Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8252

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
13/845102-15 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 50-jarige man krijgt 6 maanden, waarvan 2 voorwaardelijk, voor zijn voor deelname aan fraude met kinderopvangtoeslag en aan het witwassen van het geld dat daarmee werd opgestreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845102-15 (Promis)

Datum uitspraak: 20 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 16 en 17 oktober 2018 (inhoudelijk behandeling) en 6 november 2018 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting).

Het Openbaar Ministerie is vertegenwoordigd door mrs. M. Boerlage en M.O. van Driel, beiden officier van justitie. In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘de officier van justitie’. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.T.H.M. Mühren naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt samengevat verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

1. medeplegen van oplichting van de Belastingdienst in de periode van 6 november 2007 tot en met 15 september 2011 door middel van het indienen van valselijk opgemaakte of vervalste aanvragen/wijzigingen kinderopvangtoeslag;

2. ( gewoonte)witwassen van geldbedragen in de periode van 10 december 2007 tot en met 9 november 2015, subsidiair ten laste gelegd als schuldwitwassen.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis. Die bijlage hoort bij dit vonnis en maakt hiervan deel uit.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt bewezen dat verdachte samen met anderen de ten laste gelegde feiten oplichting en witwassen heeft gepleegd. Ten aanzien van het witwassen komt de officier van justitie tot de conclusie dat verdachte daar een gewoonte van heeft gemaakt.

Ten aanzien van de oplichting is door getuige [naam getuige ] van kinderdagverblijf [naam kinderdagverblijf] verklaard dat de zoon van verdachte niet vaak op de buitenschoolse opvang kwam en dat verdachte in verband met financiële problemen niet hoefde te betalen. Zonder kosten is er geen recht op een tegemoetkoming. Verdachte heeft verklaard dat hij op een deel van de formulieren zijn handschrift en handtekening heeft herkend. Onduidelijk is of verdachte het formulier heeft afgerond, maar door het invullen van cruciale gegevens heeft verdachte een wezenlijke bijdrage aan de oplichting geleverd, mede omdat bij de aanvraag zijn bankrekeningnummer is opgegeven. Verdachte heeft willens en wetens de aanvraag voor KOT voor zijn zoon gedaan, dan wel laten doen. Nu daarbij ook een deel van KOT op rekeningen van de medeverdachten is gestort, is er sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking.

In het kader van het witwassen brengt de officier van justitie naar voren dat grote geldbedragen aan KOT zijn uitbetaald op rekeningen waar de verdachten over kon beschikken. De in de tenlastelegging genoemde bedragen zijn over de rekeningen van verdachte gelopen en – al dan niet door vermenging – geheel of gedeeltelijk via oplichting verkregen en daarmee uit misdrijf afkomstig. Er is geen sprake van de kwalificatie-uitsluitingsgrond omdat sprake is geweest van contant opnemen, overdragen, omzetten en gebruik maken, waardoor er met de geldbedragen meer is gebeurd dan het enkele verwerven en voorhanden hebben. Verdachte had wetenschap van de fraudeleuze handelingen van de medeverdachten, kon beschikken over zijn bankrekeningen en maakte daarvan ook actiever gebruik dan hij heeft verklaard. Het kan niet anders dan dat verdachte op de hoogte was van de grote transacties op zijn bankrekening en dat hij daar bewust en in nauwe samenwerking met tenminste zijn zus aan heeft meegewerkt, dan wel dat hij op zijn minst de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn rekening voor witwassen gebruikt werd. Gelet op de lange periode waarin deze handelingen hebben plaatsgevonden is er sprake van gewoontewitwassen.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging vindt dat de onder feit 1 ten laste gelegde oplichting en het onder feit 2 ten laste gelegde (gewoonte)witwassen/ schuldwitwassen niet kunnen worden bewezen en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken.

Uit de bewijsmiddelen blijkt onvoldoende dat verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor de ten laste gelegde aanvragen/wijzigingen KOT. Het dossier bevat wel aanwijzingen dat anderen dan verdachte verantwoordelijk zijn. Dat verdachte regelmatig geld heeft gepind van zijn rekening waarop de KOT werd gestort, maakt niet dat dit alternatieve scenario kan worden uitgesloten. Verwezen wordt naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 juni 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:2434). Er is ook onvoldoende bewijs voor medeplegen, noch van het oogmerk van wederrechtelijk bevoordeling. Verdachte wist immers niet dat de ontvangen KOT valselijk of onterecht verkregen was.

Bij het witwassen gaat de officier van justitie ervan uit dat de geldbedragen zijn verkregen uit eigen misdrijf. Er kan dan alleen van witwassen sprake zijn als verdachte de criminele herkomst van de geldbedragen heeft verborgen of verhuld. Het dossier biedt daarvoor geen bewijs. Indien wordt uitgegaan van geldbedragen afkomstig uit andermans misdrijf, kan niet worden bewezen dat sprake is van opzet of schuld aan de zijde van verdachte.
Bij een bewezenverklaring wordt verzocht uit te gaan van een onbepaald geldbedrag en verdachte vrij te spreken van de concreet in de tenlastelegging genoemde bedragen. Verdachte beschikte niet of nauwelijks over zijn bankrekeningen en de enkele omstandigheid dat de bedragen op zijn bankrekeningen terecht zijn gekomen, betekent niet vanzelfsprekend dat hij de concrete geldbedragen heeft witgewassen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Feit 1: oplichting van de Belastingdienst

4.3.1.1. Partiële vrijspraak van het medeplegen

De rechtbank is – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat er onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om te kunnen vaststellen dat anderen dan verdachte bij het indienen van de aanvraag/wijziging KOT betrokken zijn geweest.

De oplichting bestaat volgens de tekst van de tenlastelegging uit het indienen van een valse aanvraag. De oplichting is niet verder verfeitelijkt. Nu het onderzoek plaatsvindt op de grondslag van de tenlastelegging kan de rechtbank geen rekening houden met andere door de officier aangeduide feitelijke handelingen die volgens haar op medeplegen duiden, zoals het verkrijgen en doorgeven van benodigde gegevens, het ontvangen van gelden, het verdelen van de buit of het achteraf indienen van valse stukken om de aanvraag te onderbouwen. Dit heeft tot gevolg dat verdachte partieel zal worden vrijgesproken voor het medeplegen.

4.3.1.2. Feiten en omstandigheden


De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op naam van [naam kind] is op 6 november 2007 bij de Belastingdienst een aanvraag KOT binnengekomen inhoudende dat het kind per 1 september 2007 gedurende 150 uur per maand buitenschoolse opvang heeft genoten bij KDV [naam kinderdagverblijf] .2 Vervolgens is er op 14 december 2007 een wijziging ingediend bij de Belastingdienst, inhoudende dat [naam kind] vanaf 1 januari 2008 gedurende 152 uur per maand buitenschoolse opvang heeft genoten bij KDV [naam kinderdagverblijf] .3 Op de aanvraag is het rekeningnummer van [verdachte] ingevuld.4 De Belastingdienst heeft over de periode 2007 tot en met 2011 een bedrag van € 29.710 aan KOT voor [naam kind] uitgekeerd op verschillende bankrekeningen.5 Getuige [naam getuige ] van KDV [naam kinderdagverblijf] heeft verklaard dat [naam kind] niet het bij de Belastingdienst opgegeven aantal uren bij [naam kinderdagverblijf] aanwezig was en dat [verdachte] in verband met financiële problemen ook niet voor de opvang hoefde te betalen.6 [verdachte] heeft verklaard dat hij voor zijn zoon [naam kind] de KOT heeft aangevraagd en hij herkent ook zijn handtekening en handschrift op de aanvraag.7

4.3.1.2. Bewijsoverwegingen feit 1

Betrokkenheid verdachte

Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor (het indienen van) de vervalste aanvraag/wijziging KOT. Verdachte had immers geen wetenschap van onterecht ontvangen KOT en het alternatieve scenario dat anderen – zonder medeweten van verdachte – daarvoor verantwoordelijk zijn geweest kan niet door de bewijsmiddelen worden uitgesloten. De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft zowel bij de FIOD als tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard dat hij gegevens van de aanvraag KOT, waaronder zijn naam en handtekening, heeft ingevuld. Bij de FIOD heeft verdachte daarnaast verklaard dat hij denkt dat hij de aanvraag zelf heeft ingediend. Dat maakt volgens de rechtbank dat voldoende vast staat dat verdachte betrokken is geweest bij en wetenschap heeft gehad van het indienen van de aanvraag KOT voor zijn zoon. De raadsman heeft in het kader van zijn verweer dat anderen verantwoordelijk zijn geweest voor het indienen van de aanvraag KOT gewezen op het feit dat is vastgesteld dat voor een paar onderdelen van de aanvraag het handschrift van een ander dan verdachte is gebruikt. De rechtbank overweegt op basis van het dossier dat de enkele omstandigheid dat op de aanvraag het handschrift van een ander dan verdachte is aangetroffen niet zonder meer betekent dat verdachte niet verantwoordelijk is geweest voor het indienen van de aanvraag en daar opzet op heeft gehad. Voor de betrokkenheid van verdachte is verder van belang dat de aanvraag voor 2007 met terugwerkende kracht is aangevraagd. Dat betekent dat verdachte gedurende de opvang van zijn zoon kosten moet hebben betaald aan kinderdagverblijf [naam kinderdagverblijf] . De directrice van het kinderdagverblijf, getuige [naam getuige ] , heeft echter verklaard dat de zoon van verdachte niet zo vaak aanwezig was en verdachte in verband met financiële problemen niet hoefde te betalen. KOT is een tegemoetkoming in de door een vraagouder gemaakte kosten. Nu verdachte blijkens de verklaring van getuige [naam getuige ] geen kosten heeft gemaakt, was er ook geen recht op KOT. De enkele verklaring van verdachte – inhoudende dat hij wel betalingen heeft verricht – is ongeloofwaardig. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier voldoende naar voren komt dat verdachte verantwoordelijk is voor de aanvraag/wijziging KOT.

Oogmerk tot wederrechtelijk bevoordeling

Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte geen oogmerk van wederrechtelijk bevoordeling heeft gehad omdat hij geen wetenschap had dat de ontvangen KOT onterecht zou zijn verkregen. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.


Verdachte heeft in zijn verhoor bij de FIOD verklaard dat hij de aanvraag voor KOT voor zijn zoon heeft ingediend en dat hij voor de opvang van zijn zoon recht had op KOT. Ter terechtzitting heeft verdachte naar voren gebracht dat zijn zoon daadwerkelijk naar de opvang ging en hij daarvoor geld aan het kinderdagverblijf [naam kinderdagverblijf] heeft betaald. Zoals eerder in dit vonnis op grond van de verklaring van getuige [naam getuige ] reeds is overwogen, heeft verdachte geen betalingen aan het kinderdagverblijf gedaan. Verdachte heeft echter wel een aanvraag KOT voor zijn zoon ingediend en daarmee wist hij dat hij de toeslag onterecht zou ontvangen en hij daarmee bevoordeeld zou worden. De rechtbank acht daarmee het oogmerk tot wederrechtelijk bevoordeling bij verdachte bewezen.

4.3.2.

Feit 2: (gewoonte)witwassen / schuldwitwassen

4.3.2.1. Feiten en omstandigheden feit 2

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.8

In de periode van 20 oktober 2009 tot en met 20 december 2010 is er door de Belastingdienst een bedrag van € 130.632,- aan KOT overgemaakt op bankrekening [rekeningnummer] , welke bankrekening staat op naam van verdachte.9 Van de bankrekening zijn middels overboekingen, contante opnamen of betalingen grote geldbedragen gehaald, waaronder overboekingen naar de rekening van de dochter van de medeverdachte [medeverdachte] .10 In de periode van 22 februari 2010 tot en met 20 december 2010 is er door de Belastingdienst een bedrag van € 39.594,- aan KOT overgemaakt op bankrekening [rekeningnummer] , welke bankrekening eveneens op naam staat van verdachte.11 Na het ontvangen van de KOT werd vrijwel dezelfde dag het ontvangen bedrag middels overboekingen, contante opnamen of betalingen van de rekening gehaald, daarbij werden ook geldbedragen overgemaakt naar de rekening van de dochter van medeverdachte [medeverdachte] .12 Van beide rekeningen gaan er geldstromen richting Suriname, waaronder betalingen naar Assuria met betrekking tot een hypotheek.13 Uit onderzoek is gebleken dat de KOT onterecht is verkregen.14

4.3.2.3 Bewijsoverwegingen feit 2

Wetenschap

Door verdachte en zijn raadsman is aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had ten aanzien van de transacties die er op zijn bankrekeningen plaatsvonden. De rechtbank acht die verklaring ongeloofwaardig. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat er (door de medeverdachten) fraude werd gepleegd met kinderopvangtoeslag. Uitbetalingen door de Belastingdienst zijn mede op zijn bankrekeningen ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank maakte verdachte actiever gebruik van zijn bankrekening dan hij heeft doen voorkomen. Uit zijn verklaringen blijkt immers onder meer dat verdachte een kasgeldsysteem beheerde. Wanneer hem wordt gevraagd naar specifieke overboekingen weet hij dat het betalingen betreffen in het kader van het kasgeldsysteem. In zijn algemeenheid acht de rechtbank het niet geloofwaardig dat als een rekening voor kasgelden wordt gebruikt verdachte als beheerder daarvan geen wetenschap zou hebben van de gelden die op zijn rekening binnenkomen. Voor het uitbetalen van de spaargelden zal het geld immers wel eerst moeten zijn ontvangen. Uit overzichten van Suri-Change blijkt dat verdachte tussen 2008 en 2014 ook meermalen geld heeft overgemaakt naar Suriname. Daarover heeft hij onder meer verklaard dat hij een ritselaar is en de ene dag meer geld heeft dan de andere dag. Hiervoor geldt eveneens dat het van belang is te weten wat je saldo van je bankrekening is, voordat kan worden overgegaan tot het overmaken van gelden naar Suriname. In het kader van uitbetalingen van zijn uitkering heeft verdachte verklaard dat hij het saldo van zijn bankrekening altijd via de saldophone van de Rabobank controleerde.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte wetenschap moet hebben gehad van de transactie die op zijn bankrekeningen hebben plaatsgevonden en hij ook actief van zijn bankrekeningen gebruik moet hebben gemaakt. Het verweer wordt verworpen.


Witwassen

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat er geen verhullingshandelingen hebben plaatsgevonden en omdat het geld, in de visie van het openbaar ministerie, onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf.

De rechtbank verwerpt deze verweren.

Uit een analyse van de bankrekeningen blijkt dat de geldbedragen – direct nadat de KOT is ontvangen – worden overgeboekt en contant worden opgenomen. Omdat geldbedragen die door oplichting zijn verkregen zijn overgemaakt naar verschillende andere rekeningen en vermengd zijn geraakt met legale geldbedragen, is er in die zin al sprake geweest van verhullingshandelingen. Hierdoor is immers de werkelijk aard en de herkomst verhuld. Er zijn ook betalingen verricht (onder meer naar Suriname) en er is van het geld geleefd. Door genoemde handelingen is het geld aan het zicht onttrokken. Hiermee heeft verdachte de geldbedragen verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet. Nu de rechtbank meer bewezen acht dan het enkele verwerven en voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf verkregen opbrengsten, doet de kwalificatieproblematiek waar de verdediging, naar de rechtbank begrijpt, een beroep op doet zich niet voor.

Gelet op de frequentie en de duur van de periode waarin dit alles heeft plaatsgevonden is sprake van gewoontewitwassen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. aangeduide bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 6 november 2007 tot en met 15 september 2011 te Amsterdam,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen de Belastingdienst heeft bewogen tot de afgifte van enig goed,

immers heeft verdachte – ter verkrijging van Kinderopvangtoeslag - een document, te weten een valselijk opgemaakte of vervalste (elektronische) aanvraag/wijziging aanvraag

Kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst ingediend, inhoudende dat:

- [naam kind] per 1 september 2007 gedurende 150 uur per maand buitenschoolse

opvang geniet bij KDV [naam kinderdagverblijf] en

- [naam kind] per 1 januari 2008 gedurende 152 uur per maand buitenschoolse

opvang geniet bij [naam kinderdagverblijf]

waardoor verdachte de suggestie heeft gewekt dat de persoon genoemd op de aanvraag Kinderopvangtoeslag recht had op deze toeslag,

waardoor de Belastingdienst is bewogen tot uitbetaling van voornoemde toeslagen;

2.
in de periode van 10 december 2007 tot en met 9 november 2015 te Amsterdam, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte voorwerpen,

te weten geldbedragen van in totaal 170.226 euro, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat die geldbedragen geheel - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Verdachte heeft misbruik gemaakt van het sociale stelsel rondom KOT en meerdere jaren een fors geldbedrag witgewassen. De rol van verdachte is beperkter dan die van de medeverdachten, maar hij heeft eveneens financieel profijt genoten en neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn eigen handelen. Bij de strafeis is rekening gehouden met een overschrijding van de redelijk termijn van net iets minder dan 12 maanden, wat een strafkorting van tien procent oplevert. Daarnaast is in verband met de ouderdom van de feiten een voorwaardelijk strafdeel geëist.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een bewezenverklaring geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar een forse taakstraf met daaraan gekoppeld een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaar.

De rol van verdachte in de zaak is beperkt en dat komt onvoldoende tot uiting in de strafeis van de officier van justitie. Daarnaast wordt verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder dat hij zich heeft aangemeld voor schuldhulpverlening via de gemeente. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal dat traject doorkruisen. Tenslotte is de redelijke termijn overschreden en is het taakstrafverbod niet van toepassing.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft gedurende een langere periode de Belastingdienst opgelicht en forse geldbedragen witgewassen. Door middel van oplichting heeft verdachte misbruik gemaakt van het systeem van de Belastingdienst dat is ingesteld om grote aantallen aanvragen en wijzigingen KOT zo snel mogelijk te kunnen verwerken. De Belastingdienst gaat daarbij in het algemeen uit van de juistheid van de ingediende verzoeken om zo de aanvragers niet lang in onzekerheid te laten verkeren. Verdachte heeft het vertrouwen dat de basis vormt van het door de Belastingdienst gehanteerde systeem ernstig geschaad en het systeem bewust ondermijnd. Ook neemt door dergelijke fraudes de maatschappelijke bereidheid om bij te dragen aan het toeslagenstelstel af.

Verdachte heeft zich daarnaast gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door bankrekeningen beschikbaar te stellen voor het ontvangen, storten, doorstorten en opnemen van onterecht verkregen geldbedragen. Het witwassen van geld heeft een ontwrichtende werking op de integriteit van het financieel en economisch verkeer. Daarnaast is witwassen een ondermijnend feit dat de maatschappij veel schade toebrengt. Met zijn handelen heeft verdachte immers meegewerkt aan het aan het zicht van justitie onttrekken van opbrengsten uit misdrijven.

Gelet op de ernst van de feiten, de rol die verdachte daarbij heeft gespeeld en de hoogte van het benadelingsbedrag, is een gevangenisstraf passend. De rechtbank heeft als uitgangspunt bij het bepalen van de straf acht geslagen op de oriëntatiepunten fraude van het LOVS en hanteert ruim € 170.000,- als benadelingsbedrag. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden passend en geboden is.

Verdachte is weliswaar niet de initiator geweest van de frauduleuze handelingen maar heeft wel financieel voordeel genoten van de fraude. Omdat verdachte de feiten blijft ontkennen vindt de rechtbank het van belang dat er een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd om hem in de toekomst ervan te weerhouden nogmaals (soortgelijke) strafbare feiten te plegen.

Er is acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder de door de raadsman naar voren gebrachte situatie omtrent zijn schuldenproblematiek. De rechtbank onderkent dat een gevangenisstraf het schuldhulpverleningstraject mogelijk zal doorkruisen, maar gelet op de ernst van de feiten en de weinig schuldbewuste opstelling van verdachte kan niet worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf.

De rechtbank houdt verder rekening met het strafblad van 6 juli 2018 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij in 2015 is veroordeeld voor diefstal in vereniging. Dat maakt dat artikel 63 Sr van toepassing is.

Bij de straftoemeting zal daarnaast de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in aanmerking worden genomen. Als uitgangspunt geldt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis moet worden gewezen. De redelijke termijn is in dit geval beginnen te lopen vanaf het moment waarop verdachte voor het eerst als verdachte is verhoord en in verzekering is gesteld, te weten 9 november 2015. Tussen die datum en de datum van het vonnis – 20 november 2018 – ligt een periode van ruim drie jaar. Deze overschrijding van de redelijke termijn met ruim een jaar is slechts in zeer beperkte mate te wijten aan onderzoekswensen van de verdediging. Overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) wordt bij een dusdanige overschrijding worden gehandeld naar bevind van zaken.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden er aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63, 326, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

oplichting, meermalen gepleegd;


Ten aanzien van feit 2 primair:

medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. M.J.E. Geradts en F.W. Pieters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 november 2018.

1 De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende documenten en pagina’s in het dossier.

2 DOC-034-03, p. 1519-1526

3 DOC-034-07, p. 1531

4 AMB-040, p. 280; DOC-034-03, p. 1520

5 AMB-024, p. 140-143

6 Verklaring getuige [naam getuige ] bij de rechter-commissaris op 18 april 2018

7 V-003-01, p. 2048-2049

8 De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende documenten en pagina’s in het dossier.

9 AMB-029, p.173-174; AMB-055, p.314-320

10 AMB-029, p.173-174; AMB-040, p. 280-282

11 AMB-037, p.224-226; AMB-055, p. 314-320

12 AMB-037, p. 224-226; AMB-040, p. 280-282

13 AMB-052, p.302

14 AMB-034, p. 218-219; AMB-036, p.222-223; AMB-055, p.314-320