [naam collega 1] en stelt dat zij mogelijk met zijn Corporate Key heeft gefraudeerd. Gebleken is dat bijna alle medeverdachten jonge, Turkse personen betreffen die net als verdachte in [woonplaats] wonen. Verdachte is ter terechtzitting geconfronteerd met de vraag hoe het kan dat [naam collega 1] kennis zou hebben van personen die in het netwerk van verdachte zitten. Verdachte komt dan pas met de verklaring dat hij collega [naam collega 2] (eveneens van Turkse komaf) verdenkt van fraude, omdat [naam collega 2] ook enkele van de medeverdachten kent en een aantal van deze personen geen goede band (meer) met verdachte heeft. Zij zouden verdachte mogelijk in een kwaad daglicht willen stellen en ten onrechte zijn naam hebben genoemd. Het dossier bevat volgens de rechtbank echter geen aanknopingspunten voor dit alternatieve scenario. Dit geldt vooral omdat verdachte geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat gedurende de periode dat hij in de zomer van 2015 met vakantie was geen frauduleuze boekingen hebben plaatsgevonden en evenmin kan verklaren waarom op zijn werkplek een digitale ‘sticky note’ is aantroffen met een de laatste zeven rekeningnummers die gebruikt zijn bij de frauduleuze overboekingen. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het door verdachte geschetste alternatieve scenario niet geloofwaardig en gaat er van uit dat het verdachte is geweest die alle 24 frauduleuze overboekingen heeft verricht.

Kwalificatie

De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat de frauduleuze overboekingen niet als verduistering kunnen worden gekwalificeerd, omdat verdachte het geld niet onder zich heeft gehad.

De rechtbank stelt voorop dat voor verduistering zal moeten worden bewezen dat verdachte zich een goed heeft toegeëigend dat hij al onder zich had en op legale wijze is verkregen. Voor ‘anders dan door misdrijf onder zich hebben’ is nodig een toevertrouwen of een rechtsverhouding waaruit noodzakelijkerwijs voortvloeit dat de verdachte de voorwerpen onder zich had (HR 23 maart 1999, NJ 1999/403 (https://www.navigator.nl/document/id3419990323109988nj1999403dosred)). Niet is vereist dat de verdachte het goed dat hij zich heeft toegeëigend op grond van een rechtsverhouding onder zich had (ECLI:NL:HR:2011:BQ1972).

Verdachte was als medewerker op de afdeling OS/Betalen/klachten & Verschillen van de ING verantwoordelijk voor het invoeren en controleren van boekingen. Verdachte had met zijn Corporate Key toegang tot het proces om deze boekingen te laten plaatsvinden. Zo kon verdachte in het systeem KLARA betaalopdrachten maken die, na controle, zouden worden betaald met de tussenrekening van de ING. Het geld van de ING had verdachte uit hoofde van die rechtsverhouding onder zich. De rechtbank acht het niet van belang dat verdachte onderdeel was van een keten of waar verdachte zich in die keten bevond. Uit hoofde van zijn dienstbetrekking had verdachte, direct dan wel indirect, beschikking en beheer over het geld op de tussenrekeningen van de ING en heeft ervoor gezorgd dat dit giraal werd overgemaakt aan de medeverdachten. Verdachte is daarmee als heer en meester over het geld gaan beschikken en heeft het geld zich wederrechtelijk toegeëigend. Daarmee is de verduistering gegeven.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 7 mei 2015 tot en met 7 augustus 2015 te Amsterdam, opzettelijk 125.500 euro, dat toebehoorde aan ING Bank N.V. en welk geldbedrag verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als externe medewerker (uitzendkracht) bij de Afdeling OS/Betalen/Klachten en Verschillen van ING Bank N.V., anders dan door misdrijf, onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigings-grond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, rekening houdend met overschrijding van de redelijke termijn, gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van één jaar én een taakstraf van tweehonderd uren.

8.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd zich te kunnen vinden in de strafeis van de officier van justitie. De raadsman is van mening de redelijke termijn is overschreden en heeft de rechtbank tevens verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft een totaalbedrag van € 125.500,- verduisterd. Verdachte heeft daarmee de ING financiële schade toegebracht en heeft daarmee ook indirect andere rekeninghouders benadeeld. Het handelen van verdachte heeft tevens niet alleen gevolgen voor hemzelf, maar ook voor de 23 medeverdachten die direct of indirect bij de fraude betrokken zijn geraakt. Zij hebben te maken gehad met hoge vorderingen van de ING en de ING heeft hun rekeningen opgezegd. Het frauderen met zulke hoge bedragen heeft een grote impact op de samenleving en het vertrouwen dat in het bancaire verkeer wordt gesteld. Daarnaast vindt de rechtbank het uiterst kwalijk dat verdachte, wanneer hij geconfronteerd wordt met details uit het dossier die om een uitleg vragen, niet terugschrikt om oud-collega’s, die niets met de fraude te maken hebben, op berekenende wijze de schuld in de schoenen te schuiven. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Verdachte heeft aangevoerd dat hij een baan heeft en vrijwilligerswerk doet, dat zij vriendin zwanger is en dat hij met haar wil gaan samenwonen. Indien verdachte gedetineerd zou raken, betekent dit dat hij zijn werkzaamheden gaat verliezen en ook zijn vrijwilligerswerk niet kan uitvoeren. Verdachte heeft de rechtbank verzocht hier rekening mee te houden.

De rechtbank hecht bij de strafoplegging belang aan de oriëntatiepunten zoals deze zijn neergelegd in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. In deze oriëntatiepunten wordt voor het plegen van fraude van € 125.000,- door een first offender, uitgegaan van een gevangenisstraf van (ongeveer) 9 maanden. Dit oriëntatiepunt ziet op fraude in algemene en is zodoende ook van toepassing op verduistering. Verdachte is first offender en de rechtbank ziet in de door verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden geen aanleiding om van dit oriëntatiepunt af te wijken.

Anders dan de officier van justitie en de raadsman oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Nu het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017 (nog afgezien van de vraag of dat heeft te gelden als een eerste daad van strafvervolging), is hier geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Gelet op het voorgaande en het feit dat de rechtbank ook niet in een andere omstandigheid reden ziet om af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten, zal aan verdachte een hogere straf worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd. Daarin is geen ruimte voor een taakstraf. De rechtbank acht dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden gepast en geboden.

9 Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen straf is gegrond op artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

‘verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zicht heeft’

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. C.A. van Dijk en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 november 2018.