Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8313

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
22-11-2018
Zaaknummer
13/701505-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Mishandeling in restaurant en mishandeling in sauna.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/701505-18, 15/800353-14 (TUL)

Datum uitspraak: 15 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[BRP-adres] ,

ten tijde van de terechtzitting uit anderen hoofde gedetineerd in het [penitentiaire inrichting] te [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 november 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. A.M. Ruijs, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S. Ettalhaoui, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 maart 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] éénmaal of meermalen (met gebalde vuist) op/tegen het gezicht, althans het hoofd te stoten en/of stompen en/of te slaan;

2.

hij op of omstreeks 20 november 2016 te Noordwijkerhout, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] éénmaal of meermalen (met gebalde vuist) op/tegen het gezicht, althans het hoofd te slaan en/of te stompen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Beide aan verdachte ten laste gelegde feiten kunnen bewezen worden verklaard.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

Verdachte heeft verklaard dat hij op 26 maart 2018 [slachtoffer 1] in [restaurant] heeft opgezocht om hem te zeggen dat [slachtoffer 1] niet meer met zijn zus moest omgaan. Hij heeft tegen [slachtoffer 1] gezegd dat [slachtoffer 1] mee naar buiten moest komen om te praten. Hij heeft hem niet geslagen.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De verklaringen van aangever zijn tegenstrijdig. Zo heeft hij in eerste instantie alleen verklaard over een bedreiging en niet over een mishandeling. Bovendien ontbreekt een letselverklaring. De verklaring van de getuige [persoon 1] moet buiten beschouwing worden gelaten. Deze verklaring is direct na het afleggen ingetrokken en niet ondertekend door de getuige. Bovendien hebben de getuige en aangever vooraf hun verklaringen op elkaar kunnen afstemmen.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

Met betrekking tot het gebeuren op 20 november 2016 in de sauna van het hotel in Noordwijkerhout heeft verdachte verklaard dat hij van een vrouw, die zich aan zijn gedrag ergerde, een klap kreeg. In reactie daarop heeft verdachte een klap teruggegeven, waarna aangever [slachtoffer 2] en anderen zich ermee gingen bemoeien. Verdachte heeft zichzelf toen verdedigd.

De raadsman is van mening dat verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Aldus ontbreekt de wederrechtelijkheid van zijn gedragingen en moet vrijspraak volgen.

Mocht de rechtbank daar anders over denken, dan heeft de raadsman het voorwaardelijke verzoek gedaan om [slachtoffer 2] , [persoon 2] ,
[persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] als getuigen te horen.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

De rechtbank acht bewezen dat verdachte meermalen met gebalde vuist tegen het hoofd van aangever [slachtoffer 1] heeft gestompt. Aangever heeft daarbij pijn ondervonden. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat aangever ook letsel heeft opgelopen.

De verklaringen die aangever tegenover de politie heeft afgelegd zijn niet tegenstrijdig. Dat in de telefonische melding is gesproken over een bedreiging, is niet verwonderlijk nu aangever immers de politie heeft gebeld in verband met de na de mishandeling ontstane dreigende situatie op straat.

De aangifte van [slachtoffer 1] wordt ondersteund door de verklaring van verdachte en de verklaring van de getuige [persoon 1] .

Verdachte erkent dat hij aangever in het restaurant heeft opgezocht en dat hij hem heeft gesommeerd om mee naar buiten te gaan. Bij de politie heeft verdachte bovendien verklaard dat hij op dat moment boos was.

[persoon 1] heeft gezien dat in het restaurant een man op [slachtoffer 1] kwam aflopen en hem een vuistslag tegen het gezicht gaf. De omstandigheid dat [persoon 1] zijn verhoor niet heeft willen ondertekenen, maakt zijn verklaring niet onbetrouwbaar. Aannemelijk is immers dat hij, zoals in het dossier is gerelateerd, op het moment dat het verhoor werd uitgeprint telefonisch is benaderd en onder druk is gezet om geen verklaring af te leggen. De rechtbank ziet, anders dan de raadsman, geen aanwijzingen dat [persoon 1] en [slachtoffer 1] hun verklaringen op elkaar zouden hebben afgestemd.

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

De rechtbank acht bewezen dat verdachte meermalen met gebalde vuist tegen het hoofd van aangever [slachtoffer 2] heeft gestompt. Aangever heeft daarbij pijn en letsel ondervonden.

Verdachte heeft erkend dat hij [slachtoffer 2] heeft geslagen.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat tussen verdachte en [persoon 2] een conflict was ontstaan nadat [persoon 2] verdachte op zijn ongepaste gedrag in de sauna had aangesproken. Verdachte heeft [persoon 2] daarbij uitgescholden, beledigd en een klap gegeven. Dat [persoon 2] eerst verdachte zou hebben geslagen, zoals verdachte stelt, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden.

In het dossier zijn hiervoor geen aanknopingspunten te vinden. Het was verdachte die [persoon 2] op schofferende, intimiderende en agressieve wijze heeft benaderd.

[slachtoffer 2] was getuige van de door verdachte vertoonde verbale en fysieke agressie naar [persoon 2] en is tussenbeide gekomen om haar te ontzetten en om verdachte de sauna uit te werken. In de worsteling die daarop volgde heeft verdachte diverse malen met zijn gebalde vuist tegen het gezicht van [slachtoffer 2] gestompt. [slachtoffer 2] heeft daardoor fors letsel opgelopen.

De rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte de agressor is geweest in het conflict tussen hem en [persoon 2] . Van een wederrechtelijke aanranding van verdachte door [persoon 2] of [slachtoffer 2] is geen sprake geweest. [slachtoffer 2] heeft ingegrepen en heeft geprobeerd om [persoon 2] te beschermen en om verdachte de sauna uit te krijgen. In plaats van in te binden heeft verdachte [slachtoffer 2] meermalen geslagen. Van noodweer of noodweerexces is dan ook geen sprake geweest.

De rechtbank wijst het voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen van de getuigen [slachtoffer 2] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] en
[persoon 5] af, omdat de rechtbank daartoe geen noodzaak aanwezig ziet.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

op 26 maart 2018 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] meermalen met gebalde vuist tegen het hoofd te stompen;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

op 20 november 2016 te Noordwijkerhout [slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] meermalen met gebalde vuist tegen het gezicht te stompen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 26 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 14 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzonder voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer 1] voor de duur van één jaar.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 250,-, met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering tenuitvoerlegging dient een voor deel, te weten een gevangenisstraf van 30 dagen, te worden toegewezen, waarbij de gevangenisstraf wordt omgezet in een taakstraf van 60 uren.

8.2.

Standpunt van de verdediging

Bij de strafoplegging moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte een eigen onderneming heeft en dat zijn familie voor een groot deel afhankelijk is van de inkomsten die verdachte daarmee genereert. Een detentie kan het voortbestaan van zijn bedrijf in gevaar brengen.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling van een vriend van zijn jongere zusje. Verdachte wilde niet dat deze vriend contact met zijn zusje had en heeft hem dit op intimiderende en gewelddadige wijze duidelijk gemaakt. Het lijkt er op dat verdachte zich heeft laten leiden door cultureel bepaalde opvattingen die hij vanuit thuis heeft meegekregen, waarbij hij zich als mannelijk familielid een beschermende en vergaand controlerende rol heeft aangemeten ten opzichte van zijn jongere zusje. Naar het oordeel van de rechtbank had dit echter nooit mogen leiden tot geweld. Anderhalf jaar eerder had verdachte zich eveneens aan een mishandeling schuldig gemaakt. Hoewel de aanleiding een geheel andere is geweest, heeft verdachte ook hier het slachtoffer diverse malen met gebalde vuist tegen het hoofd geslagen.

Beide slachtoffers hebben pijn ondervonden terwijl één van hen ook fors letsel heeft opgelopen.

Uit een Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 oktober 2018 komt naar voren dat verdachte in 2015 is veroordeeld voor twee diefstallen met geweld en een wederrechtelijke vrijheidsberoving.

In het reclasseringsadvies van 23 juli 2018 is vermeld dat verdachte niet tot gedragsverandering of verandering van denkbeelden is te bewegen en zegt daarbij de Nederlandse wet niet te accepteren. Hij staat niet open voor een reclasseringstoezicht of een gedragsinterventie. De reclassering adviseert daarom tot een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij inmiddels meer afstand van zijn zusje heeft genomen en dat hij er zich bij heeft neergelegd dat zij haar eigen leven zal leiden. De rechtbank hoopt dan ook dat verdachte zich in de toekomst van soortgelijke gedragingen zal onthouden.

Verdachte heeft 12 dagen in voorarrest doorgebracht. De rechtbank acht het niet nodig dat verdachte voor deze strafzaak opnieuw vast komt te zitten. Zij zal de eis van de officier van justitie volgen en aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 26 dagen, waarvan 14 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. In het eerste jaar van de proeftijd geldt een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 1.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, als gevolg van het op hem uitgeoefende geweld. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Voor het resterende deel van de gevorderde schadevergoeding zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

In het belang van [slachtoffer 1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 30 maart 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 15-800353-14, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 8 december 2015 van de rechtbank Noord-Holland, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 166 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 90 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Deze proeftijd is op 10 oktober 2017 ingegaan.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt (feit 1), zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van een deel van dat voorwaardelijke strafdeel, groot 30 dagen, te gelasten. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank aanleiding om in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te gelasten dat veroordeelde – in lijn met de omzettingstabel in de LOVS-oriëntatiepunten – een taakstraf van 120 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, moet verrichten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

De rechtbank wijst het voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen van de getuigen [slachtoffer 2] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] en
[persoon 5] af.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde:

mishandeling, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 26 (zesentwintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 14 (veertien) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast als veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene en bijzondere voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden:

- Veroordeelde zal zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit;

- Veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Veroordeelde zal gedurende het eerste jaar van de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op 2 december 1995 te Amsterdam.

Wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot € 250,- (tweehonderdenvijftig euro) (immateriële schadevergoeding), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] , aan de Staat € 250,- (tweehonderdenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 5 (vijf) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van een deel van de bij genoemd vonnis van 8 december 2015 met parketnummer 15/800353-14 voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf, te weten een gevangenisstraf van 30 dagen, een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en I. Verstraeten-Jochemsen, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 november 2018.