Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8286

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-11-2018
Datum publicatie
05-05-2019
Zaaknummer
7258128 KK EXPL 18-938
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een huurder die werd beschuldigd van onderhuur mag in zijn woning blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 7258128 KK EXPL 18-938

vonnis van: 9 november 2018

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

nader te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. Th.C. Visser

t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

nader te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. H.A. From

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 10 oktober 2018, heeft [eiser] een voorziening gevorderd.

Ter zitting van 26 oktober 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is in persoon verschenen, vergezeld door de gemachtigde. [gedaagde] is in persoon verschenen, bijgestaan door V.F.M. Cantalamessa, tolk in de Italiaanse taal, vergezeld door de gemachtigde. [eiser] en [gedaagde] hebben op voorhand stukken in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.

Op 20 februari 2015 hebben partijen een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning staande en gelegen aan de [adres] (hierna het gehuurde), tegen een huurprijs van € 1.200,00 per maand. In de huurovereenkomst is geen onderhuurverbod opgenomen.

1.2.

De huurcommissie heeft de huurprijs op 18 augustus 2015 aangepast naar
€ 607,60 per maand.

1.3.

Op 17 juli 2015 hebben [naam 1] en [naam 2] , de onderburen van [gedaagde] , een brief geschreven aan [eiser] met betrekking tot overlast die zij van [gedaagde] ervaren.

1.4.

Per 1 augustus 2018 heeft [naam 3] zich ingeschreven op het adres van het gehuurde.

1.5.

Op 1 oktober 2018 heeft de gemachtigde van [eiser] , [gedaagde] aangeschreven dat de huurovereenkomst wordt opgezegd tegen 31 januari 2019 in verband met het feit dat [gedaagde] het gehuurde zou onderverhuren aan derde en vanwege overlast.

1.6.

Op 24 oktober 2018 heeft PSG recherche een rapport opgemaakt met betrekking tot het adres van het gehuurde. Als doelstelling is vermeld: “Het doel van het administratieve basisonderzoek wordt als volgt omschreven:
- Vaststellen of betrokkene daadwerkelijk het huuradres niet meer als hoofdverblijf heeft
- Onderzoeken of het huuradres door derde wordt bewoond”
Als conclusie wordt vermeld: “Door het ontbreken van cruciale informatie over betrokkene is er niet met zekerheid een uitspraak te doen over het al dan niet plaatsvinden van woonfraude. Wel zijn er dusdanige aanwijzingen gevonden dat nader onderzoek geadviseerd wordt”. Als aanbeveling is onder meer vermeld: “Opvragen Brp mevrouw [naam 3]

1.7.

[gedaagde] heeft de huuropzegging niet aanvaard.

Vordering

2. [eiser] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden om het gehuurde te ontruimen. [eiser] stelt hiertoe kort gezegd dat [gedaagde] de woning onderverhuurd aan derden en hij geen hoofdverblijf meer in het gehuurde heeft. Voorts heeft [eiser] ook klachten van buren gekregen met betrekking tot overlast.

Verweer

3. [gedaagde] voert verweer. Hij betwist geen hoofdverblijf in het gehuurde te hebben. Ook betwist hij de woning aan derde onder te verhuren. Per 1 augustus 2018 is zijn vriendin [naam 3] bij hem ingetrokken. Nadat er klachten in 2015 aan hem kenbaar zijn gemaakt, heeft hij direct maatregelen genomen en sindsdien heeft hij niets meer vernomen over klachten. Dat er recent nieuwe klachten door zijn buren zijn geuit of dat hij overlast zou veroorzaken is hem niet bekend.

Beoordeling

4. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5. [eiser] heeft gesteld twijfels te hebben of [gedaagde] wel in het gehuurde woont. Ter zitting heeft hij gesteld dat dit vermoeden van onderhuur met name is ontstaan omdat er sinds 1 augustus 2018 ene mevrouw [naam 3] op het adres van het gehuurde is ingeschreven.

6. Voornoemde twijfels van [eiser] zijn onvoldoende om de gevraagde voorziening toe te wijzen. Immers [gedaagde] heeft ter zitting onbetwist verklaard dat [naam 3] zijn vriendin is, die per 1 augustus 2018 bij hem is ingetrokken. Daarbij heeft de rapportage die [eiser] als bewijs van de gestelde onderhuur heeft overgelegd, als conclusie dat thans onvoldoende duidelijk is om van woonfraude te kunnen spreken en dat daar nader onderzoek naar verricht zou moeten worden.. Dat rapport geeft dan ook geen houvast om te concluderen dat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst omdat het gehuurde onderverhuurt.

7. Ook met betrekking tot de gestelde overlast heeft [eiser] niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op die grond in een bodemprocedure tot ontbinding van de huurovereenkomst zal worden overgegaan. De klachten waarop hij zijn stellingen baseert dateren van ruim drie jaar geleden.

8. Al met al heeft [eiser] , niet althans onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een tekortkoming die in een bodemprocedure tot ontbinding van de huurovereenkomst zou leiden om thans in kort geding al hierop vooruitlopend ontruiming van het gehuurde toe te staan. De gevorderde voorziening zal daarom worden geweigerd

9. [eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten te worden belast.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 50,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.