Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8300

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
C/13/654170 / HA RK 18/296
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek niet ontvankelijk verklaard omdat het verzoek tot wraking is gedaan nadat uitspraak is gedaan in de hoofdzaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op bij brief van 12 september 2018 schriftelijk gedane en onder rekestnummer C/13/654170 / HA RK 18/296 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. A.C. Loman, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

 Het schriftelijke wrakingsverzoek van 12 september 2018;

 Een uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 september 2018 op een door verzoeker ingesteld beroep in de zaak met nummer AMS 18/3948 en een verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak met nummer AMS 18/3787.

2 De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1

In artikel 8:16 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt, op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2.2

Uit voornoemd artikel 8:16 Awb blijkt dat een wrakingsverzoek slechts de rechter kan betreffen die een zaak van de betrokken partij in behandeling heeft. Dit brengt mee dat geen wrakingsverzoek meer kan worden gedaan nadat de rechter in de zaak definitief heeft beslist. De rechter heeft dan immers geen zaak van verzoeker meer in behandeling.

2.3

Het verzoek tot wraking is gedaan bij brief van 12 september 2018 Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2 is overwogen, kan, nu het verzoek is gedaan na einduitspraak, verzoeker niet in het door hem ingediende verzoek worden ontvangen. Voor een mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 8:18 Awb bestaat geen aanleiding. Het in deze bepaling als vanzelfsprekend opgenomen recht op hoor en wederhoor is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek. Aan dat onderzoek komt de rechtbank niet toe omdat het verzoek aanstonds niet-ontvankelijk moet worden verklaard aangezien het na de uitspraak is gedaan en de rechter geen zaak van verzoeker in behandeling heeft.

2.4

Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

 verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, A.W.J. Ros en P.B. Martens, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.