Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8315

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
22-11-2018
Zaaknummer
13-000513-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor twee maal openlijk geweld, samen met broer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13-000513-18

Datum uitspraak: 15 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 november 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. A.M. Ruijs, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R. Pothast, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 22 mei 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan een of meer openbare weg(en), J. Drijverweg en/of Spelderholt, in elk geval op of aan een of meer openbare weg(en), openlijk in

vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 1] , welk geweld bestond uit

het slaan en/of stompen van voornoemde [persoon 1] (ten gevolge waarvan voornoemde [persoon 1] op de grond viel) en/of (terwijl voornoemde [persoon 1] op de grond lag) het

schoppen en/of het trappen van voornoemde [persoon 1] (ten gevolge waarvan voornoemde [persoon 1] het bewustzijn verloor);

subsidiair:

hij op of omstreeks 22 mei 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [persoon 1] heeft mishandeld door voornoemde [persoon 1] te slaan en/of te stompen (ten gevolge waarvan voornoemde [persoon 1] op de grond viel) en/of (terwijl voornoemde [persoon 1] op de grond lag) voornoemde [persoon 1] te schoppen en/of te trappen (ten gevolge waarvan voornoemde [persoon 1] het bewustzijn verloor);

2

hij op of omstreeks 24 mei 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan een openbare weg, Spelderholt, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 2] , welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen van voornoemde [persoon 2] en/of het geven van een kopstoot (ten gevolge waarvan voornoemde [persoon 2] ten val kwam);

subsidiair:

hij op of omstreeks 24 mei 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [persoon 2] heeft mishandeld door voornoemde [persoon 2] te slaan en/of te stompen en/of het geven van een kopstoot (ten gevolge waarvan voornoemde [persoon 2] ten val kwam);

3

hij op of omstreeks 24 mei 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [persoon 2] heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [persoon 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Als ons broertje dood gaat, dan gaan we je liquideren en je familie afmaken".

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft op basis van haar op schrift gesteld requisitoir geconcludeerd dat de feiten 1 primair en 2 primair bewezen kunnen worden verklaard. Voor feit 3 moet verdachte worden vrijgesproken, omdat voor de bedreiging die volgens [persoon 2] naar hem is geuit geen steunbewijs aanwezig is.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft de feiten ontkend. Op 22 mei 2017 heeft hij geen ontmoeting gehad met [persoon 1] bij de J. Drijverweg of de Spelderholt. [persoon 2] kent hij niet.

Bij op schrift gesteld pleidooi heeft de raadsman aangevoerd dat vrijspraak moet volgen van het ten laste gelegde openlijk geweld op 22 mei 2017. De aangifte van [persoon 1] is pas drie dagen na het incident gedaan en bevat onvolkomenheden. Bovendien wordt de aangifte onvoldoende door andere bewijsmiddelen ondersteund. De vader van [persoon 1] is een partijdige getuige. Aangever en zijn vader spreken over politie die ter plaatse zou zijn gekomen, maar het dossier bevat geen proces-verbaal van bevindingen waaruit dit blijkt. Het bij aangever geconstateerde letsel lijkt mee te vallen en past niet in het beeld dat aangever en zijn vader hebben geschetst.

Ook voor het tenlastegelegde openlijk geweld en de bedreiging van [persoon 2] op 24 mei 2017 moet verdachte worden vrijgesproken. De aangifte is niet met stukken onderbouwd en vindt onvoldoende ondersteuning in andere bewijsmiddelen. Verdachte wil de namen van de vrienden die hem naar Spelderholt zouden hebben gebracht niet noemen. Aan de letselverklaring kleven gebreken.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde:

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het onder 3 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De verklaring van [persoon 2] dat door verdachte en zijn broer [broer van verdachte] de bedreigende woorden zijn geuit, vindt geen steun in andere bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde:

De rechtbank acht bewezen dat verdachte, samen met zijn broer [broer van verdachte] en onbekend gebleven andere personen, op 22 mei 2017 openlijk in vereniging geweld heeft gebruikt tegen [persoon 1] . Nadat [persoon 1] als gevolg van het door verdachte en zijn broer uitgeoefende geweld op de grond was gevallen, hebben deze andere personen [persoon 1] geschopt.

De rechtbank acht de aangifte van [persoon 1] consistent en betrouwbaar. De omstandigheid dat de aangifte drie dagen na het incident is gedaan maakt dit niet anders. Gezien de bedreigende en intimiderende sfeer vanuit de broers [verdachte en broer] is bovendien goed voorstelbaar dat aangever zich heeft willen beraden.

De verklaring van aangever wordt ondersteund door een door de huisarts opgestelde letselverklaring. Anders dan door de raadsman is gesteld, is de letselverklaring niet tot stand gekomen na een telefonisch consult maar na eigen onderzoek door de huisarts. In de verklaring is immers te lezen dat de huisarts de schaafwonden heeft verbonden met vaseline en gaas. De opmerking “telefonisch consult tijdens diensturen” onder het kopje “verrichtingen” lijkt betrekking te hebben op toekomstige, nog te verrichten, handelingen.

De verklaring van aangever vindt daarnaast steun in de verklaring van zijn vader, die getuige is geweest van het gebeuren. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de getuige de vader van aangever is, nog niet maakt dat getwijfeld moet worden aan de juistheid van hetgeen hij heeft verklaard.

Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde:

De rechtbank acht tevens bewezen dat verdachte samen met zijn broer [broer van verdachte] op 24 mei 2017 openlijk in vereniging geweld heeft gebruikt tegen [persoon 2] .

De aangifte van [persoon 2] wordt ondersteund door de letselverklaring en het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat hij direct na het gebeuren naar het politiebureau is gegaan en daar zijn verhaal heeft gedaan. Een baliemedewerker heeft toen verwondingen bij hem geconstateerd. Bovendien is opvallend dat het verhaal van [persoon 2] grote gelijkenis vertoont met het gebeuren op 22 mei 2017 met betrekking tot [persoon 1] en dat het openlijk geweld op vrijwel dezelfde locatie heeft plaatsgevonden.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bijlage opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde:

op 22 mei 2017 te Amsterdam, met anderen, op openbare wegen, openlijk in

vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 1] , welk geweld bestond uit

het stompen van voornoemde [persoon 1] , ten gevolge waarvan voornoemde [persoon 1] op de grond viel, en, terwijl voornoemde [persoon 1] op de grond lag, het

schoppen van voornoemde [persoon 1] , ten gevolge waarvan voornoemde [persoon 1] het bewustzijn verloor;

ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde:

op 24 mei 2017 te Amsterdam, met een ander, op een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [persoon 2] , welk geweld bestond uit het slaan en stompen van voornoemde [persoon 2] en het geven van een kopstoot, ten gevolge waarvan voornoemde [persoon 2] ten val kwam.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

De vordering van de benadeelde partij [persoon 2] is toewijsbaar tot een bedrag van

€ 60,13, de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] tot een bedrag van € 500,-. Deze bedragen dienen hoofdelijk te worden opgelegd, met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt van de verdediging

Bij de strafoplegging moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de omstandigheid dat de feiten inmiddels van anderhalf jaar geleden dateren.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich binnen twee dagen tweemaal schuldig gemaakt aan openlijk geweld, gericht tegen twee verschillende slachtoffers. Het geweld vond plaats naar aanleiding van een verkeersongeval waarbij het jongere broertje [broertje van verdachte] van verdachte ernstig gewond was geraakt. Verdachte en zijn broer [broer van verdachte] hebben geprobeerd om de beide slachtoffers onder druk te zetten om op die manier informatie over dit ongeval te verkrijgen. Daarbij hebben zij een sfeer van angst en intimidatie om zich heen gecreëerd. In die situatie konden de beide slachtoffers niet veel anders doen dan naar de door verdachte en zijn broer [broer van verdachte] opgedragen plek te komen. Verdachte en zijn broer [broer van verdachte] hebben daar daadwerkelijk geweld tegen hen gebruikt. Beide slachtoffers hebben verwondingen opgelopen en hebben pijn en angst ondervonden.

Uit een Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 oktober 2018 blijkt dat verdachte diverse strafzaken heeft openstaan in verband met door hem ingesteld hoger beroep. Hij is niet eerder voor soortgelijke feiten als de onderhavige onherroepelijk veroordeeld.

De rechtbank acht de feiten bijzonder ernstig. Verdachte en zijn mededader hebben door angst en geweld hun omgeving naar hun hand willen zetten en hebben voor eigen rechter gespeeld. Dergelijk gedrag is ontwrichtend voor de buurt waarin verdachte en zijn familie woont en is voor de samenleving als geheel zeer schadelijk. Verdachte heeft bovendien geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. De rechtbank is van oordeel dat de feiten niet anders dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kunnen worden afgedaan. Zij acht een taakstraf, zoals gevorderd door de officier van justitie, niet passend voor de feiten.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van één maand. Aldus komt zij tot een andere straf dan door de officier van justitie is gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 788,- aan materiële schadevergoeding en

€ 800,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 primair bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, als gevolg van het bij hem toegebrachte lichamelijk letsel. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Omdat verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd, zal verdachte hoofdelijk voor deze schade aansprakelijk worden gesteld.

De door de benadeelde partij gestelde materiële schade komt niet voor vergoeding in aanmerking omdat bij de vordering geen documenten zijn bijgevoegd waaruit deze schade blijkt, dan wel op grond waarvan de hoogte daarvan kan worden vastgesteld.

Voor het resterende deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding en voor de materiële schadevergoeding zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

In het belang van [persoon 1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

De benadeelde partij [persoon 2] vordert € 60,13 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 primair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Door het op hem toegepaste geweld heeft hij tandartskosten moeten maken, die slechts ten dele door de ziektekostenverzekering zijn vergoed. Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij een tandartsnota overgelegd waaruit blijkt dat hij een bedrag van € 60,13 zelf moet betalen. De rechtbank wijst de vordering tot dit bedrag toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Omdat verdachte het feit samen met een ander heeft gepleegd, zal verdachte hoofdelijk voor deze schade aansprakelijk worden gesteld.

In het belang van [persoon 2] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en, 2 primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand.

Wijst de vordering van [persoon 1] toe tot € 500,- (vijfhonderd euro) (immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 mei 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] , € 500,- (vijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 mei 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 10 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 2] toe tot € 60,13 (zestig euro en 13 cent) (materiële schadevergoeding), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 mei 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 2] , € 60,13 (zestig euro en 13 cent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 mei 2017) tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 1 dag. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en I. Verstraeten-Jochemsen, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 november 2018.

[...]