Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8375

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
13/650335-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen hennepteelt, vrijspraak witwassen. Taakstraf 100 uren met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650335-16

Datum uitspraak: 26 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 19 september 2018 en 12 november 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.J. de Graaf en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. B. Yesilgöz naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 oktober 2015 tot en met 11 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad in een perceel ( [adres] ) 400 hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) telkens daarbij opzettelijk handelden in de uitoefening van een beroep of bedrijf;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 16 juli 2016 te Amsterdam en/of Oostzaan, in elk geval in Nederland, (telkens) zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij (telkens) één of meer contante geldbedrag(en) voorhanden gehad en/of omgezet en/of van één of meer contant(e) geldbedrag(en) gebruik gemaakt door dit/deze geldbedrag(en) uit te geven en/of te besteden aan een personenauto, te weten een BMW 320 ( [kenteken] ), terwijl hij, verdachte (telkens) wist dat voornoemde contant(e) geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - middellijk of onmiddellijk - uit misdrijf afkomstig was/waren.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Vrijspraak ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Met de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan het hem onder 2 ten laste gelegde witwassen heeft schuldig gemaakt. Verdachte zal daarom van dat feit worden vrijgesproken.

4.2

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De officier van justitie acht het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.

De raadsvrouw van verdachte heeft bij pleidooi aan de hand van haar pleitaantekeningen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet als medepleger van de aangetroffen hennepkwekerij kan worden aangemerkt, omdat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte] (hierna: de medeverdachte).

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij het volgende af.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op de hoogte was van de hennepkwekerij in de woning aan het adres [adres] in Amsterdam (hierna: de woning), maar dat deze hennepkwekerij niet zijn eigendom was. Hij heeft verklaard dat hij de eigenaar van de hennepkwekerij, de medeverdachte, veel adviezen heeft gegeven over het inrichten van de hennepkwekerij en het verzorgen van de hennepplanten. Hij heeft verklaard dat hij wekelijks in de woning kwam en dat hij zelf ook bepaalde handelingen ten aanzien van de hennepkwekerij heeft verricht, waaronder het geven van water aan de hennepplanten. Verder heeft hij verklaard dat hij in het getapte telefoongesprek op 9 december 2015 met de medeverdachte over de hennepkwekerij sprak. Uit het getapte telefoongesprek op 14 mei 2016 lijkt te volgen dat verdachte de vader van de medeverdachte belt om te vragen of hij enkele handelingen ten behoeve van de hennepkwekerij zou kunnen verrichten, omdat verdachte er zelf pas enkele dagen later weer zou zijn. Daarover heeft verdachte verklaard dat de medeverdachte een weekend in het buitenland verbleef en hij de medeverdachte had toegezegd dat hij een oogje in het zeil zou houden in de hennepkwekerij. Om die reden had hij van de medeverdachte de sleutels gekregen die toegang gaven tot de woning. Nu verdachte in datzelfde weekend zelf ook weg zou gaan, heeft hij de vader van de medeverdachte gebeld en gevraagd om bepaalde handelingen ten behoeve van de hennepkwekerij te verrichten. Verdachte heeft geen vergoeding gekregen van de medeverdachte, maar het was wel de bedoeling dat hij in de toekomst iets van de medeverdachte zou krijgen. Goede hulp en adviezen zijn wat waard, aldus verdachte.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Verdachte heeft een adviserende rol gehad bij het opbouwen en onderhouden van de hennepkwekerij en hij heeft daadwerkelijk handelingen ten behoeve van de hennepkwekerij verricht en technische kennis geleverd. Hij kwam er wekelijks. Daarnaast heeft verdachte een zelfstandige, organiserende taak op zich genomen toen de medeverdachte in het buitenland verbleef. Aan de sleutelbos van verdachte zat een tag die toegang verschafte tot de centrale portiek en de galerij waar de woning zich bevond, en in de auto van verdachte is de sleutel van de woning aangetroffen. Daarnaast verkeerde verdachte in de veronderstelling dat hij in de toekomst iets van de medeverdachte zou krijgen voor zijn hulp en adviezen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen. Het verweer wordt verworpen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de hennepteelt heeft plaatsgevonden in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Verdachte zal dan ook van dat deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Verder zal de rechtbank de bewezenverklaarde periode inkorten tot de periode van 1 december 2015 tot en met 11 juli 2016, nu op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat er vóór 1 december 2015 reeds sprake was van een hennepkwekerij in de woning.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

in de periode 1 december 2015 tot en met 11 juli 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk heeft geteeld in een perceel

( [adres] ) 400 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem onder 1 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, met aftrek van voorarrest, en met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen, waarvan 75 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft, voor het geval de rechtbank haar primaire standpunt tot integrale vrijspraak niet zou volgen, verzocht om bij de straftoemeting rekening te houden met het feit dat de strafzaak reeds grote gevolgen voor verdachte heeft gehad nu hij daardoor zijn baan is kwijtgeraakt. Verder heeft zij verzocht om rekening te houden met het verstrijken van de redelijke termijn en met het feit dat verdachte niet eerder voor het plegen van soortgelijke feiten is veroordeeld en na zijn aanhouding in deze zaak niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van 400 hennepplanten. Hij heeft daarmee bijgedragen aan het creëren van aanbod van softdrugs. Dit is kwalijk, omdat de productie van en handel in hennep vaak gepaard gaan met vele andere vormen van criminaliteit, die verdachte door zijn handelen eveneens heeft bevorderd, dan wel mede in stand heeft gehouden. Daarnaast brengt het gebruik van hennep gezondheidsrisico’s met zich waarvan ook de samenleving negatieve gevolgen ondervindt.

De rechtbank stelt vast dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële documentatie van 30 augustus 2018, niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht geformuleerde oriëntatiepunten. Voor het telen van 100 tot 500 hennepplanten geldt als oriëntatiepunt een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand. Reeds hierom zal de rechtbank bij de straftoemeting afwijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank constateert dat de behandeling van de strafzaak geruime tijd op zich heeft laten wachten. Verdachte is op 11 juli 2016 aangehouden. Deze datum kan worden beschouwd als het moment waarop de redelijke termijn als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden een aanvang heeft genomen. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak vond vervolgens plaats op 19 september 2018, terwijl dit vonnis op 26 november 2018 wordt gewezen.

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim vier maanden, nu de zaak niet is afgerond met een eindvonnis binnen 2 (twee) jaren na de aanhouding van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een bijzondere omstandigheid die een dergelijke overschrijding zou kunnen rechtvaardigen. De rechtbank houdt hiermee in strafmatigende zin rekening. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat een taakstraf van 100 (honderd) uur passend en geboden is.

De rechtbank houdt er bij de straftoemeting voorts rekening mee dat verdachte zijn baan is kwijtgeraakt omdat hij in het kader van deze strafzaak op het terrein van zijn toenmalige werkgever is aangehouden. Gelet hierop, en gelet op het feit dat verdachte na zijn aanhouding in deze zaak niet meer met politie en justitie in aanraking is geweest, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het tevens opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf.

9 Beslag

De officier van justitie heeft ten aanzien van de op de beslaglijst genoemde horloges (items 2 tot en met 8) gevorderd deze te onttrekken aan het verkeer. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank geen beslissing hoeft te nemen ten aanzien van de in beslag genomen auto (item 9), omdat daar conservatoir beslag op is gelegd. Ten aanzien van de overige op de beslaglijst genoemde goederen (items 10 tot en met 13) heeft hij de teruggave aan verdachte gevorderd.

De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

De rechtbank is op grond van artikel 353 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van oordeel dat zij ten aanzien van alle goederen waar (klassiek) beslag op grond van artikel 94 Sv op is gelegd een beslissing dient te nemen.

De rechtbank zal ten aanzien van de op de beslaglijst genoemde horloges (items 2 tot en met 8) gelasten dat deze worden onttrokken aan het verkeer, nu het om replica’s gaat en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De rechtbank zal ten aanzien van de op grond van artikel 94 Sv inbeslaggenomen auto (item 9) de teruggave aan verdachte gelasten. De rechtbank wijst erop dat er tevens conservatoir beslag is gelegd op deze auto, wat in de weg kan staan aan een feitelijke teruggave van het goed aan verdachte.

De rechtbank zal ten aanzien van de overige op de beslaglijst genoemde goederen (items 10 tot en met 13) de teruggave aan verdachte gelasten.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36b, 36d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 100 (honderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 (vijftig) dagen, en met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Gelast de onttrekking aan het verkeer van:

1.00 STK Horloge

TAG HEUER Carrera

5219128

3. 1.00 1.00 STK Horloge
BREITLING
zwart met witte wijzerplaat 5219109

3. 1.00 1.00 STK Horloge
FESTINA CHRONO
met rubberen band 5219163

3. 1.00 1.00 STK Horloge
GUESS TIESTO
met blauwe kast en metalen band 5219144

3. 1.00 1.00 STK Horloge
ROLEX WINNER
wijzerplaat voorzien van steentjes 5219136

3. 1.00 1.00 STK Horloge
ROLEX OYSTER
witte steentjes rond kast en wijzerplaat 5219158

3. 1.00 1.00 STK Horloge
BREITLING Chrono
met metalen band 5219153

Gelast de teruggave aan verdachte van:

9. 1.00 1.00 STK Personenauto [kenteken]
BMW 3ER Reihe 2005 Kl:Grijs
5219159

9. 1.00 1.00 STK Brief
5219102;vrachtbrief

9. 1.00 1.00 STK Zaktelefoon
SAMSUNG GALAXY
5219138

9. 1.00 1.00 STK Sleutelbos
5220128

9. 1.00 3.00 STK Sleutel
5219116

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. F.W. Pieters en R.A.J. Hübel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.C. Lieberwirth, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 november 2018.