Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8189

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
13-234922-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging en belediging journalist. Ontvankelijkheid openbaar ministerie. Schadevergoeding bedreiging psychisch letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-1001
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/234922-17 (Promis)

Datum uitspraak: 6 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.D. Braber en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. F. Tosun naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

Feit 1:
bedreiging met verkrachting van [persoon 1] door middel van een bericht verstuurd via Facebook Messenger, gepleegd op 3 september 2016;

Feit 2:
belediging van [persoon 1] door middel van het op Facebook plaatsen van een afbeelding met daarbij een tekst, gepleegd op 19 juli 2016;

Feit 3:
belediging van [persoon 2] door middel van het op Facebook plaatsen van een afbeelding met daarbij een tekst, gepleegd op 20 juli 2016.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

3.1

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Miniserie voor de onder feit 3 ten laste gelegde belediging niet-ontvankelijk is, omdat dit een klachtdelict betreft en de door [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) ingediende klacht alleen betrekking heeft op de foto met tekst die op de Facebookpagina van de [naam facebookgroep] is geplaatst, hetgeen een andere belediging betreft dan waarnaar in de tenlastelegging wordt verwezen.

3.1.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk is in haar vervolging.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 269 van het Wetboek van Strafrecht is voor vervolging van belediging noodzakelijk dat de beledigde een klacht indient. Dit klachtvereiste brengt echter niet met zich dat wanneer de beledigde wel een klacht heeft willen doen, maar door een onvolkomenheid bij de opname ervan niet aan de vereisten voor de klacht is voldaan, dit steeds tot niet-ontvankelijkheid in de vervolging dient te leiden. Als wordt vastgesteld dat een officiële klacht ontbreekt maar wel duidelijk is dat bij de beledigde een duidelijke vervolgingswens bestond, dan ligt daarin besloten dat de beledigde een klacht heeft gedaan.

In zijn aangifte verklaart [persoon 2] over de foto met de beledigende tekst die is geplaatst op de Facebookpagina van de [naam facebookgroep] . Naar aanleiding van deze aangifte heeft een verhoor plaatsgevonden waarin [persoon 2] zich eveneens beklaagt over beledigende berichten die hij heeft ontvangen van [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ). In het verhoor verklaart hij onder meer dat [persoon 3] hem “landverrader” en “varken” heeft genoemd. Hoewel de klacht opgenomen in het dossier niet ziet op de tekst zoals opgenomen in de tenlastelegging, leidt de rechtbank uit het voorgaande af dat [persoon 2] zijn klacht niet heeft willen beperken daartoe. Daar komt bij dat [persoon 2] ook ter terechtzitting is verschenen. De rechtbank is daarom van oordeel dat is voldaan aan bovenvermeld klachtvereiste en verwerpt het verweer. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bedreiging en de twee beledigingen wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard op basis van de stukken in het dossier.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten. Verdachte is niet de persoon die de berichten op Facebook heeft geplaatst dan wel via Facebook Messenger heeft verstuurd. Verdachte heeft slechts een vriend geholpen met het aanmaken van het Facebookaccount van waaruit de berichten zijn geplaatst en verstuurd.

Feit 1 kan niet worden bewezen, omdat de tekst waarnaar in de tenlastelegging wordt verwezen geen dreigende woorden bevat. De (beëdigde) vertaling van de tekst – zoals deze zich in het dossier bevindt – is niet juist. Het woord ‘neuk’ is onterecht in de Nederlandse vertaling opgenomen. De juiste vertaling is namelijk: “Alles goed man.. je moeder vrouw.. je oma. Het kind dat zal worden gebaard van een hoerenkind welke hoerenkind ik heb ontmaagd wanneer het een jong meisje is geworden.” Deze tekst levert geen bedreiging op. Het is bovendien ook niet aannemelijk dat op basis van deze tekst een redelijke vrees is ontstaan bij aangever dat verdachte iemand zou verkrachten.

Feiten 2 en 3 kunnen evenmin worden bewezen, omdat uit de berichten niet blijkt dat deze in het openbaar zijn gedeeld en ook blijkt niet wanneer zij op Facebook zijn geplaatst.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Inleiding
Op 19 juli 2016 ziet aangever [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) dat op Facebook een foto van hem is geplaatst met daarbij de tekst: “Dit is een journalist van [naam] , een hoerenzoon, landverrader en bastaard”. Op 3 september 2016 ontvangt [persoon 1] via Facebook Messenger een bericht waarin wordt gedreigd met verkrachting.

Op 20 juli 2016 ziet aangever [persoon 2] dat er op de Facebookpagina van de [naam facebookgroep] een foto van hem is geplaatst met (onder meer) de tekst: “ [persoon 2] , hoerenzoon”.

Uit de aangiften en de screenshots gemaakt van de berichten, blijkt dat de berichten steeds afkomstig zijn van het Facebookaccount van [persoon 3] .

4.3.2

Heeft verdachte de berichten verstuurd?

De vraag die eerst moet worden beantwoord is of verdachte de persoon is die middels het Facebookaccount op naam van [persoon 3] de tenlastegelegde berichten heeft geplaatst dan wel heeft verstuurd. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

[persoon 2] heeft in zijn aangifte te kennen gegeven dat hij de persoon op de profielfoto van [persoon 3] herkent uit de moskee, maar ook uit theehuizen en andere openbare plekken van de Turkse gemeenschap. Uit navraag in de moskee is hem gebleken dat de persoon op de profielfoto [verdachte] heet.

Op basis van de aangifte van [persoon 2] heeft de politie nader onderzoek verricht naar de persoon achter het Facebookaccount van [persoon 3] . Hierbij is gebleken dat het telefoonnummer dat is gekoppeld aan het Facebookaccount toebehoort aan verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting ook bevestigd dat dit telefoonnummer van hem is geweest. Daarnaast zijn op het Facebookaccount foto’s aangetroffen van verdachte, hetgeen eveneens door hem ter terechtzitting is bevestigd.

Tegen deze achtergrond vindt de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij het Facebookaccount voor een vriend heeft aangemaakt ongeloofwaardig. Daarbij is van belang dat verdachte eerst ter terechtzitting met deze verklaring is gekomen en hij deze onvoldoende handen en voeten heeft gegeven.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte de persoon is die middels het Facebookaccount van [persoon 3] de berichten heeft geplaatst dan wel verstuurd.

4.3.3

Oordeel over feit 1
De tekst in het Facebook Messenger bericht is op verzoek van de raadsvrouw opnieuw door een beëdigd vertaler vertaald en opgenomen in bijlage II. De rechtbank zal deze vertaling bij haar oordeel als uitgangspunt nemen, waarmee de eerste vertaling als bewijsstuk is komen te vervallen.

Voor bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat degene die wordt bedreigd ook daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging. Bovendien moet de bedreiging van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn gebeurd, dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is aan deze vereisten voldaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het bericht specifiek aan [persoon 1] is verstuurd, korte tijd na de couppoging in Turkije op 15 juli 2016. Naar aanleiding van de couppoging zijn de spanningen tussen aanhangers van president Erdoğan en de aanhangers van Gülen toegenomen, ook in Nederland. Zo werden – in de weken na de couppoging – Nederlanders die tot de gülenisten werden gerekend bedreigd en geïntimideerd. Kinderen werden van “verkeerde” scholen gehaald, middenstanders geboycot, en op internet gingen de namen rond van vermeende gülenisten. [persoon 1] is van Turkse afkomst en was werkzaam als journalist bij de Nederlandse tak van de Turkse krant [naam krant] , welke krant bekend stond om zijn kritische houding tegenover president Erdoğan. Dat het bericht “Alles goed man.. je moeder vrouw.. je oma. Het kind dat zal worden gebaard van een hoerenkind welke hoerenkind ik heb ontmaagd wanneer het een jong meisje is geworden” bij [persoon 1] de redelijke vrees heeft doen ontstaan dat verdachte de maagdelijkheid zou wegnemen van een van zijn gezinsleden, staat naar het oordeel van de rechtbank daarmee vast.

4.3.4

Oordeel over de feiten 2 en 3
Uit de aangifte van [persoon 1] en [persoon 2] blijkt dat op 19 juli 2016, respectievelijk 20 juli 2016, door verdachte, een bericht op Facebook is geplaatst bestaande uit een foto en een begeleidende tekst. Deze berichten zijn als belediging tenlastegelegd.

Er is sprake van belediging wanneer iemands eer of goede naam wordt aangerand, hetgeen ten aanzien van beide teksten het geval is.

Verdachte heeft een foto van [persoon 1] op Facebook geplaatst met daarbij de tekst “dit is een journalist van [naam] een hoerenzoon, landverrader en bastaard”. Dit bericht heeft vervolgens meerderde “likes” gekregen. Hieruit kan worden afgeleid dat het bericht openbaar was. Daarnaast heeft verdachte een foto van [persoon 2] op de Facebookpagina van de [naam facebookgroep] geplaatst met daarbij de tekst “ [persoon 2] , hoerenzoon”. [persoon 2] werd door vrienden op dit bericht gewezen, waaruit kan worden afgeleid dat ook dit bericht openbaar was. Verdachte heeft door de berichten openbaar op Facebook te plaatsen aanvaard dat deze berichten zouden worden gelezen door [persoon 1] , [persoon 2] en anderen en heeft daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij hierdoor in hun eer en goede naam zouden worden aangerand. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte opzettelijk [persoon 1] en [persoon 2] heeft beledigd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

op 3 september 2016 in Nederland, [persoon 1] en anderen heeft bedreigd met verkrachting, immers heeft verdachte aan die [persoon 1] een Facebook Messenger bericht gestuurd met daarin de tekst: “Ik jouw vrouw en je moeder…jouw oma… Ik ontmaagd die hoerenkind als zij opgegroeid is tot een jonge dame die van die hoerenkind zal worden geboren”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

op of omstreeks 19 juli 2016 in Nederland, opzettelijk [persoon 1] in het openbaar, bij geschrift en afbeelding, heeft beledigd door op Facebook de foto van voornoemde [persoon 1] te plaatsen met daarbij de tekst: “dit is een journalist van [naam] een hoerenzoon, landverrader en bastaard”;

3.

op of omstreeks 20 juli 2016 in Nederland, opzettelijk [persoon 2] in het openbaar, bij geschrift en afbeelding, heeft beledigd door op de pagina van de [naam facebookgroep] op Facebook een foto van voornoemde [persoon 2] te plaatsen met daarbij de tekst: “ [persoon 2] , hoerenzoon”.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 25 dagen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, voor zover haar standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken, verzocht om aan verdachte een straf op te leggen conform de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

8.3.

Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging en beledigingen via Facebook. Zo heeft hij een foto geplaatst van [persoon 1] met daarbij de tekst: “Dit is een journalist van [naam] , een hoerenzoon, landverrader en bastaard” en een foto van [persoon 2] met daarbij de tekst: “ [persoon 2] , hoerenzoon”. Deze berichten zijn niet alleen beledigend, maar hebben ook gevoelens van angst bij de aangevers veroorzaakt, hetgeen blijkt uit de aangiften en, ten aanzien van [persoon 1] , uit diens slachtofferverklaring. De belediging en bedreiging van [persoon 1] hebben blijkens zijn aangifte en slachtofferverklaring een grote impact gehad op zijn persoonlijke leven en gezin.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Vervolgens heeft de rechtbank bekeken of er in deze zaak feiten en omstandigheden zijn die oplegging van een lichtere of juist zwaardere straf dan wel een maatregel rechtvaardigen.

Zoals hiervoor weergegeven, vonden de bedreiging en beledigingen plaats in de nasleep van de couppoging in Turkije en zijn zij gericht aan personen werkzaam bij organisaties op de boycotlijst van de anti-Erdoğangroep. Dat verdachte juist op dit moment en tegen deze personen de dergelijke bedreigende en beledigende berichten heeft verzonden, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Ten slotte heeft de rechtbank – in het voordeel van verdachte - meegewogen dat uit zijn strafblad niet blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een geldboete ter hoogte van € 750,00 een passende straf is.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij

De benadeelde partij [persoon 1] vordert ten aanzien van de onder feiten 1 en 2 tenlastegelegde bedreiging en belediging een bedrag van € 4.062,52 aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende onderbouwd is en geheel toewijsbaar, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel inclusief wettelijke rente.


De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting vormt voor het strafproces. Daar komt bij dat de immateriële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt

nu het ontbreekt aan stukken waaruit blijkt dat de benadeelde partij daadwerkelijk bij een psycholoog of psychiater onder behandeling is voor de door hem gestelde angstklachten. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de vordering dient te worden gematigd.

9.1

Oordeel over immateriële schadevergoeding

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek onder andere recht op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of indien de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.

Ten aanzien van de schade die is gevorderd in verband met de bewezenverklaarde bedreiging (feit 1), overweegt de rechtbank het volgende. Het is aannemelijk dat de benadeelde partij zich bedreigd heeft gevoeld en hiervan last en hinder heeft ondervonden in de vorm van gevoelens van angst en onveiligheid, zoals vermeld in de vordering van de benadeelde partij. Dit brengt echter niet zonder meer met zich dat sprake is van aantasting in de persoon zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Daarvoor is nodig dat sprake is van geestelijk letsel, dan wel van een zeer ernstige inbreuk op de integriteit van zijn persoon. De benadeelde partij heeft in dit verband een verklaring ingebracht van een Praktijkondersteuner GGZ. Deze heeft bevestigd dat de benadeelde partij klachten ondervindt van de beledigingen en bedreigingen. De praktijkondersteuner geeft eveneens te kennen dat – gelet op haar functie – zij niet in staat is een diagnose te stellen. De rechtbank is daarom van oordeel dat op basis van deze verklaring niet kan worden vastgesteld of inderdaad sprake is van psychisch letsel dat voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Ten aanzien van de schade die is gevorderd in verband met de bewezenverklaarde belediging (feit 2), heeft het volgende te gelden. Vast staat dat de benadeelde partij door deze belediging in zijn eer en goede naam is geschaad zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend en rekening houdend met de politiek gevoelige context waarin de belediging in het onderhavige geval is geuit, begroot de rechtbank de te vergoeden immateriële schade op € 250,00 (zegge tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 19 juli 2016. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezenverklaarde belediging is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 250,00 (zegge tweehonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 19 juli 2016.

9.3

Oordeel over materiële schadevergoeding

Op grond van artikel 361 tweede lid aanhef en onder b van het Wetboek van Strafvordering is een benadeelde partij alleen ontvankelijk in haar vordering als haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

Ten aanzien van zowel de bewezenverklaarde bedreiging als de belediging, overweegt de rechtbank het volgende. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft de benadeelde partij aangevoerd dat de bedreiging en belediging ertoe hebben geleid dat hij zijn baan als journalist is kwijtgeraakt en hij ook niet langer aan de slag kan als journalist. Daarnaast zag hij zich genoodzaakt te verhuizen. Uit zijn vordering blijkt echter dat hij sinds de couppoging langere tijd en vanuit meerdere hoeken is beledigd en bedreigd. Aldus staat onvoldoende vast dat de gevorderde schade rechtstreeks kan worden toegeschreven aan de bewezenverklaarde belediging en bedreiging. Nader onderzoek is nodig om te kunnen vaststellen of en in hoeverre dit het geval is. De rechtbank oordeelt dat een dergelijk onderzoek een onevenredige belasting oplevert van het strafgeding, zodat de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De benadeelde partij kan van zijn vordering, voor zover niet-ontvankelijk verklaard, bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24c, 57, 266 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

Bedreiging met verkrachting, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt;

ten aanzien van feit 2 en 3:

Eenvoudige belediging, meermalen gepleegd.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 15 (vijftien) dagen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] , toe tot een bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 19 juli 2016 tot aan de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij voornoemd.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer [persoon 1] aan de Staat € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 19 juli 2016 tot aan de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 5 (vijf) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Degenaar, voorzitter,

mrs. A.P. Sno en E.G.M. van Gessel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.P.F. Sneeboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 november 2018.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]