Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8266

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
13/111392-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Zeer onvoorzichtig rijgedrag door bewust met een te hoge snelheid twee rode stoplichten te negeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/111392-18

Datum uitspraak: 20 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1944,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 november 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.H. Boersma en van wat verdachte naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat,

primair,

hij op of omstreeks 7 november 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de provinciale weg, zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel en/of neus en een scheur in de lip, in elk geval zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de provinciale weg, komende uit de richting van Driemond en gaande in de richting van Amsterdam Zuidoost

- terwijl het donker was, en/of

- terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was,

verdachte is, gekomen ter hoogte van hectometerpaaltje 4.4 niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd en/of voor het verkeer in zijn richting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht,

verdachte heeft het rode licht gepasseerd en/of is de kruising op gereden met een snelheid van en/of tussen de 56 en/of 64 kilometer per uur, terwijl daar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldend is, in elk geval heeft gereden met een veel te hoge snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse,

verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van blijven vergewissen dat een fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer] , doende was bij groen licht voornoemde rijbaan (kruising) - gezien verdachtes (rij)richting van rechts naar links - over te steken, althans zich (daartoe) op

voornoemde rijbaan bevond,

verdachte heeft (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken voor voornoemde fietser,

verdachte is (vervolgens) tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden en/of aangebotst waardoor aan voornoemde [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht.

subsidiair,

hij op of omstreeks 7 november 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de provinciale weg, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de provinciale weg, komende uit de richting van Driemond

en gaande in de richting van Amsterdam Zuidoost

- terwijl het donker was, en/of

- terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was,

verdachte is, gekomen ter hoogte van hectometerpaaltje 4.4 niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd en/of voor het verkeer in zijn richting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht,

verdachte heeft het rode licht gepasseerd en/of is de kruising op gereden met een snelheid van en/of tussen de 56 en/of 64 kilometer per uur, terwijl daar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldend is, in elk geval heeft gereden met een veel te hoge snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse,

verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, van blijven vergewissen dat een fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer] , doende was bij groen licht voornoemde rijbaan (kruising) - gezien verdachtes (rij)richting van rechts naar links - over te steken, althans zich (daartoe) op voornoemde rijbaan bevond,

verdachte heeft (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken voor voornoemde fietser, verdachte is (vervolgens) tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden en/of aangebotst.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Inleiding

Op 7 november 2017 omstreeks 19.15 uur te Amsterdam heeft op de provinciale weg nabij Driemond een ongeval plaatsgevonden, waarbij een personenauto en een fietser waren betrokken. Verdachte was de bestuurder van deze personenauto. Hij reed op de provinciale weg, komende uit de richting van Driemond en gaande in de richting van Amsterdam-Zuidoost. Het slachtoffer [slachtoffer] was de bestuurder van de fiets. Hij reed op het naast de provinciale weg gelegen fietspad, komende uit de richting van het Zandpad te Driemond. Het slachtoffer had groen licht en wilde ter hoogte van hectometerpaaltje 4.4. de provinciale weg oversteken in de richting van Gein. De verdachte had rood licht. Hij is niet gestopt voor de in zijn richting rood uitstralende verkeerslichten. Hij is door het eerste rode verkeerslicht gereden met een snelheid van ten minste 56 kilometer per uur (hierna: km/u) en hij is door het tweede rode verkeerslicht gereden met een snelheid van ten minste 64 km/u. De maximum snelheid bedroeg daar 50 km/u. Verdachte heeft het slachtoffer, dat gezien verdachtes rijrichting bezig was bij groen licht de provinciale weg van rechts naar links over te steken, niet voor laten gaan. Hij heeft de fietser over het hoofd gezien en is tegen hem aangereden. Als gevolg van dit ongeval is de fietser, [slachtoffer] , gevallen en heeft hij een gebroken enkel en neus en een scheur in de lip opgelopen.

De rechtbank dient in de eerste plaats te beoordelen of verdachte schuld heeft gehad aan dit verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW ) en zo nee, of door de gedragingen van verdachte gevaar op de weg is veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, moet de rechtbank vervolgens de vraag beantwoorden wat een passende straf is.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat bewezen kan worden dat verdachte het primair ten laste gelegde, zeer onvoorzichtig rijgedrag, heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdachte

De verdachte heeft naar voren gebracht dat hij op voornoemde dag en op de hem ter plaatse bekende weg, met een te hoge snelheid door de rode verkeerslichten is gereden. Verdachte heeft gezien dat de in zijn richting gekeerde verkeerslichten op rood stonden en heeft bewust de keuze gemaakt, omdat hij ter plaatse geen ander verkeer zag, om tot twee maal toe door een rood verkeerslicht te rijden. Hij kwam tot deze keuze omdat hij niet veel gegeten had die dag en honger had, en daarom snel naar huis wilde. Pas na het negeren van het tweede stoplicht heeft verdachte de overstekende fietser gezien en afgeremd.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW, zoals primair is ten laste gelegd, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder die is begaan.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het verkeersongeval door zijn schuld heeft plaatsgevonden. Hij was bekend met de situatie ter plaatse en heeft vaker over de provinciale weg bij Driemond gereden. Verdachte was door het verloop van die dag ongeduldig. Het was al donker, hij had honger en wilde naar huis. Verdachte had gezien dat er geen verkeer op de provinciale weg voor hem reed dat last van hem had en heeft bewust met een te hoge snelheid de twee rode stoplichten genegeerd. Hij dacht ‘dat het wel kon’. Hij heeft de fietser over het hoofd gezien en is na het passeren van het tweede rode stoplicht tegen hem aangereden.

De rechtbank stelt vast dat in deze zaak sprake is van meerdere verkeersovertredingen. Verdachte is twee keer bewust door rood licht gereden, hij heeft te hard gereden en hij heeft niet goed gekeken en de fietser niet voor laten gaan. In het verkeer moeten medeweggebruikers op elkaar kunnen vertrouwen als het gaat om het naleven van de verkeersregels die ten behoeve van de veiligheid zijn opgesteld. Verdachte heeft met zijn rijgedrag veel te veel risico genomen en daarmee zeer onvoorzichtig gereden, waardoor een ongeval heeft plaatsgevonden met zwaar lichamelijk letsel bij de fietser als gevolg. Gebleken is immers dat het slachtoffer flink letsel had waarvan hij pas maanden later volledig hersteld was.

De rechtbank is dus met de officier van justitie van oordeel dat sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag in de zin van artikel 6 WVW 1994. Het is aan de schuld van verdachte te wijten is dat het ongeval heeft plaatsgevonden.

3.5.

De bewijsmiddelen

Op grond van het bepaalde in artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering is sprake een bekennende verdachte en kan met een opgave van de bewijsmiddelen worden volstaan.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het primair bewezen geachte heeft begaan op de volgende bewijsmiddelen.

1. De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter zitting van 6 november 2018.

2. Een proces-verbaal aanrijding misdrijf met nummer PL1300-2017235763-1 van 12 december 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (p. I-V).

3. Een proces-verbaal “Analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van een verkeersregelinstallatie” van 20 november 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (p. 26-40).

4. Een proces-verbaal van verhoor slachtoffer (met bijlagen van letselomschrijvingen van het AMC) met nummer PL1300-2017235763-7 van 1 december 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (p. 8A-17).

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het primair ten laste gelegde,

op 7 november 2017 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de provinciale weg, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel en neus en een scheur in de lip, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de provinciale weg, komende uit de richting van Driemond en gaande in de richting van Amsterdam Zuidoost

- terwijl het donker was en

- terwijl verdachte ter plaatse zeer bekend was,

verdachte is, gekomen ter hoogte van hectometerpaaltje 4.4 niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd en voor het verkeer in zijn richting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht,

verdachte is het rode licht gepasseerd en is de kruising op gereden met een snelheid van tussen de 56 en 64 kilometer per uur, terwijl daar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldend is,

verdachte heeft zich hierbij niet voldoende vergewist dat een fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer] , doende was bij groen licht voornoemde rijbaan (kruising) – gezien verdachtes rijrichting van rechts naar links – over te steken,

verdachte heeft voornoemde [slachtoffer] niet voor laten gaan en is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden waardoor aan voornoemde [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair bewezen geachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 160 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen en daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie laten meewegen dat verdachte als bestuurder van zijn personenauto een afweging heeft gemaakt. Hij is twee keer bewust door een rood stoplicht gereden in een steeds sneller rijdende auto. Hoewel verdachte naar eigen zeggen de voor hem liggende weg kon overzien, heeft hij de fietser niet gezien met alle gevolgen van dien. Het slachtoffer heeft door dit verkeersongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen en het herstel heeft maanden geduurd.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft naar voren gebracht dat hij is geschrokken van de consequenties van zijn rijgedrag, maar dat het voor hem belangrijk is dat het weer beter gaat met het slachtoffer. Verdachte heeft een paar maanden geleden een cursus van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsrijbewijzen gevolgd. Hij vond dat niet echt nodig, omdat hij zich er terdege van bewust is van wat hij verkeerd heeft gedaan. Zijn rijbewijs is niet ingevorderd. Verdachte had zich kunnen voorstellen dat zijn rijbewijs na het ongeval meteen zou worden afgenomen en ziet daar nu niet meer het nut van in. Verdachte heeft zijn rijbewijs nodig voor het klussen in de volkstuin en het wegbrengen van zijn (klein)kinderen.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straffen laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige verkeersovertreding, zoals hiervoor bewezen is verklaard.

Verdachte heeft zeer onvoorzichtig gereden. Hij heeft gereden met een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en hij heeft twee rode verkeerslichten genegeerd. Hij heeft daardoor een aanrijding met een bestuurder van een fiets veroorzaakt. De bestuurder van de fiets is als gevolg hiervan zwaar gewond geraakt. Verdachte heeft schuld aan het ongeval. De rechtbank vindt het zeer kwalijk dat verdachte welbewust ervoor heeft gekozen tot twee keer toe een rood stoplicht te negeren. Hij heeft daardoor andere weggebruikers op onaanvaardbare wijze in gevaar gebracht. Als verdachte zich in het verkeer anders had gedragen, had het ongeval niet plaatsgevonden.

Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring komt naar voren hoe het slachtoffer dit verkeersongeval en de gevolgen daarvan heeft ervaren. Hoewel het slachtoffer geen wrok koestert tegen verdachte en hem dankbaar is dat hij hem na het ongeval niet aan zijn lot heeft overgelaten, is de periode na het ongeval voor hem zeer emotioneel geweest. Dat zag vooral op het besef hoeveel geluk hij heeft gehad en het feit dat hij zich niets van het ongeval kan herinneren.

Bij het bepalen van de straffen heeft de rechtbank gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van ernstige schuld en waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt ingevolge deze oriëntatiepunten als uitgangspunt een taakstraf van 160 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar opgelegd. Dit uitgangspunt geldt voor verdachten die niet eerder zijn veroordeeld voor ernstige verkeersovertredingen. Verdachte heeft in het geheel geen strafblad.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met zijn schuldbewuste houding. Hij is zich terdege bewust van het kwalijke van zijn rijgedrag en van wat hij het slachtoffer heeft aangedaan.

De rechtbank acht, dit alles overwegende, de eis van de officier van justitie passend en geboden. Dat betekent dat een gedeelte van de ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren. Mocht verdachte zich voor het einde van die proeftijd wederom aan een strafbaar feit schuldig maken, dan kan deze bijkomende straf ten uitvoer worden gelegd. De rechtbank begrijpt dat het lastig is voor verdachte om zijn rijbewijs 6 maanden kwijt te zijn, maar, zoals verdachte zelf ook heeft verklaard, kan hij ook op de fiets naar de volkstuinen. Voor het ophalen van de (klein)kinderen zal tijdelijk ook een ander oplossing kunnen en moeten worden gezocht.

8
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.


Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9 Beslissing


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 160 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 maanden van deze bijkomende straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Dinjens, voorzitter,

mrs. C.C.M. Oude Hengel en L. Dolfing, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 november 2018