Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8076

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
13/680009-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voorbereidingshandelingen van, onder meer, liquidatie. Niet kan worden vastgesteld of en op welk soort misdrijf met een strafmaximum van acht jaren de voorbereidingshandelingen die verdachten wordt verweten waren gericht. Dagvaarding deels nietig wegens, onder meer, innerlijke tegenstrijdigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/680009-17 (Promis)

Datum uitspraak: 13 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , gedetineerd in het Justitieel Complex [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 augustus en 26 oktober 2017 en 23 januari, 28 maart, 5 juni, 22 augustus, 15 oktober en 16 oktober 2018. Het onderzoek is gesloten op 13 november 2018, waarna direct uitspraak is gedaan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M.L.A. ter Veer, van wat [verdachte] (hierna: [verdachte] of verdachte) en zijn raadsman, mr. R.A. van der Horst, naar voren hebben gebracht en heeft kennis genomen van de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde partij 1] (hierna [benadeelde partij 1] ) en [benadeelde partij 2] (hierna [benadeelde partij 2] ) en van wat [benadeelde partij 2] en zijn raadsman, mr. V. Groeneveld, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

[verdachte] wordt na wijziging op de zittingen van 22 augustus en 15 oktober 2018
– kort gezegd – verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. voorbereiding van ernstige misdrijven, waaronder het medeplegen van een moord (liquidatie), (gekwalificeerde) doodslag of een beroving of een inbraak, door (verboden) goederen in bezit te hebben (gehad) die in de regel voor (het medeplegen van) zulke misdrijven worden gebruikt;

2. wapenbezit van een volautomatisch geweer, twee patroonmagazijnen en 125 patronen;

3. poging tot een woningoverval; en

4. heling van een iMac.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1.

Partiële nietigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft betoogd dat de tenlastelegging op vier onderdelen nietig moet worden verklaard. De rechtbank zal deze onderdelen puntsgewijs behandelen.

Voorbereiden van (gekwalificeerde) doodslag

De rechtbank is met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat het treffen van voorbereidingshandelingen voor doodslag in het algemeen moeilijk voorstelbaar is.

Het treffen van voorbereidingshandelingen om iemand van het leven te beroven duidt immers per definitie op het hebben van ‘voorbedachten rade’ (vlg. ECLI:NL:RBAMS:2011:BR0272 en ECLI:NL:RBAMS:2015:173). De tenlastelegging bevat dus een innerlijke tegenstrijdigheid als gevolg waarvan de dagvaarding partieel nietig wordt verklaard voor zover daarin voorbereidingshandelingen voor doodslag zijn ten laste gelegd.

Voor wat betreft de gekwalificeerde doodslag stelt de rechtbank vast dat de opsteller van de tenlastelegging heeft nagelaten de gekwalificeerde doodslag in de tenlastelegging (enigszins) feitelijk uit te werken naast het gegeven dat ook het betreffende wetsartikel (artikel 288 Sr) niet is vermeld onderaan de tenlastelegging. Immers wordt niet aangegeven welk strafbaar feit gevolgd zou zijn op de doodslag dan wel aan de doodslag zou zijn voorafgegaan of zijn vergezeld van de doodslag, zodat ook hier sprake is van onduidelijkheid die nietigheid meebrengt.

Minimale strafeis

Voorbereidingshandelingen, als bedoeld in art. 46 Sr, zijn slechts strafbaar indien het gaat om voorbereiding van een delict waarop ten minste een gevangenisstraf van acht jaren staat. Het medeplegen van een diefstal met braak gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, voldoet aan deze eis, waarbij wel de kanttekening wordt geplaatst dat dan sprake moet zijn van “een dader die zich buiten de wil van de rechthebbende in die woning bevindt” zoals vereist in het betreffende wetsartikel 311, eerste lid, sub 3, Sr. Dit laatste vermeldt de tenlastelegging niet maar dit staat naar het oordeel van de rechtbank niet aan de rechtsgeldigheid van de dagvaarding op dit onderdeel in de weg, hooguit aan de eventuele kwalificatie in geval van een bewezenverklaring. Gelet op de bewoordingen ‘al dan niet’ in de tenlastelegging is het bestanddeel ‘gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning’ echter subsidiair ten laste gelegd. Het primaire gedeelte, de enkele diefstal met braak, voldoet niet aan de voornoemde eis nu daar maar zes jaren gevangenisstraf op staat. De rechtbank is daarom met de raadsman van oordeel dat de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is, wat betreft het gedeelte ‘al dan niet’.

Voorbereiden van meerdere misdrijven

De raadsman heeft aangevoerd dat nu er voorbereiding van "een misdrijf " is ten laste gelegd, terwijl het gebruik van de zinsnede ‘en/of’ in de tenlastelegging suggereert dat de tenlastelegging mogelijk voorbereiding van meerdere misdrijven omvat. Hij stelt dat daarom de tenlastelegging voor zover zij ziet op het woord ‘en’ tussen de ten laste gelegde alternatieven waar de voorbereiding op ziet, nietig is.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat indien het Openbaar Ministerie de voorbereiding van meerdere hoofdfeiten wil ten laste leggen, in de tenlastelegging duidelijk tot uitdrukking moet worden gebracht dat het om evenzovele voorbereidingen gaat. In geval van een bewezenverklaring leidt dat tot een meervoudige kwalificatie en toepassing van de samenloopregels. Indien nog niet duidelijk is op welk hoofdfeit de voorbereiding ziet en of er sprake is van meervoudige voorbereiding van meerdere hoofdfeiten, kan dit worden ondervangen door het opstellen van een cumulatieve, alternatieve onderscheidenlijk subsidiaire tenlastelegging die – in geval van bewezenverklaring – ook bij het kwalificeren van het bewezen geachte geen aanleiding geeft tot moeilijkheden.

In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie een enkelvoudige voorbereiding van een misdrijf ten laste gelegd, terwijl het gebruik van de woorden ‘en/of ’ in diezelfde tenlastelegging suggereert dat de tenlastelegging de mogelijkheid openlaat dat die voorbereiding op meerdere hoofdfeiten ziet. Dit is niet mogelijk gelet op de bewoordingen in artikel 46 Sr. De rechtbank verklaart de tenlastelegging voor zover het ziet op dit deel – het woord ‘en’ – dan ook nietig waardoor er in plaats van een cumulatief/alternatieve tenlastelegging een alternatieve tenlastelegging overblijft.

Voorwerpen

Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat in de tenlastelegging voorwerpen zijn genoemd, terwijl onduidelijk is om welke voorwerpen het precies gaat. Zo wordt [verdachte] er in de tenlastelegging van beschuldigd ‘een auto’ voorhanden te hebben gehad, terwijl in het dossier meerdere auto’s voorkomen en het dus op basis van de tekst van de beschuldiging onduidelijk is over welke auto het hier gaat. Voor ‘plaatsbepalingsapparatuur’ geldt hetzelfde, nu in het dossier dergelijke apparatuur op meerdere plaatsen voorkomt. Dit brengt naar het oordeel van de raadsman partiele nietigheid mee voor wat betreft de zinsneden ‘een auto’ en ‘plaatsbepalingsapparatuur’.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier voldoende naar voren komt om welke voorwerpen, namelijk de inbeslaggenomen voorwerpen, het hier gaat zodat dit verweer wordt verworpen.

In elk geval een misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten minste acht jaren is gesteld

Naar het oordeel van de rechtbank is de subsidiaire variant met de tekst: in elk geval een misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten minste acht jaren is gesteld”, te onbepaald en daarom nietig.

Conclusie: met inachtneming van de nietigheden in de dagvaarding zoals hiervoor aangegeven resteert onder feit 1 de volgende tenlastelegging waarop de rechtbank zich verder zal baseren:

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2017 tot en met 11 mei 2017 te Amsterdam en/of Almere en of Nieuw Vennep, gemeente Haarlemmermeer en/of te Oss, in elk geval in Nederland, ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf van moord of diefstal met geweld of afpersing of diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik brengt door middel van braak, verbreking of inklimming gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning van [benadeelde partij 2] en zijn vriendin, opzettelijk een auto en/of een volautomatisch geweer/vuurwapen en/of twee, althans een of meer patroonmagazijn(en) en/of 45 en/of 73 en/of 7, althans een of meer patron(o)n(en) of plaatsbepalingsapparatuur en/of een jammer en/of een kogelwerend vest en/ of een slotenopener, bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en of doorgevoerd en of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.

3.2.

Overige voorvragen

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

Al het volgende ten aanzien van feiten 1 en 2 is gebaseerd op de wettige bewijsmiddelen in het dossier.

4.1.

Voorbereidingshandelingen en wapenbezit (feiten 1 en 2)

Inleiding

Op 13 januari 2017 is er een technische actie gestart op een telefoonnummer in gebruik bij [verdachte] . Later zijn er ook technische acties gestart op andere nummers in gebruik bij [verdachte] . Uit de opgenomen gesprekken heeft de politie afgeleid dat [verdachte] verschillende criminele activiteiten ondernam en dat deze gesprekken regelmatig werden gevoerd met [medeverdachte 1] (hierna [medeverdachte 1] ). Uit onder meer de onderstaande feiten en omstandigheden is de verdenking gerezen dat zij voorwerpen voorhanden hadden ter voorbereiding van de moord van [benadeelde partij 2] .

Op basis van gesprekken gevoerd op 7, 8 en 9 mei 2017 kreeg het onderzoeksteam het vermoeden dat [medeverdachte 1] en [verdachte] samen een voertuig hadden voorzien van plaatsbepalingsapparatuur. [medeverdachte 1] en [verdachte] zouden dat voertuig (in ieder geval) vanaf toen hebben gevolgd tezamen met [medeverdachte 2] (hierna [medeverdachte 2] ). Op 9 mei 2017 volgde [medeverdachte 1] het voertuig vanuit Amsterdam naar Almere op aanwijzingen van [verdachte] . [medeverdachte 1] zou het voertuig gevonden hebben in een garage in de omgeving van de Duitslandstraat en het Zwitserlandpad te Almere. Op basis van deze gesprekken is er door de politie onderzoek gedaan naar welke auto dit zou kunnen zijn. In de parkeergarage die aan de omschrijving van deze gesprekken voldeed, is onder een witte Volkswagen Touran plaatsbepalingsapparatuur aangetroffen. Uit het politiesysteem bleek dat [benadeelde partij 2] de kentekenhouder was van de Volkswagen Touran en dat hij meerdere opiumwetantecedenten op zijn naam heeft staan waaronder import en export van harddrugs.

Het dossier bevat een groot aantal uitgewerkte afgeluisterde gesprekken van verdachten. In het navolgende gedeelte zijn een aantal gesprekken opgenomen waar de nadruk in deze zaak op ligt. Voor de leesbaarheid en begrijpelijkheid van dit vonnis volgt eerst een korte legenda.

[medeverdachte 1] : [medeverdachte 1]

[verdachte] : [verdachte]

NN: een (of meer) niet nader te omschrijven perso(o)n(en)

Ntv: niet te verstaan

SH: Stemherkenning

Op 10 mei 2017 ( sessienummer 33250) vond het volgende gesprek tussen [medeverdachte 1] en twee (op dat moment) gedetineerden plaats, op de achtergrond zou [verdachte] zijn te horen volgens de politie.

NN: Met wie ben je?

[medeverdachte 1] : Ik ben met die leipe, leipe baba mattie

NN: Baba

(…)

NN: volg die man volg die man volg die eigenaar

[medeverdachte 1] : kanker veel chappies voor de deur. Eej ken je casis (fon) zit vast wholla ik ben met hem op bezoek geweest

NN: oh bledder

[medeverdachte 1] : wholla hij is soldier, wholla zie je die osso daar, wholla een seconde had hij die deur open wholla

NN: wat

[medeverdachte 1] : Hej

NN: oja

[medeverdachte 1] : bijna getrokken daar die schuur daar a mattie

NN: ja jongen

[medeverdachte 1] : A broer verstop ze, verstop die kalasjnikov a sahbi niet zo optisch. Verstop die kalasjnikov.
(NB op p. 48 van het dossier staat : of ik stop die kalasnikov he sagbi, niet zo optieffen, stop die kalasnikov)

Wat zei je broer?

(…)

[medeverdachte 1] : hoor je me nu, ik was bij een deur vandaag, ik ruik de 4 miljoen euro. ( [medeverdachte 1] vermoedelijk tegen iemand bij hem: ntv rechtdoor)

NN: wat zeg je nou allemaal ntv

[medeverdachte 1] : ik ruikte hem door die deur heen, die papier praat tegen mij. Die papier zegt, ola ola senorita, comesta senor, come to me, geef me spenk, spenk me, ik wil weg van deze man de handen, heeft ie tegen mij gezegd

(…)

[medeverdachte 1] : ja eej boven twee thee ik ga die biggi hede gelijk kieren door zijn ede man, dat je dat weet

NN: welke big ede

[medeverdachte 1] : die kwierrie (fon)

NN: oh die ntv chappie

[medeverdachte 1] : eej boven twee thee krijgt hij hem gelijk door zijn achterhoofd

SH: op de achtergrond zegt [verdachte] volgens het onderzoeksteam eej misschien wil die die van hem he sagbi fack [medeverdachte 1] lacht.

NN: ik ga met je mee he broer sabot (fon)

[medeverdachte 1] : broertje we zijn even op een missie, ik ga even iemand bellen

Op 11 mei 2017 vond het volgende gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] plaats.

[medeverdachte 1] : Ah ik ben gewoon uitgekookt ik heb geen geld volgens mij ga ik liquidaties doen man

[verdachte] : Ja, ik rij voor je broertje

[medeverdachte 1] : Zeg wholla

[verdachte] : Wholla ik rij voor je

[medeverdachte 1] : Eh ik ratel die mensen helemaal kapot, bankoe dit

[verdachte] : Safi jij ratelt ik rij

(…)

[medeverdachte 1] : Maar ik heb wel gehoord je moet door die achterhoofd want als je voor doet ga je niet meet

kunnen slapen dan zie je die gezicht voor je

[verdachte] : Ja?

[medeverdachte 1] : Begrijp je dus hij moet van achteren gerateld worden

[verdachte] : Jaja maar maakt niet uit we ratelen van beneden boven achteren zijkant alles ah brada

[medeverdachte 1] : in zn kont in zn kont kanker KK

(…)

[medeverdachte 1] : Heb je die 2t al aangenomen of niet?

[verdachte] : Jaa ah sahbi ik heb het bij me we gaan zo delen

[medeverdachte 1] : Zeg whola?

[verdachte] : Whola

[medeverdachte 1] : Oke safi is goed ik wacht op

[verdachte] : Mohim ik ga je bellen moet je bij de ring ergens komen bij Schinkel want kankerheet in de buurt a

brada ik wil niet rijden voordat.. ntv

[medeverdachte 1] : Heb je alles aan paars? Of wat welke kleur

[verdachte] : Wat zei je?

[medeverdachte 1] : Welke kleur is die daka’s?

[verdachte] : Regenboog a brada

[medeverdachte 1] : Alles groen geel paars

[verdachte] : Van lotto tot paars

[medeverdachte 1] : Ewa safi is goed perfect

[verdachte] : Ja? mohim ik ga je bellen

[medeverdachte 1] : Ntv

[verdachte] : Ik ga je bellen ik ga je adres geven laat die [benadeelde partij 1] daar droppen

Op een tijdstip later diezelfde dag vond het volgende gesprek plaats tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] .

[medeverdachte 1] : yo die shit is actief kom naar Sloterdijk

[verdachte] : Sloterdijk ben je Sloterdijk?

[medeverdachte 1] : Ja station Sloterdijk. Je kan met die waggie komen boven.

[verdachte] : Uh boven?

[medeverdachte 1] : Ja.

[verdachte] : Ja safi is goed. Ik ben nu Schinkel

[medeverdachte 1] : Is goed. Hij is Oss, in Osso ontmoet ie een mattie, je moet snel komen.

[verdachte] : Hij is in Oss in slo?

[medeverdachte 1] : Oss in osso.

[verdachte] : In osso?

[medeverdachte 1] : Osso in Oss!

[verdachte] : In Oss?

[medeverdachte 1] :Ja broer

Op 11 mei 2017 te 20.02 uur zijn [verdachte] , [medeverdachte 1] en [naam] aangehouden op de rijksweg A2 ter hoogte van Zandbommel. Op 22 mei 2017 is [medeverdachte 2] aangehouden, omdat pas later bekend werd dat hij degene was achter een van de gebruikte telefoonnummers.

Na de aanhouding van verdachten hebben er doorzoekingen plaatsgevonden in hun woningen.

In de woning van [verdachte] is er een Imac, een Apple laptop, een GPS tracker, een geheugenkaart en een transponder in beslaggenomen. In de zolderbox horend bij de woning van [medeverdachte 1] zijn een kogelwerend vest en 2 plasticvuilniszakken aangetroffen. Eén met patroonhouders en losse munitie en één met een automatisch wapen. Op de vuilniszak waar het vuurwapen is aangetroffen is een dactyloscopisch spoor gevonden, dat blijkens onderzoek aan [medeverdachte 1] kan worden toegeschreven. Verder zijn er in de zolderbox een microcamera en twee dozen met microcamera’s, telefoons een jammer en plaatsbepalingsapparatuur aangetroffen.

Het wapen is aan nader onderzoek onderworpen en het bleek een volautomatisch aanvalsgeweer, merk Zastava, type AK-47 te zijn. Het geweer was niet voorzien van een uitneembaar patroonmagazijn met munitie. In de kamer van de loop van het vuurwapen zat geen patroon. Het wapen was dus ongeladen. Dit geweer is bestemd om projectielen door een loop af te schieten.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of bovengenoemde onderzoeksbevindingen, in onderling verband bezien met de overige inhoud van het dossier, leiden tot de conclusie dat [verdachte] en zijn medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 46 Sr.

4.1.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, overeenkomstig haar schriftelijk requisitoir, op het standpunt gesteld dat al de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden. Zij heeft daartoe samengevat het volgende aangevoerd.

Feit 1

Uit de tapgesprekken, observaties en bevindingen van de politie volgt dat verdachten [benadeelde partij 2] al een tijd volgden. Verdachten stellen dat zij niet tot doel hadden om [benadeelde partij 2] van het leven te beroven, maar dat zij slechts een inbraak wilden plegen. Uit het dossier volgt dat dit niet klopt. In dat geval zou voor hen immers alleen van belang zijn om de locatie van de woning van [benadeelde partij 2] vast te stellen en te achterhalen wanneer hij wel en niet aanwezig was. Verdachten hebben hem echter ook gevolgd naar Oss en naar Nieuw-Vennep. Het is op basis daarvan duidelijk dat [benadeelde partij 2] verdachten naar de buit moest leiden om hem te beroven. Dat [benadeelde partij 2] het vervolgens met zijn leven moest bekopen volgt uit de afgeluisterde gesprekken. Uit het gesprek van 10 mei 2017 tussen [medeverdachte 1] en twee gedetineerden volgt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] zich in een auto bevonden met een kalasjnikov, nu [medeverdachte 1] daarin tegen [verdachte] zegt: “ah broer verstop ze, verstop die kalasjnikov he sahbi, niet zo optisch, verstop die kalasjnikov.” De aanwezigheid van [verdachte] in de auto volgt uit de herkenning van zijn stem op de achtergrond, telecomgegevens en de verklaring van [medeverdachte 1] die bevestigt dat [verdachte] bij hem was op dat moment. Daarnaast is het gesprek van 11 mei 2017 in het bijzonder van belang waarin het specifiek gaat over “liquidaties plegen”. Bovendien volgt uit de verklaringen van verdachten dat het de bedoeling was dat [benadeelde partij 2] aanwezig was bij de beroving. Deze gesprekken moeten serieus genomen worden nu er ook daadwerkelijk een kalasjnikov in de zolderbox van [medeverdachte 1] is aangetroffen. Resumerend duidt dit dossier niet op een inbraak, maar op voorbereiding van een overval en moord.

Verdachten hebben teneinde de voorbereiding adequaat uit te kunnen voeren diverse voorbereidingsmiddelen voorhanden gehad, te weten auto’s en plaatsbepalingsapparatuur voor de voorverkenning. Daarnaast zijn het automatische wapen, de munitie en het kogelwerende vest aangetroffen in de zolderbox van [medeverdachte 1] . Deze middelen zijn in onderlinge samenhang met de overige bewijsmiddelen uit het dossier bezien, geschikt om een moord en een overval uit te voeren.

[verdachte] en [medeverdachte 1] hebben beiden actief deelgenomen om het doelwit in kaart te brengen en daarnaast hebben zij beiden gesproken over wapens, liquidaties en over de wijze van uitvoering. Zij hebben daarom samen en in vereniging een moord en diefstal met geweld voorbereid.

Na aanhoren van het pleidooi heeft de officier van justitie zich beperkt tot het vorderen van een bewezenverklaring van het voorbereiden van een gekwalificeerde doodslag.

Feit 2

In de zolderbox van [medeverdachte 1] zijn het volautomatische geweer, de bijbehorende patroonmagazijnen en de bijbehorende munitie aangetroffen. Op de vuilniszakken waarin het wapen, de patroonmagazijnen en de munitie zijn gevonden zaten zijn vinger- en handpalmafdrukken en [medeverdachte 1] heeft bekend dat hij wist van de aanwezigheid van het wapen. Hij heeft verklaard dat hij het wapen voor anderen bewaarde, maar dat is gelet op hetgeen is gerekwireerd onder feit 1 niet geloofwaardig ook al doet het voor het bewijs van dit feit niet ter zake.

4.1.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleidooi, op het volgende standpunt gesteld.

Feit 1

De rechtbank dient vast te stellen welk concreet strafbaar feit door [verdachte] is voorbereid. Daarin kunnen geen alternatieven worden opengelaten tenzij dat voor de strafrechtelijke betekenis van het feit van geen belang is.

Uit het dossier komt naar voren dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de dagen voor hun aanhouding [benadeelde partij 2] in de gaten hielden met het doel een woninginbraak te plegen. Dit volgt onder meer uit de verklaringen van alle drie de verdachten. Uit het dossier blijkt geenszins dat zij een levensdelict, dan wel een feit met een geweldscomponent aan het voorbereiden waren. Het gesprek gevoerd tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] op 11 mei 2017 over “liquidaties doen” kan gelet op de gekscherende toon van het gesprek niet serieus genomen worden. Bovendien kan er geen link worden gelegd tussen dit gesprek en een concreet slachtoffer. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] op de achtergrond is te horen in het gesprek van 10 mei 2017 gevoerd door [medeverdachte 1] . Ook al zou dit wel het geval zijn, kan op basis van dit gesprek niet worden beoordeeld of [verdachte] en [medeverdachte 1] op dat moment in de aanwezigheid van een of meer kalasjnikovs waren, laat staan dat het de bedoeling was deze te gebruiken. Verder zijn er tijdens de aanhouding van [verdachte] en [medeverdachte 1] geen voorwerpen aangetroffen die duiden op een liquidatie of geweldpleging.

Feit 2

Betrokkenheid van [verdachte] bij dit feit zou uitsluitend moeten worden aangenomen op basis van een multi-interpretabel tapgesprek. Bovendien kan niet worden vastgesteld of [verdachte] bij dit gesprek aanwezig was en evenmin welke delen van dit gesprek hij heeft gehoord. Hij dient dan ook vrijgesproken te worden van dit feit.

4.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

Voorbereidingshandelingen (feit 1)

Uit voorgaande feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachten [benadeelde partij 2] al enige dagen volgden voorafgaand aan hun aanhouding op 11 mei 2017. Uit deze omstandigheid, de afgeluisterde gesprekken en de aangetroffen goederen, die geschikt zijn om criminele activiteiten mee te ondernemen, volgt dat verdachten actief waren in het criminele circuit. Dit hebben verdachten bij de politie en tijdens de terechtzitting bevestigd. Voor de rechtbank staat dan ook vast dat verdachten [benadeelde partij 2] hebben gevolgd vanuit criminele motieven.

Voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk voorwerpen bestemd tot het begaan van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, voorhanden heeft gehad. Dus zal moeten worden bewezen dat de voorwerpen die de verdachte en zijn (eventuele) medeverdachten voorhanden hadden bestemd waren tot het begaan van een misdadig doel. Bij oordelen aangaande het bewijs van dat doel spelen in beginsel alle feiten en omstandigheden van het geval een rol.

De centrale vraag waar de rechtbank zich vervolgens voor gesteld ziet is of (met een voldoende mate van bepaaldheid) kan worden vastgesteld wat het criminele doel van verdachten was en indien dit kan, of de voorbereiding van dat doel strafbaar is. Hierbij hoeft het weliswaar nog niet te gaan om een naar tijd en plaats gespecificeerd misdrijf, maar moet wel sprake zijn van een min of meer concreet strafbaar feit.

Volgens de officier van justitie volgt voornamelijk uit de hierboven opgenomen gespreksessies in combinatie met het bij [medeverdachte 1] aangetroffen wapen dat verdachten als doel hadden om een overval op [benadeelde partij 2] te plegen en hem vervolgens van het leven te beroven. De verdediging heeft aangevoerd dat deze gevolgtrekkingen, die de officier van justitie trekt uit de gespreksessies, niet kloppen. De rechtbank zal de betreffende – in de inleiding opgenomen – gesprekken hieronder in chronologische volgorde behandelen.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat [verdachte] zich in de auto met [medeverdachte 1] bevond gedurende het gesprek van 10 mei 2017 met sessienummer 33250. Hoewel er zeer terughoudend met de stemherkenning van [verdachte] moet worden omgegaan, temeer nu het Nederlands Forensisch Instituut geen stem vergelijkend onderzoek heeft kunnen uitvoeren omdat de kwaliteit van het geluidsfragment te kort schiet en de achtergrondgeluiden van korte duur zijn, acht de rechtbank voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig waaruit volgt dat het niet anders kan dan dat [verdachte] aanwezig was. Hij heeft namelijk enkele minuten voor en na het gesprek met dezelfde telefoon van [medeverdachte 1] (gespreksessies 33242 en 33265) naar [medeverdachte 2] gebeld. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] tijdens zijn verhoor op 9 november 2017 verklaard dat hij volgens hem met [verdachte] was toen hij het gesprek met sessienummer 33250 voerde.

In dit gesprek zou [medeverdachte 1] twee keer verwijzen naar [benadeelde partij 2] namelijk met “leipe baba” en “bigge hede” en zouden verdachten een kalasjnikov bij zich hebben volgens de politie. De rechtbank vindt dit gesprek voor meerdere interpretaties vatbaar. Op basis van dit enkele gesprek kan dan ook niet worden vastgesteld dat zij met leipe baba en bigge hede naar [benadeelde partij 2] verwijzen, het kan net zo goed, zoals verdachten stellen, om [medeverdachte 2] , of een andere persoon, gaan. Daar komt bij dat er de volgende dag tijdens de aanhouding geen wapen in de auto is aangetroffen en er geen dactyloscopische sporen zijn aangetroffen op het enige – hierna te bespreken - wapen dat wel is gevonden gedurende dit onderzoek. Het is daarom niet vast te stellen of verdachten op dat moment een wapen bij zich droegen.

Het gesprek gevoerd tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] op 11 mei 2017 is naar het oordeel van de rechtbank eveneens multi-interpretabel. Het is een onsamenhangend gesprek en er volgt geen concreet plan of een beoogd slachtoffer uit. Voorts is er diezelfde dag op het moment van aanhouding van de verdachten geen twee ton noch enig ander substantieel geldbedrag aangetroffen in de auto, terwijl [medeverdachte 1] dit geldbedrag bij zich zou dragen gelet op het gesprek.

Net zoals bij de twee hiervoor besproken gesprekken kan de rechtbank ook niet vaststellen wat de achterliggende gedachte was achter het gesprek tussen verdachten van 15 juni 2017. Als verdachten in dit gesprek al hebben afgesproken dat zij iets zouden verbloemen, is bovendien niet duidelijk welk concreet misdrijf zij dan aan het voorbereiden waren op basis van dit gesprek.

Levensdelict

Al met al kan de rechtbank uit deze gesprekken - noch uit andere in het dossier vervatte gesprekken - niet afleiden dat verdachten de intentie hadden om [benadeelde partij 2] om het leven te brengen. De rechtbank dient een grote terughoudendheid te betrachten met het interpreteren van eventuele bewijsstukken en zonder concrete ondersteuning van een bepaalde interpretatie in het dossier kan zij niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat er één de juiste is. Het dossier biedt ook verder geen aanknopingspunten waaruit volgt dat verdachten van plan waren om [benadeelde partij 2] van het leven te beroven, nog daargelaten dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] wist van aanwezigheid van een kalasjnikov in de zolderbox van [medeverdachte 1] .

(Woning)diefstal met geweld/ nachtelijke uren

De rechtbank wil gezien het volggedrag van verdachten, hun eerdere afgeluisterde conversaties over onder meer het rippen van drugs, de bij hen aangetroffen voorwerpen en de verklaringen van verdachten zelf, wel aannemen dat zij uit waren op een buit waar [benadeelde partij 2] hen naartoe moest leiden. Ofwel in zijn woning ofwel op een andere plek. Het voorbereiden van het stelen van een dergelijke buit is enkel strafbaar indien zij van plan waren dit te doen in de nachtelijke uren vanuit de woning van [benadeelde partij 2] of in combinatie met geweld, gelet op het minimumeis van acht jaren gevangenisstraf. Dat er een plan was om [benadeelde partij 2] thuis in de nachtelijke uren te beroven, dan wel dit met geweld te doen, is op basis van de bewijsmiddelen in het dossier onvoldoende komen vast te staan. Het is ook denkbaar dat verdachten, op het moment dat zij op de hoogte waren van de locatie van de beoogde buit deze zouden proberen te stelen op een moment dat [benadeelde partij 2] daar niet bij aanwezig zou zijn.

Verdachten hebben zelf stellig en consequent verklaard zich niet met voorbereiding van levensdelicten, van een beroving of een woningoverval in de nachtelijke uren te hebben beziggehouden. Hoewel het misschien geen verbazing mag wekken dat een verdachte met een beschuldiging boven het hoofd als in het onder 1 ten laste gelegde een verklaring van die strekking aflegt, kan de rechtbank daaraan niet zonder meer voorbij gaan. Helemaal nu het dossier, zoals uit het voorgaande al bleek, verder geen concrete aanknopingspunten biedt die op andere gerichte plannen wijzen.

De rechtbank komt alles overziend tot de slotsom dat niet kan worden vastgesteld of en op welk soort misdrijf met een strafmaximum van acht jaren de voorbereidingshandelingen die verdachten wordt verweten waren gericht, zodat [verdachte] wordt vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

Wapenbezit (feit 2)

Zoals uit het door de rechtbank overwogene onder feit 1 volgt, kan zij niet vaststellen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] gedurende het gesprek op 10 mei 2017 een kalasjnikov in de auto meevoerden. Verder bevat het dossier geen bewijs dat [verdachte] wetenschap had van de aanwezigheid van het wapen en de munitie in de zolderbox van [medeverdachte 1] . [verdachte] wordt dan ook vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

4.2.

Woningoverval op de [adres] (feit 3)

Aan [verdachte] wordt verder verweten dat hij op 6 oktober 2016 heeft geprobeerd in te breken in de woning aan de [adres] te Amsterdam, waarbij geweld zou zijn gebruikt tegen een bewoner. De bewoner heeft aangifte gedaan van dat wat zich volgens hem in de nacht van 5 op 6 oktober 2016 heeft afgespeeld. Volgens de aangever stonden er rond 02.45 uur ’s nachts meerdere mannen voor de deur en schreeuwde één van hen – toen duidelijk was geworden dat de aangever thuis was – dat de aangever de deur open moest doen en dat hij ‘wit’ of ‘wiet’ had. De aangever heeft de deur niet geopend. Korte tijd later hebben dezelfde vier mannen en nog een vijfde man geprobeerd de deur open te breken: met een koevoet en door ertegenaan te trappen.1 Dat leidt de rechtbank af uit de verklaringen van de aangever en uit de bij de aangifte gevoegde foto’s van braaksporen en een schoenafdruk op de deur.2

Van deze feiten gaat de rechtbank uit. De vragen die voorliggen, zijn of [verdachte] één van de personen is die aan het voorgaande heeft deelgenomen en zo ja hoe die handelingen moeten worden gekwalificeerd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] een van de daders is en dat hier sprake is van een poging woningoverval en beroept zich daarbij op beelden van beveiligingscamera’s in het appartementencomplex.

Verweren met betrekking tot de camerabeelden

Volgens de raadsman dienen die beelden van het bewijs te worden uitgesloten omdat – kort gezegd – twijfel zou bestaan of die beelden rechtmatig verkregen en van het betreffende feit zijn, nu een vordering ex artikel 126d van Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv.) ontbreekt. De rechtbank verwerpt dat verweer. Hoewel de rechtbank het met de raadsman eens is dat uit het dossier niet is af te leiden hoe de politie de beelden heeft verkregen, staat het ontbreken van een vordering ex artikel 126nd Sv., in de onderhavige zaak niet aan het gebruik van de beelden voor het bewijs in de weg. Bewijsuitsluiting kan op grond van artikel 359a, eerste lid, Sv., immers slechts aan de orde zijn indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden en daardoor nadeel is geleden door [verdachte] . Dat daar sprake van is, is door de verdediging niet gesteld en is ook anderszins niet gebleken. Zonder nadere onderbouwing is ook niet goed voorstelbaar welk strafvorderlijk voorschrift hier in het geding zou zijn. De enkele omstandigheid dat de vordering ontbreekt is in ieder onvoldoende om tot bewijsuitsluiting over te gaan. Het verweer wordt verworpen.

Daarnaast is volgens de raadsman niet vast te stellen dat de beelden afkomstig zijn van camera’s die in het appartementencomplex aan de [adres] hangen. De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Ondanks het ontbreken van de vordering is duidelijk dat de beelden afkomstig zijn van camera’s in het bewuste appartementencomplex. Dat blijkt allereerst uit de omschrijving van de beelden door verbalisanten, die immers bevindingen opmaken over de ‘beelden [adres] ’.3 De beelden zijn door de aangever aan de politie verschaft4 en zijn van dezelfde datum en tijdstippen als door de aangever omschreven.5 De rechtbank ziet dan ook geen enkele reden om te twijfelen aan het feit dat de beelden afkomstig zijn van camera’s in het betreffende complex.

Beoordeling van de herkenningen

De rechtbank heeft de bewegende beelden gezien en heeft vastgesteld dat de beelden in beginsel van voldoende kwaliteit zijn om personen op te herkennen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer voor zover dit inhoudt dat de beelden niet van voldoende kwaliteit zijn om herkenningen op te baseren. Ondanks dat de beelden ’s nachts zijn gemaakt en het relatief donker is, zijn de beelden scherp en zijn kleuren te onderscheiden.6 Op de beelden zijn ook details, zoals een witte ritssluiting7 en schoenzolen te zien. Kortom, de rechtbank ziet tot zover geen reden om de beelden niet te kunnen gebruiken voor het bewijs. De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord, is of de herkenningen die gebaseerd zijn op deze beelden, gebruikt kunnen worden voor het bewijs. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op de beelden zijn eerst vier en later vijf personen te zien. Door verbalisanten zijn verschillende handelingen beschreven die op de beelden te zien zijn, onder meer dat 1) vier personen iets voor 3 uur ’s nachts de trap van het appartementencomplex op- en na een paar minuten weer af gaan en het appartementencomplex verlaten en 2) rond half vier ’s nachts vijf personen via de garage het appartementencomplex binnen gaan en de trap op lopen. Ook omvat de beschrijving de vaststelling dat één van de personen zijn arm onnatuurlijk recht houdt wanneer zij bij het appartementencomplex terugkeren, hetgeen volgens de beschrijvende verbalisant zou kunnen betekenen dat die persoon een koevoet in zijn mouw heeft verstopt. Gelet op hoezeer de beschrijving van de beelden aansluit op de aangifte, bevestigt voornoemde beschrijving de aangifte en worden de personen op de beelden hierna aangeduid als de daders. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte één van die daders is.

De officier van justitie meent van wel en verwijst daarbij naar verschillende herkenningen door verbalisanten die op basis van de beelden zijn gedaan. De verdediging acht die herkenningen niet betrouwbaar – kort gezegd – omdat verschillende verbalisanten onvolledig zijn geweest bij het verbaliseren.

De rechtbank oordeelt dat de herkenningen wel betrouwbaar zijn. Dat motiveert de rechtbank als volgt. Duidelijk is dat het niet gemakkelijk is om op basis van de beelden herkenningen te doen. Het zijn beelden die ’s nachts zijn gemaakt en de daders hebben delen van hun gezichten bedekt. In zoverre heeft de verdediging gelijk en is de rechtbank enigszins terughoudend ten aanzien van herkenningen op basis van die beelden. Toch hebben de verbalisanten op ambtseed en, voor het grootste deel, met volle overtuiging – in de zin dat zij bewoordingen als ‘herkende onmiddellijk’ en ‘herkende direct’ hebben gebruikt – op ambtseed of -belofte geverbaliseerd [verdachte] en medeverdachten te herkennen.

Op die directheid of onmiddellijkheid heeft de verdediging verweer gevoerd. Terecht is opgemerkt dat uit het dossier blijkt dat verbalisant(en) [verbalisant 1] (en [verbalisant 2] ) de beelden waarop zij [verdachte] (of een medeverdachte) hebben herkend, een half jaar eerder al hadden bekeken. Voor [verdachte] is dat niet direct relevant, want die onjuistheden betreffen de herkenningen van [medeverdachte 1] . Volgens de verdediging geeft dat wel aan dat met herkenningen door verbalisanten in algemene zin behoedzaam moet worden omgegaan en dat niet zonder meer (dubbele bewijs)waarde moet worden gehecht aan herkenningen door verbalisanten.
De rechtbank onderschrijft dat het van belang is behoedzaam om te gaan met processen-verbaal waarin aantoonbaar onjuistheden zitten. In dit geval echter is het goed mogelijk dat de verbalisanten hebben bedoeld [medeverdachte 1] “meteen” te herkennen toen zij de beelden bekeken nádat zij [medeverdachte 1] hadden leren kennen via andere werk gerelateerde ontmoetingen. Zo heeft verbalisant [verbalisant 2] verklaard dat hij [medeverdachte 1] regelmatig op straat ziet, maar niet dat hij [medeverdachte 1] al kende in 2016. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] kent uit
Bos en Lommer en dat hij [medeverdachte 1] een paar weken eerder nog had gecontroleerd.
De rechtbank vindt dat hiermee voldoende is onderbouwd dat deze verbalisanten [medeverdachte 1] in eerste instantie niet, maar later wel herkennen op dezelfde beelden. Dat [verbalisant 1] met
“een paar weken” ruim zes weken moet hebben bedoeld, omdat [medeverdachte 1] begin mei voorlopig is gehecht, zou goed kunnen. De rechtbank ziet in het feit dat de beide verbalisanten onvolledig zijn geweest, in de zin dat zij niet hebben opgeschreven dat zij de beelden een half jaar eerder ook al hadden bekeken, geen reden om die herkenningen onbetrouwbaar te achten.

De rechtbank acht de herkenningen die 1) zijn gedaan op basis van bewegende beelden, 2) zijn onderbouwd met bijvoorbeeld specifieke, onderscheidende kenmerken en 3) zijn gedaan door verbalisanten die de betreffende verdachte al kenden, betrouwbaar. Algemeen bekend is dat het makkelijker is om iemand te herkennen van bewegende beelden en om herkenningen te doen als de ‘herkenner’ ervaring heeft met het te herkennen subject. Anders gezegd: als je iemand kent, kun je hem of haar sneller hérkennen. Volgens de rechtbank is dat wat hier aan de hand is en is daarom begrijpelijk dat verbalisanten verdachten hebben herkend, daar waar dat voor anderen moeilijker is. Als herkenningen zijn onderbouwd, zijn die herkenningen voor de rechtbank ook nog enigszins controleerbaar. Om die reden acht de rechtbank herkenningen die aan de genoemde voorwaarden voldoen, ook nu zij daar behoedzaam mee omgaat, betrouwbaar en van waarde voor het bewijs.

De rechtbank vindt de herkenning zoals die is gedaan door verbalisant [verbalisant 3] , niet bruikbaar voor het bewijs. Op basis van het dossier is het voor de rechtbank niet duidelijk geworden op basis van welke beelden deze herkenning heeft plaatsgevonden.

De herkenningen zoals die zijn gedaan door verbalisanten [verbalisant 1] ,8 [verbalisant 4]9 en [verbalisant 5]10 zijn wel bruikbaar voor het bewijs. Uit de betreffende herkenningen blijkt dat die verbalisanten de bewegende beelden hebben bekeken. Zij hebben ook duidelijk gemaakt aan de hand van welke specifieke kenmerken zij die herkenningen hebben gedaan en hebben telkens verklaard dat en waarvan zij [verdachte] kennen.

De rechtbank gaat dus uit van die – betrouwbare – herkenningen.

Dat betekent dat vaststaat dat [verdachte] en [medeverdachte 1] , samen met anderen, aanwezig waren bij de woning aan de [adres] . De volgende vraag is hoe hun aanwezigheid daar dient te worden gekwalificeerd. De aangever heeft verklaard dat de groep twee keer aan de deur is gekomen, waarbij de eerste keer dreigend werd geroepen en de tweede keer tegen de deur werd getrapt en getracht werd de deur te openen met een koevoet.

De rechtbank kwalificeert de feitelijkheden niet als een poging tot woninginbraak, maar als een poging tot woningoverval nu uit de beschreven gang van zaken duidelijk naar voren komt dat de daders, toen zij merkten dat de aangever thuis was, hebben doorgezet. Nadat zij de eerste keer ter plaatse zijn geweest en hebben geroepen tegen de aangever, hebben zij zelfs nog breekgereedschap gehaald. Vervolgens hebben ze geprobeerd deur van de woning te forceren met het kennelijke doel naar binnen te gaan en iets te stelen, terwijl zij wisten dat er iemand in die woning aanwezig was. Dat zijn handelingen die gelet op de uiterlijke verschijningsvorm niet anders kunnen worden begrepen dan dat verdachten het risico op het moeten (dreigen met het) gebruiken van geweld tegen de bewoner(s) op de koop toe hebben genomen. De rechtbank wordt gesterkt in die lezing van de gebeurtenissen door de mate van agressie die door verdachten is geuit. In het bijzonder door tegen de aangever te roepen dat hij de deur open moest doen omdat verdachten dachten dat hij iets had wat zij kennelijk wilden hebben, dat zij zijn weggegaan en teruggekomen met zwaarder geschut en uit het trappen tegen de deur. De aangever heeft die agressie ook opgemerkt en uitdrukkelijk benoemd in zijn aanvullende verklaring. Kortom, onder de gegeven omstandigheden kan het niet anders dan dat sprake zou zijn van enige vorm van (bedreiging met) geweld naar de personen in de woning toe en dus van diefstal met geweld als het feit zou zijn voltooid. De rechtbank acht daarom het onder 3 ten laste gelegde bewezen.

Medeplegen

[verdachte] heeft gezwegen en dus geen uitleg gegeven over wat de groep daar deed en over wat zijn rol in dat verband was. Uit het dossier, en dan in het bijzonder uit de beschrijving van de beelden, is niet gebleken van omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat aan [verdachte] een beperktere rol moet worden toebedeeld dan medepleger.

Vrijwillige terugtred?

De raadsman heeft zich (meer subsidiair) op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een vrijwillige terugtred. De mannen zijn immers de tweede keer al na drie minuten vertrokken en daarna niet meer teruggekeerd. Kennelijk hebben de mannen zelf besloten om het plan niet door te zetten, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Nog afgezien dat de vraag of sprake kan zijn van vrijwillige terugtred bij een poging, waarbij immers is vastgesteld dat sprake was van een begin van uitvoering, zich lastig laat beantwoorden, heeft [verdachte] geen enkele verklaring afgelegd over de situatie bij de deur. Hij heeft dus ook geen inzicht gegeven in de beweegredenen om te stoppen. Het staat dan ook niet vast dat [verdachte] en zijn mededaders zijn opgehouden met geweld tegen de deur enkel en alleen omdat zij uit eigen beweging wilden afzien van de voorgenomen woningoverval.

4.3.

Heling van een iMac (feit 4)

Bij de doorzoeking van de woning van [verdachte] is een iMac aangetroffen.11 Die iMac bleek gestolen te zijn.12 [verdachte] heeft verklaard de iMac voor € 350,- te hebben gekocht op de bazaar in Beverwijk en te hebben gedacht dat het een koopje was.13 Volgens de raadsman hoeft zo’n laag bedrag – door de officier van justitie afgezet tegen de nieuwprijs van € 2.000,- – geen reden te zijn voor wantrouwen omdat iMacs tweedehands voor uiteenlopende prijzen te koop staan en er in dit geval ook nog een grote barst in het scherm zat. De rechtbank gaat niet mee in dat verweer. iMacs zijn (ook als in het scherm een – relatief eenvoudig te repareren barst – zit) waardevolle objecten. [verdachte] wist dat want hij heeft deze aankoop ‘een koopje’ genoemd.

Bij zulke “koopjes” op tweedehandsmarkten, waar vaker gestolen goederen worden verkocht, kun je er niet zonder meer van uit gaan dat iets niet gestolen is; zeker niet als het gaat om een duur object zoals een Apple computer, zoals in het onderhavige geval. Er geldt dan een onderzoeksplicht: [verdachte] had iets moeten ondernemen om zich ervan te vergewissen dat de iMac niet gestolen was. Het had bijvoorbeeld in de rede gelegen om een aankoopbewijs te vragen of om bij gebreke daarvan door te vragen. [verdachte] heeft niets aangevoerd of over gelegd waaruit de rechtbank kan afleiden dat hij aan die onderzoeksplicht heeft voldaan. Sterker nog, hij heeft verklaard dat hij ‘dat niet heeft gecontroleerd’. [verdachte] is daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig geweest. De rechtbank kwalificeert het handelen van [verdachte] dus als schuldheling. Zij zal [verdachte] vrijspreken van de ten laste gelegde opzetheling en acht uitsluitend het impliciet subsidiair ten laste gelegde bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de voetnoten vervatte bewijsmiddelen bewezen dat [verdachte]

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

op twee tijdstippen op 6 oktober 2016 te Amsterdam, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, omstreeks 02.48 uur en/of 03.36 uur, telkens ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen uit een woning, gelegen aan de [adres] , een hoeveelheid drugs en/of een of meer goed(eren) en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen drugs en/of goederen en/of geldbedrag onder hun bereik te brengen door middel van braak en welke poging diefstal door middel van braak werd voorafgegaan van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat verdachte en/of een van zijn mededaders zich naar die woning hebben begeven en heeft geschreeuwd: "doe open, doe open, je hebt wit", althans woorden van gelijke aard of strekking en bij die woning heeft aangebeld en geschreeuwd dat voornoemde [benadeelde partij 1] open moest doen en zich met een koevoet naar die woning hebben begeven en de deur van die woning met die koevoet hebben getracht open te breken/te forceren en tegen die deur heeft getrapt;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

in de periode van 5 maart 2016 tot en met 11 mei 2017 te Amsterdam een computer, Apple iMac met serienummer [nummer] , heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door diefstal verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Standpunten

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] voor alle ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft, gelet op het pleidooi tot vrijspraak, geen strafmaatverweer gevoerd.

8.2.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] , zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

[verdachte] heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld. Hij is naar een woning toegegaan waarbij door hem dan wel zijn mededaders, dreigende woorden zijn geschreeuwd. Hij is vervolgens naar de woning teruggegaan en heeft geprobeerd de deur te openen met gereedschap. De in de woning aanwezige bewoner heeft daarbij grote angsten uitgestaan, temeer nu hij in de woning verbleef met zijn hoogzwangere vrouw en twee kinderen. [verdachte] zich ter zitting en ook tijdens het onderzoek gepresenteerd als iemand die een gewoonte maakt van inbreken, waarbij hij de inzet van middelen als peilbakens niet schuwt. De rechtbank neemt het [verdachte] kwalijk dat hij, kennelijk puur voor zijn eigen geldelijk gewin, op een gewelddadige manier heeft geprobeerd een woning binnen te komen, waarin zich, zoals hiervoor overwogen, enkele bijzonder kwetsbare potentiële slachtoffers bevonden.

Daarnaast heeft hij een gestolen computer voorhanden gehad. [verdachte] heeft op geen enkel moment verantwoordelijkheid getoond voor zijn handelen of op wat voor manier dan ook afstand genomen van zijn criminele levenswijze.

Terwijl op zijn strafblad diverse vermogensdelicten staan, heeft [verdachte] geen inzicht willen geven in hoe hij een leven zonder criminaliteit voor zich ziet. [verdachte] heeft niet met de reclassering willen praten.

De rechtbank heeft de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in ogenschouw genomen. Deze geven voor een overval op een woning met licht geweld dan wel bedreiging met geweld een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar als uitgangspunt. De rechtbank zal deze straf als uitgangspunt nemen, en niet het uitgangspunt voor een woningoverval met ‘ander geweld’, omdat het bij een poging is gebleven en dus niet duidelijk is geworden wat voor geweld binnen zou zijn toegepast als het tot een voltooid delict was gekomen.

De rechtbank zal voor de poging woningoverval een gevangenisstraf van 104 weken opleggen. De heling van de computer rechtvaardigt daarbij een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

9 Beslag

Onder [verdachte] zijn voorwerpen in beslag genomen. Die voorwerpen zijn opgenomen op de beslaglijst die op 15 oktober 2018 is overgelegd.

De op de beslaglijst genoemde voorwerpen onder nummers 1, 3, 6, 12 en 18 dienen gelet op de vrijspraak teruggegeven te worden aan [verdachte] .

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, onder nummer 13 van de beslaglijst, dat aan [verdachte] toebehoort, dient onttrokken te worden aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien dit voorwerp is aangetroffen in het onderzoek naar het onder 1 ten laste gelegde feit, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang in onderhavig geval.

10 Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces tegen [verdachte] door een vordering tot schadevergoeding in te dienen waarin [benadeelde partij 2] vraagt om een vergoeding van de immateriële schade die hij zou hebben geleden door het onder 1 ten laste gelegde feit.

[verdachte] zal worden vrijgesproken van het feit waar de vordering van [benadeelde partij 2] op ziet. Artikel 361 lid 2 sub a van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat een benadeelde partij niet-ontvankelijk is in een vordering als geen straf of maatregel wordt opgelegd en artikel 9a Wetboek van Strafrecht niet wordt toegepast. Dat betekent voor deze zaak dat [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

11 Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Ook benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces tegen [verdachte] door een vordering tot schadevergoeding in te dienen. [benadeelde partij 1] vraagt om een vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden door het onder 3 ten laste gelegde feit.

11.1.1. De vordering

De vordering houdt (blijkens de specificatie in het schadeonderbouwingsformulier) in:

Vergoeding van materiële schade € 2.250,41

Huur eigen woning € 2.114,08

Digitale deurcamera € 89,25

Eigen risico zorgverzekering € 22,08

Huurcommissie € 25,00

Vergoeding van immateriële schade € 750,00

Totaal € 3.000,41 te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie acht de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 775,00, ter vergoeding van de posten ‘huurcommissie’ en ‘immateriële schade’. De raadsman heeft, gelet op zijn pleidooi tot vrijspraak, de vordering niet inhoudelijk betwist.

11.1.2. Bespreking van de vordering

De benadeelde partij zal in de vordering tot vergoeding van materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de opgevoerde schadeposten te complex zijn of te verwijderd zijn van het strafbare feit waar de vordering op ziet: de poging tot woningoverval. De vordering tot immateriële schadevergoeding zal ook niet-ontvankelijk worden verklaard .De rechtbank komt om de volgende redenen tot dat oordeel.

[benadeelde partij 1] is slachtoffer geworden van een ernstig misdrijf. Dat dit (een grote) impact op hem heeft gemaakt wil de rechtbank aannemen. Of die schade via voeging in het strafproces kan leiden tot een schadevergoeding, is de vraag. De wetgever stelt namelijk strenge eisen aan het toewijzen van vorderingen van benadeelde partijen. Zo is onder meer van belang 1) dat tussen het strafbare feit en het gevraagde bedrag een rechtstreeks verband bestaat en 2) dat beoordeling van de vordering niet te veel (tijd) van het strafproces vergt (dus geen complexe vorderingen).

Aan die laatste is eis niet voldaan als het gaat om de schadepost ‘huur eigen woning’.
De rechtbank begrijpt dat [benadeelde partij 1] en zijn gezin na het feit tijdelijk ergens anders moesten wonen. Daardoor is [benadeelde partij 1] woongenot ontnomen en dat is schade die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. Welk bedrag daaraan gekoppeld zou moeten worden is een vraag die niet gemakkelijk kan worden beantwoord. In ieder geval kan niet zonder meer worden gezegd dat [verdachte] om die reden de huursom aan [benadeelde partij 1] zou moeten betalen. Beoordeling van deze schadepost zou zo veel tijd vergen dat het strafproces daardoor onevenredig zou worden belast. De rechtbank zal [benadeelde partij 1] daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. [benadeelde partij 1] kan dit op een later moment aan de civiele rechter voorleggen.

Voor ‘digitale deurcamera’, ‘eigen risico zorgverzekering’ en ‘huurcommissie’ geldt dat deze schadeposten te ver verwijderd zijn van het strafbare feit. De wetgever heeft (in artikel 361 lid 2 sub b van het Wetboek van Strafvordering) bepaald dat kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen als geen sprake is van een rechtstreeks verband. De rechtbank zal [benadeelde partij 1] daarom niet-ontvankelijk verklaren voor wat betreft deze onderdelen van de vordering.

Immateriële schade kan worden gecompenseerd door een financiële vergoeding. Dat kan alleen in gevallen die bij wet (in artikel 106 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek) zijn voorzien.
De rechtbank begrijpt uit het dossier en uit de beschrijving van de gevolgen voor [verdachte] uit het schadevergoedingsformulier dat er bij [benadeelde partij 1] en zijn gezin een zeer onveilig gevoel is ontstaan na de poging tot woningoverval. Uit de vordering volgt niet dat [benadeelde partij 1] psychisch letsel heeft opgelopen en dit is wel vereist om in aanmerking te komen voor vergoeding van schade op basis van aantasting van de persoon op andere wijze in de zin van artikel 106 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36d, 36f, 45, 57, 417bis, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

13 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde partieel nietig.

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat [verdachte] het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt [verdachte] daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

poging tot diefstal, voorafgegaan van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

schuldheling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf van 106 (honderd en zes) weken.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: nummer 13.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van: 1, 3, 6, 12, 18.

Verklaart benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. L. Voetelink en E. Dinjens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Bouwman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting rechtbank van 13 november 2018.

1 Een proces-verbaal van aangifte van 6 oktober 2016 en de bijbehorende fotobijlagen (ZD [adres] , pagina’s 1-2) en een proces-verbaal van verhoor aangever inhoudende een aanvullende verklaring van 23 mei 2017 (ZD [adres] , pagina’s 5-8).

2 In aanvulling op de hiervoor genoemde processen-verbaal: fotobijlagen (ZD [adres] , pagina’s 1-2).

3 Een proces-verbaal van bevindingen ‘beelden [adres] ’ van 7 februari 2017 (ZD [adres] , pagina 14).

4 Een proces-verbaal ‘fotobijlage’ van 17 december 2016 (ZD [adres] , pagina 9A).

5 Een proces-verbaal ‘fotobijlage’ van 17 december 2016 (ZD [adres] , pagina 10-12) en een proces-verbaal van bevindingen ‘beelden [adres] ’ van 7 feb 2017 (ZD [adres] , pagina 17).

6 Zie bijvoorbeeld een proces-verbaal van bevindingen ‘beelden [adres] ’ van 7 feb 2017 (ZD [adres] , pagina 15).

7 Een proces-verbaal van bevindingen ‘beelden [adres] ’ van 7 feb 2017 (ZD [adres] , pagina 22).

8 Een proces-verbaal van herkenning ( [verbalisant 1] ) van 2 december 2016 (ZD [adres] , pagina 36-37).

9 Een proces-verbaal van herkenning ( [verbalisant 4] ) van 21 november 2016 (ZD [adres] , pagina 40-41).

10 Een proces-verbaal van herkenning ( [verbalisant 5] ) van 11 november 2016 (ZD [adres] , pagina 46-47).

11 Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming ( [adres] ) van 12 mei 2017 (ZD iMac, pagina’s 2-3).

12 Een proces-verbaal van bevindingen van 20 juli 2017 (ZD iMac, pagina 23) en een proces-verbaal van aangifte van 7 maart 2016 (ZD iMac, pagina’s 4-5) en bijbehorende bijlage (ZD iMac, pagina 7).

13 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte van 10 juli 2017 (ZD iMac, pagina 13).