Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8253

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
13/845035-14 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 46-jarige vrouw krijgt 21 maanden gevangenisstraf (waarvan 3 maanden voorwaardelijk) voor fraude met kinderopvangtoeslag en voor het witwassen van de bijna 7 ton euro die daarmee gemoeid was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845035-14 (Promis)

Datum uitspraak: 20 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 16 en 17 oktober 2018 (inhoudelijk behandeling) en 6 november 2018 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting).

Het Openbaar Ministerie is vertegenwoordigd door mrs. M. Boerlage en M.O. van Driel, beiden officier van justitie. In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘de officier van justitie’. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en haar raadsman mr. T.H. Kapinga naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt samengevat verweten dat zij zich - met anderen - heeft schuldig gemaakt aan:

1. oplichting van de Belastingdienst in de periode van 26 januari 2009 tot en met 17 december 2013 door middel van het indienen van valselijk opgemaakte of vervalste aanvragen/wijzigingen kinderopvangtoeslag;

2. ( gewoonte)witwassen van geldbedragen in de periode van 8 april 2008 tot en met 2 december 2016, subsidiair ten laste gelegd als schuldwitwassen.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis. Die bijlage hoort bij dit vonnis en maakt hiervan deel uit.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte samen met anderen de ten laste gelegde feiten oplichting en witwassen heeft gepleegd. Ten aanzien van het witwassen komt de officier van justitie tot de conclusie dat verdachte daar een gewoonte van heeft gemaakt.

Ten aanzien van de oplichting is uit onderzoek gebleken dat er voor de in de tenlastelegging genoemde kinderen ten onrechte aanvragen/wijzigingen KOT bij de Belastingdienst zijn ingediend. De KOT is vervolgens uitgekeerd op rekeningen waar verdachte over kon beschikken. Op grond van getuigenverklaringen van vraagouders en medewerkers van kinderdagverblijven is duidelijk geworden dat de in de beschuldiging genoemde kinderen in het geheel geen of minder uren opvang hebben genoten dan is aangevraagd en dat verdachte een significante rol heeft gespeeld bij het indienen van de in de beschuldiging genoemde aanvragen/wijzigingen KOT.


In het kader van het witwassen brengt de officier van justitie naar voren dat grote geldbedragen aan KOT zijn uitbetaald op rekeningen waar verdachte over kon beschikken. De in de tenlastelegging genoemde bedragen zijn – al dan niet door vermenging – geheel of gedeeltelijk via oplichting verkregen en daarmee uit misdrijf afkomstig. Er is geen sprake van de kwalificatie-uitsluitingsgrond omdat sprake is geweest van contant opnemen, overdragen, omzetten en gebruik maken, waardoor er dus meer is gebeurd dan het enkele verwerven en voorhanden hebben. Gelet op de lange periode waarin deze handelingen hebben plaatsgevonden is er sprake van gewoontewitwassen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging vindt dat de onder feit 1 ten laste gelegde oplichting en het onder feit 2 ten laste gelegde (gewoonte)witwassen/ schuldwitwassen niet kunnen worden bewezen en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken.

De verdediging heeft ten aanzien van de oplichting aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte een rol heeft gespeeld bij het indienen van de aanvragen/wijzigingen KOT. Verdachte ontkent betrokkenheid en de in het dossier aanwezige belastende verklaringen zijn allemaal gebaseerd op vermoedens en speculaties. Bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs moet verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

De verdediging heeft ten aanzien van het witwassen het volgende aangevoerd. Van de genoemde geldbedragen in de tenlastelegging kan (gedeeltelijk) niet worden vastgesteld dat deze uit misdrijf afkomstig zijn. Voor zover de bedragen wel uit misdrijf afkomstig zijn betreft het een eigen misdrijf en is voor witwassen meer vereist dan het enkel innen van die geldbedragen. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van feit 2.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Feit 1: oplichting van de Belastingdienst

4.3.1.1. Partiële vrijspraak van het medeplegen

De rechtbank is – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat er onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om te kunnen vaststellen dat anderen samen met verdachte bij het indienen van de aanvragen/wijzigingen KOT betrokken zijn geweest.

De oplichting bestaat volgens de tekst van de tenlastelegging uit het indienen van valse aanvragen. De oplichting is niet verder verfeitelijkt. Nu het onderzoek plaatsvindt op de grondslag van de tenlastelegging kan de rechtbank geen rekening houden met andere door de officier aangeduide feitelijke handelingen die volgens haar op medeplegen duiden, zoals het verkrijgen en doorgeven van benodigde gegevens, het ontvangen van gelden, het verdelen van de buit of het achteraf indienen van valse stukken om de aanvraag te onderbouwen. Verdachte wordt daarom partieel vrijgesproken van medeplegen.

4.3.1.2. Feiten en omstandigheden feit 1

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.1

Kind [naam kind 1]
Op naam van [naam kind 1] is op 24 april 2009 bij de Belastingdienst een aanvraag KOT binnengekomen inhoudende dat het kind per 1 januari 2009 gedurende 130 uur per maand buitenschoolse opvang geniet bij kinderdagverblijf [naam kinderdagverblijf 1] .2 Vervolgens is er op 3 juni 2009 een wijziging ingediend inhoudende dat het kind per 26 mei 2009 gedurende 154 uur per maand buitenschoolse opvang geniet bij [naam buitenschoolse opvang 1] .3 Op 24 juni 2009 is een wijziging ingediend inhoudende dat het kind per 1 juli 2009 gedurende 168 uur per maand buitenschoolse opvang geniet bij [naam buitenschoolse opvang 1] .4 De Belastingdienst heeft in de periode 2009 tot en met 2013 een bedrag van € 29.431 aan KOT voor [naam kind 1] uitgekeerd op de bankrekening van de dochter van verdachte.5 Getuige [naam getuige 1] van [naam buitenschoolse opvang 1] heeft verklaard dat het kind niet in de administratie voorkomt en geen opvang heeft genoten. Geconfronteerd met een jaaroverzicht 2009 inzake kind [naam kind 1] verklaart getuige [naam getuige 1] dat het jaaroverzicht niet door [naam buitenschoolse opvang 1] is opgemaakt.6 Ter onderbouwing van de aanvraag is een antwoordformulier ingestuurd met daarbij een naar het oordeel van de rechtbank valse jaaropgave.7 Op het formulier is het telefoonnummer van verdachte vermeld.8 Dezelfde jaaropgave is ingediend in een door verdachte ondertekend bezwaarschrift.9 Verdachte heeft verklaard te denken de aanvragen/wijzigingen voor haar dochter te hebben ingediend.10

Kinderen [naam 1]
Op naam van [naam kind 2] , [naam kind 3] en [naam kind 4] is op 2 april 2010 bij de Belastingdienst een wijziging KOT ingediend inhoudende dat [naam kind 2] per 1 februari 2010 gedurende 151 uur per maand buitenschoolse opvang geniet bij [naam buitenschoolse opvang 2] en [naam kind 3] en [naam kind 4] per 1 februari 2010 gedurende 218 uur per maand buitenschoolse opvang genieten bij [naam buitenschoolse opvang 3] . Tussen mei 2009 en januari 2010 was een exploitatieverbod voor [naam buitenschoolse opvang 3] van kracht en was opvang feitelijk onmogelijk.11 De Belastingdienst heeft in de periode van 17 december 2008 tot en met 17 december 2013 € 104.513 aan KOT uitgekeerd op de bankrekening van [naam buitenschoolse opvang 3] .12 Getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat haar kinderen [naam kind 3] en [naam kind 4] vanaf april 2010 voor maximaal twee tot drie dagen per week naar [naam buitenschoolse opvang 3] gingen. Verdachte zou vanaf januari 2010 KOT voor hen aanvragen. [naam kind 2] heeft nooit op [naam buitenschoolse opvang 2] opvang genoten. Verdachte heeft voor [naam getuige 2] een DigiD aangevraagd en alle formulieren voor de Belastingdienst gaf getuige aan verdachte, aldus steeds getuige [naam getuige 2] .13 Getuige [naam getuige 3] van [naam buitenschoolse opvang 2] heeft verklaard dat [naam kind 2] niet in het systeem voorkomt.14 Geconfronteerd met jaaroverzichten 2009 inzake [naam kind 2] verklaart getuige [naam getuige 3] dat het jaaroverzicht niet door [naam buitenschoolse opvang 2] is opgemaakt.15 Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart dat zij in opdracht van verdachte geldbedragen heeft opgenomen en aan verdachte en [naam getuige 2] heeft gegeven.16

Kinderen [naam 2]
Op naam van [naam kind 5] en [naam kind 6] is op 24 april 2009 bij de Belastingdienst een aanvraag KOT binnengekomen inhoudende dat de kinderen per 1 januari 2009 gedurende 130 uur per maand buitenschoolse opvang genieten bij [naam buitenschoolse opvang 1] .17 Op 4 oktober 2009 is een wijziging ingediend inhoudende dat [naam kind 7] per 5 oktober 2009 gedurende 238 uur per maand buitenschoolse opvang geniet bij [naam buitenschoolse opvang 1] en is voor de kinderen [naam kind 5] en [naam kind 6] de instelling aangepast naar [naam buitenschoolse opvang 1] .18 Op 8 februari 2010 is er een wijziging ingediend inhoudende dat kinderen [naam kind 5] , [naam kind 6] en [naam kind 7] allen per 1 januari 2010 gedurende 135 uur buitenschoolse opvang genieten bij [naam buitenschoolse opvang 1] .19 De Belastingdienst heeft tussen april 2008 en mei 2010 in totaal € 62.112,- uitgekeerd voor de opvang van de kinderen [naam 2] . Het geld is onder andere gestort op de rekening van verdachte, de dochter van verdachte en de privérekening van medeverdachte [medeverdachte 1] .20 Getuige [naam getuige 4] heeft verklaard dat haar kinderen niet zijn opgevangen bij [naam buitenschoolse opvang 1] en dat verdachte de aanvragen en wijzigingen voor haar kinderen heeft ingediend.21 Medewerkers van [naam buitenschoolse opvang 1] bevestigen dat de kinderen [naam 2] daar geen opvang hebben genoten.22

Kind [naam kind 8]
Op naam van [naam kind 8] is op 26 januari 2009 bij de Belastingdienst een wijziging KOT ingediend inhoudende dat het kind per die datum gedurende 224 uur per maand buitenschoolse opvang geniet bij [naam buitenschoolse opvang 3] .23 De Belastingdienst heeft in de periode 2008-2011 KOT uitgekeerd voor de opvang van de kinderen [naam 2] . Daarvan is € 50.206,- gestort op de rekening van verdachte, de dochter van verdachte en de privérekening van medeverdachte [medeverdachte 1] .24 Tussen mei 2009 en januari 2010 was een exploitatieverbod voor [naam buitenschoolse opvang 3] van kracht en was opvang feitelijk onmogelijk.25 Voor de periode maart tot en met november 2009 is daarom door middel van een antwoordformulier opgegeven dat het kind naar kinderdagverblijf [naam kinderdagverblijf 2] ging.26 Getuige [naam getuige 5] heeft verklaard dat haar kind in 2009 alleen is opgevangen bij [naam buitenschoolse opvang 3] en dat verdachte voor haar een DigiD en KOT heeft aangevraagd.27 Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart dat zij in opdracht van verdachte geldbedragen heeft opgenomen en aan verdachte en [naam getuige 5] heeft gegeven.28

Kinderen [naam 3]
Op naam van [naam kind 9] en [naam kind 10] is op 1 december 2009 bij de Belastingdienst een aanvraag KOT binnengekomen inhoudende dat de kinderen per 1 januari 2009 gedurende 149 uur per maand buitenschoolse opvang genieten bij [naam buitenschoolse opvang 2] .29 De Belastingdienst heeft in de periode december 2009 tot en met 17 december 2012 KOT € 43.837,- uitgekeerd voor de opvang van de kinderen [naam 3] op de privérekening van medeverdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .30 Getuige [naam getuige 3] van KDV [naam buitenschoolse opvang 2] heeft verklaard dat de kinderen niet in het systeem voorkomen.31 Geconfronteerd met jaaroverzichten van 2009 inzake de kinderen [naam kind 9] en [naam kind 10] verklaart getuige [naam getuige 3] dat de jaaroverzichten niet door [naam buitenschoolse opvang 2] zijn opgemaakt.32 Getuige [naam getuige 6] heeft verklaard dat haar kinderen geen opvang hebben genoten bij [naam buitenschoolse opvang 2] en dat alle formulieren voor KOT door verdachte zijn ingevuld en opgestuurd naar de Belastingdienst.33

4.3.1.3. Bewijsoverwegingen feit 1

Betrokkenheid verdachte

Door de raadsman is ten aanzien van meerdere in de beschuldiging genoemde aanvragen/wijzigingen KOT gewezen op de omstandigheid dat verdachte tot 23 februari 2009 eigenaresse is geweest van kinderdagverblijf [naam buitenschoolse opvang 3] en dat vervolgens het bedrijf is overgedragen aan medeverdachte [medeverdachte 1] . Vanaf die datum is verdachte niet meer betrokken bij de bedrijfsvoering van [naam buitenschoolse opvang 3] en de daarmee verband houdende handelingen die gekoppeld kunnen worden aan de beschuldiging, aldus de verdediging.

De rechtbank volgt verdachte hier niet in. Voormalige medewerkers [medewerker 1] en [medewerker 2] hebben verklaard dat verdachte, ook nadat [medeverdachte 1] op papier de opvang overnam, nog altijd de leiding over het dagverblijf had en dat [medeverdachte 1] geen beslissingen mocht nemen zonder verdachte daarvan op de hoogte te stellen. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] verklaard dat zij het bedrijf op verzoek van verdachte op haar naam heeft laten zetten en dat afgesproken was dat zij in de loop der tijd meer beslissingen mocht gaan nemen, maar dat het daar in de praktijk nooit van is gekomen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verdachte ook na 23 februari 2009 nog betrokken is geweest bij het kinderdagverblijf. Het verweer van de raadsman, inhoudende dat verdachte niet betrokken kan zijn geweest bij de oplichting omdat cruciale gegevens om de aanvragen/wijzigingen te kunnen indienen aan medeverdachte [medeverdachte 1] zouden zijn overgedragen, wordt daarom verworpen.

Verklaring getuige [naam getuige 1]

Door de raadsman is naar voren gebracht dat ten aanzien van de ingediende aanvragen/wijzigingen voor het kind [naam kind 1] en de kinderen [naam getuige 4] uit de verklaring van getuige [naam getuige 1] niet blijkt dat de kinderen daar geen opvang hebben genoten, maar alleen dat zij niet meer in de administratie voorkomen. Reeds op 10 november 2014 heeft een medewerker van kinderopvang [naam buitenschoolse opvang 1] via een e-mailbericht laten weten dat er geen gegevens van de kinderen en vraagouder [naam getuige 4] bekend waren en op 26 november 2015 heeft directrice [naam getuige 1] dat bij de FIOD bevestigd. [naam getuige 1] heeft daarbij verklaard dat er op naam van de kinderen, oudernaam en BSN-nummer is gezocht. Dat heeft geen resultaat opgeleverd waarna vervolgens wordt geconcludeerd dat de kinderen om die reden geen opvang hebben genoten bij [naam buitenschoolse opvang 1] . De namen van zowel de kinderen als de ouders, waaronder verdachte, doen ook geen belletje bij de getuige rinkelen. De rechtbank concludeert hieruit dat de kinderen niet alleen niet in de administratie van [naam buitenschoolse opvang 1] voorkomen maar ook dat zij daar geen opvang hebben genoten. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

4.3.2.

Feit 2: (gewoonte)witwassen / schuldwitwassen

4.3.2.1. Feiten en omstandigheden feit 2

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.34

Uit onderzoek van de Belastingdienst is naar voren gekomen dat meerdere kinderen geen opvang bij [naam buitenschoolse opvang 3] of andere kinderopvanginstellingen genoten, terwijl daarvoor wel KOT is uitbetaald op rekeningen waarover verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] konden beschikken.35 In de periode van 7 augustus 2008 tot en met 27 mei 2015 is er door de Belastingdienst een bedrag van € 77.752,- aan KOT overgemaakt op bankrekening [rekeningnummer] , welke bankrekening op naam staat van [naam kind 1] en waarvoor verdachte gemachtigd was. Na het ontvangen van de KOT werd vrijwel dezelfde dag het ontvangen bedrag middels overboekingen, contante opnamen of betalingen van de rekening gehaald.36 In de periode van 21 april 2008 tot en met 29 mei 2015 is er door de Belastingdienst een bedrag van € 92.230,- aan KOT overgemaakt op bankrekening [rekeningnummer] op naam van verdachte. Na het ontvangen van de KOT werd vrijwel dezelfde dag het ontvangen bedrag middels overboekingen, contante opnamen of betalingen van de rekening gehaald.37 Van beide rekeningen gaan er geldstromen richting Suriname, waaronder betalingen naar Assuria met betrekking tot een hypotheek.38 In de periode van 20 oktober 2009 tot en met 20 december 2010 is er door de Belastingdienst een bedrag van € 130.632,- aan KOT overgemaakt op bankrekening [rekeningnummer] , op naam van medeverdachte [medeverdachte 2] waarvoor verdachte gemachtigd was.39 Van de bankrekening zijn middels overboekingen, contante opnamen of betalingen grote geldbedragen van de rekening gehaald, waaronder overboekingen naar de rekening van de dochter van verdachte.40 In de periode van 22 februari 2010 tot en met 20 december 2010 is er door de Belastingdienst een bedrag van € 39.594,- aan KOT overgemaakt op bankrekening [rekeningnummer] eveneens op naam van medeverdachte [medeverdachte 2] en waarvoor verdachte gemachtigd was.41 Na het ontvangen van de KOT werd dezelfde dag het ontvangen bedrag middels overboekingen, contante opnamen of betalingen van de rekening gehaald, daarbij werden ook geldbedragen overgemaakt naar de rekening van de dochter van verdachte.42 Van de rekening gaan er geldstromen richting Suriname, waaronder betalingen naar Assuria met betrekking tot een hypotheek.43 Uit onderzoek is gebleken dat de KOT op de rekeningen van [medeverdachte 2] onterecht is verkregen.44 In de periode van 20 mei 2009 tot en met 20 augustus 2012 is er door de Belastingdienst een bedrag van € 274.251,- aan KOT overgemaakt op bankrekening [rekeningnummer] , een zakelijke rekening van [naam buitenschoolse opvang 3] waarvoor medeverdachte [medeverdachte 1] gemachtigd was.45 Van de rekening is een grote hoeveelheid geld contant opgenomen en er zijn bedragen overgeschreven naar andere rekeningen.46 In de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 april 2015 is er door de Belastingdienst een bedrag van € 357.607,46 aan KOT overgemaakt op bankrekening [rekeningnummer] , een privérekening van medeverdachte [medeverdachte 1] . Verdachte beschikte ook over een bankpas voor deze rekening.47 Na het ontvangen van de KOT werd dezelfde dag het ontvangen bedrag middels overboekingen, contante opnamen of betalingen van de rekening gehaald, daarbij werden ook geldbedragen overgemaakt naar de zakelijk rekening en een andere privérekening van verdachte.48 Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij wist dat er gelden uit misdrijf afkomstig waren, dat zij in opdracht van [verdachte] geldbedragen geld heeft opgenomen om dat aan [verdachte] of vraagouders af te dragen, dat zij geldbedragen naar andere rekeningen waarover zij kon beschikken heeft overgemaakt zodat er meer dan € 11.000 contant kon worden opgenomen en dat zij een deel van het geld heeft gebruikt om van te leven.49 Verdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat er door de verdachten flink van het geld is geleefd.50

4.3.2.2. Bewijsoverwegingen

Van misdrijf afkomstig

De raadsman heeft aangevoerd dat er bij de bedragen die gestort zijn op de rekening van [medeverdachte 1] en [naam buitenschoolse opvang 3] ook terecht uitgekeerde KOT bedragen zitten.

Op grond van het dossier valt niet vast te stellen welk deel van de stortingen terecht en welk deel onterecht toegekende KOT betreft. In ieder geval staat vast dat de ten onrechte op die rekeningen ontvangen KOT een meer dan geringe waarde vertegenwoordigt.51 Daarmee zijn de KOT bedragen die op de rekening van [medeverdachte 1] en [naam buitenschoolse opvang 3] zijn overgemaakt in ieder geval gedeeltelijk van misdrijf afkomstig.


Witwassen

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat er geen verhullingshandelingen hebben plaatsgevonden en omdat het geld, in de visie van het openbaar ministerie, onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf.

De rechtbank verwerpt deze verweren.

Uit een analyse van de bankrekeningen blijkt dat de geldbedragen – direct nadat de KOT is ontvangen – worden overgeboekt en contant worden opgenomen. Omdat geldbedragen die door oplichting zijn verkregen en zijn overgemaakt naar verschillende andere rekeningen en vermengd zijn geraakt met legale geldbedragen, is er in die zin al sprake geweest van verhullingshandelingen. Hierdoor is immers de werkelijk aard en de herkomst verhuld. Er zijn ook betalingen verricht (onder meer naar Suriname) en er is van het geld geleefd. Door genoemde handelingen is het geld aan het zicht onttrokken. Hiermee heeft verdachte de geldbedragen verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet. Nu de rechtbank meer bewezen acht dan het enkele verwerven en voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf verkregen opbrengsten, doet de kwalificatieproblematiek waar de verdediging, naar de rechtbank begrijpt, een beroep op doet zich niet voor.

Gelet op de frequentie en de duur van de periode waarin dit alles heeft plaatsgevonden is sprake van gewoontewitwassen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. aangeduide bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 26 januari 2009 tot en met 17 december 2013 te Amsterdam,

met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen, de Belastingdienst heeft bewogen tot de afgifte van enig goed,

immers heeft verdachte – ter verkrijging van Kinderopvangtoeslag - documenten, te weten valselijk opgemaakte of vervalste (elektronische) aanvragen/wijzigingen aanvraag Kinderopvangtoeslagwijziging bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende dat

- [naam kind 1] per 1 januari 2009 gedurende 130 uur per maand buitenschoolse opvang geniet bij [naam buitenschoolse opvang 1] en

- [naam kind 1] per 26 mei 2009 gedurende 154 uur per maand buitenschoolse opvang geniet bij 't [naam buitenschoolse opvang 1] en

- [naam kind 1] per 1 juli 2009 gedurende 168 uur per maand buitenschoolse opvang geniet bij ‘t [naam kinderdagverblijf 1] en

- [naam kind 2] per 1 februari 2010 gedurende 151 uur per maand buitenschoolse opvang geniet bij [naam buitenschoolse opvang 2] en [naam kind 3] en [naam kind 4] per 1 februari 2010 beiden gedurende 218 uur per maand dagopvang genieten bij [naam buitenschoolse opvang 3] en

- [naam kind 5] en [naam kind 6] beiden per 1 januari 2009 gedurende 130 uur per maand buitenschoolse opvang genieten bij [naam buitenschoolse opvang 1] en

- [naam kind 7] per 5 oktober 2009 gedurende 238 uur per maand buitenschoolse opvang geniet bij t [naam buitenschoolse opvang 1] en [naam kind 5] en [naam kind 6] beiden per 5 oktober 2009 gedurende 130 uur per maand buitenschoolse opvang genieten bij t [naam buitenschoolse opvang 1] en

- [naam kind 5] en [naam kind 6] en [naam kind 7] allen per 1 januari 2010 gedurende 135 uur per maand buitenschoolse opvang genieten bij t [naam buitenschoolse opvang 1] en

- [naam kind 8] per 26 januari 2009 gedurende 224 uur per maand dagopvang geniet bij [naam buitenschoolse opvang 3] en

- [naam kind 9] en [naam kind 10] beiden per 1 januari 2009 gedurende 149 uur per maand buitenschoolse opvang genieten bij [naam buitenschoolse opvang 2] ,

waardoor verdachte de suggestie heeft gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag Kinderopvangtoeslag recht had op deze toeslag,

waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemde toeslagen;

2.

in de periode van 8 april 2008 tot en met 2 december 2016 te Amsterdam en/of in Suriname, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers hebben verdachte en haar medeverdachten geldbedragen van in totaal 972.066 euro verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl zij en haar medeverdachten

wisten dat die geldbedragen gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierentwintig maanden met aftrek van voorarrest en tijd in overleveringsdetentie doorgebracht, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Verdachte heeft misbruikt gemaakt van het sociale stelsel rondom KOT en de diverse vraagouders in financiële problemen gebracht. Over meerdere jaren is er voor ten minste € 690.000 KOT onterecht ontvangen en vervolgens witgewassen. Verdachte heeft – ook richting de medeverdachten – een sturende en initiërende rol gehad. Daarnaast heeft zij geen verantwoordelijkheid genomen en financieel profijt genoten. Er is geen sprake van overschrijding van de redelijk termijn, nu verdachte op 14 december 2016 voor het eerst is gehoord. Bij de strafeis is rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een bewezenverklaring de eis van de officier van justitie fors te matigen en daarbij rekening te houden met het benadelingsbedrag waarvan met zekerheid kan worden gezegd dat het uit misdrijf is verkregen. De officier van justitie heeft dat bedrag vastgesteld op (ten minste) € 689.047,-. Een vergelijkbare strafeis als in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] (een beperkte voorwaardelijk gevangenisstraf met daarnaast de maximale taakstraf) is mede gelet op de rolverdeling op zijn plaats. Voorts is de redelijk termijn met ruim drie jaar geschonden. De termijn is gaan lopen bij haar eerste verhoor op 22 augustus 2013, dat was een eerste daad van vervolging. Tot slot wordt verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder dat haar man enkele jaren geleden zelfmoord heeft gepleegd en zij de zorg heeft over haar vijftienjarige dochter.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft gedurende een langere periode de Belastingdienst opgelicht en met haar mededaders forse geldbedragen witgewassen. Door middel van de oplichting heeft verdachte misbruik gemaakt van het systeem van de Belastingdienst dat is ingesteld om grote aantallen aanvragen en wijzigingen KOT zo snel mogelijk te kunnen verwerken. De Belastingdienst gaat daarbij in het algemeen uit van de juistheid van de ingediende verzoeken om zo de aanvragers niet lang in onzekerheid te laten verkeren. Verdachte heeft het vertrouwen dat de basis vormt van het door de Belastingdienst gehanteerde systeem ernstig geschaad en het systeem bewust ondermijnd, enkel en alleen om er financieel beter van te worden. Ook neemt door dergelijke fraudes de maatschappelijke bereidheid om bij te dragen aan het toeslagenstelstel af.

Verdachte heeft zich daarnaast samen met haar mededaders gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door het ontvangen, storten, doorstorten en opnemen van onterecht verkregen geldbedragen. Het witwassen van geld heeft een ontwrichtende werking op de integriteit van het financieel en economisch verkeer. Daarnaast is witwassen een ondermijnend feit dat de maatschappij veel schade toebrengt. Met haar handelen heeft verdachte immers meegewerkt aan het aan het zicht van justitie onttrekken van opbrengsten uit misdrijven.

Gelet op de ernst van de feiten, de belangrijke rol die verdachte daarbij heeft gehad en de hoogte van het benadelingsbedrag, kan niet worden gekomen tot een andere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank heeft als uitgangspunt bij het bepalen van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten fraude van het LOVS. De rechtbank gaat uit van een benadelingsbedrag van 689.047 euro, zijnde het totaal van de ten onrechte uitbetaalde KOT bedragen. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van éénentwintig maanden passend en geboden is.

Verdachte is de initiator geweest van de frauduleuze handelingen en heeft ook een fors financieel voordeel genoten. Zowel bij de FIOD als tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verdachte geen verantwoordelijkheid genomen voor haar handelen. Mede door dat handelen moe(s)ten meerdere vraagouders forse geldbedragen aan de Belastingdienst terugbetalen, met naar mag worden aangenomen zeer ernstige financiële gevolgen voor hun gezinnen. Die gezinnen werden immers geconfronteerd met zeer hoge terugvorderingen voor KOT die zij in werkelijkheid niet hebben genoten. Omdat verdachte de feiten blijft ontkennen en op geen enkel moment blijk heeft gegeven van het laakbare van haar handelen, vindt de rechtbank het van belang dat er een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd om verdachte in de toekomst ervan te weerhouden nogmaals (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

Er is daarnaast acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder de door de raadsman naar voren gebrachte situatie omtrent de zorg voor haar dochter van vijftien jaar. De rechtbank onderkent dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de zorg voor de duur van die straf nagenoeg onmogelijk maakt, maar vindt deze omstandigheden gelet op de ernst van de feiten niet van dien aard dat voor een andere straf(modaliteit) moet worden gekozen.

De rechtbank houdt verder rekening met het strafblad van 6 juli 2018 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat zij eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Gelet op een veroordeling in 2014 en een strafbeschikking is 2015, is artikel 63 Sr van toepassing.

Inzake het beroep op overschrijding van de redelijke termijn overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan wel wordt aangenomen, dwingt art. 6 EVRM niet tot de opvatting dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als het begin van de redelijke termijn heeft te gelden. In onderhavige zaak acht de rechtbank – met de officier van justitie – het eerste verhoor van 22 augustus 2013 geen handeling waaruit de verwachting kon worden ontleend dat er vervolging zou plaatsvinden. In het verhoor zijn vanwege de gesteldheid van verdachte immers in het geheel geen inhoudelijke vragen gesteld. Verdachte is vervolgens pas op 15 december 2016 opnieuw verhoord en in verzekering gesteld, nadat zij via een Europees Aanhoudingsbevel op 1 december 2016 in Frankrijk was aangehouden. Tussen 15 december 2016 en de datum van dit vonnis – 20 november 2018 – ligt een periode die de redelijke termijn niet overschrijdt.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden er aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van éénentwintig maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden.

9 Beslag

Onder verdachte zijn blijkens de beslaglijst van 17 augustus 2018, de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. STK Papier, kwitantie moneytransfer/visitekaart uitvaartcentrum;

2. 1.00 STK Administratie, diverse administratie/foto’s/stempel/pashouder;

3. 1.00 STK Administratie, bankbescheiden/reisbescheiden/foto’s;

4. Geld, 5.870 euro; aangetroffen tijdens fouillering.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder nummers 1 t/m 3 inbeslaggenomen voorwerpen kunnen worden teruggegeven aan verdachte en het onder nummer 4 inbeslaggenomen voorwerp verbeurd wordt verklaard.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alle inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte moeten worden teruggegeven.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Teruggave aan verdachte

De rechtbank gelast teruggave aan verdachte van de onder nummers 1-3 inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen.

Verbeurdverklaring

Het onder nummer 4 inbeslaggenomen geld behoort aan verdachte toe. Zij kan dit geld geheel te eigen bate aanwenden. Nu de rechtbank aanneemt dat dit geld geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het onder 1 en/of 2 bewezen geachte is verkregen, wordt dit geld verbeurdverklaard.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 326, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

oplichting, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2 primair:

medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 21 (éénentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en overleveringsdetentie is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

1. STK Papier, kwitantie moneytransfer/visitekaart uitvaartcentrum;

2. 1.00 STK Administratie, diverse administratie/foto’s/stempel/pashouder;

3. 1.00 STK Administratie, bankbescheiden/reisbescheiden/foto’s.

Verklaart verbeurd:

4. Geld, 5.870 euro; aangetroffen tijdens fouillering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. M.J.E. Geradts en F.W. Pieters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 november 2018.

1 De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende documenten en pagina’s in het dossier.

2 DOC-035-02, p. 1581-1582. De spelling is overgenomen uit het bewijsmiddel.

3 DOC-035-04, p.1585

4 DOC-035-05, p.1586

5 AMB-027, p. 151-152

6 G-014-01, p. 2178-2180; DOC-035-13, p. 1600

7 DOC-035-12, p. 1598

8 PD-001-03

9 DOC-035-31, p.1632-1633

10 Proces-verbaal ter terechtzitting van 16 oktober 2016, inhoudende verklaring van verdachte

11 0-OPV-1, p. 7: DOC-060, p. 1969

12 AMB-005, p.87-89

13 G-006-01, p. 2112-2119: Verklaring getuige [naam getuige 2] bij de rechter-commissaris op 6 maart 2018

14 G-018-01, p.2191-2194

15 G-018-01, p.2191-2194; DOC-015-25, p. 723

16 V-002-06, p. 2042

17 DOC-022-16, p. 994-995

18 DOC-022-18, p. 998-999

19 DOC-022-19, p. 1000-1001

20 AMB-012, p. 106

21 G-007-01, p. 2120-2129; Verklaring getuige [naam getuige 4] bij de rechter-commissaris op 6 maart 2018

22 G-014-01, p. 2178-2180; DOC-022-02, p. 968-969;

23 DOC-023-19, p. 1056

24 AMB-013, p. 109

25 0-OPV-1, p. 7: DOC-060, p. 1969

26 DOC-023-22, p.1059-1062

27 G-005-01, p.2105-2111: Verklaring getuige [naam getuige 5] bij de rechter-commissaris op 6 maart 2018

28 V-002-06, p. 2042

29 DOC-024-11, p.1125-1126

30 AMB-013, p. 109

31 G-018-01, p.2192; Verklaring getuige [naam getuige 3] bij de rechter-commissaris op 18 april 2018

32 G-018-01, p.2192; DOC-024-15, p. 1132-1333

33 G-009-01, p. 2142-2150

34 De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende documenten en pagina’s in het dossier.

35 AMB-001, p.75-81; AMB-040, p.280-282

36 AMB-027, p.151-152;

37 AMB-030, p.189-190;

38 AMB-052, p.301

39 AMB-029, p.173-174; AMB-055, p.314-320

40 AMB-029, p.173-174; AMB-040, p. 280-282

41 AMB-037, p.224-226; AMB-055, p. 314-320

42 AMB-037, p. 224-226; AMB-040, p. 280-282

43 AMB-052, p. 302

44 AMB-034, p. 218-219; AMB-036, p.222-223; AMB-055, p.314-320

45 AMB-038, p.251-252; AMB-038-01, p.254.

46 AMB-038, p. 251-252; AMB-040, p. 280-282

47 V-002-05, p. 2037

48 AMB-039, p. 260-261

49 V-002-06, p. 2044; Proces-verbaal ter terechtzitting van 16 oktober 2018, de verklaring van verdachte

50 V-003-05, p. 2081

51 AMB-038, p.251-252; AMB-039, p. 260-261