Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8171

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
05-12-2018
Zaaknummer
C/13/643701 / HA ZA 18-185
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Niet is komen vast te staan dat de uitkomst van de ontbindingsprocedure anders zou zijn geweest als de advocaat gedaan had wat volgens eiseres verwacht had mogen worden. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/643701 / HA ZA 18-185

Vonnis van 14 november 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. N. Rachid te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. L.H. Rijpkema te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 februari 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 11 april 2018, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 18 juli 2018, waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 oktober 2018;

  • -

    de fax van mr. Rijpkema van 16 oktober 2018; en

  • -

    de fax van mr. Rachid van 29 oktober 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] was huurder van de woning, gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Verhuurder van de woning was de [naam verhuurder] (hierna: de verhuurder). [eiseres] huurde de woning sinds 1983.

2.2.

[gedaagde] is advocaat te Amsterdam. [eiseres] heeft [gedaagde] in 2006 ingeschakeld om te assisteren rondom de aanvraag voor een woningruil waarbij [eiseres] haar woning wilde ruilen met de kleinere woning van haar dochter.

2.3.

Bij brief van 15 maart 2007 heeft de verhuurder [eiseres] verzocht de huurovereenkomst op te zeggen en de woning te ontruimen in verband met niet toegestane onderverhuur. [eiseres] heeft betwist dat sprake was van onderverhuur en heeft [gedaagde] gevraagd om haar bij te staan in dit geschil met de verhuurder.

2.4.

Op 25 april 2007 heeft [gedaagde] een opdrachtbevestiging verzonden aan [eiseres] .

2.5.

Op 14 maart 2008 is de woningruil afgewezen.

2.6.

Op 18 juni 2008 is [eiseres] gedagvaard bij de rechtbank Amsterdam, sector kanton, waarbij de verhuurder onder meer ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning heeft gevorderd.

2.7.

In het tussenvonnis van 9 december 2008 heeft de kantonrechter het verweer van [eiseres] als volgt samengevat:

“ [eiseres] voert gemotiveerd verweer. De laatste 10 jaar gaat zij per jaar 3 à 4 maanden naar Marokko. Daardoor kan een verkeerd beeld bij de buren zijn ontstaan. In 2006 is zij langer weggeweest in verband met het regelen van papieren in Marokko ten behoeve van het huwelijk van een dochter. Van onderverhuur is geen sprake (geweest). Mannelijke bezoekers gebruiken de woning soms als ontmoetingsplaats. [naam 1] is hooguit 2 weken op de woning geweest. Voorts heeft een vriendin van [naam 2] korte periodes in de woning verbleven. De verklaringen van de buren dateren van maart 2007. Sedertdien is er geen nieuw "bewijs". De buren hebben verklaard op hun verklaringen te willen terugkomen.”

2.8.

Na een getuigenverhoor heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 7 juli 2009 de huurovereenkomst ontbonden en de gevorderde ontruiming toegewezen. Daarbij heeft de kantonrechter geoordeeld dat [eiseres] in strijd met de bepalingen uit de huurovereenkomst de woning aan derden in gebruik heeft gegeven en dat de woning als mannelijke ontmoetingsplaats is gebruikt. Deze tekortkomingen rechtvaardigen in beginsel een ontbinding van de huurovereenkomst en [eiseres] is er niet in geslaagd te bewijzen dat deze tekortkomingen een ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigen, aldus de kantonrechter.

2.9.

Een door [eiseres] gevoerd executie kort geding heeft niet geleid tot een schorsing van de executie.

2.10.

Op 31 juli 2009 is de woning gerechtelijk ontruimd.

2.11.

Bij arrest van 16 februari 2010 heeft het gerechtshof Amsterdam het eindvonnis van de kantonrechter bekrachtigd. De bij de kantonrechter en het gerechtshof gevoerde bodemprocedures worden hierna aangeduid als: de ontbindingsprocedure.

2.12.

[eiseres] heeft [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiseres] heeft geleden als gevolg van de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning. [gedaagde] en zijn aansprakelijkheidsverzekeraar hebben deze aansprakelijkheid betwist.

2.13.

[eiseres] heeft sinds 2016 weer de beschikking over een eigen woning.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor schade heeft veroorzaakt aan de zijde van [eiseres] en een veroordeling van [gedaagde] tot betaling van in totaal € 43.059,45, betaande uit negen verschillende schadeposten waarvan sommigen vermeerderd met wettelijke rente, en tot betaling van de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten.

3.2.

[eiseres] legt aan deze vordering ten grondslag dat zij schade heeft geleden als gevolg van beroepsfouten van [gedaagde] . Deze beroepsfouten zien volgens [eiseres] – kort gezegd – op het feit dat [gedaagde] :

(i) ten onrechte is uitgegaan van een vaststaande tekortkoming van [eiseres] en zich uitsluitend heeft gericht op de tenzij uitzondering aan het slot van artikel 6:265 Burgerlijk Wetboek (“tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt”);

(ii) de buren van [eiseres] en [eiseres] zelf niet als getuigen heeft laten horen;

(iii) de gekozen strategie en de inhoud van de memorie van grieven niet, althans niet voldoende met (vertegenwoordigers van) [eiseres] heeft besproken;

(iv) geen kopie van het Marokkaanse paspoort van [eiseres] heeft ingebracht; en

(v) geen pleidooi heeft gevraagd in hoger beroep.

3.3.

Volgens [eiseres] zou een andere strategie, in het bijzonder het betwisten van de tekortkoming, een kans hebben opgeleverd dat de kantonrechter en het gerechtshof tot een ander oordeel waren gekomen en dat de huurovereenkomst niet ontbonden zou zijn. De handelswijze van [gedaagde] heeft de kans op het winnen van de zaak teruggebracht tot nihil, aldus [eiseres] .

3.4.

[gedaagde] voert verweer, dat er in de kern op neerkomt dat ook als de strategie gevoerd zou zijn zoals [eiseres] nu stelt dat die gevoerd had moeten worden de uitkomst van de ontbindingsprocedure niet anders zou zijn geweest. Dit bekent dat causaal verband ontbreekt tussen de gestelde tekortkoming/onrechtmatige daad van [gedaagde] en de geleden schade, aldus [gedaagde] .

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze procedure om de vraag of [gedaagde] als advocaat aansprakelijk is in verband met de wijze waarop hij [eiseres] heeft bijgestaan in de ontbindingsprocedure. Daarbij geldt het volgende uitgangspunt.

4.2.

Voorop staat dat een advocaat bij het verrichten van zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen (artikel 7:401 Burgerlijk Wetboek). Maatstaf daarbij is dat een advocaat als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk moet gaan. Deze zorgplicht brengt onder meer met zich dat de advocaat zelfstandig dient te beoordelen wat voor de zaak van zijn cliënt van belang kan zijn en daarnaar dient te handelen.

4.3.

Als wordt vastgesteld dat [gedaagde] bij zijn werkzaamheden niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen is daarnaast nodig dat komt vast te staan dat als deze zorg wel in acht genomen zou zijn de uitkomst van de ontbindingsprocedure anders zou zijn geweest. Als dat laatste niet het geval is kan de vordering van [eiseres] niet worden toegewezen, er is dan immers geen schade en dus ook geen aansprakelijkheid.

4.4.

Aan deze voorwaarde (dat vast komt te staan dat de uitkomst van de ontbindingsprocedure anders zou zijn geweest) is in deze procedure niet voldaan. Daartoe wordt als volgt overwegen.

4.5.

De door de kantonrechter uitgesproken ontbinding is gebaseerd op de tekortkoming van [eiseres] , gelegen in het niet nakomen van de verplichting uit de huurovereenkomst om de woning niet aan derden in gebruik te geven. De kantonrechter heeft in haar tussenvonnis geoordeeld dat anderen dan [eiseres] in de woning zijn aangetroffen, waaronder de [naam 1] en de zoon van [eiseres] , en dat op basis van de op dat moment beschikbare informatie vaststaat dat (behoudens te leveren tegenbewijs) dit betekent dat sprake is van een in gebruik geven van de woning aan derden wat in strijd is met de huurovereenkomst. In haar eindvonnis heeft de kantonrechter daarbij nog overwogen dat de verhuurder in een brief van 27 maart 1997 [eiseres] weliswaar had toegestaan voor langere tijd in het buitenland te verblijven maar ook dat juridische maatregelen zouden volgen als zou blijken dat [eiseres] de woning aan derden in gebruik zou geven. Deze rechtbank leest deze brief aldus dat [eiseres] gewaarschuwd was.

4.6.

[eiseres] heeft in deze procedure onvoldoende concreet gesteld welke andere feiten en/of omstandigheden dan die zijn aangedragen in de ontbindingsprocedure tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Het laten horen van de buren als getuigen is daarvoor onvoldoende nu zowel de kantonrechter als het gerechtshof bekend was met de stelling van [eiseres] dat de buren anders wilden verklaren dan zij volgens de verhuurder hadden gedaan. Voor de procedure bij de kantonrechter volgt dit uit het tussenvonnis (zie de slotzin in 2.7 hierboven) en bij het gerechtshof zijn de handgeschreven verklaringen van drie naaste buren ingebracht als producties 7a-c bij de memorie van grieven. Deze informatie is dus meegenomen in de beoordeling en dat het laten horen van de buren als getuige andere feiten zou hebben opgeleverd ten aanzien van het in gebruik geven is niet althans onvoldoende gesteld. Voor het niet laten horen van [eiseres] zelf als getuige geldt dat [eiseres] in deze procedure niet heeft aangegeven wat zij meer of anders had kunnen verklaren dan hetgeen [gedaagde] al namens haar in de schriftelijke stukken naar voren heeft gebracht. De stelling dat [eiseres] als het middelpunt van de zaak het beste in staat is een beeld van haarzelf te schetsen miskent dat voor dit doel een getuigenverhoor niet nodig of bedoeld is en dat [eiseres] zelf bij de comparitie aanwezig was. Het niet overleggen van een kopie van het Marokkaanse paspoort ziet op het wel of niet aanwezig zijn van [eiseres] in Nederland en is daarmee niet relevant voor de vraag of de woning in gebruik is gegeven aan derden, wat in de ontbindingsprocedure tot de vaststelling van de tekortkoming heeft geleid.

4.7.

Ook ten aanzien van de verwijten die zien op de gevoerde strategie heeft [eiseres] onvoldoende concreet gesteld welke andere uitkomst een andere strategie zou hebben opgeleverd. Tijdens de comparitie in deze procedure is ten aanzien van de tekortkoming vastgesteld dat bij de kantonrechter tot aan het tussenvonnis – anders dan [eiseres] in de dagvaarding heeft gesteld – het verweer is gevoerd dat geen sprake was van een tekortkoming. Pas op basis van het tussenvonnis en het daarin opgenomen oordeel van de kantonrechter is de focus op de tenzij uitzondering van artikel 6:265 Burgerlijk Wetboek komen te liggen en is [gedaagde] uitgegaan van een tekortkoming. Dat het blijven betwisten van de tekortkoming, ook in hoger beroep, tot een andere uitkomst zou hebben geleid heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt. Ten aanzien van het vragen van pleidooi in hoger beroep geldt eveneens dat [eiseres] niet voldoende concreet heeft gesteld dat met een pleidooi in hoger beroep het gerechtshof tot een andere beslissing zou zijn gekomen. Voor zover de stellingen van [eiseres] aldus begrepen moeten worden dat tijdens een pleidooi in hoger beroep de buren als getuigen gehoord zouden kunnen worden wordt miskend dat een pleidooi hier niet voor bedoeld is. [gedaagde] heeft in de memorie van grieven specifiek getuigenbewijs aangeboden op dit punt, maar het gerechtshof heeft dit aanbod als niet ter zake dienend verworpen.

4.8.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat de uitkomst van de ontbindingsprocedure anders zou zijn geweest als [gedaagde] had gehandeld zoals [eiseres] in deze procedure heeft gesteld dat hij had moeten doen. Dit betekent dat in het midden kan blijven of [gedaagde] de strategie zoals gevoerd, waaronder het wel of niet vragen van pleidooi in hoger beroep, voldoende besproken heeft met de vertegenwoordigers van [eiseres] . Datzelfde geldt voor het verwijt dat [gedaagde] geen akkoord zou hebben gevraagd voor de memorie van grieven.

4.9.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht leidt niet tot een ander oordeel en behoeft om die reden geen afzonderlijke bespreking.

4.10.

De vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 895,00

- salaris advocaat € 2.148,00 (2,0 punten × tarief € 1.074,00)

Totaal € 3.043,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.043,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf 14 dagen na heden,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf 14 dagen na heden en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf 14 dagen na betekening.

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2018.1

1 type: coll: