Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8064

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
13/665602-16 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf en werkstraf in verband met medeplegen gewoontewitwassen. Hij heeft zijn bankrekening beschikbaar gesteld aan verdachten die zich bezighielden met afdreiging van een grote hoeveelheid slachtoffers. vrijspraak van die afdreiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/665602-16 (Promis)

13Malone

Datum uitspraak: 12 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 8, 9, 11 en 29 oktober 2018.

De zaken in het onderzoek 13Malone richten zich tegen zeven verdachten, waarvan drie meerderjarige verdachten, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] , en vier (destijds) minderjarige verdachten, te weten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] .

De zaken zijn deels gelijktijdig met elkaar en deels afzonderlijk van elkaar behandeld. De bespreking van de ten laste gelegde feiten, de vorderingen van de benadeelde partijen en het requisitoir heeft gezamenlijk plaatsgevonden. De bespreking van de persoonlijke omstandigheden van alle verdachten alsmede de pleidooien hebben telkens afzonderlijk van elkaar plaatsgevonden op diverse zittingsdagen. Daarbij heeft de behandeling van de zaken tegen de minderjarigen achter gesloten deuren plaatsgevonden. De zaken tegen de zeven verdachten zijn vervolgens allen op 29 oktober 2018 gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. Heus en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. I.A. Groenendijk, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

  1. medeplichtigheid aan medeplegen van afdreiging/afpersing van twee aangevers in de periode van 1 september 2016 tot en met 15 oktober 2016;

  2. medeplegen van (gewoonte)witwassen in de periode 23 augustus 2016 tot en met 15 december 2016 van € 9.450,--.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Op 23 september 2016 neemt de politie een aangifte op van de heer [naam 1] wonende te [woonplaats] . Hij verklaart via WhatsApp en telefonisch te zijn gechanteerd door een persoon nadat hij gereageerd zou hebben op een seksadvertentie via de internetsite speurders.nl. [naam 1] moest 200 euro betalen of anders zou de persoon aangever en zijn met naam genoemde dochter wat aandoen. Deze persoon maakte gebruik van het telefoonnummer [nummer] .

Na een zoekslag door de politie in de politiesystemen blijkt dat de heer [naam 2] wonende te [woonplaats] op 22 september 2016 bij de politie melding heeft gedaan van een vergelijkbare ervaring. Ook hij heeft gereageerd op een seksadvertentie, via de site seksjobs.nl of kinky.nl, en werd vervolgens door een persoon per SMS gedwongen geld over te maken, anders zou die persoon het leven van [naam 2] ruïneren. Ook in dit geval werd gebruik gemaakt van het telefoonnummer [nummer] . Blijkens de aangifte van [naam 2] zijn ook in de door hem ontvangen SMS berichten namen van zijn familieleden genoemd om de chantage kracht bij te zetten. Die namen waren op dat moment allemaal op zijn Facebook account te vinden.

Uit onderzoek bij de exploitant van de site Kinky.nl, Midhold BV, blijkt dat telefoonnummer [nummer] gekoppeld is aan een advertentie (nummer [nummer] met gebruikersnaam [gebruikersnaam] ) die weer is gekoppeld aan e-mailadres [e-mailadres] . Deze advertentie is op 11 augustus 2016 om 13.44 uur aangemaakt vanuit IP-adres [IP adres] en op die advertentie is vanaf 11 augustus 2016 om 16.19 uur regelmatig ingelogd vanuit IP-adres [IP adres] en IP-adres [IP adres] . Ook is deze advertentie meerdere keren ‘gepusht’, wat inhoudt dat deze beter zichtbaar is gemaakt. Bij dit ‘pushen’ is gebruik gemaakt van telefoonnummer [nummer] . Naast de twee voornoemde telefoonnummers zijn ook de nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] gekoppeld geweest aan deze advertentie.

Volgens Midhold BV is IP-adres [IP adres] gelinkt aan Delft. Het bedrijf heeft klachten gehad van klanten dat er geld werd afgegeven aan Marokkanen. Daarom zijn er advertenties offline gezet. Vanuit het IP-adres [IP adres] zijn nog zes advertenties aangemaakt die zijn afgekeurd en offline gezet. Ook IP-adres [IP adres] linkt naar Delft. Vanuit dat adres zijn 22 advertenties aangemaakt, afgekeurd en offline gezet.

De politie doet op 7 oktober 2016 wederom onderzoek in de politiesystemen. Er wordt gezocht op soortgelijke meldingen en registraties. Daarbij komen 19 registraties naar voren waarin bepaalde mobiele telefoonnummers en bankrekeningnummers in verschillende combinaties voorkomen. Het gaat om de telefoonnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] en de bankrekeningnummers [rekeningnummer] , [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en [rekeningnummer] .

9 van deze registraties leiden tot aangiftes en 8 daarvan tot de onderhavige zaaksdossiers. Naast [naam 1] en [naam 2] , doen ook [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] en [naam 10] aangifte van een vergelijkbare afdreiging/afpersing. Daarbij komen naast voornoemde bankrekeningnummers ook de nummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer] voor.

[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 1] wonende [adres 1] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 5.947,-.

[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 3] wonende [adres 2] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 18.660,52.

[rekeningnummer] staat op naam van [verdachte] wonende [adres] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 9.110,-.

[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 6] wonende [adres 3] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 9.090,-.

[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 2] wonende [adres 4] . Op deze rekening worden vijf verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 1.025,-.

[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 5] wonende [adres 5] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 12.319,-.

Op de bankrekening komen verdachte betalingen voor. Dit zijn betalingen waarbij de betaler geen bekende relatie heeft met de houder van de bankrekening. Verder is hierbij relevant

de frequentie van de bijschrijvingen op de betreffende rekening en de omschrijving die daarbij staat vermeld. De bijschrijvingen bestaan doorgaans uit ronde bedragen, variërend tussen de € 50,- en € 750,-, en zijn in bepaalde gevallen afkomstig van de hierboven genoemde aangevers. Een zeer groot deel van de bedragen is vrijwel direct na de overmaking contant opgenomen.

Uit nieuwe informatie van Midhold B.V. en Tease Media B.V., exploitant van de website sexjobs.nl, blijkt vervolgens dat de telefoonnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , de gebruikersaccounts [e-mailadres] , [e-mailadres] , [e-mailadres] , [e-mailadres] , [e-mailadres] en de twee eerder genoemde IP-adressen in verschillende combinaties zijn gekoppeld aan seksadvertenties. Het IP-adres [IP adres] staat op naam van [naam 11] [adres 1] , het woonadres van verdachte [medeverdachte 1] . Het IP-adres [IP adres] staat op naam van [naam 12] , [adres 6] , het woonadres van verdachte [medeverdachte 4] .

Bij huiszoekingen zijn onder [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] mobiele telefoons in beslag genomen. Op de telefoons die onder [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] in beslag zijn genomen zijn een groot aantal voor verdachten belastende berichten, seksadvertenties, screenshots van bankoverschrijvingen en (naakt)foto’s aangetroffen. Op de telefoon van [medeverdachte 3] zijn daarnaast screenshots aangetroffen van diverse profielen en de contactenlijsten van deze profielen afkomstig van Facebook. Verder is gebleken dat meerdere van bovengenoemde telefoonnummers gebruikt zijn in de telefoons van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] . Op de telefoon van [medeverdachte 1] zijn onder andere de gebruikersaccounts [e-mailadres] voor de website www.kinky.nl en [e-mailadres] voor de website www.sexjobs.nl aangetroffen.

Gebleken is dat een aantal van de in beslag genomen telefoons niet uitgelezen kon worden en dat van een telefoon vermoedelijk de gegevens zijn gewist door de telefoon terug te zetten in de fabrieksinstellingen. Ook zijn er vele onverklaarbare geldtransacties en blijkt dat de aard van de zaken maakt dat er een lage aangifte bereidheid is bij slachtoffers. De verdachten hebben grotendeels een beroep gedaan op hun zwijgrecht. De rechtbank realiseert zich dat het dossier zeer waarschijnlijk niet een volledig beeld geeft van de omvang van deze zaak. Wat de rechtbank wel kan vaststellen is dat deze zeven verdachten een rol spelen in bovenstaand feitencomplex.


De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of deze verdachten strafrechtelijk betrokken zijn bij het afdreigen/afpersen van de aangevers, de pogingen daartoe en welke rol zij daarbij hadden en of er sprake was van onderlinge samenwerking. Verder is de vraag of er sprake is van het al of niet medeplegen van (gewoonte)witwassen van de geldbedragen die op de bankrekeningen stonden.

4.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken. Wel kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen van € 9.110,-.

4.3

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich – met de officier van justitie – op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde medeplichtigheid van afdreiging. Ook dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde (gewoonte)witwassen. Uit het dossier blijkt dat verdachte maar voor twee opnames van totaal € 1.600 verantwoordelijk is. Ook blijkt niet van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten, zodat van medeplegen geen sprake is. Door het opnemen van geld van de bankrekening door verdachte is geen sprake van verhullen. Tevens kan niet van gewoonte worden gesproken. Hij heeft gepind ten behoeve van iemand anders, het was onvoldoende frequent en te zeer verspreid. Verdachte meende dat het geld dat hij pinde bedoeld was voor een renovatie en dat deed hij als vriendendienst. Nergens blijkt uit dat verdachte wist of had moeten vermoeden dat dit geld afkomstig van enig misdrijf.

4.4

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsvrouw niet bewezen wat onder 1 ten laste is gelegd. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om tot de conclusie te kunnen komen dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de afdreiging van de slachtoffers [naam 4] en [naam 9] . Het enkele feit dat de aangevers geld op de bankrekening van verdachte hebben gestort, is daarvoor onvoldoende. Verdachte zal dan ook van dat feit worden vrijgesproken.

Feit 2

Ter beoordeling van de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf" niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting af dat in de periode van 23 augustus 2016 tot en met 31 oktober 2016 een grote hoeveelheid bijschrijvingen plaatsvindt op de bankrekening van verdachte met een totaalbedrag van € 9.110,-. Het gaat telkens om ronde bedragen, variërend tussen de € 30,- en € 400,-, afkomstig van verschillende personen, soms meerdere keren van dezelfde persoon en meermalen onder de omschrijving ‘gift’. De overmakingen zijn deels afkomstig van aangevers [naam 4] en [naam 9] . Te zien is dat verdachte de bedragen kort na de bijschrijving steeds ook weer grotendeels contant opneemt via pinopnames bij geldautomaten en een deel besteedt in winkels.


Op grond daarvan acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat het voorwerp in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig is, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van dat voorwerp.

Verdachte heeft zich eerst beroepen op zijn zwijgrecht. In de raadkamer heeft verdachte verklaard dat hij geld liet storten op zijn bankrekening voor twee a drie onbekende jongens die om hulp vroegen, omdat ze pas net in Delft kwamen wonen. Hij heeft hen de stad laten zien. De jongens wilden zijn bankrekening gebruiken in verband met een renovatie van hun woning.

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring van verdachte niet kan worden aangemerkt als een verklaring die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Verdachte heeft door zijn handelen de aanmerkelijke kans aanvaard dat het om crimineel geld ging dat via zijn bankrekening in contant geld is omgezet door het te pinnen dan wel uit te geven. Door de grote hoeveelheid van transacties en opnames in de ten laste gelegde periode acht de rechtbank het medeplegen van gewoontewitwassen wettig en overtuigen bewezen.

De rechtbank is daarbij van oordeel dat verdachte het gewoontewitwassen samen met anderen heeft medegepleegd. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Voor de bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s). (Vgl. HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:893). Het ter beschikking stellen van zijn bankrekening aan anderen, die zich bezig hielden met strafbare feiten, het in contact blijven met die verdachten en het veelvuldig contant opnemen van het geld vrijwel direct nadat het gestort is en het overhandigen aan die verdachten, acht de rechtbank van zodanig gewicht bij het witwassen, dat sprake is van een wezenlijke bijdrage van verdachte daaraan.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

in de periode van 23 augustus 2016 tot en met 31 oktober 2016 te Nederland tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij en zijn mededaders van geldbedragen (van in totaal 9.110 euro) de werkelijke aard, de vindplaats en/of de verplaatsing verhuld en verhuld wie (deze) geldbedragen (van in totaal 9.110 euro) voorhanden hadden

en

(deze) geldbedragen (van in totaal 9.110 euro) voorhanden gehad, overgedragen en omgezet en/of van geldbedragen gebruik gemaakt door deze geldbedragen te ontvangen op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] en vervolgens (direct) contant op te nemen, uit te geven en te overhandigen aan zijn mededader(s) terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat deze geldbedragen - middellijk of onmiddellijk - uit misdrijf afkomstig waren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar onder 2 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 27 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast dient aan verdachte te worden opgelegd een werkstraf voor de duur van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een eventuele veroordeling gekeken dient te worden naar de rol van verdachte, namelijk een kleine rol van ‘geldezel’. Hij is ook benadeeld door de hoofdverdachten doordat de door verdachte ter beschikking gestelde rekening door hen is gebruikt voor oplichtingspraktijken. Verdachte heeft dat nooit geweten. Verdachte was pas net 18 jaar, heeft geen strafblad, werkt hard en heeft een toekomst als ict-er voor ogen. De zaak is inmiddels bijna twee jaar oud. Er kan dan ook worden volstaan met een straf die gelijk is aan het voorarrest.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Hij heeft zijn bankrekening beschikbaar gesteld aan verdachten die zich bezighielden met afdreiging van een grote hoeveelheid slachtoffers. Hierdoor is er bijna 10.000 euro aan crimineel geld op zijn bankrekening gestort, wat door verdachte weer contant is gemaakt door het te pinnen. Waar het geld vervolgens is gebleven is niet duidelijk geworden. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en de openbare orde en verdachte verdient daarom straf.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 september 2018 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Hij zal dan ook worden aangemerkt als first-offender.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van een rapport van Reclassering Nederland van 15 december 2016, dat in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte is opgemaakt.

Via de officier van justitie is een bericht ontvangen van [naam coach] , coach van het team Persoonsgerichte Aanpak Delft (PAD). Hier volgt uit dat verdachte een opleiding volgt op het ROC [naam ROC] . Men is daar positief over verdachte. Daarnaast werkt verdachte als pizzakoerier.

De rechtbank zal bij de strafoplegging aansluiten bij de strafeis van de officier van justitie. De ernst van de feiten en de rol die verdachte daarbij heeft gehad, rechtvaardigen een gevangenisstraf en daarnaast een werkstraf. Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal gelijk zijn aan het voorarrest. Het tijdsverloop in deze zaak en de rol van verdachte bij de feiten, maken dat een langere onvoorwaardelijke detentie niet aan de orde is. Ter voorkoming van recidive zal een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm worden opgelegd. Daarnaast zal – gezien de omvang van het witwassen – aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf worden opgelegd.

Beslag

Onder verdachte is € 2.505,- in beslag genomen. Op dit geld ligt enkel conservatoir beslag. Om die reden zal de rechtbank hier geen beslissing over nemen ex artikel 353 Wetboek van Strafvordering. Eventuele beslissingen met betrekking tot het conservatoir beslag maken geen deel uit van dit vonnis.

Benadeelde partijen

[naam 2] (ZD 3)

De benadeelde partij [naam 2] vordert € 10.000,-- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

(gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

[naam 6] (ZD 5)

De benadeelde partij [naam 6] vordert € 1.700,-- aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

(gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

[naam 7] (ZD 6)

De benadeelde partij [naam 7] vordert € 1.000,-- aan materiële schadevergoeding en € 250,-- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

(gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

[naam 8] (ZD 7)

De benadeelde partij [naam 8] vordert € 750,-- aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

(gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

[naam 10]

De benadeelde partij [naam 10] vordert € 502,25 aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter zitting heeft de benadeelde partij zijn vordering bijgesteld naar € 475,01, omdat hij minder verlofuren heeft moeten opnemen om de terechtzitting bij te kunnen wonen dan aanvankelijk door hem was gevorderd.

(gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Medeplegen van gewoontewitwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, te weten 18 dagen, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 27 (zevenentwintig) dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 100 (honderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 (vijftig) dagen.

Verklaart [naam 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart [naam 6] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart [naam 7] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart [naam 8] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart [naam 10] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.H.J. Evers, voorzitter,

mrs. H.P.E. Has en G.M. Beunk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 november 2018.