Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8303

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
C/13/653571 HA RK 18/280
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen. De grond van het verzoek is gelegen in een door rechterlijke beslissing. Het nemen van een rechterlijke (processuele-, tussen-) beslissing levert op zichzelf volgens vaste jurisprudentie geen grond op voor wraking; het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich daartegen. Dat geldt in beginsel ook voor de motivering van die beslissing. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de processuele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Dat laatste is niet gesteld en doet zich blijkens de inhoud van het proces-verbaal ook niet voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing van 7 november 2018 op het op 24 augustus 2018 gedane en onder zaaknummer C/13/653571 HA RK 18/280 ingeschreven verzoek van:


[verzoekster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] [naam land] ,

verzoekster,

gemachtigde mr. Ü. Arslan, advocaat te Den Haag,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. B.T. Beuving, hierna de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

  • -

    het wrakingsverzoek van 24 augustus 2018,

  • -

    een schriftelijke reactie op het verzoek van de advocaat van de wederpartij van verzoekster van 30 augustus 2018;

  • -

    een schriftelijk reactie van de advocaat van verzoekster op de brief van de advocaat van de wederpartij eveneens van 30 augustus 2018;

  • -

    een e-mail van 1 oktober 2018 met een schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek, met als bijlage het proces-verbaal van de op 22 augustus 2018 gehouden comparitie van partijen;

De rechter heeft niet in de wraking berust. Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 1 november 2018, waar de advocaat van verzoekster en de rechter zijn gehoord. Na nog een ronde hoor- en wederhoor is de behandeling gesloten. De beslissing is bepaald op uiterlijk 7 november 2018.

1 De feiten

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

  1. Verzoekster is gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, in een bij de rechtbank onder zaaknummer C/13/639337 / HA ZA 17-1229 aanhangige procedure. De zaak wordt behandeld door de rechter.

  2. Bij tussenvonnis van 23 mei 2018 is onder meer een comparitie van partijen bepaald, die is gehouden op 22 augustus 2018. Tijdens de comparitie heeft verzoekster verzocht een nadere akte te mogen nemen. Dit verzoek is door de rechter afgewezen.

  3. Van de op 22 augustus 2018 gehouden comparitie is een proces-verbaal opgemaakt. De zaak is naar de rol van 3 oktober 2018 verwezen voor vonnis.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

2.1

Aan het verzoek heeft verzoekster samengevat ten grondslag gelegd dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Verzoekster voert daartoe aan dat de inleidende dagvaarding van de eisende partij summier en onvolledig was. Hierop heeft verzoekster gereageerd met een conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende een conclusie van eis in reconventie. Op de rolzitting van 4 juli 2018 heeft de eisende partij een conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte van eisvermeerdering in conventie, ingediend bij de rechtbank. Deze conclusie van antwoord in reconventie telt 19 pagina’s en een 19-tal nadere producties. Tijdens de comparitie heeft verzoekster de rechter gemotiveerd verzocht om bij nadere akte op de conclusie van antwoord in reconventie te mogen reageren. De rechter heeft dit verzoek echter afgewezen.

2.2

Verzoekster heeft tijdens de comparitie evenmin gelegenheid gekregen om uitgebreid verweer te voeren tegen de akte van eisvermeerdering. Het feit dat verzoekster tijdens de comparitie van antwoord alleen mondeling heeft mogen reageren, maakt dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Door de houding en de manier waarop de rechter de zaak heeft behandeld, is de vrees of schijn van partijdigheid en vooringenomenheid gewekt. De (processuele) belangen van verzoekster en haar recht op een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak zijn aangetast en geschaad.

4 De reactie van de rechter

De rechter heeft samengevat aangevoerd dat tijdens de op 22 augustus 2018 gehouden zitting door verzoekster is verzocht om het nemen van een nadere akte. Hierbij is als reden opgegeven dat de conclusie van antwoord omvangrijk was en hier stukken bij waren gevoegd waarop men wenste te reageren. De eisende partij heeft zich verzet tegen het toestaan van dit verzoek. De rechter heeft het verzoek beoordeeld als een verkapt verzoek om een conclusie van repliek: verzoekster gaf aan met de verzochte akte te willen reageren op zowel de inhoud van de akte als de genomen producties. De rechter zag en ziet geen noodzaak af te wijken van het uitgangspunt dat de procedure zich beperkt tot één schriftelijke ronde. Het beginsel van hoor en wederhoor is door hem gerespecteerd omdat verzoekster ter zitting heeft mogen reageren op de conclusie van antwoord in reconventie met bijbehorende producties. Verzoekster is daartoe alle gelegenheid gegeven en op geen enkele wijze beperkt. Zowel haar advocaat als verzoekster zijn uitvoerig aan het woord geweest. Bovendien heeft er meer dan 1,5 maand gezeten tussen het nemen van de conclusie van antwoord in reconventie en de comparitie, waardoor verzoekster ruim de tijd heeft gehad om een inhoudelijke reactie voor te bereiden. Gesteld noch gebleken is dat ter terechtzitting door eiseres een zodanig onverwacht gebruik van de nadere producties is gemaakt dat het beginsel van hoor en wederhoor een nadere akte noodzakelijk maakte.

5 De beoordeling van het verzoek

5.1

Op grond van artikel 36 Rv kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2

Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3

Het verzoek is gericht tegen de beslissing van de rechter op een door verzoekster gedaan verzoek om bij nadere akte te mogen reageren op de door de eisende partij genomen conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte houden vermeerdering van eis, met producties.

5.4

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter mee dat een rechterlijke beslissing (daaronder begrepen proces- en tussenbeslissingen) als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De Wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de genomen (tussen)beslissing “en de motivering daarvan”, noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (ECLI:NL:HR:2018:1770). Dat laatste is niet gesteld en doet zich blijkens de inhoud van het proces-verbaal ook niet voor.

5.5

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af.

Aldus gegeven door mrs. C.L.J.M. de Waal, voorzitter, B. Vogel en L. van Berkum, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 november 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.