Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:813

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-01-2018
Datum publicatie
23-02-2018
Zaaknummer
13/684423-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

diefstal, verduistering, gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM


VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/684423-17

Datum uitspraak: 18 januari 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
ingeschreven op het adres [adres] ,
thans verblijvende in het [P.I.] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 januari 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P.C. Velleman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.S. Dobosz, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij:

  1. op of omstreeks 29 september 2017 te Amsterdam een paraplu van [winkel] heeft gestolen;

  2. op of omstreeks 29 september 2017 te Amsterdam een portemonnee (met daarin onder andere een bankpas, OV-kaart en een rijbewijs) heeft gestolen die toebehoorde aan [aangever] , subsidiair dat verdachte deze portemonnee heeft geheeld en meer subsidiair dat verdachte deze portemonnee heeft verduisterd.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die achter dit vonnis is gevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat op grond van de aangifte, de stills van de camerabeelden en de bekentenis van verdachte de diefstal van de paraplu wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ten aanzien van het tweede ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde gevorderd. Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij zijn portemonnee in zijn jaszak heeft opgeborgen, met de trein is gaan reizen, in slaap is gevallen en vervolgens merkte dat zijn portemonnee weg was. Dit sluit niet uit dat aangever zijn portemonnee bijvoorbeeld is verloren.
Verdachte heeft verklaard dat hij de spullen die bij hem zijn aangetroffen vijftien à twintig minuten voor zijn aanhouding heeft gevonden. Hij heeft deze niet afgegeven, terwijl hij door Amsterdam liep en de spullen naar eigen zeggen in de buurt van het Centraal Station vond, waar genoeg mensen in uniform aanwezig zijn. Dit maakt dat het meer subsidiair ten laste gelegde wel wettig en overtuigend kan worden bewezen, aldus de officier.

3.2

Het standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte komt ten aanzien van de diefstal van de paraplu tot een bewezenverklaring. Voor het tweede ten laste gelegde feit heeft hij vrijspraak bepleit. In Polen is het gebruikelijk om gevonden spullen via de post naar de eigenaar te versturen. Dit wilde verdachte ook gaan doen met de spullen die hij had gevonden, aldus de raadsman.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Gedeeltelijke vrijspraak

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde. Er is onvoldoende bewijs voor het oordeel dat de portemonnee van aangever [aangever] is gestolen of dat de pasjes (rijbewijs, bankpas en Student Identification Card) van enig ander misdrijf afkomstig zijn.

De diefstal van de paraplu (feit 1)

Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte de paraplu heeft gestolen en zich dus schuldig heeft gemaakt aan diefstal.

De gevonden pasjes (feit 2 meer subsidiair)

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering en overweegt daartoe als volgt.

[aangever] heeft verklaard dat hij op 29 september 2017 rond 04.00 uur ’s nachts in de trein naar Woerden is gestapt. Hij is in de trein in slaap gevallen en werd rond 07.00 uur door een conducteur gewekt. Op dat moment kwam hij tot de ontdekking dat zijn portemonnee weg was. In zijn portemonnee zaten onder andere zijn rijbewijs, bankpas en zijn studentenkaart, alle op zijn naam.

Op diezelfde dag worden om 11.40 uur de goederen bij verdachte aangetroffen. Hij heeft verklaard dat hij deze goederen vijftien à twintig minuten eerder vlakbij het Centraal Station van Amsterdam had gevonden. Hij besloot – naar eigen zeggen – de goederen op te pakken om deze via de brievenbus te retourneren naar de eigenaar, zoals in Polen gebruikelijk is.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat verdachte de goederen via de post wilde retourneren. Zij stelt voorop dat het gaat om goederen die niet alleen waardevol zijn voor de eigenaar, maar ook voor derden. Zo kun je je met een rijbewijs identificeren en kun je met een bankpas contactloos pinnen, waardoor er geld van andermans rekening wordt afgeschreven. Daarnaast had verdachte bij zijn aanhouding meteen kunnen zeggen dat hij de goederen had gevonden en dat hij deze graag aan de eigenaar wilde retourneren. Verdachte zei echter niets en heeft tijdens zijn verhoor ook niets willen zeggen. Ook overigens is er geen enkele aanwijzing dat verdachte de goederen wilde retourneren of afgeven ten behoeve van de rechtmatige eigenaar.

De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte zich de goederen opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend en deze dus heeft verduisterd.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Feit 1

op 29 september 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een paraplu, toebehorende aan [winkel] .

Feit 2 meer subsidiair

op 29 september 2017 te Amsterdam opzettelijk een rijbewijs (op naam van [aangever] ) en een ING bankpas (op naam van [aangever] ) en een Student Identification Card (op naam van [aangever] ), toebehorende aan [aangever] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als vinder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

4 De bewijsmiddelen

De rechtbank zal de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gebaseerd uitwerken als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van een jaar.

7.2

Het standpunt van de raadsman van verdachte


De raadsman van verdachte heeft een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden bepleit. De reclassering heeft nog nooit contact met verdachte gehad en daarom vindt hij een ISD-maatregel een stap te ver.

Mocht de rechtbank overwegen toch een ISD-maatregel op te leggen, dan heeft de raadsman verzocht deze voorwaardelijk op te leggen. Meer subsidiair bepleit hij een ISD-maatregel voor de duur van een jaar met aftrek van het voorarrest.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden op en heeft bij die beslissing in bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een paraplu en de verduistering van een aantal pasjes. Dit zijn twee vervelende feiten waarmee hij anderen overlast heeft bezorgd.

De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt.

Uit het strafblad blijkt echter ook dat de meeste straffen die verdachte opgelegd heeft gekregen onvoorwaardelijke gevangenisstraffen zijn. Er zijn nooit bijzondere voorwaarden opgelegd en er is nooit geprobeerd een traject met de reclassering op te starten. Weliswaar heeft het Leger des Heils een reclasseringsrapportage voor de zitting opgesteld (gedateerd 18 december 2017), maar hieruit blijkt onvoldoende waarom het opleggen van een ISD-maatregel nu de meest aangewezen optie is en waarom er geen alternatief daarvoor is. Bij deze stand van zaken vindt de rechtbank het opleggen van een ISD-maatregel niet proportioneel. De rechtbank zal deze maatregel daarom niet opleggen.

Gelet op het feit dat verdachte veel met politie en justitie in aanraking is geweest sinds hij in mei 2016 naar Nederland is gekomen en hij in een zeer kort tijdsbestek meerdere malen is veroordeeld vindt de rechtbank wel een flinke onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor winkeldiefstal bij veelvuldige recidive.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 310 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal

en

Verduistering

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,
mrs. M.E. Leijten en L. Dolfing, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Spaan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 januari 2018.