Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8331

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
22-08-2019
Zaaknummer
C/13/637875 / HA ZA 17-1124
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis: Onrechtmatige daad en schadevergoeding wegens het fingeren van een contract. Voor eindvonnis zie: ECLI:NL:RBAMS:2019:6153.

Hangt samen met gevoegde zaak: ECLI:NL:RBAMS:2019:6154 voor de zaak 18-985

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/637875 / HA ZA 17-1124

Vonnis van 21 november 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MILESTONE WAREHOUSING B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. T. van der Valk te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LOOSE ENDS B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Warehousing, [gedaagde sub 1] en Loose Ends worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 23 mei 2018 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 september 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tot de Milestone-vennootschapsstructuur behoren onder meer de volgende vennootschappen: Warehousing (logistiek dienstverlener, gespecialiseerd in het verrichten van opslagwerkzaamheden en aanverwante logistieke diensten) en ML Milestone Logistics B.V. (hierna: Logistics).

2.1.1.

De heren [naam 1] en [naam 2] zijn (indirect) [functie 1] van de Milestone-vennootschappen. Hierna worden beiden dan wel één van hen kortheidshalve ook aangehaald als: de Milestone-directie. Wannneer wordt gedoeld op (de onderneming van) de Milestone-vennootschapsstructuur in het algemeen, wordt gesproken van: ‘Milestone’.

2.2.

Met ingang van 1 april 2014 is Loose Ends uit hoofde van een overeenkomst van opdracht managementwerkzaamheden gaan vervullen voor Logistics. Conform de tussen deze partijen gesloten managementovereenkomst is Loose Ends haar werkzaamheden gaan vervullen in de persoon van [gedaagde sub 1] , bestuurder van Loose Ends.

2.3.

In het najaar van 2015 heeft [gedaagde sub 1] aan de Milestone-directie laten weten dat hij in onderhandeling was met partij ‘Morinaga’ als potentiële klant voor Warehousing.

2.3.1. ‘

Morinaga’ is een Japanse beursgenoteerde zuivelproducent met vestigingen wereldwijd, waaronder in Nederland.

Het Japanse holding-niveau van Morinaga wordt hierna aangeduid als: Morinaga (Japan), waaronder is begrepen de Japanse vennootschap Morinaga Milk Industry Co. Ltd.

In Nederland acteerde Morinaga (Japan) door middel van de vennootschap Morinaga Milk Holland B.V., hierna: Morinaga BV.

Morinaga BV liet haar opslag in Nederland verzorgen door partij ‘Aramex’ te Schiphol.

2.4.

Op 20 juni 2016 heeft [gedaagde sub 1] aan de Milestone-directie mondeling laten weten dat met Morinaga BV overeenstemming is bereikt over de tarieven en een concept-contract. De Milestone-directie heeft in dat gesprek aan [gedaagde sub 1] gemeld dat Morinaga BV een minimum-omzet van € 14.000 maar bij voorkeur € 20.000 zal moeten garanderen. De achtergrond daarvan was dat de verwachte voorraadvolumes van Morinaga BV zodanig groot waren dat Warehousing een veel grotere loods zou moeten gaan betrekken (huren) teneinde die volumes te kunnen opslaan, terwijl de extra huurkosten werden berekend op € 14.000 per maand. [gedaagde sub 1] was van deze achtergrond op de hoogte. Op of vlak na 20 juni 2016 heeft [gedaagde sub 1] aan de Milestone-directie laten weten dat Morinaga BV akkoord was met de garantie van een minimum-omzet van € 14.000 en dat de overeenkomst op 29 juni 2016 in Nederland (Amsterdam) zou worden ondertekend.

2.5.

Op 29 juni 2016 heeft [gedaagde sub 1] zich vanuit het kantoor van Warehousing te [plaats] begeven naar Amsterdam om de overeenkomst met Morinaga BV te sluiten. De door [gedaagde sub 1] meegenomen contractsstukken waren namens Warehousing reeds getekend door [naam 1] . Op dezelfde dag heeft [gedaagde sub 1] zich weer op het kantoor van Warehousing gemeld met een namens Morinaga BV ondertekend geschrift houdende de bepalingen van de overeenkomst, waarvan de inhoud overeenstemde met de verwachtingen van de Milestone-directie, waaronder de garantie van een minimum-omzet van € 14.000 per maand en de ingangsdatum, 1 september 2016.

2.5.1.

Volgens het op 29 juni 2016 ondertekende geschrift is partij Morinaga BV vertegenwoordigd door de heer [naam 3] , [functie 2] (hierna: [naam 3] ). [naam 3] had de bevoegdheid voor Morinaga BV te tekenen.

2.5.2.

Het is echter niet [naam 3] geweest die namens Morinaga BV heeft getekend en ook niet iemand anders die bevoegd was namens Morinaga BV te tekenen. Het staat niet vast wie wél heeft getekend.

2.5.3.

Het op 29 juni 2016 ondertekende geschrift wordt hierna kortheidshalve aangehaald als: het Morinaga-contract.

2.6.

Intussen had Warehousing in verband met het aanstaande Morinaga-contract een huurovereenkomst onder opschortende of ontbindende voorwaarden gesloten ter zake van een grotere loods te Schiphol, bedoeld om in de plaats te komen van de bestaande loods te [plaats] . Op 30 juni 2016 heeft [gedaagde sub 1] aan de makelaar van Warehousing laten weten dat de voorbehouden zijdens Warehousing komen te vervallen. Op 27 juli 2016 heeft Warehousing ter zake van de nieuwe loods een huurovereenkomst gesloten, ingaande 1 september 2016. Hierna wordt in verband met deze verhuizing gesproken van: de oude loods en de nieuwe loods.

2.7.

Vanaf 1 september 2016 heeft Morinaga BV geen uitvoering gegeven aan het Morinaga-contract, dat wil zeggen dat geen Morinaga-voorraad is overgebracht naar de nieuwe loods van Warehousing.

2.8.

Op 14 februari 2017 heeft Warehousing Morinaga BV gefactureerd voor € 84.000 exclusief btw (6 maanden x € 14.000 aan gegarandeerde omzet).

2.9.

Op 1 mei 2017 is Morinaga BV ontbonden.

2.10.

Op 23 mei 2017 heeft Warehousing, die na onderzoek in het handelsregister van de ontbinding van Morinaga BV op de hoogte was geraakt, Morinaga BV gesommeerd tot betaling van € 840.000 als al hetgeen Morinaga BV aan Warehousing is verschuldigd gedurende de looptijd van het Morinaga-contract (60 maanden).

2.11.

Op 12 juni 2017 heeft Warehousing conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van Morinaga BV, na daartoe verkregen rechterlijk verlof.

2.12.

Op 13 juni 2017 heeft de advocaat van Morinaga BV (van kantoor ‘Bingh Advocaten’) aan de Milestone-directie bericht dat het Morinaga-contract niet is ondertekend door [naam 3] , dat Morinaga BV geen overeenkomst met Warehousing heeft gesloten, en dat de in naam van [naam 3] geplaatste handtekening in het Morinaga-contract moet zijn vervalst.

2.13.

In de periode hierna heeft de Milestone-directie feitenonderzoek gedaan. In de dagen van 23-25 juni 2017 heeft de Milestone-directie voor zichzelf geconcludeerd dat het door [gedaagde sub 1] gegeven relaas van de feiten omtrent de ondertekening van het Morinaga-contract onjuist is, en heeft zij Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (hierna: Hoffmann) ingeschakeld voor een gesprek met [gedaagde sub 1] .

2.14.

Op 3 juli 2017 hebben twee bedrijfsrechercheurs van Hoffmann met [gedaagde sub 1] gesproken. Meteen na afloop van het gesprek heeft Logistics de werking van de managementovereenkomst met Loose Ends (feitelijk [gedaagde sub 1] ) geschorst omdat [gedaagde sub 1] jegens de bedrijfsrechercheurs zou hebben verklaard dat de in naam van [naam 3] op het Morinaga-contract geplaatste handtekening met wetenschap van [gedaagde sub 1] is vervalst.

2.15.

Op 6 juli 2017 heeft Logistics de managementovereenkomst met Loose Ends met onmiddellijke ingang opgezegd.

2.16.

Op basis van een op 9 november 2017 gegeven rechterlijk verlof heeft Warehousing diverse conservatoire beslagen gelegd ten laste van [gedaagde sub 1] en Loose Ends.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Warehousing vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde sub 1] en Loose Ends hoofdelijk veroordeelt tot betaling van

I € 710.848,17, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening,

II de (na)kosten van het geding, zulks binnen veertien dagen na de datum van het vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van het vonnis.

3.2.

Warehousing legt samengevat het volgende aan de vordering ten grondslag.

3.2.1.

[gedaagde sub 1] heeft het bestaan van een overeenkomst met Morinaga BV verzonnen en Warehousing terzake opzettelijk misleid. [gedaagde sub 1] heeft aldus onrechtmatig gehandeld en schade veroorzaakt. Ten eerste: schade in verband met de verhuizing naar de grotere loods: slechts vanwege het Morinaga-contract was de grotere loods nodig, en slechts vanwege de in het Morinaga-contract opgenomen omzetgarantie was de huur van de grotere loods haalbaar. Ten tweede: schade in verband met de escalatie van het (schijn)conflict met Morinaga BV en Morinaga (Japan).

3.2.2.

Warehousing heeft in totaal € 19.500 aan [gedaagde sub 1] geleend. Dit bedrag wordt teruggevorderd.

3.2.3.

Het gevorderde bedrag van € 710.848,17 is in grote lijnen als volgt opgebouwd:

€ 546.002,67 aan verhuizingschade

€ 145.345,50 aan conflictschade

€ 19.500,00 geldlening aan [gedaagde sub 1]

€ 710.848,17 totaal

3.2.4.

Warehousing procedeert in dit geding mede op basis van een last ter incasso, gegeven door de andere Milestone-vennootschappen, namelijk voor zover de in dit geding gevorderde schade is geleden door een andere Milestone-vennootschap dan Warehousing. De last is gegeven door de volgende vennootschappen: Logistics, Milestone Group B.V., Milestone Fresh B.V., Milestone Transport B.V., Milestone Solutions B.V., en Milestone International B.V.

Aldus Warehousing.

3.3.

[gedaagde sub 1] en Loose Ends voeren als hoofdverweer het volgende aan. [gedaagde sub 1] heeft ten tijde van de ondertekening van het Morinaga-contract niet de handtekening van [naam 3] vervalst of meegewerkt aan zo’n vervalsing. Het is wel zo dat [gedaagde sub 1] heeft nagelaten om de identiteit van degene die in naam van [naam 3] tekende, te verifiëren. Dit kan aan [gedaagde sub 1] worden verweten, maar kan niet als onrechtmatige daad worden gekwalificeerd.

Aldus [gedaagde sub 1] en Loose Ends.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde sub 1] en Loose Ends vorderen, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Warehousing veroordeelt tot

  • -

    i) opheffing van de ten laste van [gedaagde sub 1] en Loose Ends gelegde conservatoire beslagen,

  • -

    ii) betaling van de (na)kosten van het geding.

3.6.

Warehousing voert verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

De hierna volgende rechtsoverwegingen leiden in beginsel tot het oordeel inhoudende een betalingsveroordeling ten laste van gedaagden in conventie en afwijzing van de vordering in reconventie. Conform afspraak en instructie ter comparitie zal echter nog geen einduitspraak worden gedaan, teneinde die gelijktijdig te doen met de einduitspraak in de gevoegde zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/654694 / HA ZA 18-985. Iedere beslissing zal derhalve worden aangehouden. Op deze manier wordt toegekomen aan de door [gedaagde sub 1] en Loose Ends in conventie gevraagde opschorting. Op de door [gedaagde sub 1] en Loose Ends in conventie gestelde tegenvorderingen zal in de onderhavige zaak dus niet worden ingegaan; dit is de materie van de eis in de gevoegde zaak.

4.2.

Voor de goede orde wordt nog het volgende opgemerkt. Denkbaar is dat de beoordeling in de onderhavige en die in de gevoegde zaak elkaar op onderdelen zouden hebben beïnvloed als de zaken in de praktijk ook gelijktijdig waren behandeld, met name ter comparitie alwaar kan worden afgesproken dat stellingen en verklaringen in beide zaken gelden voor zover van belang. De onderhavige zaak – die wegens aan partijen bekende omstandigheden (met name de constructie van de last ter incasso) is vooruitgelopen op de andere zaak – is thans met dit vonnis in beginsel volledig beoordeeld en het partijdebat in deze zaak wordt dan ook in beginsel als afgerond beschouwd, maar de rechtbank houdt open de mogelijkheid dat in de onderhavige zaak een heroverweging plaatsvindt op basis van de beoordeling in de gevoegde zaak. In die zin geldt de bij dit vonnis gegeven beoordeling dus als een voorshandse. Er zal op worden toegezien dat partijen alsdan niet worden geconfronteerd met een verrassingsbeslissing in dat kader.

4.3.

Ten slotte wordt partijen in overweging gegeven alsnog te trachten de zaak (en de gevoegde zaak) in der minne te schikken.

in conventie voorts

Totstandkoming Morinaga-contract, het handelen van [gedaagde sub 1]

4.4.

De kernvraag is of [gedaagde sub 1] het bestaan van het Morinaga-contract heeft verzonnen, meer in het bijzonder of hij de handtekening van [naam 3] heeft vervalst of heeft laten vervalsen door een ander. Op basis van de stellingen van Warehousing en het daartegen gevoerde verweer zijdens [gedaagde sub 1] komt de rechtbank op grond van het hierna overwogene tot de conclusie dat inderdaad als vaststaand moet worden aangenomen dat [gedaagde sub 1] de handtekening van [naam 3] heeft vervalst of doen vervalsen, omdat dit niet voldoende is betwist.

4.5.

Warehousing stelt in dit kader de volgende feitelijke gang van zaken.

Op 13 juni 2017 ontvangt de Milestone-directie van de advocaat van Morinaga BV het bericht dat – kort gezegd – Morinaga BV niet bij het Morinaga-contract is betrokken. Later op diezelfde dag spreken de Milestone-directie (in casu [naam 1] ), de raadsman van ‘Milestone’ (mr. De Vos, behandeld advocaat van Warehousing in dit geding) en [gedaagde sub 1] met elkaar af dat ‘Milestone’ een tijdlijn omtrent de totstandkoming van het Morinaga-contract zal maken. [gedaagde sub 1] vertelt tijdens die bespreking dat het contract op het kantoor van de advocaten van Morinaga BV in het WTC te Amsterdam is getekend, en dat naast [naam 3] daarbij een zekere [naam 4] aanwezig was. [gedaagde sub 1] vertelt verder dat hij onlangs, op 6 juni 2017, nog heeft gesproken met [naam 4] ten kantore van de Morinaga-advocaten en om opheldering heeft gevraagd, en dat [naam 4] toen heeft toegezegd schriftelijk te verklaren dat het Morinaga-contract in zijn aanwezigheid is getekend. Aan [gedaagde sub 1] wordt tijdens de bespreking op 13 juni 2017 verzocht om een schriftelijke verklaring op te stellen met alle details over de totstandkoming van het Morinaga-contract en vooral de ondertekening daarvan.

In de daarop volgende week dringt [naam 1] bij [gedaagde sub 1] erop aan dat hij alle relevante stukken aanlevert en een tijdlijn opstelt. [gedaagde sub 1] verzamelt stukken en de tijdlijn wordt op 20 juni 2017 door [naam 1] aan mr. De Vos verzonden. [gedaagde sub 1] ontvangt deze email en de daarbij gevoegde tijdlijn in kopie. [gedaagde sub 1] geeft niet de gevraagde schriftelijke verklaring. Wel staat in de tijdlijn vermeld dat [gedaagde sub 1] op 6 juni 2017 bij het kantoor van de Morinaga-advocaten is geweest, dat dit kantoor ‘HDK’ is en dat de achternaam van [naam 4] is. Verder staat in de tijdlijn vermeld dat [naam 4] op 16 juni 2017 ook nog met [gedaagde sub 1] heeft gebeld en toen heeft gezegd “Wij zullen alles ontkennen” en “Dit telefoontje heeft niet plaatsgevonden”. In reactie op de tijdlijn herhaalt mr. De Vos bij email van 21 juni 2017 het verzoek aan [gedaagde sub 1] om zijn verklaring over de totstandkoming van het Morinaga-contract en de ondertekening op papier te zetten, waarbij specifiek wordt gevraagd naar de rol van [naam 4] , het bezoek van 6 juni en het telefoongesprek van 16 juni. [gedaagde sub 1] reageert enkele uren later op deze email als volgt: “Bericht ontvangen, ik moet dat nog maken. Ik heb, helaas, maar 10 vingers en ook nog wat andere dingen te doen”. De reactie van [gedaagde sub 1] laat op zich wachten. Op 23 juni 2017 belt [gedaagde sub 1] na veel aandringen met mr. De Vos. [gedaagde sub 1] bevestigt ook in dit gesprek dat het Morinaga-contract op kantoor bij HDK in aanwezigheid van [naam 4] is getekend (van dit telefoongesprek heeft mr. De Vos een gespreksnotitie gemaakt). Eveneens op 23 juni 2017 ontvangt mr. De Vos schriftelijk en telefonisch een verklaring van advocatenkantoor HDK, gevestigd in het WTC te Amsterdam, inhoudende dat HDK niet bekend is met ‘ [naam 4] ’ en ook niet bekend is met het Morinaga-contract. In het gesprek met de twee bedrijfsrechercheurs van Hoffmann op 3 juli 2017 bevestigt [gedaagde sub 1] dat het Morinaga-contract in aanwezigheid van [naam 4] is getekend, dat [naam 4] hem nadien nog één of twee keer heeft gebeld en dat hij op 6 juni 2017 nog op het kantoor van HDK is geweest om met [naam 4] te spreken. Later in het gesprek met de bedrijfsrechercheurs bekent [gedaagde sub 1] dat het Morinaga-contract niet zijdens Morinaga is getekend en dat hij alles over HDK en [naam 4] heeft verzonnen. De bedrijfsrechercheurs hebben van het gesprek een rapport opgemaakt (hierna: het Hoffmann-rapport).

Aldus Warehousing.

4.6.

[gedaagde sub 1] voert hiertegen het volgende aan.

Op 3 juli 2017 werd [gedaagde sub 1] plotsklaps voorgesteld aan de bedrijfsrechercheurs van Hoffmann. In het gesprek met hen werd [gedaagde sub 1] geconfronteerd met allerlei mededelingen en beschuldigingen aangaande het Morinaga-contract, waarvan [gedaagde sub 1] de helft niet begreep. [gedaagde sub 1] heeft in dit gesprek erkend dat hij niet handig heeft opgetreden, maar hij heeft in dat gesprek niet erkend dat hij Warehousing op welke wijze dan ook moedwillig op het verkeerde spoor heeft gebracht; [gedaagde sub 1] heeft nimmer erkend dat hij het Morinaga-contract heeft vervalst. [gedaagde sub 1] was volledig overdonderd door de beschuldigingen aan zijn adres en heeft ze daardoor wellicht niet met voldoende kracht weersproken. Het Hoffmann-rapport stemt op verschillende punten niet overeen met wat [gedaagde sub 1] heeft verklaard; het Hoffmann-rapport hangt overigens als los zand aan elkaar en er blijkt nauwelijks uit wat de gang van zaken is geweest en wat er nu precies aan [gedaagde sub 1] wordt verweten.

[gedaagde sub 1] heeft, zoals hij erkent, ter gelegenheid van de ondertekening van het Morinaga-contract niet geverifieerd of degene die namens Morinaga BV tekende daadwerkelijk [naam 3] was. Dit kan aan [gedaagde sub 1] worden verweten, zeker gezien de wat vreemde gang van zaken ter gelegenheid van de ondertekening: de afspraak om het Morinaga-contract te ondertekenen zou plaatsvinden aan [adres] te Amsterdam (WTC); aldaar aangekomen kwam een Japanse man, die zich voorstelde als [naam 3] van Morinaga BV, [gedaagde sub 1] tegemoet; hij vertelde [gedaagde sub 1] dat op [adres] geen ruimte was om even rustig te gaan zitten voor de ondertekening; de Japanse man en [gedaagde sub 1] zijn toen in de auto van [gedaagde sub 1] gestapt en naar station Duivendrecht gereden, alwaar het Morinaga-contract is ondertekend; na 45 minuten zijn zij weer teruggereden naar [adres] alwaar [gedaagde sub 1] de Japanse man voor de deur heeft afgezet. Echter, [gedaagde sub 1] heeft dezelfde week nog aan [naam 3] c.q. Morinaga (Japan) gevraagd om een kopie van het paspoort van [naam 3] en [gedaagde sub 1] heeft die kopie toen ook daadwerkelijk ontvangen. Dat [gedaagde sub 1] op 29 juni 2016 bij Duivendrecht is geweest, blijkt uit de op die datum te Duivendrecht gemaakte parkeerkosten zoals vermeld in de overgelegde creditcardafrekening.

De namen HDK en [naam 4] kent [gedaagde sub 1] niet en hij heeft die namen nooit genoemd. Hij was dan ook uitermate verrast toen hij die namen in het Hoffmann-rapport tegenkwam.

De door Warehousing bedoelde tijdlijn is niet van de hand van [gedaagde sub 1] maar van de hand van [naam 1] . De tijdlijn wijkt ook af van de tijdlijn die destijds aan [gedaagde sub 1] is toegezonden.

Aldus [gedaagde sub 1] .

4.7.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

4.7.1.

Als vaststaand kan worden aangenomen, nu Warehousing dat onbetwist heeft gesteld, dat HDK geen bemoeienis met het Morinaga-contract heeft gehad en dat ‘ [naam 4] ’ niet bij HDK is betrokken. Verder kan op basis van de stellingen over en weer als vaststaand worden aangenomen dat ‘ [naam 4] ’ in het verband van de onderhavige casus een fictief persoon is. Dat de achternaam van deze persoon op verschillende plekken in het dossier verschillend wordt geschreven is dan ook begrijpelijk, nu de naam door de verschillende actoren in dit dossier slechts op het gehoor is waargenomen; aan deze inconsistentie, waar [gedaagde sub 1] op wijst, verbindt de rechtbank dan ook geen conclusies.

4.7.2.

De door Warehousing bedoelde tijdlijn bevat verwijzingen naar HDK en ‘ [naam 4] ’ waaronder de contacten van [gedaagde sub 1] met ‘ [naam 4] ’ op 6 en 16 juni 2017. [gedaagde sub 1] heeft op de e-mail waarbij de tijdlijn mede aan hem werd verzonden, niet gereageerd, hetgeen wel voor de hand zou liggen als daarin aan [gedaagde sub 1] toegeschreven verzinsels omtrent HDK en ‘ [naam 4] ’ staan vermeld. Dat de even genoemde verwijzingen juist zijn (waarmee dus wordt bedoeld: dat de tijdlijn terecht vermeldt dat [gedaagde sub 1] die verwijzingen als feiten omtrent de Morinaga-contractering naar voren heeft gebracht in het kader van het opstellen van de tijdlijn) blijkt uit (i) het telefoongesprek op 23 juni 2017 met mr. De Vos, (ii) het Hoffmann-rapport en (iii) het verweer van [gedaagde sub 1] .

Ad (i) [gedaagde sub 1] heeft het plaatsvinden en de inhoud van het telefoongesprek op 23 juni 2017 met mr. De Vos niet betwist. De in het gesprek gerelateerde betrokkenheid van HDK en ‘ [naam 4] ’ bij de ondertekening van het Morinaga-contract is toen uiteraard niet uit de lucht komen vallen; die namen waren, zo blijkt uit het gespreksverslag (dat op dezelfde dag door mr. De Vos is opgemaakt, zoals blijkt uit de e-mail aan twee collega’s waarbij het verslag intern is doorgezet), zowel aan mr. De Vos als aan [gedaagde sub 1] reeds bekend als betrokkenen bij het tekenen van het Morinaga-contract.

Ad (ii) Bij de gedingstukken bevindt zich een verklaring van [gedaagde sub 1] met zijn reactie op het concept van het Hoffmann-rapport. [gedaagde sub 1] gaat in die reactie in op een aantal concrete alinea’s van dat concept. Een dergelijke reactie ten aanzien van het definitieve rapport ontbreekt. In het Hoffmann-rapport staat vermeld: dat de bedrijfsrechercheurs aan [gedaagde sub 1] hebben voorgehouden dat bij HDK geen [naam 4] werkte; dat [gedaagde sub 1] vervolgens aangaf dit niet te snappen; dat de bedrijfsrechercheurs vervolgens aan [gedaagde sub 1] hebben gevraagd om ter plekke met HDK te bellen en te vragen naar [naam 4] ; dat [gedaagde sub 1] dat toen ook heeft gedaan (“Omstreeks 12.55 uur belde de heer [gedaagde sub 1] met zijn mobiele telefoon het nummer [telefoonummer] van [HDK]. De telefoon stond op de speaker”); dat de werknemer die de telefoon beantwoordde vervolgens mededeelde dat er geen [naam 4] bij HDK werkte. Dit is een zeer concrete aanwijzing voor de juistheid van de stelling van Warehousing dat [gedaagde sub 1] aan de Milestone-directie heeft voorgehouden dat HDK en [naam 4] bij de totstandkoming van het Morinaga-contract betrokken waren. [gedaagde sub 1] heeft het Hoffmann-rapport op dit specifieke punt niet betwist.

Ad (iii) [gedaagde sub 1] heeft weliswaar aangevoerd dat hijzelf niet degene is geweest die de tijdlijn heeft opgesteld, maar hij heeft niet aangevoerd dat de tijdlijn een onjuiste weergave is van de gebeurtenissen zoals die door [gedaagde sub 1] zelf zijn gerelateerd, met name dus de betrokkenheid van HDK en ‘ [naam 4] ’ en de recente contacten met die laatste.

4.7.3.

Wat betreft de plaats van ondertekening. Volgens Warehousing heeft [gedaagde sub 1] aan de Milestone-directie voorgehouden dat de ondertekening plaatsvond in het WTC (met betrokkenheid van HDK en [naam 4] ). Volgens stellingname van [gedaagde sub 1] is de ondertekeningshandeling verplaatst van het WTC naar Duivendrecht. [gedaagde sub 1] ontkent hiermee dat hij aan Warehousing heeft voorgehouden dat de ondertekening in het WTC had plaatsgevonden, en hij ontkent daarmee ook dat hij de betrokkenheid van HDK (in het WTC gevestigd) en [naam 4] aan Warehousing heeft voorgehouden. Echter, op 10 juli 2017 heeft de advocaat van [gedaagde sub 1] richting Hoffmann gereageerd op het door Hoffmann gemaakte gespreksverslag en in die reactie vermeld wat de werkelijke gang van zaken is geweest op de dag van ondertekening van het Morinaga-contract, waaronder de omstandigheid dat “ [gedaagde sub 1] op het WTC te Amsterdam een bespreking [heeft] gehad met een vertegenwoordiger van Morinaga”; de advocaat van [gedaagde sub 1] spreekt dus niet van een verplaatsing naar Duivendrecht. Bovendien geldt ook hier, net als wat betreft de betrokkenheid van HDK en ‘ [naam 4] ’ dat de locatie ‘WTC’ als ondertekeningslocatie is vermeld in de door Warehousing bedoelde tijdlijn, die niet door [gedaagde sub 1] is betwist. De stellingname van [gedaagde sub 1] houdt dan ook geen stand. Dat [gedaagde sub 1] op de bewuste dag kennelijk nog bij Duivendrecht heeft geparkeerd, maakt dat niet anders.

4.7.4.

Ten slotte over het paspoort van [naam 3] . Dat [gedaagde sub 1] niet lang na de ondertekening van het Morinaga-contract heeft gevraagd om een kopie van dat paspoort en dat vervolgens ook heeft gekregen, kan als vaststaand worden aangenomen, omdat Warehousing dit erkent. [gedaagde sub 1] voert in dit verband aan dat het wel zo moest zijn dat er een overeenkomst tussen Warehousing en Morinaga BV is gesloten omdat anders niet valt in te zien waarom het paspoort zou worden toegezonden. Warehousing heeft de betreffende e-mails tussen [gedaagde sub 1] en Morinaga (Japan) overgelegd en stelt, met verwijzing naar de inhoud van die e-mails, dat [gedaagde sub 1] het paspoort niet heeft gevraagd in relatie tot het Morinaga-contract maar in verband met een eenmalige zending van ‘Milestone’ aan een partij binnen het concern van Morinaga (Japan) die in verleden had plaatsgevonden (november 2015) en ter zake waarvan [naam 3] een volmacht had gegeven opdat ‘Milestone’ namens de onderneming van Morinaga (Japan) de douane-aangifte kon doen; [gedaagde sub 1] heeft blijkens de e-mails aan de vertegenwoordiger van Morinaga (Japan) voorgehouden dat hij het paspoort nog nodig had om de volmacht te completeren, hetgeen een ‘smoes’ was om maar aan een kopie van het paspoort te komen. Aldus Warehousing.

Dat het opvragen van het paspoort door [gedaagde sub 1] verband hield met het door Warehousing geschetste onderwerp blijkt inderdaad uit de e-mails, en is door [gedaagde sub 1] niet meer betwist. Bovendien is niet goed te begrijpen waarom Morinaga (Japan) het paspoort van [naam 3] in verband met de namens Morinaga BV gedane ondertekening van het Morinaga-contract zou opsturen als [naam 3] volgens Morinaga (Japan) en Morinaga BV niet degene is geweest die heeft getekend. Overigens heeft [gedaagde sub 1] geen toelichting gegeven op de discrepantie die hij denkelijk – een nadere toelichting zijdens [gedaagde sub 1] ontbreekt immers – heeft waargenomen tussen enerzijds de foto van [naam 3] op de door hem ontvangen paspoortkopie en anderzijds de persoon die de ondertekening van het Morinaga-contract deed, van wie onbetwist is dat die niet [naam 3] was.

4.7.5.

Op basis van het zojuist overwogene moet als vaststaand worden aangenomen dat [gedaagde sub 1] aan de Milestone-directie in strijd met de waarheid heeft voorgehouden dat de ondertekening van het Morinaga-contract zijdens Morinaga BV heeft plaatsgevonden ten kantore van HDK in het WTC en in het bijzijn van [naam 4] van HDK. Gelet hierop kan niet als vaststaand worden aangenomen dat de ondertekening van het Morinaga-contract zijdens Morinaga BV heeft plaatsgevonden door een persoon die zich jegens [gedaagde sub 1] presenteerde als [naam 3] , nu [gedaagde sub 1] dit feit heeft aangevoerd als hebbende plaatsgevonden binnen de context van WTC, HDK en [naam 4] . Als vaststaand moet derhalve worden aangenomen dat [gedaagde sub 1] het bestaan van het Morinaga-contract heeft verzonnen, meer in het bijzonder dat hij de handtekening van [naam 3] heeft vervalst of heeft laten vervalsen door een ander.

Onrechtmatige daad

4.8.

Tot hier is gesproken over het handelen van [gedaagde sub 1] (en niet tevens Loose Ends) omdat [gedaagde sub 1] feitelijk de handelende persoon was. In dit geding worden echter [gedaagde sub 1] en Loose Ends hoofdelijk aansprakelijk gehouden op grond van onrechtmatige daad. Over de (rechts)posities van gedaagden wordt het volgende overwogen.

4.9.

Loose Ends was formeel werkzaam voor Logistics uit hoofde van de managementovereenkomst. Het Morinaga-contract werd in de persoon van [gedaagde sub 1] echter geregeld ten behoeve van Warehousing, en niet Logistics. Ter comparitie is door de Milestone-directie ( [naam 1] ) toegelicht dat de managementovereenkomst met Loose Ends is gesloten door Logistics (en niet door een andere Milestone-vennootschap) omdat [gedaagde sub 1] bij Logistics begon met zijn werk.

4.10.

De rechtbank verstaat deze toelichting aldus dat Loose Ends haar werkzaamheden, nadat zij bij Logistics was begonnen, gaandeweg heeft uitgebreid, in die zin dat zij met volmacht of machtiging van de Milestone-directie ook buiten de kaders van de rechtspersoon Logistics, maar binnen de structuur van ‘Milestone’, is gaan werken vanuit de basis van de bestaande managementovereenkomst. In casu heeft dat kennelijk betekend dat zustervennootschap Warehousing met goedvinden van Logistics aan Loose Ends een opdracht met machtiging heeft gegeven om het Morinaga-contract feitelijk te regelen (onderhandelingen doen en de ondertekening namens Morinaga BV begeleiden), welke opdracht door Loose Ends is aanvaard. Deze kwalificatie oordeelt de rechtbank als juist op basis van de volgende drie aanwijzingen.

De eerste is dat de stellingen van alle partijen impliciet inhouden dat gedaagde Loose Ends in de sfeer van de totstandkoming van het Morinaga-contract – en dus in de sfeer van de in dit geding centraal staande aansprakelijkheidsvraag – een rol speelt (alhans in relatie tot Warehousing; niet zozeer in relatie tot Morinaga BV).

De tweede aanwijzing is dat gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 1] voor het werk dat hij deed in het kader van het Morinaga-contract apart door Warehousing bij wijze van managementovereenkomst is gecontracteerd of betaald: [gedaagde sub 1] is op basis van de bestaande contractuele relatie van Loose Ends met Logistics gewoonweg aan de slag gegaan, en beschouwde het als normaal dat hij naast de maandelijkse aan Loose Ends toekomende managementvergoeding niet apart betaald werd.

De derde aanwijzing is te vinden in de managementovereenkomst zelf, artikel 1.2:

“The Manager will provide the Company with management services. The Manager shall therefore manage activities which are to be carried out within the Company, and also carry out other activities which may lead to an optimum growth and development of the Company and which can reasonably be expected from the Manager in terms of proper business management.”.

4.11.

Het ten behoeve van Warehousing regelen van het Morinaga-contract gebeurde dus door Loose Ends op basis van een mondelinge overeenkomst van opdracht tussen haar en Warehousing. Dit betekent dus dat [gedaagde sub 1] in dit kader niet in privé heeft gehandeld, maar in hoedanigheid van bestuurder van Loose Ends. Verder kan uit voornoemde derde aanwijzing worden afgeleid dat het regelen van het Morinaga-contract door Loose Ends ook een werkzaamheid was binnen de sfeer van de managementovereenkomst met Logistics.

4.12.

Het handelen van Loose Ends jegens Warehousing, zoals dat feitelijk door [gedaagde sub 1] is gedaan en hiervoor is beoordeeld, is in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt en derhalve onrechtmatig. Loose Ends heeft immers haar opdrachtgever Warehousing in de waan gebracht dat een overeenkomst was gesloten met daaraan gekoppelde omzetverwachtingen en verplichtingen in de kostensfeer, op welk een en ander Warehousing zich heeft ingesteld. Loose Ends is dus jegens Warehousing aansprakelijk voor de uit haar onrechtmatig handelen voortvloeiende schade.

Loose Ends heeft echter ook jegens de andere Milestone-vennootschappen onrechtmatig gehandeld; ook die andere Milestone-vennootschappen verkeerden immers, zoals Loose Ends uiteraard wist, in de invloedssfeer van het Morinaga-contract, ook al is wellicht niet door elke afzonderlijke vennootschap daadwerkelijk schade geleden.

4.13.

Voor [gedaagde sub 1] geldt de bestuurdersaansprakelijkheidsnorm van het ernstig verwijt: Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, rechtspraak.nl).

4.13.1.

Bedoeld persoonlijk ernstig verwijt kan in casu aan [gedaagde sub 1] zeker worden gemaakt. Het in de waan brengen van Warehousing (en ‘Milestone’ in het algemeen), zoals zojuist onder 4.12 bedoeld, is zeer ernstig en is uiteraard ook een verwijt dat aan [gedaagde sub 1] persoonlijk kan worden gemaakt: het verwijtbare feitelijk handelen zoals dat formeel door Loose Ends is gepleegd is feitelijk slechts door [gedaagde sub 1] gepleegd. [gedaagde sub 1] is dan ook naast de vennootschap Loose Ends aansprakelijk voor de schade. Nu het hier om dezelfde schade gaat betreft het hier een hoofdelijke aanprakelijkheid.

Schade: algemeen

4.14.

Voor vergoeding in aanmerking komt de schade die in causaal verband staat met het door Warehousing acteren alsof er een overeenkomst met Morinaga BV was. Daarvoor is vereist dat de schade niet zou zijn geleden indien [gedaagde sub 1] op 29 juni 2016 aan de Milestone-directie had medegedeeld dat er geen overeenkomst met Morinaga BV was totstandgekomen. Zowel de verhuizingschade als de conflictschade staan, in hun algemeenheid, in dit causale verband tot het onrechtmatig handelen van Loose Ends en [gedaagde sub 1] .

4.15.

Gedaagden voeren aan dat in de nieuwe loods in plaats van Morinaga BV andere, nieuwe klanten zijn kunnen worden bediend, zodat de in verband met het Morinaga-contract en de verhuizing naar de nieuwe loods verwachte netto marge toch nog is gehaald althans ten dele, terwijl de bedoelde nieuwe klanten niet zouden zijn kunnen bediend in de oude loods. Warehousing heeft dit beroep op voordeelstoerekening evenwel weersproken, stellende dat voor zover Warehousing opdrachten heeft ontvangen van de door gedaagden bedoelde nieuwe klanten, deze hadden kunnen worden uitgevoerd in de oude loods. Gelet hierop is het verweer van gedaagden uiteindelijk niet voldoende onderbouwd, zodat het niet wordt gevolgd.

4.16.

Gedaagden voeren aan dat in de ruimte van de nieuwe loods bepaalde extra opslagactiviteiten hebben kunnen plaatsvinden, die voorheen werden uitbesteed. De inkomsten c.q. kostenbesparingen dienen te worden verdisconteerd in de schade-omvang, aldus gedaagden. Warehousing heeft dit weersproken, behoudens de archiefopslag: het archief van Warehousing is inderdaad in de nieuwe loods geplaatst, maar dat geldt ook voor het archief van de oude onderneming van [gedaagde sub 1] /Loose Ends, zodat het voordeel voor Warehousing wegvalt tegen het voordeel voor [gedaagde sub 1] /Loose Ends, aldus Warehousing. Gelet hierop hebben gedaagden uiteindelijk onvoldoende gesteld in het kader van dit voordeeltoerekeningsverweer.

4.17.

Hierna wordt over de verschillende deelposten overwogen.

Schade: verhuizingschade (oude loods naar nieuwe loods)

4.18. € 272.866

aan huurkosten die voor de grotere loods méér zijn gemaakt ten opzichte van de oude loods. Warehousing heeft toegelicht dat deze schade is berekend tot 1 april 2018, het moment waarop vervroegd uit de nieuwe huurovereenkomst kon worden gestapt door uitoefening van de zogenoemde break-optie. De huurkorting en de investeringsbijdrage die Warehousing in verband met de nieuwe huurovereenkomst heeft genoten, en waarop gedaagden in hun verweer hebben gewezen (berekend op € 25.000 aan investeringsbijdrage en € 190.000 aan huurkorting, totaal € 215.000), zijn blijkens de door Warehousing overgelegde schade-opstelling al in het schadebedrag verdisconteerd (namelijk een bedrag van € 108.245, zijnde het deel dat volgens Warehousing kan worden toegerekend aan de in verband met de uitoefening van de break-optie verkorte tijdsduur van de huurovereenkomst, waar op basis van een volledig uitdienende huurovereenkomst een bedrag van € 220.472 zou hebben gegolden). Gedaagden voeren aan dat Warehousing ten onrechte niet het gehele bedrag van € 220.472 in aftrek hebben gebracht: omdat de verhuurder zelf (en niet Warehousing) de break-optie heeft ingeroepen, bleef Warehousing recht houden op de gehele huurkorting, aldus gedaagden. Warehousing, die slechts ‘neutraal spreekt over het zijn uitgeoefend van de break-optie, heeft dit niet weersproken, zodat het gehele bedrag van € 220.472 moet worden verdisconteerd en niet slechts € 108.245. Gedaagden hebben nog aangevoerd dat aan Warehousing de mogelijkheid was geboden om op 1 november 2017 al uit de nieuwe loods te vertrekken, zodat de schade van extra huurkosten tot dat moment moet worden berekend. Warehousing heeft van haar kant echter gesteld dat zij met betrekking tot de periode na 1 april 2018 niet meteen een alternatieve loods kon vinden, zodat met de verhuurder is afgesproken dat Warehousing na 1 april 2018 nog enkele maanden in de nieuwe loods kon blijven, terwijl Warehousing om proceseconomische redenen de vordering in tijd beperkt tot 1 april 2018. In deze nadere stellingen ligt besloten dat Warehousing in het kader van de schadebeperkingsplicht niet kan worden verweten dat zij tot 1 april 2018 in de nieuwe loods is gebleven. Het gevorderde bedrag van € 272.866 ziet op de daarmee gemoeide schade en is verder niet betwist. Als dit cijfer zodanig wordt aangepast dat op de huur van de nieuwe loods tot aan de break het gehele bedrag van € 220.472 in mindering wordt gebracht (en niet slechts € 108.245) – en verder conform de opstelling en berekeningswijze ex productie 33.3 Warehousing – leidt dit tot een bedrag van € 160.639 aan toewijsbare méérkosten ter zake van de huur van de nieuwe loods:

Huurkosten voor de nieuwe loods tot de break

€ 440.924 huur

€ 220.472 -/- huurkorting (en investeringsbijdrage, zo begrijpt de rechtbank)

€ 61.667 servicekosten

€ 7.196 vergoeding [naam 5]

€ 289.315 totaal

Huurkosten voor de oude loods tot de break

€ 198.550 huur

€ 27.190 -/- huurkorting

€ 57.659 servicekosten

€ 4.736 vergoeding [naam 5]

€ 98.457 -/- doorbelaste huur

€ 13.690 doorbelaste vergoeding [naam 5]

€ 20.313 -/- doorbelaste servicekosten

€ 128.676 totaal

€ 289.315

€ 128.676 -/-

€ 160.639

4.19. € 20.316

aan afschrijvingen met betrekking tot de oude loods. Dit bedrag is in het geheel niet toegelicht en zal worden afgewezen.

4.20. € 8.055

aan kosten voor eindoplevering van de oude loods. Het betreft hier een aan Logistics gerichte factuur van vastgoedbeheerder [naam vastgoedbeheerder] . Gedaagden hebben aangevoerd dat de factuur betrekking heeft op schade aan de oude loods, en dat dit niet aan gedaagden kan worden toegerekend. Warehousing heeft dit niet weersproken en aangegeven dat het eigen medewerkers van ‘Milestone’ waren die de schade hebben veroorzaakt. Deze schadepost zal worden afgewezen omdat die in een te ver verwijderd verband staat tot de onrechtmatige daad, althans vanwege volledige eigen schuld aan de zijde van Logistics.

4.21. € 55.644

aan dubbele huurlasten. Genoemd bedrag is het bedrag voor 8 maanden aan huur c.a. voor de oude loods, wat op basis van de oude huurovereenkomst kennelijk is moeten worden doorbetaald vanaf 1 september 2016. Deze kosten zijn niet door gedaagden betwist en derhalve toewijsbaar.

4.22. € 7.756,80

aan doorlopende internetkosten met betrekking tot de oude loods. Het gaat hier om 12 aan Logistics gerichte facturen van Eurofiber die blijkens de omschrijving en de toelichting bij antwoord in reconventie betrekking hebben op abonnementskosten voor internetaansluitingen te Capelle a/d IJssel en te [plaats] het adres van de oude loods). Het gaat hier volgens het antwoord in reconventie om kosten die na verhuizing naar de nieuwe loods nog moesten worden doorbetaald. Ter comparitie is zijdens Warehousing echter toegelicht dat de facturen betrekking hebben op de nieuwe loods (adres ‘Cessnalaan, Schiphol’) en dat aan gedaagden de helft van de facturen in rekening wordt gebracht. De rechtbank begrijpt de verklaring ter zitting dat de facturen zien op de nieuwe loods als een vergissing. Toegewezen zal worden de helft van het gevorderde bedrag (derhalve € 3.878,40), omdat dit kan worden toegerekend aan het adres van de oude loods waar de facturen voor de andere helft kennelijk betrekking hebben op het kantoor van ‘Milestone’.

4.23. € 7.196,10

aan makelaarskosten voor de aanhuur van de nieuwe loods. Het betreft hier een aan Logistics gerichte factuur van [naam 5] . Dit bedrag zal niet worden toegewezen nu het volgens de opstelling van productie 33.3 door Warehousing reeds is verdisconteerd in de post van € 272.866 aan extra huurkosten: de makelaarskosten ( [naam 5] ) zijn in die opstelling zowel voor de oude situatie als de nieuwe situatie onderdeel van de naar rato van de huurperiode berekende huurkosten.

4.24. € 640

aan kosten van schoonmaak van de nieuwe loods ten tijde van de inhuizing door Warehousing. Het betreft hier een aan Warehousing gerichte factuur van [naam 6] . Deze kosten zijn niet betwist en toewijsbaar.

4.25. € 15.852,20

aan kosten voor een koelcel en de montage ervan. Het betreft hier drie aan Milestone Fresh B.V. gerichte facturen van [naam 7] . Deze kosten zijn niet betwist, anders dan dat deze facturen aan Milestone Fresh B.V. zijn gezonden. Gelet op de last ter incasso kan deze schade van ‘Fresh’ echter worden geïnd door Warehousing (net als de schade van Logistics). Het bedrag zal worden toegewezen.

4.26. € 1.128,50

aan kosten voor de aanpassing van de keuken in de nieuwe loods. Het betreft hier twee aan Warehousing gerichte facturen van [naam 8] . Deze kosten zijn niet betwist en toewijsbaar.

4.27. € 1.378,00

aan kosten voor het maken van een chauffeursentree in de nieuwe loods. Het betreft hier een aan Warehousing gerichte factuur van [naam 8] . Deze kosten zijn niet betwist en toewijsbaar.

4.28. € 39.419,23

aan kosten voor aansluiting alarm en telefonie in de nieuwe loods.

Het betreft hier twee aan Warehousing gerichte facturen van [naam 9] . Gedaagden voeren het verweer dat de alarm- en telefonieinstallatie eenvoudig is af te koppelen en mee te nemen. Warehousing heeft dat weersproken, en daarbij aangegeven dat de installatie niet is meegenomen naar de uiteindelijke locatie. Overwogen wordt dat in beginsel niet goed voorstelbaar is dat, ervan uitgaande dat Warehousing de installatie inderdaad heeft achtergelaten, Warehousing voor deze dure installatie in het geheel niets heeft teruggekregen van de verhuurder of de nieuwe huurder. Het lag op de weg van Warehousing om ter zake een nadere toelichting te geven, maar zij heeft dat niet gedaan. Deze schadepost zal worden afgewezen.

4.29. € 2.523,96

aan kosten van verhuizing naar de nieuwe loods. Het betreft hier twee aan Logistics gerichte facturen van [naam 10] . Deze kosten zijn niet betwist en toewijsbaar.

4.30. € 25.317

aan kosten voor loods-stellingen, bestemd voor de nieuw loods. Het betreft hier een aan Warehousing gerichte factuur van [naam 12] voor de levering en montage van nieuwe loods-stellingen. Gedaagden voeren aan dat deze stellingen zijn achtergebleven en dat de nieuwe huurder daarvoor aan de verhuurder een vergoeding betaalt, zodat mag worden aangenomen dat de verhuurder een bedrag aan Warehousing heeft vergoed. Warehousing heeft weersproken dat de loods-stellingen aan de verhuurder zijn verkocht. Overwogen wordt dat in beginsel niet goed voorstelbaar is dat Warehousing in het geheel niets heeft teruggekregen van de verhuurder of de nieuwe huurder, ook als de stellingen niet aan de verhuurder zijn verkocht. Het lag op de weg van Warehousing om ter zake een nadere toelichting te geven, maar zij heeft dat niet gedaan. Deze schadepost zal worden afgewezen.

4.31. € 4.011,35

aan kosten voor labeling van de voor de nieuwe loods bedoelde stellingen. Het betreft hier twee aan Warehousing gerichte facturen van [naam 11] . Gedaagden hebben aangevoerd dat de labels ook bruikbaar zijn voor anderen. Warehousing heeft verklaard dat de labels zijn achtergebleven op de stellingen (die zijn achtergebleven in de nieuwe loods). Warehousing heeft niet betwist dat de labels nog bruikbaar zijn voor anderen. Met verwijzing naar de hiervoor behandelde schadepost van € 25.317 aan kosten voor nieuwe stellingen, mutatis mutandis, zal de onderhavige schadepost worden afgewezen.

4.32. € 18.500

aan kosten voor buitenreclame. Het betreft hier een aan Warehousing gerichte factuur van [naam 13] . Gedaagden voeren aan dat de desbetreffende buitenreclame is meeverhuisd naar de uiteindelijke locatie, zodat van schade geen sprake is. Zijdens Warehousing is hierop aangegeven dat de buitenreclame inderdaad is meegegaan, maar wel moest worden aangepast. Gelet hierop kan worden gezegd, enerzijds dat de gemaakte kosten niet zouden zijn gemaakt als de onrechtmatige daad wordt weggedacht, anderzijds dat deze kosten kennelijk ook een voordeel voor Warehousing opleveren. Het is ondoenlijk om dit een en ander min of meer precies te verrekenen. Deze schade zal met inachtneming van artikel 6:97 BW worden geschat op op de helft van het gevorderde bedrag, derhalve € 9.250.

4.33. € 2.205,12

aan kosten voor aanpassing van de heftruck. € 494,41 aan leasekosten voor de heftruck. Het betreft hier twee aan Warehousing gerichte facturen van [naam 12] . Gedaagden voeren het verweer dat de heftruck sowieso nodig was en, zo begrijpt de rechtbank, dat ook de aanpassingen aan de heftruck niet in causaal verband staan met de onrechtmatige daad. Gelet hierop heeft Warehousing onvoldoende toegelicht dat de onderhavige kostenposten als schade voor vergoeding in aanmerking komen.

4.34. € 1.620

aan kosten voor de internetaansluiting voor de nieuwe loods. Het betreft hier een aan Logistics gerichte factuur van [naam 14] . Deze kosten zijn niet betwist en toewijsbaar.

4.35. € 1.079

aan kosten voor dataverkeer. Het betreft hier een aan Warehousing gerichte factuur van [naam 15] . Dit bedrag is in het geheel niet toegelicht en zal worden afgewezen.

Schade: verhuizingschade (nieuwe loods naar uiteindelijke locatie)

4.36. € 60.000

aan kosten van verhuizing van de nieuwe loods naar de uiteindelijke locatie. Dit bedrag is een door Warehousing gemaakte schatting op basis van de kosten gemoeid met de verhuizing van de oude naar de nieuwe loods. Gedaagden voeren het verweer dat het causaal verband ontbreekt omdat de tweede verhuizing werd genoodzaakt door de uitoefening van de break-optie door de verhuurder van de nieuwe loods. Dit verweer wordt niet gevolgd. De huurovereenkomst voor de nieuwe loods, inclusief de break-optie, was uitonderhandeld in het licht van het aanstaande Morinaga-contract. De mogelijkheid c.q. het risico van uitoefening van de break-optie was dus nauw verbonden met het Morinaga-contract en de onrechtmatige daad. Wel is het zo dat de in de kostensfeer tot uiting komende toevalligheden die zijn verbonden aan verhuizing naar de uiteindelijke locatie redelijkerwijs niet meer als gevolg van de onrechtmatige daad aan gedaagden kunnen worden toegerekend (de exacte locatie van de uiteindelijk loods (dichtbij of ver weg), de inrichting van die locatie etc.). De rechtbank zal dan ook bij wijze van schatting een schadebedrag toewijzen, zodanig dat dit aansluit bij de hoogte van de kosten die waren gemoeid met de verhuizing van de oude naar de nieuwe loods. Toegewezen zal daarom worden het door gedaagden geopperde bedrag van € 20.000 (kosten van de algemene verhuizing inclusief koelcel van de oude loods naar de nieuwe loods).

Schade: conflictschade

4.37. € 9.693,00

aan reis- en verblijfskosten ( [gedaagde sub 1] en [naam 1] ). Het gaat hier blijkens de stukken om kosten die voor rekening van Logistics zijn gebracht. Warehousing stelt hierover het volgende. In april 2017 hoorde Warehousing via een loodsmedewerker het gerucht dat Morinaga (Japan) haar activiteiten had verkocht aan een onderneming in Duitsland en dat Morinaga BV, dus, geen goederen aan Warehousing zou gaan aanbieden. [naam 1] besloot daarop om mee te gaan met [gedaagde sub 1] op zakenreis naar Japan, welke reis in mei 2017 plaatsvond. Het was de bedoeling om in Japan tot een gesprek met Morinaga (Japan) te komen, maar dat is niet gelukt. Aldus Warehousing. Gedaagden voeren hiertegen aan dat de zakenreis sowieso al zou plaatsvinden, ongeacht het Morinaga-contract. Warehousing heeft dat weersproken en gesteld dat zonder het Morinaga-contract de zakenreis niet zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank verstaat partijen aldus dat [gedaagde sub 1] sowieso zou gaan, los van het Morinaga-contract, en dat [naam 1] speciaal in verband met het Morinaga-contract is meegegaan. Slechts de voor [naam 1] gemaakte reis- en verblijfskosten staan dan ook in causaal verband met de onrechtmatige daad. Deze kosten worden begroot op de helft van het gevorderde bedrag, zodat € 4.846,50 toewijsbaar is.

4.38. € 3.700

aan kosten voor Hoffmann. Het betreft hier twee aan Logistics gerichte facturen van Hoffmann. Deze kosten, die niet zijn betwist, zijn als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid toewijsbaar op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW.

4.39. € 21.189,35

aan advocaatkosten. Het betreft hier een Warehousing gerichte declaratie van AKD Advocaten (het kantoor van mr. De Vos) inzake Warehousing/Morinaga voor werkzaamheden tot en met 31 juli 2017. Het gaat hier volgens Warehousing om gemaakte kosten in verband met de vermeende wanprestatie ter zake van het Morinaga-contract, ten eerste door Warehousing geëntameerde beslagleggingen en een arbitrage jegens Morinaga BV en ten tweede een door Morinaga BV jegens Warehousing (bijna) geëntameerd kort geding strekkende tot opheffing van de beslagen. Deze kosten staan in causaal verband met de onrechtmatige daad, zijn door gedaagden niet zijn betwist, en zijn derhalve toewijsbaar.

4.40. € 95.763,15

aan schadevergoeding.

4.40.1.

Het betreft hier volgens de dagvaarding de schadevergoeding die is verschuldigd door Warehousing aan Morinaga (Japan) wegens – kort gezegd – het door Warehousing ten onrechte claimen uit hoofde van het Morinaga-contract. Warehousing verwijst te dezer zake naar een brief van 13 oktober 2017 van de advocaat van Morinaga (Japan). Blijkens deze brief heeft Morinaga BV haar schadevergoedingsvordering jegens Warehousing overgedragen aan Morinaga (Japan). Genoemd bedrag van € 95.763,15 is volgens de genoemde brief het bedrag waarvoor Morinaga (Japan) de zaak wil schikken.

4.40.2.

Na verder debat heeft Warehousing als volgt gesteld.

Ter voorkoming van verdere procedures heeft Warehousing een regeling met Morinaga (Japan) getroffen. Deze regeling houdt in dat Warehousing een bedrag van € 22.500 aan Morinaga (Japan) betaalt tegen finale kwijting, en dat na het plaatsvinden van die betaling automatisch een cessie plaatsvindt, inhoudende dat Morinaga (Japan), voor zover zij een schadevergoedingsvordering heeft jegens [gedaagde sub 1] en/of Loose Ends, die schadevergoedingsvordering overdraagt aan Warehousing.

Gelet hierop wijzigt Warehousing de grondslag van haar vordering.

Primair vordert Warehousing het bedrag van € 95.763,15 uit hoofde van de schadevergoedingsplicht van gedaagden jegens Morinaga (Japan), die haar vordering aan Warehousing heeft gecedeerd; daarbij zij gememoreerd dat Morinaga (Japan) aan Warehousing wel maar aan gedaagden geen kwijting heeft verleend.

Subsidiair vordert Warehousing het schikkingsbedrag van € 22.500 als schadevergoeding. Aldus Warehousing.

4.40.3.

De vordering van de € 95.763,15, zoals door Warehousing gesteld, betreft in materiële zin (de cessies weggedacht) een vordering van Morinaga BV op [gedaagde sub 1] en Loose Ends. De rechtbank acht het bestaan van deze vordering echter onvoldoende gesteld, waartoe als volgt wordt overwogen.

In de voornoemde brief van de advocaat van Morinaga (Japan), waarin de door Morinaga BV geleden schade wordt beschreven en uiteindelijk wordt voorgesteld om te schikken voor € 95.763,15, spreekt die advocaat slechts van een vordering op Warehousing en juist niet van een vordering op [gedaagde sub 1] :

“There was no basis for [Warehousing] to take any of the measures it has taken against [Morinaga BV]. The measures are therefore unfounded and unlawful. As a consequence, [Morinaga (Japan)] herewith holds [Warehousing] fully liable for all costs and damages that result from the measures taken against [Morinaga BV], including any wrongful acts of Mr. [naam 1] and [gedaagde sub 1] , which acts are considered [Warehousing]’s”.

Kennelijk rekent Morinaga BV de daden van [gedaagde sub 1] (en van [naam 1] ) tot de daden van de vennootschap Warehousing en kwalificeert zij die niet tevens als acties in privé.

Dit blijkt ook uit de volgende bepaling, opgenomen in – kort gezegd – de schikkingsakte tussen Morinaga (Japan) en Warehousing:

“Upon receipt of the Settlement Amount, insofar as [Morinaga (Japan)] has a right to claim against Mr. Gert-Jan [gedaagde sub 1] and/or Loose Ends B.V. in connection with the Claims, these rights shall automatically be assigned and transferred to [Warehousing]. The assignment of these rights explicitly excludes any and all obligations for [Morinaga (Japan)] to cooperate in the realization by [Warehousing] of such right”.

Uit deze passage blijkt dat Morinaga (Japan) niet eens zelf (hard) stelt dat zij een vordering op [gedaagde sub 1] en/of Loose Ends pretendeert (“insofar as”). Overigens is Loose Ends – voor zover de rechtbank kan overzien – geen relevante partij voor Morinaga (Japan) of Morinaga BV; blijkens de concept-dagvaarding van Morinaga BV in liquidatie in het uiteindelijk niet doorgezette opheffingskort-geding is Morinaga BV slechts bekend (geworden) met de naam van [gedaagde sub 1] als vertegenwoordiger van ‘Milestone’, maar niet met Loose Ends. Het heeft er dan ook de schijn van dat Morinaga BV nooit een vordering tegen [gedaagde sub 1] en zeker niet tegen Loose Ends heeft gepretendeerd en dat de geciteerde passage volledig op initiatief van Warehousing is totstandgekomen.

De conclusie is dat de vordering van € 95.763,15 grond ontbeert omdat Morinaga (Japan) niet daadwerkelijk een vordering op [gedaagde sub 1] en/of Loose Ends aan Warehousing heeft gecedeerd.

4.40.4.

De subsidiair gevorderde € 22.500 is wél toewijsbaar. Deze kosten kunnen worden gekwalificeerd als schade die in causaal verband staat met de onrechtmatige daad. Gezien de materie van de zaak acht de rechtbank dit schikkingsbedrag ook binnen de grenzen van het redelijke: Warehousing heeft met het oog op schadebeperking in redelijkheid kunnen besluiten om het (schijn-)conflict met Morinaga BV en uiteindelijk Morinaga (Japan) te beëindigen door betaling van een bedrag van deze hoogte. Naast het aanwezige ‘sine qua non’-verband kan het bedrag dus ook in redelijkheid als een gevolg van het onrechtmatig handelen aan gedaagden worden toegerekend.

4.40.5.

Van de gevorderde € 95.763,15 zal dus € 22.500 worden toegewezen.

4.41. € 15.000

aan reputatieschade. Warehousing stelt dat zij door het onrechtmatig handelen aanzienlijke reputatieschade heeft geleden, vooral in Japan. Warehousing beperkt haar vordering tot de kosten die zij zal besteden aan een aantal extra zakenreizen naar Japan. Deze kosten voor vliegtickets, hotelovernachtingen en maaltijden worden begroot op € 15.000. Aldus Warehousing, betwist door gedaagden. Deze vordering zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

Geldleningen

4.42.

Warehousing stelt dat zij in het begin van de samenwerking in totaal € 19.500 aan [gedaagde sub 1] heeft geleend omdat [gedaagde sub 1] geld nodig had in het kader van de afwikkeling van zijn oude bedrijf, en vordert thans terugbetaling. [gedaagde sub 1] voert primair aan dat het hier om een voorschot op een bonus ging, en subsidiair dat niet valt in te zien hoe deze vordering verband houdt met de schade in verband met het Morinaga-contract. Warehousing heeft hiertegen ingebracht dat het niet om een bonus ging, en dat dit mede hieruit blijkt dat het geld in het begin van de werkrelatie is verstrekt.

4.43.

Dat de onderhavige vordering geen juridisch verband houdt met de schadevergoedingsvordering is juist, maar maakt niet dat Warehousing in deze procedure geen terugbetaling kan vorderen. [gedaagde sub 1] heeft verder niet betwist dat hij, wat de grondslag ook is, verplicht is € 19.500 aan Warehousing terug te betalen. [gedaagde sub 1] heeft uiteindelijk niet voldoende betwist dat het hier om een lening ging, zodat die grondslag wordt aangenomen. De vordering zal dus worden toegewezen.

Slotsom

4.44.

[gedaagde sub 1] en Loose Ends zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan Warehousing van het volgende, ofwel op basis van verschuldigdheid aan Warehousing zelf ofwel op basis van de incassovolmacht die door de hierna bij enkele posten genoemde Milestone-vennootschappen aan Warehousing is gegeven:

€ 160.639,00 aan méérkosten ter zake van de huur van de nieuwe loods

€ 55.644,00 aan dubbele huurlasten

€ 3.878,40 aan doorlopende internetkosten met betrekking tot de oude loods (vordering van Logistics)

€ 640,00 aan kosten van schoonmaak van de nieuwe loods

€ 15.852,20 aan kosten voor een koelcel en de montage ervan (vordering van Milestone Fresh B.V.)

€ 1.128,50 aan kosten voor de aanpassing van de keuken in de nieuwe loods

€ 1.378,00 aan kosten voor het maken van een chauffeursentree in de nieuwe loods

€ 2.523,96 aan kosten van verhuizing naar de nieuwe loods (vordering van Logistics)

€ 9.250,00 aan kosten voor buitenreclame

€ 1.620,00 aan kosten voor de internetaansluiting voor de nieuwe loods (vordering van Logistics)

€ 20.000,00 aan verhuiskosten naar de uiteindelijke locatie

€ 4.846,50 aan reis- en verblijfskosten

€ 3.700,00 aan kosten voor Hoffmann

€ 21.189,35 aan advocaatkosten

€ 22.500,00 aan aan Morinaga (Japan) betaalde schadevergoeding

€ 19.500,00 aan terugbetalingsverplichting uit hoofde van geldlening

€ 344.289,91 totaal aan hoofdsom, nog te vermeerderen met de gewone wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding

4.45.

[gedaagde sub 1] en Loose Ends zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van Warehousing tot heden begroot op:

€ 80,42 aan explootkosten

€ 3.894,00 aan griffierecht

€ 4.804,00 aan salaris advocaat (2 punten, liquidatietarief VI ad € 2.402)

€ 8.778,42 totaal

4.45.1.

Tevens zullen nakosten en de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen. De nakosten worden tezamen met die in reconventie begroot op € 246 zonder betekening en verhoogd met € 82 in geval van betekening.

in reconventie voorts

4.46.

Gegeven de uitkomst van de zaak in conventie wordt voor opheffing van de beslagen geen aanleiding gezien.

4.47.

[gedaagde sub 1] en Loose Ends zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van Warehousing tot heden begroot op € 543 aan salaris advocaat (2 halve punten, liquidatietarief II ad € 543).

4.47.1.

Tevens zullen nakosten worden toegewezen. De nakosten worden tezamen met die in conventie begroot op € 246 zonder betekening en verhoogd met € 82 in geval van betekening.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

verwijst de zaak naar de parkeerrol van woensdag 3 april 2019 en bepaalt dat de zaak te zijner tijd ambtshalve op de continuatierol zal worden gebracht voor het wijzen van vonnis, zodanig dat de zaak wordt gebracht op dezelfde rolzitting als die waarop te zijner tijd vonnis zal zijn bepaald in de gevoegde zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/654694 / HA ZA 18-985, nadat in laatstgenoemde zaak is gecompareerd dan wel schriftelijke repliek en dupliek is genomen, opdat in beide zaken uiteindelijk gelijktijdig einduitspraak wordt gedaan,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2018.1

1 type: BvB coll: **