Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8302

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-09-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
HA RK 18/224
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen. De grond van het verzoek is gelegen in een door de rechter genomen afwijzende beslissing op een verzoek om een termijn voor het alsnog indienen van een conclusie. Het nemen van een rechterlijke (processuele-, tussen-) beslissing levert op zichzelf volgens vaste jurisprudentie geen grond op voor wraking; het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich daartegen. Dat geldt in beginsel ook voor de motivering van die beslissing. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de processuele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

wrakingskamer

Uitspraak: 14 september 2018

Beschikking op het op 13 juli 2018 ingekomen en onder rekestnummer HA RK 18/224 ingeschreven verzoek van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekster,

met als gemachtigde [naam gemachtigde] ,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. C. Kraak, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van 13 juli 2018;

  • -

    de reactie van de rechter op voornoemd verzoekschrift van 16 juli 2018.

De rechter heeft niet in de wraking berust.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 7 september 2018, alwaar de gemachtigde en de rechter zijn gehoord.

De uitspraak is bepaald op 21 september 2018 of zo veel eerder als mogelijk.

1 De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

  • -

    de gemachtigde is namens verzoekster een procedure gestart bij deze rechtbank, afdeling Privaatrecht, team kanton, door dagvaarding van gedaagde International Card Services B.V. De procedure is ingeschreven onder zaaknummer: 6727284 CV EXPL 18-5652;

  • -

    in die zaak heeft de gedaagde geantwoord op de dagvaarding. De rechter heeft daarop op 4 juni 2018 een tussenvonnis gewezen, inhoudende dat schriftelijk zou worden voort geprocedeerd, omdat naar haar oordeel, gezien hetgeen over en weer is gesteld, de zaak in deze fase niet geschikt is voor verschijning van partijen ter zitting. De zaak is daartoe aangehouden tot de rolzitting van 2 juli 2018 om 10:00 uur voor repliek aan de zijde van verzoekster. Verzoekster had blijkens het vonnis, op straffe van verval van het recht dit later alsnog te doen, tot uiterlijk één dag vóór de dag van deze rolzitting stukken in mogen dienen dan wel een verzoek tot uitstel mogen doen of op de rolzitting zelf stukken mogen indienen of om uitstel verzoeken;

  • -

    de gemachtigde heeft op 3 juli 2018 de rechter schriftelijk bericht dat hij een vergissing heeft gemaakt ten aanzien van de roldatum en om die reden niet tijdig een conclusie van repliek heeft ingediend. De gemachtigde heeft verzocht om gelegenheid dit verzuim alsnog te herstellen en om uitstel van vier weken te verlenen, zodat hij alsnog een akte vermeerdering van eis en bijkomende producties kan indienen;

  • -

    op 5 juli 2018 heeft de griffier aan de gemachtigde schriftelijk medegedeeld dat de rechter dit verzochte uitstel niet heeft verleend en dat vonnis gewezen zal worden op 30 juli 2018;

  • -

    op 10 juli 2018 heeft de gemachtigde namens verzoekster op deze brief gereageerd en opnieuw schriftelijk verzocht alsnog een conclusie van repliek en wijziging van eis te mogen indienen. De gemachtigde heeft zijn bericht geëindigd met “indien ik op 12.8.2018 geen reactie (fax of email) of verder weigerend bericht heb ontvangen zal ik op 13.8.2018 mijn wrakingsverzoek, ingevolgde art. 36 Rv, moeten indienen”;

  • -

    op 13 juli 2018 heeft de gemachtigde namens verzoeker schriftelijk onderhavig wrakingsverzoek ingediend, waarna de procedure is geschorst.

2 Het verzoek en de gronden daarvan


Het verzoek tot wraking is – kort zakelijk weergegeven – gebaseerd op de navolgende schriftelijk ingediende en ter zitting mondeling toegelichte gronden. De gemachtigde heeft zich vergist in de datum van indiening van zijn conclusie van repliek. Na excuses te hebben gemaakt is zijn verzoek tot uitstel onterecht afgewezen en is op een tweede verzoek daartoe niet gereageerd door de rechter. Door deze enkele vergissing van de gemachtigde in de datum is door de rechter aan verzoekster ten onrechte het recht ontzegd om in die procedure een conclusie van repliek en vermeerdering van eis in te dienen. Dit is onrechtvaardig, in strijd met de wet en heeft grote gevolgen voor verzoekster in die procedure. Het handelen van de rechter kan dan ook niet anders dan als partijdig worden aangemerkt. Dat in het verzoek van de gemachtigde van 10 juli 2018 om alsnog stukken in het geding te mogen brengen staat geschreven dat hij voor 12 augustus 2018 antwoord van de rechter wenst en anders op 13 augustus 2018 een wrakingsverzoek zal indienen, is een duidelijke schrijffout. Het was duidelijk dat het hier de maand juli betrof, aldus de gemachtigde.

3 De reactie van de rechter

De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen. Zij begrijpt dat de beslissing tot het niet verkrijgen van uitstel verzoekster en de gemachtigde onaangenaam heeft getroffen, maar er is geen sprake van vooringenomenheid jegens hen en de (eventuele) vrees daarvoor is ook niet objectief gerechtvaardigd. Een beroep op artikel 130 Rv staat verder los van het feit dat niet tijdig om uitstel is verzocht. Ter zitting heeft de rechter naar voren gebracht dat het uitstelverzoek door haar zelf is beoordeeld en dat zij na een afweging heeft besloten om het verzoek tot uitstel af te wijzen. Er was niet gebleken van bijzondere omstandigheden bij de gemachtigde om zich niet aan de gestelde termijnen te houden. De rechter was voornemens op de brief van 10 juli 2018 van de gemachtigde te reageren, maar omdat daarin een reactietermijn tot in augustus was opgenomen, heeft zij deze reactie niet direct verstuurd. Toen een paar dagen later het wrakingsverzoek was ingediend kon zij niet meer op deze brief reageren door schorsing van de procedure.

4 De beoordeling van het verzoek

Op grond van het bepaalde in artikel 36 Rv dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Bij de beoordeling van het verzoek stelt de Wrakingskamer voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De Wrakingskamer zal het wrakingsverzoek dan ook aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf beoordelen.

Uitgangspunt is voorts, dat het middel van wraking niet is bedoeld om onwelgevallige (procedurele) beslissingen ter discussie te stellen. Het gesloten systeem van rechtsmiddelen staat daaraan in de weg. Hiermee wordt bedoeld dat onwelgevallige beslissingen eventueel in hoger beroep aan de orde moeten worden gesteld, maar niet in een wrakingsprocedure kunnen worden aangevochten. Dat wordt alleen anders als de genomen beslissing, of de motivering daarvan, zo onbegrijpelijk is dat die redelijkerwijs alleen kan worden verklaard door vooringenomenheid tegenover verzoekster.

Naar het oordeel van de Wrakingskamer leveren de door de gemachtigde genoemde feiten en omstandigheden geen grond op voor een zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid als bovenbedoeld. Uit de stukken die de Wrakingskamer tot zijn beschikking heeft en uit hetgeen de gemachtigde en de rechter ter zitting naar voren hebben gebracht, volgt dat de rechter in het vonnis van 4 juni 2018 aan verzoekster een duidelijke – en gebruikelijke – termijn voor het indienen van de conclusie van repliek dan wel het vragen van uitstel had gesteld, met uitdrukkelijke vermelding van de consequenties indien niet tijdig zou worden gereageerd. De gemachtigde heeft namens verzoekster binnen deze termijn in het geheel niet gereageerd. De gemachtigde heeft daarop met excuses tot twee keer toe gevraagd om uitstel en om de mogelijkheid alsnog (onder meer) een conclusie van repliek in te dienen. De rechter heeft het eerste uitstelverzoek beoordeeld en besloten dit af te wijzen omdat op grond van hetgeen in het tussenvonnis was bepaald het verzoek te laat was gedaan en niet was gebleken van bijzondere omstandigheden om van de normale en duidelijk kenbaar gemaakte regels af te wijken. Op het tweede verzoek heeft zij niet meer kunnen reageren omdat het wrakingsverzoek reeds was ingediend. De Wrakingskamer kan zich voorstellen dat de beslissing van de rechter om geen uitstel te verlenen voor verzoekster en de gemachtigde teleurstellend is, maar dat is geen grond voor wraking. De rechter heeft, zoals haar vrijstond, beslist in lijn met hetgeen in het vonnis van 4 juni 2018 is bepaald en het Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton noopte de rechter ook niet tot het nemen van een andere beslissing. Juist is eveneens dat een eventuele vermeerdering of wijziging van eis los staat van het feit dat niet tijdig om uitstel is verzocht en niet betekent dat een te laat gedaan uitstelverzoek moet worden gehonoreerd. Van enige vooringenomenheid van de rechter is niet gebleken.

Het verzoek tot wraking zal dan ook worden afgewezen.

Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING:

De Wrakingskamer:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat de procedure met zaaknummer 6727284 CV EXPL 18-5652 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het wrakingsverzoek werd ingediend.

Aldus gegeven door mr. O.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. S.P. Pompe en R.A. Dudok van Heel, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 september 2018 in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.