Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8380

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
13/674217-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid bij (verlengde) invoer cocaïne. Voorwaardelijk opzet. Vrijspraak medeplegen van de strafbare voorbereiding of bevordering van de invoer van cocaïne of andere middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1 of van met betrekking tot die stof te verrichten gedragingen, zoals de verkoop, de aflevering of het vervoer daarvan (voorbereidingshandelingen). Maximale taakstraf en een gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/674217-17

Datum uitspraak: 26 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] ,

[woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 24 september 2018, 25 september 2018 en 12 november 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. al Mansouri en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.F. van Halderen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 7 juni 2016 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht 100,03 kilo

cocaine, in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van één of meer

materia(a)l(en) bevattende cocaine, in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en)

van één of meer middel(len) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Subsidiair:

[mededader (vader van verdachte)] en/of [medeverdachte 1] en/of één of meer anderen op of omstreeks 7

juni 2016 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied

van Nederland heeft/hebben gebracht 100,03 kilo cocaine, in elk geval één of

meer hoeveelhe(i)d(en) van één of meer materia(a)l(en) bevattende cocaine, in

elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van één of meer middel(len) vermeld op

de bij de Opiumwet behorende lijst I,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer

tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2016 tot en met 7 juni

2016 te Amsterdam en/of Oostzaan en/of Haarlemmermeer en/of Rotterdam en/of

elders in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen

heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door

- éénmaal of meermalen met voornoemde [mededader (vader van verdachte)] en/of [medeverdachte 1] en/of

één of meer anderen (via spraak en/of sms) telefonisch contact te onderhouden

en/of éénmaal of meermalen voornoemde [mededader (vader van verdachte)] en/of [medeverdachte 1] en/of

één of meer anderen te ontmoeten en/of tijdens deze telefonische

contactmomenten en/of ontmoetingen, al dan niet in versluierd taalgebruik, één

of meer gegevens van voornoemde [mededader (vader van verdachte)] en/of [medeverdachte 1] en/of één of

meer anderen heeft ontvangen waarbij onder andere werd gesproken over

'auto's' en/of 'kentekens' en/of één of meer (container)nummer(s) en/of

aantallen en/of 'kentekens van containers' 'en/of één of meer locatie(s);

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015

tot en met 7 juni 2016 te Amsterdam en/of Rotterdam en/of (elders) in

Nederland en/of buiten Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van

de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland

brengen van één of meer hoeveelhe(i)d(en) van één of meer materia(a)l(en)

bevattende cocaïne, althans bevattende één of meer (andere) middel(en) als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te

bevorderen

- zich en/of één of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te

doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn

en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad waarvan hij, verdachte en/of

zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat

zij bestemd was/waren tot het plegen van dat die feit(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen

- ( meermalen) met elkaar en/of met één of meer andere (criminele) contact(en)

(telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

- ( meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen

ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd (o.a. in diverse (weg)restaurants

en/of hotel(s)) en/of

- één of meer perso(o)n(en) éénmaal of meermalen met elkaar in contact

gebracht ten behoeve van de invoer en/of vervoer en/of aflevering van (een)

hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of

- ten tijde van voornoemde (telefoon)gesprekken en/of ontmoetingen aan/van

elkaar en/of aan/van één of meer andere (criminele) contact(en) al dan niet

in versluierd taalgebruik informatie verstrekt en/of ontvangen over de

hoeveelhe(i)d(en) verdovende middel(en) en/of de prijs hiervan en/of de

verdeling van (een percentage van) de opbrengst van (een) hoeveelhe(i)d(en)

verdovende middelen en/of de beloning voor het verlenen van diensten en/of

het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de invoer van (een)

hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen en/of

- ten tijde van voornoemde (telefoon)gesprekken en/of ontmoetingen aan/van

elkaar en/of aan/van één of meer andere (criminele) contact(en) al dan niet

in versluierd taalgebruik informatie verstrekt en/of ontvangen over de

planning en/of de periode waarin en/of de tijdstippen waarop de verdovende

middelen vervoerd en/of ingevoerd zullen worden (onder meer 'het

cacaoseizoen' en/of 'januari/februari') en/of

- ten tijde van voornoemde (telefoon)gesprekken en/of ontmoetingen aan/van

elkaar en/of aan/van één of meer andere (criminele) contact(en) al dan niet

in versluierd taalgebruik informatie verstrekt en/of ontvangen over het

vervoer door middel van schepen en/of auto's en/of (cacao)containers en/of

grote zakken cacao en/of het uitladen van (een) hoeveelhe(i)d(en) verdovende

middelen en/of

- ten tijde van voornoemde (telefoon)gesprekken en/of ontmoetingen aan/van

elkaar en/of aan/van één of meer andere (criminele) contact(en) al dan niet

in versluierd taalgebruik informatie verstrekt en/of ontvangen over het

regelen van één of meer pers(o)on(en) werkzaam (bij een bedrijf) in de haven

van Amsterdam en/of Rotterdam, welke perso(o)n(en) één of meer containers

weg- en/of apart kan/kunnen zetten (buiten het zicht van de douane) en/of

- ten tijde van voornoemde (telefoon)gesprekken en/of ontmoetingen aan/van

elkaar en/of aan/van één of meer andere (criminele) contact(en) al dan niet

in versluierd taalgebruik informatie verstrekt en/of ontvangen en/of

instructies gegeven en/of ontvangen ten behoeve van het uitladen van (een)

hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen die zich bevind(en) in één of meer

auto's en/of (cacao)containers en/of grote zakken cacao en/of

- één of meer aanbetaling(en) gedaan en/of ontvangen ten behoeve van de invoer

van (een) hoeveelhe(i)d(en) verdovende middelen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het eerste alternatief, primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft, aan de hand van haar op schrift gestelde requisitoir, daartoe de in haar ogen relevante bewijsmiddelen opgesomd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bij pleidooi aan de hand van zijn pleitaantekeningen vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde medeplegen van de invoer van cocaïne, nu de op 6 juni 2016 door verdachte gevoerde telefoongesprekken met [mededader (vader van verdachte)] en de boodschappen die verdachte op verzoek van [mededader (vader van verdachte)] heeft doorgegeven niet zo ver reiken dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op de invoer van cocaïne. De raadsman heeft er daarbij op gewezen dat verdachte zowel vóór als na 6 juni 2016 niet in het dossier voorkomt.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid en ten aanzien van de alternatief/cumulatief ten laste gelegde voorbereidingshandelingen heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte met het doorgeven van boodschappen, het stellen van vragen en het terugkoppelen van de antwoorden geen handelingen verricht die te duiden zijn als medeplichtigheid aan of voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Nu uit niets blijkt dat verdachte inhoudelijke wetenschap heeft gehad en verdachte geen invloed heeft gehad op de invoer, stuiten de verwijten daar op af, aldus de raadsman.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat dubbel opzet is vereist om te komen tot medeplichtigheid. Verdachte had weliswaar opzet op het helpen van zijn vader, maar er was geen opzet op het misdrijf dat hij ondersteunt of zou ondersteunen. Daar kon ook geen opzet op zijn – ook niet in voorwaardelijke zin – vanwege het totaal gebrek aan wetenschap bij verdachte, aldus de raadsman.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

Op 14 mei 2016 vertrekt een schip genaamd [naam schip] uit Peru richting Rotterdam. Aan boord bevindt zich een container met nummer [nummer 1] en uit de bill of lading volgt dat dit een container uit een serie van totaal zes containers betreft. De zogenaamde shipper oftewel verzender van deze lading is de Zuid-Amerikaanse cacaobonenleverancier [naam leverancier] . In de nacht van 5 juni 2016 op 6 juni 2016 komt het schip aan in de Rotterdamse haven en op 7 juni 2016 wordt er een drietal tassen met 100 pakketten aangetroffen in de container met het voornoemde containernummer. Uit onderzoek blijken de pakketten in de tassen een totaal netto gewicht van 100,03 kilogram cocaïne te bevatten. De container is verzegeld en er worden nieuwe zegels aangetroffen in een van de drie tassen, voorzien van dezelfde nummers als de originele zegels. Het uiteindelijke afleveradres van de container in Amsterdam zou [naam Terminal] , gevestigd op de [adres 2] te Amsterdam zijn, een concurrent van overslagbedrijf [bedrijf] te Amsterdam. Het kan voorkomen dat overslagbedrijf [bedrijf] containers voor [naam Terminal] lost. Daarover beslist de rederij.

Medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) wordt op het moment van de aankomst van bovengenoemde lading al bijna een jaar stelselmatig geobserveerd. In dat jaar hebben [mededader (vader van verdachte)] (hierna [mededader (vader van verdachte)] ), de vader van verdachte, en [medeverdachte 1] meerdere keren telefonisch contact en ontmoeten zij elkaar een aantal keer. Uit onder meer een observatie en een intern onderzoek bij overslagbedrijf [bedrijf] te Amsterdam, volgt dat [medeverdachte 1] als heftruckchauffeur bij [bedrijf] werkt en dat hij de mogelijkheid heeft om containers apart te zetten, buiten het beeld van de camera.

[mededader (vader van verdachte)] en [medeverdachte 1] zijn bij vonnissen van deze rechtbank van respectievelijk 3 mei 2017 en 26 november 2018 veroordeeld voor het medeplegen van de invoer van de container met cocaïne.

Overzicht van relevante gesprekken

In het proces-verbaal van bevindingen onderzoek communicatie van 7 juli 2016 is een tijdlijn samengesteld betreffende de communicatie tussen [medeverdachte 1] , [mededader (vader van verdachte)] en verdachte. Hieruit blijkt dat het contact tussen [medeverdachte 1] en [mededader (vader van verdachte)] vanaf 31 mei 2016 wordt geïntensiveerd. Verdachte komt vanaf 6 juni 2016 in beeld. Op die dag belt verdachte om 08:58 uur naar [mededader (vader van verdachte)] . Uit de uitwerking van dat gesprek blijkt dat verdachte zegt: “Ik ga hem vragen voor de kentekens?”, waarop [mededader (vader van verdachte)] zegt “nee, je moet ergens bellen”. Verdachte zegt dat hij dat weet, waarop [mededader (vader van verdachte)] zegt “en dan moet je gewoon zeggen: die ouwe is pas morgenochtend terug maar hij vroeg of je die kentekens kon vinden, als je ze niet kan vinden stuurt hij ff de nummers door naar je, dan stuur ik ff de nummers door naar je vanmiddag”. Verdachte zegt daarop dat dat goed is. [mededader (vader van verdachte)] zegt dat verdachte even moet laten horen of hij opgenomen heeft en wat hij zegt, waarop verdachte zegt dat hij hem nu aan het bellen is, waarna het gesprek wordt beëindigd. Om 08:59 uur, een minuut later, belt verdachte weer naar [mededader (vader van verdachte)] waarbij hij zegt dat hij direct zijn voicemail krijgt.

[mededader (vader van verdachte)] zegt dat hij even wat gaat regelen. Om 09:00 uur stuurt [mededader (vader van verdachte)] een WhatsAppbericht naar [medeverdachte 1] met de tekst: “gooi die andere even aan”. Om 09:01 uur belt [medeverdachte 1] met zijn reguliere telefoonnummer eindigend met de cijfers [nummer 2] naar het reguliere telefoonnummer van [mededader (vader van verdachte)] , eindigend met de cijfers [nummer 3] , waarbij alleen te horen is dat er “morgen” wordt gezegd. Om 09:02 uur belt [mededader (vader van verdachte)] naar [medeverdachte 1] , maar die neemt niet op. Om 09:50 uur belt [mededader (vader van verdachte)] wederom naar [medeverdachte 1] , waarbij [medeverdachte 1] zegt dat hij aan het werk is en dat hij hem zo terugbelt. Om 10:35 uur belt [medeverdachte 1] met zijn Nokia (blijkens het proces-verbaal van bevindingen eindigend met de cijfers [nummer 4] , de rechtbank begrijpt: [nummer 5] ) naar de LG (telefoon) van [mededader (vader van verdachte)] (eindigend met de cijfers [nummer 6] ), welke op dat moment in gebruik is bij verdachte. Om 10:36 uur belt verdachte naar [mededader (vader van verdachte)] , waarbij hij zegt: “ik werd net teruggebeld en vannacht komen die auto’s pas aan dus dan weet ie morgenochtend weet ie pas de kentekens”. Daarop zegt [mededader (vader van verdachte)] : “bel hem ff gauw en vraag ff waar hij, hoe laat ie pauze heb, of je dan ff wat kentekens mag brengen bij hem (…) maar hun verwacht ik ongeveer 12 uur dus moet jij ff kijken of het misschien half 1 kan, moet je gewoon zeggen dat je hem vast ff wat kentekens geeft (…) dat je ff ergens met hem afspreekt, als je gewoon zegt: joh waar je altijd afspreekt dan kom ik daarnaartoe, dan weet hij wel wat je bedoelt”. Verdachte zegt dan dat dat goed is. Om 10:37 uur wordt [medeverdachte 1] op de Nokia ( [nummer 5] ) gebeld door de LG van [mededader (vader van verdachte)] ( [nummer 6] ), welke in gebruik is bij verdachte. Om 10:38 uur belt verdachte naar [mededader (vader van verdachte)] om te zeggen dat hij ze om 15:30 uur gaat brengen. Om 10:49 uur stuurt [medeverdachte 1] met zijn reguliere telefoonnummer een WhatsAppbericht naar [mededader (vader van verdachte)] met de tekst: “waar komt tie heen bij de sloop of ergens anders” en een minuut later “hij kwam wat brenge zij die”. Om 10:54 uur belt [medeverdachte 1] naar [mededader (vader van verdachte)] , waarbij [mededader (vader van verdachte)] zegt dat hij gehoord heeft dat [medeverdachte 1] het heeft geregeld. [medeverdachte 1] bevestigt dit en zegt dat ze alleen even moeten weten waar die komt. [mededader (vader van verdachte)] zegt daar waar zij altijd afspreken, achter de sloop. Om 12:46 uur belt verdachte naar [mededader (vader van verdachte)] waarbij hij zegt: “Yo krijg hem niet te pakken hoor”, waarop [mededader (vader van verdachte)] zegt “hij neemt zelf anders wel contact met jou op. (…) na twaalven. (…) hou maar gewoon aan die telefoon.” Om 14:00 uur belt verdachte naar [mededader (vader van verdachte)] , waarbij verdachte na de begroeting de telefoon overgeeft aan een onbekende man (hierna: NN man). Er wordt onder meer het volgende besproken:

NN man: Yo ja wat.. die eeh ze zitten op me te wachten nu he daar.. wat moet ik ik kan niet weer zeggen ja morgen hoor je wat.. snap je

[mededader (vader van verdachte)] : Nee maar ja als hij niks hebt heb tie niks ik heb met afgesproken met hem geef [verdachte] maar die nummers van die kentekens
NN man: Ja maar moet ik.. als ik dat nu geef.. dat kan.. maar dan moet ik wel over twee uurtjes of drie uurtjes bericht daarvan hebben wat ze dan hebben snap je..

[mededader (vader van verdachte)] : ja
NN man: Ik kan niet zeggen ja we wachten maar tot morgen dat gaat niet. Want we hebben tegen hun die nummers hebben kennen ze gaan kijken ik kan nu niet zeggen ze kennen niet kijken..

[mededader (vader van verdachte)] : Ja maar eehh er staat nog helemaal nul (0) in de computer.

NN man: Nee oke.. maar eehh. Jij zegt als ze een nummer hebben ze erop zoeken dan kennen ze hem misschien wel zien.
[mededader (vader van verdachte)] : Ja al tie er instaat wel.. als tie er niet in staat dan kan het echt morgenochtend dat hij daar weg gaat.

(…)
NN man: hoe weet je dat tie daar weggaat? Is ie al.. is tie er al dan?
[mededader (vader van verdachte)] : Nee.. dat krijgen hun dan te horen dat komt bij hun in de computer te staan. Ik heb hem net eehh nog geen drie kwartier geleden aan de telefoon.
NN man: Ja maar ik ken nu niet (ntv) nummer
: Er staat nu gewoon nul (0)

NN man: vragen en dat nummer geven en dan wachten tot morgen.. dat gaat niet.
(…)
NN man: maar eeh als ik straks nog een (1) nummer geef.. wat kennen ze daar.. kennen ze daar mee doen.. niks zeg jij… (…) kan hij nit meer zoeken op nummer is het hetzelfde wat hij nu kan zoeken.
[mededader (vader van verdachte)] : hij hij hij.. hij kan meer zoeken op nummer denk ik.
(…)
NN man: Oke. Dan pak ik gewoon een (1) nummer en dan geef ik straks een nummer aan eeehh [verdachte] (fon)
[mededader (vader van verdachte)] : Ja..
NN man: en dan eeh moet hij dat nummer maar doorgeven, maar dan moet ik binnen twee.. is hij nu op zijn werk of niet? Ik ik… ek ga niet eehh als ik nu nummer heb moet ik wel binnen twee uur antwoord hebben wat wat.. of er iets bekend is over het nummer of niet snap je.. niet dat ik weer eehh dat ze zeggen ja hij kan het nu niet zien hij kan het nu niet zien.. Hij is nu vrij en eehh hij kan het pas morgenochtend zien.. Want dan heb ik de poppen aan het dansen..

[mededader (vader van verdachte)] : Ja.. dat heb ik juist gevraagd aan hem

(…)
NN man: Oke… En eehh maar ja.. maar ja… eeeh moet ik dat nummer nu vragen of niet?
[mededader (vader van verdachte)] : Ja zeg jij het maar..
NN man: Is die man op zijn werk is die man op zijn werk?
: Ja hij is gewoon aan het werk.
NN man: Dus dan ga ik er nu eentje nemen en dan ga ik die door gooien en dan eehh moet hij wel effe erop kijken en erop zoeken en als tie dan niets kan vinden dan zegt tie gewoon ik kan nog niets vinden klaar.. Maar dan hebben we een zo’n nummer in ieder geval ja?
: Ja..
(…)
NN man: maar dan ga ik die zo sms-en aan [verdachte] .. want
[mededader (vader van verdachte)] : Ja.. laat hij
NN man: Gooi hij hem door maar dan wacht ik met hun he.. (…) Dan wacht ik met hun.. dus dan moet ik wel over twee uur ongeveer.. ik ga niet de hele avond met hun wachten snap je.. daar heb ik geen… Dan moet ik wel over twee uur horen hoe of wat. Dus dan moet [verdachte] effe naar mij toe rijden enne eeh of tenminste of sms-en of weet ik wat.. dat ik effe wat hoor op dat nummer
[mededader (vader van verdachte)] : Ja.. is goed.

(…)
[mededader (vader van verdachte)] : En dan ga ik hem nog effe inseinen dat er wat onderweg is dat hij moet kijken.
NN man: is goed.
: Doei.

Om 14:07 uur belt [mededader (vader van verdachte)] naar [medeverdachte 1] , maar er wordt niet opgenomen. Om 14:08 uur belt [medeverdachte 1] [mededader (vader van verdachte)] terug. [mededader (vader van verdachte)] vraagt of [medeverdachte 1] die andere ook bij zich heeft. [medeverdachte 1] antwoordt bevestigend. [mededader (vader van verdachte)] zegt dan: “o, hij stuurt je ff wat, kijk ff voor me, want hij is bang dat die auto anders de verkeerde kant op gaat”. Diezelfde minuut belt [mededader (vader van verdachte)] naar verdachte, en vraagt: “yo, laat ie, is ie nog bij je?” waarop verdachte zegt: “ik kan nog bij hem terug, ik ben net weg”, waarop [mededader (vader van verdachte)] zegt: “oh, zeg ff dat heel ff snel opschiet want dat die jongen erop wacht”. Om 14:11 uur belt verdachte naar [mededader (vader van verdachte)] , waarbij hij de telefoon overgeeft aan NN man. Er wordt onder meer het volgende besproken:

[mededader (vader van verdachte)] : yo, hun kennen tot half vier kan ie kijken
NN man: ja

[mededader (vader van verdachte)] : dan is alles afgesloten, dus je moet hem wel zo snel mogelijk geven dat hij hem zo snel mogelijk doorzendt
NN man: is goed, maar ken ik niet eh… o ja, maar je zoon heb dit nummer met hem gewoon toch?
: ja
NN man: oke is goed

[mededader (vader van verdachte)] : geen probleem, hij kan het gelijk doorgooien
NN man: oke, is goed, is goed, eh ik eh, ja, is goed, ken ik niet eh
: hoe lang denk je ongeveer?
NN man: nee hun zijn al, hun waren al onderweg, dus ik denk dat ik het nummer met een kwartier, twintig minute heb
: oke is goed

NN man: ja oke
[mededader (vader van verdachte)] : als je het dan naar hem doet, kan ie het gelijk doorrammen
NN man: is goed oke, hoi hoi

Om 14:13 uur wordt verdachte gebeld door [mededader (vader van verdachte)] . Er wordt onder meer het volgende besproken:


[mededader (vader van verdachte)] : doe even naar sport zenden… dat je eh, met binnen een half uur het nummer stuurt
[verdachte] : Ja

[mededader (vader van verdachte)] : dat je binnen een half uur dat kenteken stuurt, maar dat ie je nog wel even wat laat horen omdat ze anders zenuwachtig zijn
[verdachte] : Ja, is goed

Uit het dossier blijkt dat in de LG van [mededader (vader van verdachte)] ( [nummer 6] ) een drietal contacten staat, waaronder het nummer van de Nokia van [medeverdachte 1] ( [nummer 5] ). Dit nummer is opgeslagen als “Sport”.

Om 14:27 uur wordt verdachte wederom gebeld door [mededader (vader van verdachte)] . Er wordt onder meer het volgende besproken:

[mededader (vader van verdachte)] : stuur ook nog ff.. heb je dat berichtje gestuurd?
[verdachte] : ja
[mededader (vader van verdachte)] : stuur ook nog ff een berichtje dat ie wel ff goed kijkt of die auto wel bij hem komt, kan jij wel zien of die auto wel bij jou langskomt, want anders, zeg maar dat ze een beetje zenuwachtig zijn
[verdachte] : ik heb t al gezegd, ik heb al gezegd dat ik straks dat allemaal heb enne met een half uur of die dan wel gelijk kon kijken want ze zijn een beetje zenuwachtig vandaar, dat heb ik gestuurd
[mededader (vader van verdachte)] : ja, hebt ie antwoord gegeven erop?
[verdachte] : ja hij zei: stuur maar
[mededader (vader van verdachte)] : oke is goed, is goed

Om 14:45 uur wordt verdachte wederom gebeld door [mededader (vader van verdachte)] . Zij bespreken onder meer het volgende:

[verdachte] : yo
[mededader (vader van verdachte)] : yo, als je dat kenteken doorstuurt straks naar hem

[verdachte] : ja dat ga ik nu doen
[mededader (vader van verdachte)] : zet er dan wel ff bij, dat is 1 van de 6
[verdachte] : ja is goed

Om 14:47 uur ontvangt [medeverdachte 1] een sms-bericht op zijn Nokia ( [nummer 5] ), afkomstig van de LG van [mededader (vader van verdachte)] ( [nummer 6] ) welke op dat moment in gebruik is bij verdachte, inhoudende: “ [nummer 1] dit is 1 van de 6. Komt op amsterdam. Ik wacht op je”.

Om 14:55 uur ontvangt [medeverdachte 1] wederom een sms-bericht, inhoudende “Heb je wel al antwoord die gasten zijn bij hier namelijk”.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de observatie op 6 juni 2018 vindt er om 15:35 uur een korte ontmoeting op [plaats] plaats tussen verdachte en [medeverdachte 1] . Hun voertuigen staan naast elkaar geparkeerd en ze zijn met elkaar in gesprek terwijl ze naast hun voertuigen staan.

Om 15:43 uur belt verdachte naar [mededader (vader van verdachte)] . Zij bespreken het volgende:

[verdachte] : ik heb net ff alletwee gesproken
[mededader (vader van verdachte)] : ja
[verdachte] : eh.. die auto komt vannacht om vijven aan
[mededader (vader van verdachte)] : ja
[verdachte] : en verwachten vrijdag dat die auto dan helemaal klaar is

In de avond van 7 juni 2016 is [mededader (vader van verdachte)] aangehouden op verdenking van invoer van verdovende middelen. Verdachte heeft na de aanhouding meerdere keren contact met [persoon] ( [persoon] ), zijn moeder. Op 8 juni 2016 om 01:35 uur wordt onder meer het volgende besproken


D: hee mam

[persoon] : wat is er
[verdachte] : ja, eh
[persoon] : niet te veel zeggen
[verdachte] : Nee, papa is eh, zit vast

Op 8 juni 2016 om 03:19 uur bespreken zij onder meer het volgende:

[persoon] vraagt of [mededader (vader van verdachte)] met de grote of kleine auto was
[verdachte] zegt de hele dag met die kleine al

(…)
[persoon] : de grote, waar ik mee naar de markt gaat zeg maar, die moet je proberen bij jou te halen
[verdachte] : maar waar staat ie nu dan?
[persoon] : thuis
[verdachte] : moet ik even kijken hoe ik bij de sleutel kom
[persoon] : de sleutel van die, dat moet je echt morgen proberen…
(…)
: morgenochtend gaan we jou met de andere even bellen. (…) maar dat doen we morgenochtend, hoe laat kan ik je bellen, we gaan het kleintje halen, dan moet jij ook even zo een halen
[verdachte] : ja is goed
(…)
vrouwenstem roept: koop er morgen even eentje
: jaja

[persoon] : als jij dat doet doen wij het ook en dan doen we dat even doorgeven
vrouwenstem: dan kunnen we gewoon kletsen
[verdachte] : jaja

Op 8 juni 2016 om 08:31 uur belt verdachte naar een onbekende man (hierna: NN2), waarbij onder meer het volgende wordt besproken:

NN2: ken ik je heel even uitleggen?
[verdachte] : ja
NN2: voor die grote, die moet weg inderdaad, net wat je zei, en die kan dan daar heen wat je zei
: ja
NN2: en je moet even, ehm.. in de voorkant, desnoods neem je even een tassie mee, alles moet in die tas, alles, die hele voorkant moet leeg zijn
: okay, is goed
NN2: twee euro om eraf te komen, je laat inderdaad wat je zegt jouw auto daar achter, dan is dat eh, dat tasje moet je even apart houden, daar kom ik later op terug
: ja, is goed

Dan komt [persoon] aan de telefoon.

[persoon] : Luister, je moet goed even nadenken, als je, waar je papieren weg gaat brengen, weet je wel.. bij de boekhouder (…) die afslag… (…) kun je daar effe die afslag nemen en effe kijken voor mij, misschien… voor die kleine, die witte, misschien, ik weet het niet, als je de sleutel mee hebt
[verdachte] : ja is goed, maar ik ga eerst die grote doen
[persoon] : Ja, nee, is prima, heel goed, maar het is ook heel belangrijk dat je die helemaal leeg haalt… letterlijk
[verdachte] : maar voor toch
[persoon] : voor, voorin, achterin mag je alles laten zitten, alleen maar voorin
[verdachte] : okay
[persoon] : echt letterlijk, moet je dit even opvatten
[verdachte] : Ja
(…)
[persoon] : Bedankt, als je mijn bus hebt wil je dat even laten weten, appie alleen
[verdachte] : ja is goed

Verklaringen verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een eigen bedrijf in de auto-industrie heeft. Zijn vader heeft altijd wel met auto’s gerommeld. In de ochtend van 6 juni 2016 kreeg hij van zijn vader, die op dat moment in het buitenland was, het verzoek om wat kentekens te regelen. Hij heeft gedaan wat zijn vader hem vroeg. Binnen de familie [achternaam verdachte] worden wel vaker dingen aan elkaar gevraagd en het is eigenlijk een automatisme om elkaar dan te helpen, en niet teveel vragen te stellen, aldus verdachte. Hij heeft op verzoek van zijn vader de LG telefoon van zijn vader uit de auto gepakt en gedaan wat zijn vader van hem vroeg. Hij heeft [medeverdachte 1] gevraagd of hij al iets wist van de kentekens, en heeft het antwoord weer doorgespeeld aan zijn vader. Daarop vroeg zijn vader of verdachte even een afspraak met [medeverdachte 1] kon maken, wat hij dan ook heeft gedaan. Hij wist niet waarom hij die afspraak moest maken en hij wist niet beter dan dat het om kentekens van auto’s ging. Nu verdachte in de auto-industrie werkt, heeft hij niets achter de verzoeken van zijn vader gezocht.

Op de vraag van de rechtbank wat verdachte precies is gaan doen toen hij kentekens voor zijn vader is gaan regelen, heeft verdachte verklaart dat hij eigenlijk niets heeft gedaan, en dat hij heeft gewacht tot het moment dat hij informatie kreeg van zijn vader.

Als de rechtbank hem confronteert met de inhoud van het telefoongesprek met zijn vader op 6 juni 2016 om 10:36 uur, waarbij het lijkt alsof verdachte geen kentekens moet verkrijgen maar juist moet brengen, verklaart verdachte dat het gesprek hem niet goed bijstaat en dat het voor hem ook niet interessant was, omdat het slechts een opdracht uit naam van zijn vader was.

Hij heeft voorts verklaard dat NN man op 6 juni 2016 naar zijn werk toe was gekomen met de vraag of hij zijn vader kon contacten. Daarop heeft verdachte om 14:00 uur naar zijn vader gebeld. Vervolgens heeft hij zijn eigen telefoon aan NN man gegeven. Hij heeft verklaard dat het sms-bericht dat om 14:47 uur naar de Nokia van [medeverdachte 1] is verzonden en afkomstig was de LG van zijn vader, die bij verdachte in gebruik was, niet door hem is verstuurd. Hoewel in de tapgesprekken de schijn wordt gewekt dat hij degene is die het nummer door zou sturen naar [medeverdachte 1] , is het uiteindelijk NN man geweest die het sms-bericht heeft verzonden. NN man vroeg om het telefoonnummer van [medeverdachte 1] , waarop verdachte de LG van zijn vader aan NN man heeft gegeven. NN man heeft daarop kennelijk het sms-bericht aan [medeverdachte 1] verzonden, aldus verdachte.

De rechtbank heeft verdachte ook bevraagd over de inhoud van de gesprekken die verdachte kort na de aanhouding van zijn vader met zijn moeder voert. Hij heeft verklaard dat zijn moeder bedoelde dat hij niet teveel moest zeggen, maar hij weet niet waarom ze dat zei. Zijn moeder vroeg hem om de auto leeg te halen, dus heeft hij toegezegd de auto op te ruimen. Hij heeft geen idee waarom hij dat moest doen, maar als zijn moeder dat van hem vraagt, dan doet hij dat en stelt hij verder geen vragen. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij geen idee had waarom zijn moeder tegen hem zei dat er andere telefoons gekocht moesten worden.

Wetenschap van verdachte

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat inhoudelijke wetenschap van verdachte ten aanzien van het cocaïnetransport geheel ontbreekt. De rechtbank volgt dit standpunt niet en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank leidt uit de hiervoor weergegeven gesprekken af dat er gebruik werd gemaakt van verhullend taalgebruik waarin auto synoniem stond voor (een) (container(s)) drugs en kentekennummer synoniem stond voor een containernummer.

Verdachte heeft naar eigen zeggen geen enkel vraagteken gezet bij de verzoeken die door zijn vader werden gedaan en de opdrachten die hij van zijn vader kreeg, terwijl hij een aparte telefoon voor het contact met [medeverdachte 1] , te weten de LG van zijn vader, moest gebruiken en op [plaats] , een afgelegen plek, met [medeverdachte 1] heeft afgesproken. Verdachte heeft ter terechtzitting geen duidelijkheid willen verschaffen met betrekking tot de reden van het brengen van kentekens naar [medeverdachte 1] in de middag van 6 juni 2016 bij [plaats] . Daar komt bij dat uit de gesprekken die hij na de aanhouding van zijn vader voert met zijn moeder, volgt dat hij direct begrijpt dat er iets te verhullen valt. Zo mag hij niet teveel zeggen, en zegt hij toe dat hij de auto voorin leeg zal maken.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte, dat hij niet beter wist dan dat met kentekens daadwerkelijk kentekens van auto’s bedoeld werden, volstrekt ongeloofwaardig en gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte wist dat er gesproken werd over criminele activiteiten. In dit verband acht de rechtbank relevant dat diverse malen is opgemerkt dat betrokken personen ‘zenuwachtig’ waren.

Vrijspraak primair ten laste gelegde medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.


Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [mededader (vader van verdachte)] en [medeverdachte 1] niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Medeplichtigheid

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid heeft de raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van dubbel opzet bij verdachte. Hij had weliswaar opzet op het helpen van zijn vader, maar er was geen opzet op het misdrijf dat hij ondersteunt of zou ondersteunen. Daar kon ook geen opzet op zijn – ook niet in voorwaardelijke zin – vanwege het totaal gebrek aan wetenschap bij verdachte, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in artikel 48, aanhef en onder 1° of 2º van het Wetboek van Strafrecht, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.

In het geval dat het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet (volledig) was gericht op het gronddelict, moet het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband houden met het gronddelict. Of van een dergelijk verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Doorgaans kan worden aangenomen dat dit verband bestaat indien het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, zoals het geval is bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Maar ook in andere gevallen, waarbij zowel de aard van het gronddelict als de aard van de gedraging van de medeplichtige en de overige omstandigheden van het geval van belang zijn, kan sprake zijn van een dergelijk verband.

Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de wetenschap van verdachte is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat van een weinig kritische, naïeve boodschappenjongen-rol aan de zijde van verdachte, zoals door de raadsman is aangevoerd, geen sprake kan zijn. De rechtbank is van oordeel dat uit de gesprekken niet kan worden afgeleid dat verdachte wist dat hij behulpzaam was bij de invoer van cocaïne. De rechtbank dient dan ook de vraag te beantwoorden of er bij verdachte sprake is van voorwaardelijk opzet op de (verlengde) invoer van cocaïne.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de invoer van cocaïne – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Nu de rechtbank reeds heeft overwogen dat verdachte wist dat de verzoeken van [mededader (vader van verdachte)] niets te maken hadden met auto’s en kentekens maar dat er werd gesproken in verhullend taalgebruik, is de rechtbank van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen bewust behulpzaam is geweest bij een niet onschuldig, dus crimineel, transport. Dat verdachte wist dat het een transport betrof, leidt de rechtbank af uit de eerdergenoemde gesprekken waarin meerdere malen wordt gesproken over het ‘aankomen’ van de ‘auto’s’ (in Amsterdam).

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij behulpzaam was bij de invoer van cocaïne. Door de herhaalde contacten die verdachte met [mededader (vader van verdachte)] en [medeverdachte 1] en anderen heeft gehad en de handelingen die hij in opdracht van [mededader (vader van verdachte)] heeft verricht, terwijl het hem al die tijd volkomen duidelijk moet zijn geweest dat het in de gesprekken en tijdens ontmoetingen niet om kentekens van auto’s ging maar dat er werd gesproken in verhullend taalgebruik, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de kans dat hij behulpzaam was bij de invoer van cocaïne op de koop toe heeft genomen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zowel opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn als voorwaardelijk opzet op de invoer van cocaïne. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat wettig en overtuigend bewijs voor de cumulatief/alternatief ten laste gelegde voorbereidingshandelingen ex artikel 10a van de Opiumwet ontbreekt, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage 1 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat

[mededader (vader van verdachte)] en [medeverdachte 1] en anderen op 7 juni 2016 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht 100,03 kilo van een materiaal bevattende cocaïne, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 6 juni 2016 te Amsterdam opzettelijk behulpzaam is geweest, door met voornoemde [mededader (vader van verdachte)] en [medeverdachte 1] en/of anderen via spraak en/of sms (telefonisch) contact te onderhouden en [medeverdachte 1] en/of een of meer anderen te ontmoeten en tijdens deze telefonische contactmomenten of ontmoetingen, al dan niet in versluierd taalgebruik,

gegevens van voornoemde [mededader (vader van verdachte)] en/of [medeverdachte 1] en/of één of meer anderen heeft ontvangen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 (vier) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

8.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft, voor het geval de rechtbank zijn primaire standpunt tot vrijspraak niet zou volgen, verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het feit dat hij first offender is en de overschrijding van de redelijke termijn. Hij heeft verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen, met daarnaast eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is medeplichtig aan de invoer van een grote hoeveelheid, te weten 100 kilogram, cocaïne. Cocaïne bevat voor de gebruikers daarvan schadelijke stoffen en kan een ernstig gevaar voor de volksgezondheid vormen. Daar komt bij dat de internationale handel in cocaïne wordt gedreven door criminele organisaties en gepaard kan gaan met geweld en andere vormen van criminaliteit.

De rechtbank stelt vast dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële documentatie van 30 augustus 2018, niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 31 mei 2018, opgemaakt door J.H. Kooij. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Uit de persoonlijke omstandigheden van de [verdachte] (hierna: betrokkene) blijken geen zichtbare criminogene factoren. Hij heeft werk, een gezin, geen bijzondere schulden en er is geen sprake van verslavingsproblematiek. In maart 2018 werd betrokkene gediagnosticeerd met het syndroom van Lofgren (sarcoïdose), een zeldzame ontstekingsziekte. Vanwege het feit dat er geen bijzondere problematiek en hulpvraag aanwezig is, adviseert de reclassering geen hulpverlening.

De rechtbank constateert dat de behandeling van de strafzaak lang op zich heeft laten wachten. Verdachte is op 20 juni 2016 aangehouden. Deze datum kan worden beschouwd als het moment waarop de redelijke termijn als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden een aanvang heeft genomen. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak vond vervolgens plaats op 24 en 25 september 2018, terwijl dit vonnis op 26 november 2018 wordt gewezen.

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim vijf maanden, nu de zaak niet is afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar na de aanhouding van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een bijzondere omstandigheid die een dergelijke overschrijding zou kunnen rechtvaardigen. De rechtbank houdt hiermee in strafmatigende zin rekening.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank acht geslagen op de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht geformuleerde oriëntatiepunten. Voor de invoer van 100 tot 200 kilogram cocaïne geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van 5 tot 6 jaar. De wet schrijft voor dat in geval van medeplichtigheid het maximum van de hoofdstraf die op het misdrijf gesteld staat, met een derde wordt verminderd. De rechtbank zal ook op die wijze het oriëntatiepunt benaderen.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte first offender is en na zijn aanhouding in deze zaak niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Gelet op het tijdsverloop, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de ondergeschikte rol die hij bij de invoer van de cocaïne heeft vervuld, is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. De rechtbank zal in plaats daarvan de maximale taakstraf van 240 uur aan verdachte opleggen. De rechtbank heeft bij de keuze voor deze strafmodaliteit tevens in strafmatigende zin laten meewegen dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank wel geboden dat een taakstraf voor de maximale duur wordt opgelegd.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat aan de vader van verdachte voor het medeplegen van voornoemde invoer een gevangenisstraf van 3 jaar is opgelegd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn vader de gevangenisstraf reeds heeft uitgezeten en dat hij de handelingen heeft verricht uit loyaliteit naar zijn vader. Om verdachte ervan te weerhouden zich, bijvoorbeeld desgevraagd, in de toekomst opnieuw met dergelijke strafbare zaken in te laten, zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden opleggen, met een proeftijd van 2 jaar.

9 Beslag

De raadsman van verdachte heeft verzocht om ten aanzien van de iPad, die na aanhouding van verdachte in zijn woning in beslag is genomen en tot op heden niet aan hem is geretourneerd, de teruggave aan verdachte te gelasten.

De officier van justitie heeft meegedeeld dat zij in de veronderstelling verkeerde dat de iPad reeds aan verdachte was geretourneerd. Nu dit niet het geval blijkt te zijn, heeft zij zich op het

standpunt gesteld dat de teruggave van de Ipad aan verdachte dient te worden gelast.

De rechtbank constateert dat een lijst van in beslag genomen voorwerpen ontbreekt. Blijkens een kennisgeving van inbeslagneming1 van 22 juni 2016 is na de aanhouding van verdachte op 20 juni 2016 in zijn woning een iPad in beslag genomen. De rechtbank zal de teruggave van de iPad aan verdachte gelasten.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 48 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het eerste alternatief/cumulatief primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het eerste alternatief/cumulatief subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart het tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

Goednummer : PL1300-2015090004-5207913

Object : Computer (Portable)
Aantal/eenheid : 1 St

Merk/type : Apple Ipad
Bijzonderheden : Voorzien van beschermhoes

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. F.W. Pieters en R.A.J. Hübel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.C. Lieberwirth, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 november 2018.

[...]

1 p. I6 01.