Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8297

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
11-12-2018
Zaaknummer
C/13/640050 / HA ZA 17-1334
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadestaatprocedure na vastgestelde schending zorgplicht van de bank bij aangaan van renteswaps.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/640050 / HA ZA 17-1334

Vonnis van 21 november 2018 (bij vervroeging)

in de zaak van

[naam maatschap],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

advocaat mr. H.J. Bos te Amsterdam,

tegen

naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. F.R.H. van der Leeuw te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [naam maatschap] en de Bank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Tussen partijen is op 1 februari 2017 door deze rechtbank een vonnis gewezen waarbij is verwezen naar de schadestaatprocedure.

1.2.

Het verloop van deze schadestaatprocedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 juli 2018, waarin een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 10 oktober 2018 en de daarin genoemde spreekaantekeningen,

  • -

    de fax van 18 oktober 2018 van de zijde van de Bank met opmerkingen op het proces-verbaal.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam maatschap] exploiteert een melkveebedrijf. Zij heeft lange tijd een financieringsrelatie gehad met de Bank.

2.2.

Op 24 oktober 2015 heeft [naam maatschap] bij de Bank een 15-jarige Euriborlening van € 1.350.000,- afgesloten. Op 10 oktober 2005 heeft zij bij de Bank ook een renteswap afgesloten voor een hoofdsom van € 600.000,-, met een looptijd van 10 jaar, een vaste rente van 3,5% en een variabele rente van 1-maands Euribor (hierna: Swap 1).

2.3.

Partijen hebben op 30 november 2016, onder meer, een nieuwe 10-jarige Euriborlening van € 1.725.000,- afgesloten (hierna: de 10-jarige lening). De rente bedroeg 1-maands Euribor plus een individuele opslag van 0,6% per jaar. De 15-jarige Euriborlening is met deze nieuwe lening afgelost. Op 18 oktober 2006 heeft [naam maatschap] bij de Bank een tweede renteswap afgesloten voor een hoofdsom van € 1.400.000,-, met een looptijd van 10 jaar ingaande op 2 januari 2007, een vaste rente van 3,9% en een variabele rente van 1-maands Euribor (hierna: Swap 2). Tegelijk met het aangaan van Swap 2 is Swap 1 met een positieve marktwaarde afgewikkeld.

2.4.

Vanaf begin 2007 tot november 2008 is de rente gestegen en vanaf 1 juni 2007 tot november 2008 lag het 1-maands Euribortarief boven de vaste rente onder Swap 2. Daarna is het 1-maands Euribortarief gezakt tot onder de vaste rente van Swap 2.

2.5.

Op 28 november 2007 heeft [naam maatschap], onder meer, een 2-jarige Euriborlening van € 1.200.000,- bij de Bank afgesloten (hierna: de 2-jarige lening). Deze lening was bestemd voor de financiering van de bouw van een stal en de aankoop van melkquotum. De rente bedroeg 1-maands Euribor plus een individuele opslag van 0,6% per jaar. Op 11 december 2007 heeft [naam maatschap] bij de Bank een derde renteswap afgesloten voor een hoofdsom van € 1.200.000,-, met een looptijd van 10 jaar ingaande op 1 oktober 2008, een vaste rente van 4,89% en een variabele rente van 1-maands Euribor (hierna: Swap 3).

2.6.

Vervolgens hebben partijen op 2 april 2009 een nieuwe 5-jarige Euriborlening van € 3.224.000,- afgesloten met een variabele rente van 1-maands Euribor plus een individuele opslag van 0,6% per jaar (hierna: de 5-jarige lening). Met deze lening zijn de 10-jarige lening en de 2-jarige lening afgelost.

2.7.

Bij brief van 1 oktober 2012 heeft de Bank de kredietopslag over de 5-jarige lening verhoogd van 0,6% naar 2,5%. [naam maatschap] heeft als gevolg van de ophoging een bedrag van € 100.150,- aan extra kredietopslag betaald aan de Bank.

2.8.

In september 2014 is de kredietrelatie tussen partijen beëindigd en is [naam maatschap] overgestapt naar een andere bank. Swap 2 en 3 zijn daarbij afgewikkeld en [naam maatschap] heeft de negatieve marktwaarde van deze swaps (respectievelijk € 130.500,- en € 239.500,-) aan de Bank vergoed.

2.9.

[naam maatschap] heeft in totaal onder Swap 2 een nettobedrag van € 391.681,67 aan rente en negatieve marktwaarde aan de Bank betaald. Onder Swap 3 was dat € 537.232,67.

2.10.

In 2016 heeft [naam maatschap] bij deze rechtbank een procedure aanhangig gemaakt waarin zij - kort gezegd - aanspraak maakte op schadevergoeding als gevolg van onjuiste advisering door de Bank over de renteswaps en de kredietopslag. Bij het vonnis van 1 februari 2017 (hierna: het vonnis van 2017) heeft deze rechtbank - samengevat - geoordeeld dat de Bank aan [naam maatschap] de extra betaalde rente als gevolg van de verhoging van de kredietopslag en de schade die [naam maatschap] heeft geleden doordat [naam maatschap] (i) onvoldoende volledig, juist en begrijpelijk is geïnformeerd over de kenmerken en risico’s van een renteswap en met name de risico’s verbonden aan een tussentijdse beëindiging daarvan en (ii) niet is gewaarschuwd voor het risico dat was verbonden aan het verschil in looptijd tussen Swap 3 en de onderliggende leningen(en), dient te vergoeden.

2.11.

Tegen het vonnis van 2017 is geen hoger beroep ingesteld.

3 Het geschil

3.1.

[naam maatschap] vordert samengevat - bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van de Bank tot:

I. vergoeding van de door [naam maatschap] geleden schade in het kader van de onrechtmatige opslagverhogingen van € 100.150,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van algehele voldoening,

II. vergoeding van de door [naam maatschap] geleden schade met betrekking tot Swap 2 van € 364.188,67, althans € 391.681,67, althans € 273.181,98, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van algehele voldoening,

III. vergoeding van de door [naam maatschap] geleden schade met betrekking tot Swap 3 van € 454.984,47, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van algehele voldoening,

IV. vergoeding van de door [naam maatschap] geleden schade als gevolg van het uitblijven van de uitbreiding van de financiering van € 530.700,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van algehele voldoening,

V. betaling aan [naam maatschap] van de proceskosten.

3.2.

[naam maatschap] legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Om te beginnen dienen - zoals in het vonnis van 2017 reeds is bepaald - de sinds 1 oktober 2012 teveel in rekening gebrachte kredietopslagen van € 100.150,- te worden vergoed.

Daarnaast dienen de bedragen die [naam maatschap] onder Swap 2 en 3 niet of minder betaald zou hebben indien de Bank wel aan de door haar geschonden zorgplicht had voldaan aan haar vergoed te worden.

3.2.1.

Met betrekking tot Swap 2 volgt uit het vonnis van 2017 dat de Bank haar zorgplicht heeft geschonden, omdat de Bank heeft nagelaten afdoende te waarschuwen voor de risico’s en mogelijke gevolgen van het voortijdig aflossen van de 10-jarige lening, meer in het bijzonder het risico van de verplichting om de renteswap dan ook voortijdig te beëindigen waardoor een negatieve marktwaarde vergoed moet worden. Indien de Bank haar wel zou hebben gewaarschuwd voor het risico van een voortijdige beëindiging, dan had zij Swap 2 niet afgesloten. Het was namelijk waarschijnlijk dat het risico van voortijdige aflossing van de 10-jarige lening zich zou gaan verwezenlijken, omdat zij toen al uitbreidingsplannen had voor het bedrijf (inclusief een daarbij horende herfinanciering). Het meest aannemelijke alternatieve scenario was dan geweest dat zij een rentecap had afgesloten. Een rentecap geeft immers ook bescherming tegen rentestijgingen, maar leidt niet tot een vergoeding van een negatieve marktwaarde. De schade bestaat in dat scenario uit de onder Swap 2 betaalde nettobedragen minus de kosten voor een rentecap (€ 27.500,-). Indien zij geen rentecap had afgesloten, dan had zij voor een volledig variabele rente gekozen en dus geen rentederivaat afgesloten. De schade is in dat geval gelijk aan het totale nettobedrag dat zij onder Swap 2 aan de Bank heeft betaald. Voor zover de voorgaande twee scenario’s niet aannemelijk worden geacht, dan zou zij een 5-jarige renteswap hebben afgesloten, omdat het risico van de voortijdige beëindiging daarmee in ieder geval zou worden gematigd. De schade bestaat in het derde scenario uit het verschil tussen het nettobedrag dat zij onder een 5-jarige swap zou hebben betaald (€ 118.499,69) en het nettobedrag dat zij onder Swap 2 heeft betaald.

3.2.2.

Ten aanzien van Swap 3 is verder nog bepaald dat de Bank haar zorgplicht heeft geschonden, omdat de Bank niet heeft gewaarschuwd voor de risico’s van een “mismatch” tussen de looptijd van de 2-jarige lening en de looptijd van Swap 3. Swap 3 was daardoor een niet passend product. Indien de Bank haar wel had gewaarschuwd voor de risico’s van de mismatch, dan had zij gekozen voor een 2-jarige renteswap. Onder een 2-jarige renteswap zou een vaste rente van 4,61% verschuldigd zijn geweest. De schade bestaat dan uit het verschil tussen het nettobedrag dat zij in totaal onder een 2-jarige renteswap zou hebben betaald (€ 82.248,20) en het nettobedrag dat zij onder Swap 3 heeft betaald.

3.2.3.

Tot slot heeft [naam maatschap] ook nog € 579.300,- aan overige schade geleden. De Bank heeft als gevolg van de vaste rentelasten onder Swap 2 en 3 eind 2013 het verzoek om aanvullende financiering geweigerd, waardoor de nieuwe stal niet voor 100% benut kon worden. Als gevolg daarvan waren op 2 juli 2015 in totaal 61 koeien minder dan begroot binnen het bedrijf aanwezig. [naam maatschap] heeft hierdoor voor 61 koeien minder fosfaatrechten toebedeeld gekregen (61 x 6.000,- = € 366.000,-) en is op 61 koeien betrekking hebbende inkomsten misgelopen (€ 213.300,-).

3.3.

De Bank voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze schadestaatprocedure dient de omvang van de schade te worden bepaald die [naam maatschap] heeft geleden als gevolg van de in het vonnis van 2017 vastgestelde schending van de zorgplicht. Kort gezegd komt het er op neer dat in het vonnis van 2017 is geoordeeld dat de Bank haar zorgplicht heeft geschonden, omdat zij [naam maatschap] onvoldoende heeft gewaarschuwd voor de (financiële) risico’s (i) van het voortijdig aflossen van een lening in het geval dat de lening en de bijbehorende renteswap eenzelfde looptijd hebben en (ii) van het aangaan van een renteswap in het geval de looptijd van de renteswap langer is dan die van de onderliggende lening (de mismatch). Dit laatste geldt alleen voor Swap 3, waardoor verder is geoordeeld dat Swap 3 geen passend product was. Vanuit die specifieke normschending dient eerst getoetst te worden of de gestelde schade in causaal verband staat met die geschonden norm en vervolgens of de schade aan de Bank kan worden toegerekend. Zoals in het vonnis van 2017 ook is overwogen dient daarvoor een vergelijking te worden gemaakt van de feitelijke situatie met de hypothetische situatie die er zou zijn geweest als de Bank wel aan haar zorgplicht had voldaan.

Schade kredietopslagen

4.2.

In het vonnis van 2017 is de onder I gevorderde schade voor de teveel in rekening gebrachte kredietopslagen van € 100.150,- reeds vastgesteld en de Bank heeft deze vordering overigens ook erkend. De gevorderde wettelijke rente is evenmin betwist en de vordering onder I zal dus integraal worden toegewezen.

Schade Swap 2

4.3.

In het vonnis van 2017 is in overweging 4.18 geoordeeld dat [naam maatschap] niet heeft gesteld dat ten tijde van het sluiten van Swap 2 al voorzienbaar was dat de 10-jarige lening voortijdig zou worden afgelost, of dat daarmee ernstig rekening gehouden had moeten worden. En dat er ook geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die maken dat de Bank van de later ontstane mismatch tussen Swap 2 en de 10-jarige lening een verwijt valt te maken. Al hoewel [naam maatschap] in deze schadestaatprocedure wel stelt dat op het moment van het aangaan van Swap 2 voorzienbaar was dat de 10-jarige lening voor het einde van de looptijd zou worden afgelost, geeft deze stelling geen aanleiding om van het hiervoor genoemde oordeel van de rechtbank af te wijken. De Bank heeft namelijk gemotiveerd betwist dat [naam maatschap] bij het aangaan van Swap 2 uitbreidingsplannen had en aangevoerd dat - voor zover [naam maatschap] die wel zou hebben gehad - dit nog geen aanleiding zou zijn geweest voor het voortijdig beëindigen van Swap 2. [naam maatschap] heeft daarop haar stelling niet (nader) onderbouwd. Sterker nog, desgevraagd heeft [naam maatschap] verklaard dat op het moment van het aangaan van Swap 2 juist niet voorzienbaar was dat de 10-jarige lening voortijdig zou worden afgelost.

4.4.

Nu verder wel vaststaat dat (i) Swap 2 bedoeld was om het risico van rentestijgingen te elimineren door middel van het fixeren van de rentelasten (zie overwegingen 4.8 en 4.14 van het vonnis van 2017), (ii) ten tijde van het aangaan van Swap 2 de rente aan het stijgen was en (iii) tot november 2008 het 1-maands Euribortarief boven de vaste rente onder Swap 2 lag, volgt daaruit dat Swap 2 gedurende de eerste anderhalf tot twee jaar de beoogde werking (beschermen tegen rentestijgingen) heeft gehad. Ook staat vast dat [naam maatschap] onder Swap 1 een positieve marktwaarde vergoed heeft gekregen als gevolg van een stijgende rente. In het licht van deze omstandigheden en bij gebrek aan een concrete onderbouwing van haar stelling dat voorzienbaar was dat de 10-jarige lening, en daarmee tevens Swap 2, voortijdig beëindigd moest worden, kan niet worden vastgesteld dat [naam maatschap] Swap 2 niet had afgesloten indien de Bank wel (voldoende) had gewaarschuwd voor de risico’s van een voortijdige beëindiging van Swap 2. Voor het begroten van de schade met betrekking tot Swap 2 dient er dus van uitgegaan te worden dat - indien wel was voldaan aan de geschonden zorgplicht - de situatie en de uitkomst niet anders waren geweest. Daarmee kan het vereiste causaal verband voor de gestelde schade met betrekking tot Swap 2 niet worden vastgesteld en zal de vordering onder II worden afgewezen.

Schade Swap 3

4.5.

Het primaire standpunt van de Bank, dat [naam maatschap] ook in het geval zij wel was gewaarschuwd voor de risico’s van een mismatch Swap 3 zou hebben afgesloten, wordt als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd. De aangevoerde omstandigheid dat bij het aangaan van de 2-jarige lening het al de bedoeling was dat deze na twee jaar verlengd zou worden, maakt nog niet dat daaruit afgeleid kan worden dat deze ook tot tien jaar verlengd zou worden en dat [naam maatschap] daarmee het risico had willen lopen dat Swap 3 voortijdig beëindigd moest worden. Vaststaat juist dat de 2-jarige lening is verlengd met vijf jaar en niet met acht jaar.

4.6.

Volgens de Bank zou dan het meest aannemelijke alternatief voor Swap 3 een vastrentende lening zijn geweest, omdat [naam maatschap] de rente wilde fixeren. De Bank heeft verder geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat ten tijde van het aangaan van Swap 3 een vastrentende lening als alternatief voor Swap 3 is besproken. [naam maatschap] heeft zelf aangevoerd dat zij als alternatief voor Swap 3 een 2-jarige renteswap zou hebben afgesloten. Vaststaat dat [naam maatschap] op het moment dat Swap 3 werd afgesloten de 10-jarige lening met Swap 2 had lopen en de doelstelling van het fixeren van de rente ook met een 2-jarige renteswap zou worden bereikt. In het licht van die feiten en omstandigheden en hetgeen verder onder 4.4 is overwogen met betrekking tot Swap 2, is het in dit geval meer aannemelijk dat [naam maatschap] als alternatief voor Swap 3 een 2-jarige renteswap had afgesloten en niet een vastrentende lening. Het scenario van de 2-jarige renteswap als alternatief voor Swap 3 dient dan ook als uitgangspunt voor het begroten van de schade met betrekking tot Swap 3.

4.7.

De Bank voert vervolgens verder aan dat in aanvulling op de vergelijking met een 2-jarige renteswap ook een vergelijking moet worden gemaakt met de situatie dat bij het aangaan van de 5-jarige lening een 5-jarige renteswap zou zijn afgesloten. Immers, bij het aangaan van de 2-jarige lening was het al de bedoeling om die lening na verloop van twee jaren te herfinancieren, omdat [naam maatschap] de lening niet met eigen middelen na twee jaar kon aflossen. [naam maatschap] betwist dit standpunt van de Bank, omdat bij het aangaan van de 2-jarige lening alleen een 2-jarige renteswap passend was geweest. Dat is dan ook de situatie waarmee de feitelijke situatie vergeleken dient te worden. De 5-jarige lening dient dus buiten beschouwing te worden gelaten bij de berekening van de schade als gevolg van de mismatch. Dit volgt ook uit paragraaf 3.3.5 van het Uniform Herstelkader Rentederivaten MKB van 19 december 2016 (hierna: het Herstelkader), aldus [naam maatschap].

4.8.

De normschending ziet in het geval van Swap 3 - naast het niet waarschuwen voor het risico van voortijdige beëindiging - specifiek op het niet waarschuwen voor de risico’s van een mismatch. Vaststaat dat na de 2-jarige lening de 5-jarige lening is afgesloten en dat het risico van de mismatch zich pas na het einde van de looptijd van de 5-jarige lening heeft verwezenlijkt (vergelijk ook overwegingen 4.16 en 4.17 van het vonnis van 2017). Nu niet is gesteld of anderszins is gebleken dat voorzienbaar was dat de 5-jarige lening voortijdig zou worden beëindigd, dient in het licht van de eerder genoemde omstandigheden te worden aangenomen dat [naam maatschap] ten tijde van het aangaan van de 5-jarige lening ook een 5-jarige renteswap zou hebben afgesloten. Voor het begroten van de schade dient dan de feitelijke situatie (Swap 3) vergeleken te worden met de situatie dat zowel een 2-jarige renteswap als een 5-jarige renteswap zouden zijn afgesloten. Deze aanpak sluit - in tegenstelling tot hetgeen [naam maatschap] heeft betoogd - ook aan bij de werkwijze die onder het Herstelkader is gekozen voor het vaststellen van een mismatch (zie paragraaf 3.3.14 van het Herstelkader).

4.9.

De Bank heeft een berekening overgelegd van de kosten die [naam maatschap] onder een 2-jarige renteswap en een 5-jarige renteswap verschuldigd zou zijn geweest, indien die renteswaps op respectievelijk 11 december 2007 en 2 april 2009 waren afgesloten. De vaste rente onder een 2-jarige renteswap bedroeg dan volgens de Bank 4,35%. [naam maatschap] is bij haar schadeberekening voor een 2-jarige renteswap uitgegaan van een vaste rente van 4,61%. De schadeberekening van de Bank pakt op dit punt dus voordelig uit voor [naam maatschap] en is ook niet door [naam maatschap] betwist. Wat betreft de 5-jarige renteswap gaat de Bank uit van een vast rentepercentage van 2,75%. [naam maatschap] heeft zelf geen voorstel voor een berekening gedaan in het kader van een 5-jarige renteswap, maar heeft het door de Bank aangevoerde percentage ook niet betwist. Het voorgestelde rentepercentage voor de 5-jarige renteswap is in verhouding in ieder geval veel lager dan het vaste rentepercentage van 4,89% onder Swap 3. Daarmee voorziet de berekening van de Bank ook in de door [naam maatschap] op de comparitie geuite bezwaren dat de rente na twee jaar veel lager was en het swaptarief dus ook veel lager zou zijn geweest dan het tarief onder Swap 3. De Bank heeft verder concreet en onweersproken onderbouwd dat bij de 5-jarige renteswap uit moet worden gegaan van een hoofdsom van € 1.200.000,-. De door de Bank opgestelde berekeningen van de vaste (netto)rentebetalingen bij een 2- en een 5-jarige renteswap zullen aldus gebruikt worden voor het vaststellen van de hoogte van de schade met betrekking tot Swap 3.

4.10.

Bij het vergelijken van de feitelijke situatie (Swap 3) met de hypothetische situatie (2-jarige en 5-jarige renteswap) komt het totaal berekende rentenadeel dat [naam maatschap] dan heeft geleden uit op een bedrag van € 134.880,-. Echter, zoals [naam maatschap] ook stelt, naast het geleden rentenadeel dient ook de negatieve marktwaarde die [naam maatschap] onder Swap 3 heeft betaald als schade aan haar vergoed te worden. Immers, in de hypothetische situatie was [naam maatschap] geen negatieve marktwaarde verschuldigd geweest. Het beëindigen van het krediet had dan min of meer gelijktijdig plaatsgevonden met het einde van de looptijd van de 5-jarige renteswap. In dat geval was de marktwaarde van de renteswap nul of bijna nul geweest. Gesteld noch gebleken is in ieder geval dat in de hypothetische situatie ook een negatieve marktwaarde verschuldigd zou zijn geweest.

4.11.

De totale schade die de Bank met betrekking tot Swap 3 onder vordering III dient te vergoeden is dan € 374.380,- (€ 134.880,- + € 239.500,-). De gevorderde wettelijke rente is niet betwist en zal ook worden toegewezen.

Schade weigering aanvullende financiering

4.12.

De vordering onder IV dient integraal te worden afgewezen. [naam maatschap] heeft op geen enkele manier onderbouwd dat de door haar op dit punt gestelde schade is veroorzaakt door de in het vonnis van 2017 bepaalde normschending. De gevaren die de geschonden norm (niet waarschuwen voor risico’s bij voortijdige beëindiging en niet passendheid van het product vanwege de mismatch) diende te beschermen hebben zich pas na het afwijzen van de aangevraagde aanvullende financiering geopenbaard. Het is namelijk niet zo - zoals [naam maatschap] lijkt te stellen - dat in het vonnis van 2017 is bepaald dat de Bank haar zorgplicht heeft geschonden, omdat zij onvoldoende heeft geadviseerd over de vaste rentebetalingen onder Swap 2 en 3. Het al dan niet betalen van de vaste rente onder Swap 2 en 3 staat (anders dan ten aanzien van het rentenadeel) dan ook los van de vastgestelde normschending. Van enig causaal verband tussen de gestelde schade en de normschending is dus geen sprake.

Proceskosten

4.13.

Nu partijen over en weer op onderdelen in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de Bank tot betaling aan [naam maatschap] voor de door [naam maatschap] geleden schade in het kader van de onrechtmatige opslagverhogingen van € 100.150,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van voldoening,

5.2.

veroordeelt de Bank tot betaling aan [naam maatschap] voor de door [naam maatschap] geleden schade met betrekking tot Swap 3 van € 374.380,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van voldoening,

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van der Kaay en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2018.