Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8240

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2018
Datum publicatie
05-12-2018
Zaaknummer
6527166 CV EXPL 17-28833, 6524412 CV EXPL 17-28606, 6524468 CV EXPL 17-28610, 6536136 CV EXPL 17-29253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eenzijdige wijziging van een arbeidsvoorwaarde door beëindigen van toekennen van een leaseauto. Geen zwaarwichtig belang in de zin van artikel 7:613 BW. Zowel de werknemers mét als de werknemers zónder eenzijdig wijzigingsbeding hoefden niet akkoord te gaan met deze wijziging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1372
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummers: 6527166 CV EXPL 17-28833

6524412 CV EXPL 17-28606

6524468 CV EXPL 17-28610

6536136 CV EXPL 17-29253

vonnis van: 18 oktober 2018

fno.: 823

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

In de procedure CV 17-28833:

1 [eiser sub 1]

wonende te [woonplaats]

2. [eiser sub 2]

wonende te [woonplaats]

3. [eiser sub 3]

wonende te [woonplaats]

4. [eiser sub 4]

wonende te [woonplaats]

5. [eiser sub 5]

wonende te [woonplaats]

6. [eiser sub 6]

wonende te [woonplaats]

7. [eiser sub 7]

wonende te [woonplaats]

8. [eiser sub 8]

wonende te [woonplaats]

9. [eiser sub 9]

wonende te [woonplaats]

10. [eiser sub 10]

wonende te [woonplaats]

11. [eiser sub 11]

wonende te [woonplaats]

12. [eiser sub 12]

wonende te [woonplaats]

13. [eiser sub 13]

wonende te [woonplaats]

14. [eiser sub 14]

wonende te [woonplaats]

15. [eiser sub 15]

wonende te [woonplaats]

16. [eiser sub 16]

wonende te [woonplaats]

17. [eiser sub 17]

wonende te [woonplaats]

18. [eiser sub 18]

wonende te [woonplaats]

19. [eiser sub 19]

wonende te [woonplaats]

20. [eiser sub 20]

wonende te [woonplaats]

21. [eiser sub 21]

wonende te [woonplaats]

22. [eiser sub 22]

wonende te [woonplaats]

23. [eiser sub 23]

wonende te [woonplaats]

24. [eiser sub 24]

wonende te [woonplaats]

25. [eiser sub 25]

wonende te [woonplaats]

26. [eiser sub 26]

wonende te [woonplaats]

eisers

gemachtigde: mr. K. Bouwknegt (Stichting Achmea Rechtsbijstand)

en

in de procedure CV 17-28606:

27 [eiser sub 27]

wonende te [woonplaats]

eiser

gemachtigde: mr. D.F. van Zon (Das)

en

in de procedure CV 17-28610:

28 [eiser sub 28]

wonende te [woonplaats]

eiser

gemachtigde: mr. F. Kaoui (Arag)

en

in de procedure CV 17-29253:

29 [eiser sub 29]

wonende te [woonplaats]

eiser

gemachtigde: mr. K.B. van Bree (CNV Vakmensen)

t e g e n

in alle procedures:

de coöperatie Coöperatieve Rabobank U.A.

statutair gevestigd te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen: Rabobank

gemachtigde: mr. C. Nekeman

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

- dagvaardingen van 30 november 2017 en 4 december 2017, met producties;
- akte houdende verzoek tot voeging van alle hierboven genoemde zaken, welk verzoek is aangemerkt als een incident;

- conclusie van antwoord in het incident in de zaken CV 17-28833 en CV 17-28610;

- akte niet dienen van conclusie van antwoord in het incident in de zaken CV 17-28606 en CV 17-29253;

- vonnis in het incident waarbij de vordering tot voeging is toegewezen;

- conclusie van antwoord (voor alle zaken);
- instructievonnis;
- dagbepaling comparitie.

De comparitie heeft (in alle zaken tegelijkertijd) plaatsgevonden op 18 september 2018.

Voorafgaand aan de comparitie hebben eisers nog twee producties in het geding gebracht. Rabobank heeft eveneens een productie in het geding gebracht.

Ter zitting waren aanwezig eisers sub 1, 2, 4, 6, 7, 8, 9, 10, 12, 14, 15, 20, 22, 25, 26, 27, 28 en 29, bijgestaan door mr. R. de Rijk (eisers sub 1 t/m 26), mr. Van Zon (eiser sub 27), mr. Kaoui (eiser sub 28) en mr. Van Bree (eiser sub 29) als gemachtigden. Van de zijde van Rabobank waren ter zitting aanwezig [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] , bijgestaan door
mr. C. Nekeman en mr. R. Schepers als gemachtigden. Partijen hebben hun standpunten naar voren gebracht – mr. De Rijk en mr. Van Bree aan de hand van een pleitnota – en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:

1.1.

Per 1 januari 2016 zijn Rabobank en de toen nog zelfstandige lokale Rabobanken gefuseerd tot één Rabobank. Alle werknemers van de lokale banken zijn per die datum in dienst getreden van Rabobank.

1.2.

Eisers zijn allen voor onbepaalde tijd in dienst van Rabobank. Zij werken op de kantoren [locatie 1] , [locatie 2] en [locatie 3] .

1.3.

In de arbeidsovereenkomst van een aantal eisers staat een eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 Burgerlijk Wetboek (BW).

1.4.

Rabobank heeft iedere eiser een leaseauto toegekend, die zij ook privé mogen gebruiken. De periode dat eisers inmiddels over een leaseauto van Rabobank beschikken varieert van drie tot ruim dertig jaar.

1.5.

Tussen Rabobank en iedere eiser is een berijdersovereenkomst voor – doorgaans – 5 jaar gesloten. Daarin is onder meer bepaald:
Er vindt geen automatische vervanging plaats als de looptijd van het leasecontract is verstreken.

1.6.

In een aantal berijdersovereenkomsten is dit aangevuld met:
Op basis van de criteria die op dat moment gelden beoordeelt de manager bij iedere aanvraag opnieuw of de medewerker in aanmerking komt voor een leaseauto.

1.7.

Als het leasecontract was verstreken, vulden eisers een aanvraagformulier in en kregen zij opnieuw een leaseauto toegekend.

1.8.

De lokale banken hadden verschillend beleid ten aanzien van het toekennen van leaseauto’s. Rabobank adviseert de lokale banken de centrale Autoleaseregeling van Rabobank (hierna: de Autoleaseregeling) toe te passen. De Autoleaseregeling bepaalt het volgende:
Artikel 3. Voorwaarden voor toekenning
Een medewerker kan op grond van zakelijk autogebruik of door de arbeidsvoorwaarden die voor zijn functiegroep gelden, in aanmerking komen voor een leaseauto. Er vindt geen automatische vervanging plaats als de looptijd van het leasecontract is verstreken.
A. Toekenning op grond van zakelijk autogebruik
Voor nieuw toe te kennen auto’s geldt het volgende:
1. Vanaf 20.000 zakelijke kilometers per jaar (…)
2. Minder dan 20.000 zakelijke kilometers per jaar
Als een medewerker minder dan 20.000 zakelijke kilometers per jaar rijdt of gaat rijden, heeft de manager desondanks de mogelijkheid om in specifieke gevallen toch een leaseauto te verstrekken. (…)
B. Arbeidsvoorwaardelijke toekenning uit hoofde van de functiegroep
Een medewerker kan op grond van een voor zijn functiegroep geldende arbeidsvoorwaardelijke regeling in aanmerking komen voor een leaseauto. Dit is ongeacht of de medewerker voor een leaseauto op grond van zakelijk autogebruik in aanmerking zou komen.
* Bij lokale banken: alle vakdirecteuren
* Senior Kader
* Executive Kader

1.9.

De kantoren [locatie 1] , [locatie 2] en [locatie 3] hebben besloten de Autoleaseregeling toe te passen. In totaal passen 62 van de 86 lokale kantoren de Autoleaseregeling toe.

1.10.

De Autoleaseregeling is op 25 januari 2016 aan de orde geweest in het overleg tussen het bestuur en de ondernemingsraad van Rabobank [locatie 3] . In het verslag van dat overleg staat:
De directievoorzitter geeft aan dat de directie in het eerste kwartaal van 2015 heeft besloten geen afwijkingen meer toe te staan in de arbeidsvoorwaarden. De OR merkt op, om de directie te behoeden voor verrassingen, dat m.b.t. de lease met de betreffende medewerkers individuele afspraken zijn gemaakt en hier dus niet zomaar van afgeweken kan worden.

1.11.

De gezamenlijke ondernemingsraden van Rabobank [locatie 1] en Rabobank [lacatie 4] (ook wel Platform OR genoemd) hebben op 29 september 2016 desgevraagd advies uitgebracht over het strikt hanteren van de toekenningsgronden in nieuwe situaties en de voorgestelde overgangsregeling voor de huidige leaserijders. In dat advies staat:
Naar de mening van de OR is het logisch om aan te sluiten bij het centraal geadviseerde leasebeleid. Dit is ook passend bij de kostenbesparing die wordt ingezet binnen de gehele organisatie.
Een effect van deze wijziging is dat een aantal medewerkers hier (wellicht aanzienlijke) nadelige financiële gevolgen van zullen ondervinden. De geboden tegemoetkoming compenseert tijdelijk en gedeeltelijk. De OR heeft geen inzage in de juridische haalbaarheid van het nieuwe leasebeleid. Dit heeft betrekking op individuele arbeidsovereenkomsten en is een zaak tussen werkgever en de individuele werknemers. De OR adviseert positief (…).

1.12.

Op verzoek van Rabobank [locatie 2] heeft haar ondernemingsraad op 29 december 2016 ingestemd met het toepassen van de Autoleaseregeling vanaf 1 januari 2018, met een overgangsregeling voor huidige leaserijders.

1.13.

Rabobank heeft eisers geïnformeerd dat zij hun leaseauto moeten inleveren, omdat zij minder dan 20.000 zakelijke kilometers per jaar rijden en geen recht hebben op arbeidsvoorwaardelijke toekenning uit hoofde van hun functiegroep.

1.14.

Eisers hebben hiermee niet ingestemd.

1.15.

De - uiteindelijk aan alle eisers - aangeboden overgangsregeling houdt in dat eisers nog twee jaar gebruik mogen maken van hun leaseauto of aanspraak kunnen maken op financiële compensatie tot het einde van die twee jaar.

Het geschil

2.1

Eisers vorderen, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair:

  1. voor recht te verklaren dat het ter beschikking stellen van een leaseauto aan eisers voor rekening van Rabobank een (primaire althans secundaire) arbeidsvoorwaarde is;

  2. voor recht te verklaren dat eenzijdige wijziging van deze arbeidsvoorwaarde niet rechtsgeldig is;

  3. Rabobank te veroordelen om eisers ook na afloop van hun (lopende of recent geëindigde) leasecontract een leaseauto ter beschikking te stellen tegen dezelfde prijs en van dezelfde categorie gelijk aan de aanspraak van eisers op basis van de huidige overeenkomst;

subsidiair, indien geen sprake is van een arbeidsvoorwaarde, dan wel wijziging geoorloofd is:

Rabobank te veroordelen om eisers een billijke, structurele financiële vergoeding toe te kennen ter compensatie van het verlies van de leaseauto tot aan het moment dat het dienstverband eindigt.

Steeds met veroordeling van de Rabobank in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigden.

2.2

Eisers 1 tot en met 26 en 29 hebben onder c. nog gevorderd dat Rabobank dit binnen 48 uur na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis aan hen bevestigt. Eisers 27 en 28 hebben een dwangsom van € 250,00 per dag verbonden aan sub c. Eisers 27, 28 en 29 hebben buitengerechtelijke kosten gevorderd van € 925,00 (eisers 27 en 28) dan wel € 952,00 (eiser 29).

2.3

Eisers zijn het er niet mee eens dat zij hun leaseauto moeten inleveren. Zij hebben geen toestemming verleend om de arbeidsvoorwaarde te wijzigen en vinden dat Rabobank geen zwaarwichtig belang heeft bij wijziging. Als onverhoopt wordt geoordeeld dat de arbeidsvoorwaarde toch mag worden gewijzigd, dan maken eisers aanspraak op een passende compensatie. De huidige overgangsregeling is daartoe onvoldoende, omdat hiermee het gemis van de arbeidsvoorwaarde slechts gedeeltelijk en gedurende een korte periode wordt gecompenseerd.

2.4

De Rabobank voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van eisers in de kosten.

De beoordeling

3.1

Eisers 3, 5, 13 en 23 hebben laten weten dat hun zaak kan worden doorgehaald. De kantonrechter gaat ervan uit dat zij geen belang meer hebben bij hun vordering en zal deze daarom afwijzen.

Is sprake van een arbeidsvoorwaarde?

3.2

Eisers stellen dat de toekenning van een leaseauto als arbeidsvoorwaarde moet worden aangemerkt. De leaseauto maakte onderdeel uit van de onderhandelingen bij de indiensttreding, er werden geen nadere voorwaarden aan het gebruik verbonden en na afloop van de berijdersovereenkomst werd in de praktijk steeds opnieuw een leaseauto toegekend. Voor eisers is het privégebruik van de leaseauto erg belangrijk, omdat zij zelf geen auto hoeven aan te schaffen en te onderhouden.

3.3

Volgens Rabobank gaat het niet om een arbeidsvoorwaarde, maar om een regeling omdat de auto niet permanent en onvoorwaardelijk ter beschikking werd gesteld. De leaseauto is alleen ten behoeve van het uitvoeren van de functie toegekend, niet als tegenprestatie voor het verrichten van de bedongen arbeid. Privégebruik (met bijtelling en eigen bijdrage) was altijd ondergeschikt aan het functionele gebruik. De auto werd ook niet steeds opgenomen in de individuele arbeidsovereenkomsten. Als de looptijd was verstreken, vond geen automatische vervanging plaats.

3.4

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsvoorwaarde, komt het aan op de zin die partijen aan elkaars gedragingen, en in verband daarmee staande verklaringen hebben toegekend en in de gegeven omstandigheden mochten toekennen. Een arbeidsvoorwaarde kan ook mondeling worden toegekend, feitelijk ontstaan door een gegroeide situatie of worden vastgelegd in een ander document dan de arbeidsovereenkomst. Het argument van Rabobank dat het toekennen van de leaseauto niet in iedere arbeidsovereenkomst is opgenomen, is dus niet van belang. Rabobank heeft niet weersproken dat het beschikken over een leaseauto in sommige sollicitatiegesprekken aan de orde is geweest. Voor alle eisers geldt dat zij gedurende hun – meestal – langdurige dienstverband bij de Rabobank de beschikking hebben gehad over een leaseauto die zij ook privé (met bijtelling en eigen bijdrage) konden gebruiken. Het financiële belang van eisers bij een leaseauto was groot, omdat zij niet zelf een auto hoefden aan te schaffen en te onderhouden. Het gebruik van de auto was niet afhankelijk gesteld van de hoeveelheid gereden zakelijke kilometers, en stond wat dat betreft los van het uitoefenen van de functie. Dat brengt mee dat het beschikken over een leaseauto – in lijn met de vaste jurisprudentie op dit punt – als een arbeidsvoorwaarde moet worden aangemerkt. Dit wordt ook bevestigd door de feitelijke gang van zaken bij het aflopen van een leasetermijn: eisers kregen zonder nadere vragen over het zakelijke gebruik opnieuw een leaseauto toegekend. Of het hier gaat om een primaire of een secundaire arbeidsvoorwaarde kan in het midden blijven. Dit verschil – dat de wet overigens niet kent – is niet van belang voor de verdere beoordeling van de zaak.

Wanneer mag een arbeidsvoorwaarde worden gewijzigd?

3.5

De Rabobank heeft deze arbeidsvoorwaarde zonder instemming van eisers, en dus eenzijdig, gewijzigd. Een werkgever mag daartoe overgaan als partijen een wijzigingsbeding zijn overeengekomen en zich de situatie van artikel 7:613 BW voordoet. In dat artikel is bepaald dat de werkgever slechts een beroep kan doen op een wijzigingsbeding als hij bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat daardoor zou worden geschaad, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid daarvoor moet wijken. Overigens kan een wijzigingsbeding niet alleen in een arbeidsovereenkomst, maar ook in bijvoorbeeld een berijdersovereenkomst zijn opgenomen.

3.6

Als geen wijzigingsbeding is overeengekomen, dient een werknemer onder omstandigheden toch akkoord te gaan met wijziging van een arbeidsvoorwaarde, op grond van de algemene verplichting zich als goed werknemer te gedragen (artikel 7:611 BW). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 juli 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD1847, Stoof/Mammoet) criteria geformuleerd om te beoordelen wanneer een werknemer een wijziging moet accepteren. Ook hier komt het neer op een afweging tussen de belangen van de werkgever bij wijziging, en de belangen van de werknemer bij handhaving van de bestaande regeling.

3.7

In de situatie dat partijen een wijzigingsbeding zijn overeengekomen, heeft een werkgever iets meer ruimte om een arbeidsvoorwaarde te wijzigen dan in de situatie dat partijen geen wijzigingsbeding zijn overeengekomen. Door vooraf de mogelijkheid van een wijziging af te spreken, weet de werknemer namelijk dat hij daar rekening mee dient te houden. Als er geen wijzigingsbeding is overeengekomen, mag een werknemer in principe ervan uitgaan dat de overeenkomst blijft zoals die was. Tenzij hij een wijziging op grond van goed werknemerschap moet dulden.

3.8

Voor de onderhavige zaak brengt dit mee dat eerst zal worden beoordeeld of de eisers met een wijzigingsbeding de wijziging van hun arbeidsvoorwaarde op de voet van artikel 7:613 BW moeten accepteren. Zo nee, dan hoeven ook de werknemers zonder wijzigingsbeding daarmee niet in te stemmen.

Is sprake van een zwaarwichtig belang?

3.9

De werkgever moet stellen en zo nodig bewijzen dat er een zwaarwichtig belang is in de zin van artikel 7:613 BW. Rabobank heeft hierover het volgende naar voren gebracht.

3.9.1

Rabobank bevindt zich in een snel veranderende omgeving van sterk gewijzigde klantwensen, innovatie, nieuwe concurrentie, strengere regelgeving en volatiliteit in economie en markten. In algemene zin heeft Rabobank geen slechte financiële positie, maar om het succes van Rabobank ook in de toekomst zeker te stellen, is het Strategisch Kader 2016-2020 vastgesteld. Dat Kader is gebaseerd op drie pijlers: het verhogen van de klanttevredenheid, het flexibiliseren en reduceren van de balans met € 150 miljoen, en een prestatieverbetering van € 2 miljard. Om deze doelen te behalen is de organisatiestructuur per 1 januari 2016 gewijzigd en wordt aangestuurd op kostenbesparingen om de cost-income ratio te verlagen naar 50% in 2020. Op die manier kan Rabobank beter concurreren. In 2017 bedroeg de cost-income ratio nog 67,1%, een stuk hoger dan bijvoorbeeld de 55,5% van ING.
Rabobank voert over de gehele breedte van de bank kostenbesparingen door, onder meer door reductie van arbeidsplaatsen (circa 9.000, een vijfde van het totaal, in aanvulling op de al ingezette reductie van 3.000 arbeidsplaatsen) en versobering van arbeidsvoorwaarden en regelingen. Zo is in de cao een nullijn afgesproken en zijn het verlofbeleid, de pensioenopbouw en -financiering, de hypotheekkortingen en de jubileumgratificaties versoberd. Het aanpassen van het leasebeleid draagt voor € 17 miljoen bij aan de geplande kostenbesparende maatregelen van in totaal € 740 miljoen.

De noodzaak tot kostenreductie wordt onderschreven door de vakbonden, de landelijke en lokale ondernemingsraden en de werknemers. Om ingrijpendere maatregelen zoals ontslagen te voorkomen en daarmee werkgelegenheid zeker te stellen, moet de leaseregeling worden aangepast. De ondernemingsraad van [locatie 1] heeft positief geadviseerd en de ondernemingsraad van [locatie 2] heeft ingestemd met het toepassen van de Autoleaseregeling. De directie van [locatie 3] was van oordeel geen advies of instemming van de ondernemingsraad op dit punt nodig te hebben, maar de ondernemingsraad heeft wel positief gereageerd op de noodzaak om de lokale leaseregelingen te versoberen.

3.9.2

Daarnaast is het onwenselijk om verschillend autoleasebeleid te hebben bij de verschillende Rabobank vestigingen, aangezien dat concurrentie op arbeidsvoorwaarden tussen de vestigingen in de hand werkt. Ook is het onrechtvaardig om werknemers van verschillende locaties ongelijk te behandelen. Een groot deel (62 van de 86) vestigingen onderschrijft het belang van uniform beleid.

3.9.3

Verder stimuleren leaseauto’s het autogebruik, terwijl Rabobank juist dichtslibbende wegen, parkeerproblematiek en milieuvervuiling wil tegengaan. In het Strategisch Kader is als duurzaamheidsdoel opgenomen om de CO2 uitstoot per werknemer met 10% te verlagen in 2020.

3.9.4

Ook zijn de arbeidspatronen gewijzigd. Klantbezoeken nemen af en werknemers werken meer thuis. De huidige kostenvergoedingen voor woon-werkverkeer en de alternatieven voor zakelijke reizen (het gebruik van een company car of een leaseauto van een collega) maken dat het toekennen van leaseauto’s minder voor de hand ligt. Tot slot speelt mee dat versobering van het leasebeleid het imago van Rabobank ten goede komt.

3.10

Eisers voeren aan dat Rabobank geen zwaarwichtig belang heeft bij wijziging van de arbeidsvoorwaarde. De kantonrechter volgt eisers hierin. De wetgever heeft in artikel 7:613 BW randvoorwaarden gesteld aan het gebruik van een eenzijdig wijzigingsbeding. Bij de beoordeling of van een zwaarwichtig belang sprake is, moet terughoudendheid in acht worden genomen. In de parlementaire geschiedenis zijn als mogelijke voorbeelden genoemd: zwaarwegende bedrijfseconomische of organisatorische omstandigheden, waaronder een noodzakelijke reorganisatie. Te denken valt aan de situatie waarin de werkgever in grote financiële moeilijkheden verkeert. Het niet kunnen wijzigen van een arbeidsvoorwaarde zal dan onder omstandigheden voor de werkgever in redelijkheid niet aanvaardbaar zijn.

3.11

Hetgeen Rabobank over haar financiële situatie heeft gesteld brengt niet mee dat direct ingrijpen noodzakelijk is, of dat Rabobank de kosten van de leaseauto’s voor eisers niet kan dragen. Op zichzelf onderkent de kantonrechter het – binnen Rabobank breed gedragen – belang van Rabobank om haar financiële bedrijfsvoering aan te passen aan de veranderende markt, bijvoorbeeld door het verlagen van de cost-income ratio. Rabobank heeft er ook op gewezen dat de drie ondernemingsraden positief staan tegenover het aanpassen van het leasebeleid. Waar het om de ondernemingsraad van [locatie 3] gaat, leest de kantonrechter de in het geding gebrachte stukken anders. Die ondernemingsraad heeft geen standpunt ingenomen over het toepassen van de Autoleaseregeling (zie 1.10). De andere twee ondernemingsraden hebben wél ingestemd of positief geadviseerd (zie 1.11 en 1.12). Daarbij heeft de ondernemingsraad van [locatie 1] terecht opgemerkt dat toepassing van de Autoleaseregeling doorwerkt op individueel niveau, wat een zaak is tussen de werkgever en de individuele werknemers. Een ondernemingsraad kan immers geen individueel overeengekomen rechten aantasten. De positieve reactie van de ondernemingsraden vormen wel een belangrijk gezichtspunt, maar leiden in deze zaak niet tot het oordeel dat het belang van Rabobank bij toepassing van de Autoleaseregeling voldoende zwaarwichtig is om de bestaande afspraken met individuele werknemers terzijde te schuiven. In algemene zin heeft Rabobank namelijk geen slechte financiële positie en haar voortbestaan is niet in het geding. De nettowinst in 2017 was iets meer dan € 1,5 miljard en over het eerste half jaar van 2018 ongeveer € 1,7 miljard. Nu zegt de winst niet alles over de financiële gezondheid van een onderneming, maar op grond van deze cijfers is duidelijk dat Rabobank niet in grote financiële moeilijkheden verkeert.

3.12

Het harmonisatiebelang dat Rabobank heeft genoemd, vormt evenmin een zwaarwichtig belang. Dat er verschillen zijn tussen de arbeidsvoorwaarden omdat werknemers van verschillende lokale Rabobanken afkomstig zijn, is een logisch gevolg van de fusie per 1 januari 2016. De omstandigheid dat de ene werknemer een andere geschiedenis heeft binnen de onderneming is de objectieve rechtvaardiging voor dat verschil in arbeidsvoorwaarden. Daarbij komt dat het aansluiten bij de Autoleaseregeling ook geleidelijk kan, door bij het sluiten van nieuwe arbeidsovereenkomsten steeds dit landelijke beleid te volgen. Door verloop zal het verschil in arbeidsvoorwaarden dan uiteindelijk verdwijnen.

3.13

Het door Rabobank naar voren gebrachte milieubelang is een nastrevenswaardig belang, maar niet zwaarwichtig in de zin van artikel 7:613 BW. Hetzelfde geldt voor de gestelde veranderde arbeidspatronen waardoor minder zakelijke kilometers nodig zijn, wat door eisers overigens is betwist. Ook dit is, net als het imagobelang, onvoldoende zwaarwichtig om de arbeidsvoorwaarden van individuele werknemers in negatieve zin aan te passen.

Conclusie

3.14

Nu wordt geoordeeld dat Rabobank geen zwaarwichtig belang heeft bij de wijziging, behoeft de vraag of de wijziging voldoet aan de redelijkheidstoets niet meer te worden beantwoord. De conclusie is dat eisers met een wijzigingsbeding de wijziging niet hoeven te accepteren. Zoals hiervoor onder 3.7 en 3.8 is uitgelegd, brengt dit mee dat ook de eisers zonder een wijzigingsbeding niet akkoord hoeven te gaan. De gevorderde verklaring voor recht onder a. zal dan ook worden toegewezen. Zoals hiervoor onder 3.1 al was vermeld, worden de vorderingen van eisers 3, 5, 13 en 23 afgewezen. Zij worden veroordeeld in de proceskosten van Rabobank, die worden begroot op nihil.

3.15

In de toekomst kan alsnog worden voldaan aan de criteria om de arbeidsvoorwaarde te wijzigen, zodat de onder b. gevraagde verklaring voor recht wordt toegewezen in de zin dat déze eenzijdige wijziging niet rechtsgeldig is.

3.16

Het gevorderde onder c. zal worden toegewezen, net als de door eisers 27 en 28 gevorderde dwangsom. De dwangsom wordt wel in hoogte gemaximeerd. Eisers 1 tot en met 26 en 29 hebben gevorderd dat Rabobank na dit vonnis bevestigt dat zij een leaseauto ter beschikking zal stellen. Zonder toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk welk belang eisers 1 tot en met 26 en 29 hierbij hebben. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen.

3.16

De door eisers 27 tot en met 29 gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen. De kantonrechter begrijpt dat zij alle drie hebben bedoeld een bedrag van € 952,00 te vorderen en zal dat dan ook toewijzen. Eisers 1 tot en met 26 hebben in de dagvaarding aangekondigd aanspraak te maken op buitengerechtelijke kosten, maar dit niet in de eis opgenomen. Hun buitengerechtelijke kosten kunnen dus niet worden toegewezen.

3.17

Rabobank zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Die kosten bedragen aan de kant van eisers 1, 2, 4, 6 tot en met 12, 14 tot en met 22, en 24 tot en met 26 in totaal € 575,31 (€ 97,31 kosten dagvaarding, € 78,00 griffierecht en € 400,00 aan salaris gemachtigde). Aan de kant van eisers 27 en 28 in totaal € 720,31 voor ieder van hen (€ 97,31 kosten dagvaarding, € 223,00 griffierecht en € 400,00 aan salaris gemachtigde) en aan de kant van eiser 29 in totaal € 720,30 (€ 97,30 kosten dagvaarding, € 223,00 griffierecht en € 400,00 aan salaris gemachtigde).

BESLISSING

De kantonrechter:

I wijst de vorderingen van eisers 3, 5, 13 en 23 af;

II verklaart voor recht dat het door Rabobank ter beschikking stellen van een leaseauto aan eisers 1, 2, 4, 6 tot en met 12, 14 tot en met 22, en 24 tot en met 29 een arbeidsvoorwaarde is;

III verklaart voor recht dat de onderhavige eenzijdige wijziging van deze arbeidsvoorwaarde niet rechtsgeldig is;

IV veroordeelt Rabobank om eisers 1, 2, 4, 6 tot en met 12, 14 tot en met 22, en 24 tot en met 29 ook na afloop van hun (lopende of recent geëindigde) leasecontract een leaseauto ter beschikking te stellen tegen dezelfde prijs en van dezelfde categorie gelijk aan de aanspraak van deze eisers op basis van de huidige overeenkomst;

V bepaalt ten aanzien van eisers 27 en 28 dat Rabobank bij niet naleving van veroordeling IV een dwangsom verbeurt van € 250,00 per dag, met een maximum van € 15.000,00 per eiser;

VI veroordeelt Rabobank tot betaling van buitengerechtelijke kosten van € 952,00 aan ieder van de eisers 27, 28 en 29;

VII veroordeelt Rabobank tot betaling van de proceskosten van
- € 575,31 aan eisers 1, 2, 4, 6 tot en met 12, 14 tot en met 22, en 24 tot en met 26,
- € 720,31 aan eiser 27,
- € 720,31 aan eiser 28 en
- € 720,30 aan eiser 29;

VIII veroordeelt Rabobank ten aanzien van de eisers 1, 2, 4, 6 tot en met 22, en 24 tot en met 29 in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 50,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat Rabobank niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

IX veroordeelt Rabobank tot betaling van de wettelijke rente over de nakosten vanaf 14 dagen na ingebrekestelling tot aan de dag der algehele voldoening aan eiser 28;

X veroordeelt eisers 3, 5, 13 en 23 in de proceskosten van Rabobank, die op nihil worden gesteld;

X verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

XI wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door M.R. Jöbsis, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.