Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8048

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2018
Datum publicatie
12-11-2018
Zaaknummer
13/665603-16 en 09/238524-15 (tul) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte veroordeeld tot jeugddetentie en werkstraf in verband met medeplegen afdreiging, pogingen daartoe en medeplegen gewoontewitwassen. Afdreiging na reageren op seksadvertentie. Grote hoeveelheden geldbedragen naar bankrekeningen verdachten overgemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/665603-16 en 09/238524-15 (tul) (Promis)

13Malone

Datum uitspraak: 12 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 8, 9, 11 en 29 oktober 2018.

De zaken in het onderzoek 13Malone richten zich tegen zeven verdachten, waarvan drie meerderjarige verdachten, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , en vier (destijds) minderjarige verdachten, te weten [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] .

De zaken zijn deels gelijktijdig met elkaar en deels afzonderlijk van elkaar behandeld. De bespreking van de ten laste gelegde feiten, de vorderingen van de benadeelde partijen en het requisitoir heeft gezamenlijk plaatsgevonden. De bespreking van de persoonlijke omstandigheden van alle verdachten alsmede de pleidooien hebben telkens afzonderlijk van elkaar plaatsgevonden op diverse zittingsdagen. Daarbij heeft de behandeling van de zaken tegen de minderjarigen achter gesloten deuren plaatsgevonden. De zaken tegen de zeven verdachten zijn vervolgens allen op 29 oktober 2018 gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. Heus en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.P. Friperson, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door de heer [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) en door mevrouw [naam 2] , namens Jeugdbescherming West (hierna: JBW) naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

  1. medeplegen van afdreiging/afpersing van vijf aangevers in de periode van 1 september 2016 tot en met 15 oktober 2016, subsidiair de medeplichtigheid daaraan ten aanzien van twee van de betreffende aangevers;

  2. poging tot medeplegen van afdreiging/afpersing van drie aangevers in de periode van 1 september 2016 tot en met 15 oktober 2016;

  3. medeplegen van (gewoonte)witwassen in de periode 1 mei 2016 tot en met 15 december 2016 van € 57.465,--.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Op 23 september 2016 neemt de politie een aangifte op van de heer [naam 3] wonende te [woonplaats] . Hij verklaart via WhatsApp en telefonisch te zijn gechanteerd door een persoon nadat hij gereageerd zou hebben op een seksadvertentie via de internetsite speurders.nl. [naam 3] moest 200 euro betalen of anders zou de persoon aangever en zijn met naam genoemde dochter wat aandoen. Deze persoon maakte gebruik van het telefoonnummer + [nummer] .

Na een zoekslag door de politie in de politiesystemen blijkt dat de heer [naam 4] wonende te [woonplaats] op 22 september 2016 bij de politie melding heeft gedaan van een vergelijkbare ervaring. Ook hij heeft gereageerd op een seksadvertentie, via de site seksjobs.nl of kinky.nl, en werd vervolgens door een persoon per SMS gedwongen geld over te maken, anders zou die persoon het leven van [naam 4] ruïneren. Ook in dit geval werd gebruik gemaakt van het telefoonnummer + [nummer] . Blijkens de aangifte van [naam 4] zijn ook in de door hem ontvangen SMS berichten namen van zijn familieleden genoemd om de chantage kracht bij te zetten. Die namen waren op dat moment allemaal op zijn Facebook account te vinden.

Uit onderzoek bij de exploitant van de site Kinky.nl, Midhold BV, blijkt dat telefoonnummer + [nummer] gekoppeld is aan een advertentie (nummer [nummer] met gebruikersnaam [gebruikersnaam] ) die weer is gekoppeld aan e-mailadres [e-mail adres] . Deze advertentie is op 11 augustus 2016 om 13.44 uur aangemaakt vanuit IP-adres [IP adres] en op die advertentie is vanaf 11 augustus 2016 om 16.19 uur regelmatig ingelogd vanuit [IP adres] en IP-adres [IP adres] . Ook is deze advertentie meerdere keren ‘gepusht’, wat inhoudt dat deze beter zichtbaar is gemaakt. Bij dit ‘pushen’ is gebruik gemaakt van telefoonnummer [nummer] . Naast de twee voornoemde telefoonnummers zijn ook de nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] gekoppeld geweest aan deze advertentie.

Volgens Midhold BV is [IP adres] gelinkt aan Delft. Het bedrijf heeft klachten gehad van klanten dat er geld werd afgegeven aan Marokkanen. Daarom zijn er advertenties offline gezet. Vanuit het [IP adres] zijn nog zes advertenties aangemaakt die zijn afgekeurd en offline gezet. Ook IP-adres [IP adres] linkt naar Delft. Vanuit dat adres zijn 22 advertenties aangemaakt, afgekeurd en offline gezet.

De politie doet op 7 oktober 2016 wederom onderzoek in de politiesystemen. Er wordt gezocht op soortgelijke meldingen en registraties. Daarbij komen 19 registraties naar voren waarin bepaalde mobiele telefoonnummers en bankrekeningnummers in verschillende combinaties voorkomen. Het gaat om de telefoonnummers + [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] en de bankrekeningnummers [rekeningnummer] , [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en [rekeningnummer] .

9 van deze registraties leiden tot aangiftes en 8 daarvan tot de onderhavige zaaksdossiers. Naast [naam 3] en [naam 4] , doen ook [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] en [naam 11] aangifte van een vergelijkbare afdreiging/afpersing. Daarbij komen naast voornoemde bankrekeningnummers ook de nummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer] voor.

[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 1] wonende [adres 1] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 5.947,-.

[rekeningnummer] staat op naam van [verdachte] wonende [adres] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 18.660,52.

[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 3] wonende [adres 3] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 9.110,-.

[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 6] wonende [adres 4] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 9.090,-.

[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 2] wonende [adres 5] . Op deze rekening worden vijf verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 1.025,-.

[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 5] wonende [adres 6] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 12.319,-.

Op de bankrekening komen verdachte betalingen voor. Dit zijn betalingen waarbij de betaler geen bekende relatie heeft met de houder van de bankrekening. Verder is hierbij relevant

de frequentie van de bijschrijvingen op de betreffende rekening en de omschrijving die daarbij staat vermeld. De bijschrijvingen bestaan doorgaans uit ronde bedragen, variërend tussen de € 50,- en € 750,-, en zijn in bepaalde gevallen afkomstig van de hierboven genoemde aangevers. Een zeer groot deel van de bedragen is vrijwel direct na de overmaking contant opgenomen.

Uit nieuwe informatie van Midhold B.V. en Tease Media B.V., exploitant van de website sexjobs.nl, blijkt vervolgens dat de telefoonnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , + [nummer] , de gebruikersaccounts [e-mail adres] , [e-mail adres] , [e-mail adres] , [e-mail adres] , [e-mail adres] en de twee eerder genoemde IP-adressen in verschillende combinaties zijn gekoppeld aan seksadvertenties. Het [IP adres] staat op naam van [naam 12] [adres 1] , het woonadres van verdachte [medeverdachte 1] . Het IP-adres [IP adres] staat op naam van [naam 13] , [adres 7] , het woonadres van verdachte [medeverdachte 4] .

Bij huiszoekingen zijn onder [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] mobiele telefoons in beslag genomen. Op de telefoons die onder [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] in beslag zijn genomen zijn een groot aantal voor verdachten belastende berichten, seksadvertenties, screenshots van bankoverschrijvingen en (naakt)foto’s aangetroffen. Op de telefoon van [verdachte] zijn daarnaast screenshots aangetroffen van diverse profielen en de contactenlijsten van deze profielen afkomstig van Facebook. Verder is gebleken dat meerdere van bovengenoemde telefoonnummers gebruikt zijn in de telefoons van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] . Op de telefoon van [medeverdachte 1] zijn onder andere de gebruikersaccounts [e-mail adres] voor de website www.kinky.nl en [e-mail adres] voor de website www.sexjobs.nl aangetroffen.

Gebleken is dat een aantal van de in beslag genomen telefoons niet uitgelezen kon worden en dat van een telefoon vermoedelijk de gegevens zijn gewist door de telefoon terug te zetten in de fabrieksinstellingen. Ook zijn er vele onverklaarbare geldtransacties en blijkt dat de aard van de zaken maakt dat er een lage aangifte bereidheid is bij slachtoffers. De verdachten hebben grotendeels een beroep gedaan op hun zwijgrecht. De rechtbank realiseert zich dat het dossier zeer waarschijnlijk niet een volledig beeld geeft van de omvang van deze zaak. Wat de rechtbank wel kan vaststellen is dat deze zeven verdachten een rol spelen in bovenstaand feitencomplex.


De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of deze verdachten strafrechtelijk betrokken zijn bij het afdreigen/afpersen van de aangevers, de pogingen daartoe en welke rol zij daarbij hadden en of er sprake was van onderlinge samenwerking. Verder is de vraag of er sprake is van het al of niet medeplegen van (gewoonte)witwassen van de geldbedragen die op de bankrekeningen stonden.

4.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat verdachte zich met medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair ten laste gelegde afdreigingen/afpersingen en de onder 2 ten laste gelegde pogingen daartoe. Tevens heeft verdachte zich met de genoemde medeverdachten schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van € 56.151, zoals onder 3 ten laste gelegd.

4.3

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Daartoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat per zaaksdossier naar de betrokkenheid van verdachte moet worden gekeken. Alleen in zaken 5 en 6 is geld gestort op de rekening van verdachte. Verder blijkt onvoldoende dat verdachte contact heeft gehad met de aangevers, dan wel samenwerkte met de medeverdachten. De Huawei telefoon behoorde niet aan verdachte toe, maar ook indien de rechtbank daar wel vanuit gaat is onvoldoende bewijs voorhanden om aan de door de Hoge Raad gestelde eisen voor medeplegen te voldoen. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde kan slechts worden gekomen tot (schuld)witwassen van het geld op de rekening van verdachte zelf met daarbij hooguit het geld dat op de rekening van [medeverdachte 2] is gestort, indien zijn voor verdachte belastende verklaring wordt gevolgd.

4.4

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen tot het oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde, te weten medeplegen van afdreigingen, pogingen daartoe en medeplegen van gewoontewitwassen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Anders dan de raadslieden hebben gedaan in hun pleidooien, isoleert de rechtbank de afzonderlijke zaaksdossiers niet van elkaar, maar komt zij tot de conclusie dat er sprake is van één feitencomplex waarin alle verdachten een rol spelen. De rechtbank baseert zich daarbij op de feiten en omstandigheden, waaronder de grote hoeveelheid van geldverplaatsingen en internetactiviteiten, die volgen uit de bewijsmiddelen zoals weergegeven in bijlage II, in onderlinge samenhang bezien. Juist in onderlinge samenhang bezien, blijkt uit de bewijsmiddelen dat er diverse dwarsverbanden zijn als het gaat om gebruikte IP-adressen, gebruikersaccounts, telefoonnummers en bankrekeningen. Juist die onderlinge verwevenheid vormt het beeld van deze zaak. Om die reden is niet van belang dat niet steeds alle vier de verdachten rechtstreeks zijn te verbinden aan ieder zaaksdossier. Ook het feit dat bepaalde feiten en omstandigheden – zoals door de raadslieden betoogd – buiten de tenlastegelegde periode vallen maakt dat oordeel van de rechtbank niet anders. Deze acht de rechtbank, als steunbewijs, relevant om tot de hieronder te noemen bewezenverklaring te komen.

Zwijgen

Zoals gezegd realiseert de rechtbank zich dat zij niet het volledige beeld heeft gekregen van de omvang van deze zaak. Dit is deels te verklaren door de proceshouding van de verdachten. Er wordt door de verdachten op belangrijke punten gezwegen of er worden niet verifieerbare verklaringen afgelegd. Op die manier hebben de verdachten niet de mogelijkheid benut om het belastende scenario dat volgt uit de bewijsmiddelen te weerleggen.

De omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken (HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584).

Telefoons

Voor het bewijs is de informatie relevant die is aangetroffen op de onder verdachten [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoons, simkaarten en simkaarthouder.

[verdachte] heeft verklaard dat de onder hem in beslag genomen Huawei telefoon niet van hem is, maar van de persoon die hem gevraagd heeft zijn bankrekening ter beschikking te stellen, ene [naam 14] . Meer heeft verdachte niet willen verklaren over die [naam 14] . In chats op de telefoon wordt op 2 en 9 december 2016 ‘ [voornaam] ’ en ‘ [adres] ’ genoemd, respectievelijk de voornaam van verdachte en de straat waarin hij woont. Op 11 september 2016 is er tweemaal door het telefoonnummer van de moeder van verdachte ingebeld op de Huawei telefoon. Ook is op de telefoon een screenshot aangetroffen van een overboeking van € 500 omstreeks 8 september 2016 door [naam 15] vanaf een ING rekening eindigend op * [nummer] , die overeenkomt met een bijschrijving op de bankrekening van [verdachte] op dezelfde datum. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de in beslag genomen Huawei telefoon toebehoort aan [verdachte] .

[medeverdachte 4] heeft niets over de IPhone die onder hem in beslag is genomen verklaard. De Alcatel is van hem, maar verder wil hij er niets over zeggen. Met deze telefoons zijn vijf telefoonnummers gebruikt die voorkomen in aangiften en meldingen van afdreiging/afpersing. Daarnaast zijn drie van deze telefoonnummers gekoppeld geweest aan advertenties en accounts op sekssites. Vanaf het IP-adres van de woning van [medeverdachte 4] is verschillende keren ingelogd op die advertenties. De rechtbank is van oordeel dat beide telefoons bij [medeverdachte 4] in gebruik waren. Dat de raadsman van [medeverdachte 4] opmerkt dat [medeverdachte 4] de IPhone tweedehands zou hebben aangeschaft, zonder dit nader te onderbouwen, maakt dat niet anders.

[medeverdachte 6] heeft twee Samsung telefoons in zijn bezit, een zwarte en een witte. De zwarte heeft hij naar zijn zeggen begin 2016 even zelf gebruikt en daarna ongebruikt in zijn kamer laten liggen. Hij weet niet wat er daarna mee is gebeurd. De witte telefoon heeft hij een dag voor zijn aanhouding gekocht. Op deze telefoons is veel belastend materiaal aangetroffen uit de maand december 2016 dat verband houdt met deze zaak. Er zijn afbeeldingen van bankoverschrijvingen, (naakt)foto’s van mannen en vrouwen, seksadvertenties en 4780 seks gerelateerde berichten aangetroffen. Eén van de afbeeldingen betreft een screenshot van een overschrijving van € 200 op 1 december 2016 door [naam 16] vanaf een ING rekening eindigend op * [nummer] , die overeenkomt met een bijschrijving op de ING rekening van verdachte [medeverdachte 6] op dezelfde datum. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat de telefoons in gebruik zijn bij [medeverdachte 6] .

De twee Samsung telefoons die in de slaapkamer van [medeverdachte 1] in beslag zijn genomen, zijn volgens hem van zijn moeder en haar vriendin. Echter op de telefoons is informatie aangetroffen die erop wijst dat deze telefoons wel aan [medeverdachte 1] toebehoren. Los van de vindplaats zijn er op de ene telefoon screenshots van overschrijvingen naar de bankrekening van [medeverdachte 1] en van een emailaccount [e-mail adres] gevonden en zijn er ook foto’s van verdachte zelf aangetroffen. Op de simkaart in de andere telefoon is onder ‘ma’ het telefoonnummer van de moeder van [medeverdachte 1] opgeslagen. De rechtbank is van oordeel dat de telefoons in gebruik zijn bij [medeverdachte 1] .

De rechtbank acht de verklaringen van verdachten over hun telefoons ongeloofwaardig. De verklaringen zijn weinig concreet, ontijdig, onaannemelijk en niet verifieerbaar. Alle verweren van de raadslieden met betrekking tot de telefoons, waaruit zou moeten volgen dat de telefoons niet van de betreffende verdachten zijn of dat zij niet weten wat er met hun telefoon is gebeurd, en dat het belastende materiaal niet aan de verdachten is toe te schrijven, worden daarmee verworpen.

Modus Operandi

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de vier verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] hebben samengewerkt bij het afdreigen van slachtoffers en de pogingen daartoe. Overigens kan de rechtbank niet uitsluiten dat er ook nog anderen hierbij betrokken zijn. Dit maakt niet anders dat ook de hiervoor genoemde verdachten hierbij betrokken zijn. De aangevers hebben naar het oordeel van de rechtbank allemaal te maken gehad met dezelfde dadergroep. De telefoon van [medeverdachte 6] bevatte 4780 seks gerelateerde berichten uit de periode van 1 tot 11 december 2016, hetgeen mogelijk een aanwijzing is voor de daadwerkelijke omvang van de criminele praktijken van de verdachten, hetgeen ook geldt voor honderden verdachte transacties op de bankrekeningen van de verdachten van in totaal ruim € 56.000, waarvan slechts een klein deel aan de uiteindelijke aangevers is te linken.

Uit de acht zaaksdossiers en de aangifte van de heer [naam 11] is een overeenkomstige werkwijze af te leiden. Er wordt een seksadvertentie geplaatst en deze wordt zichtbaar gehouden door deze te pushen.

Nadat een slachtoffer heeft gereageerd op een seksadvertentie wordt met deze persoon contact gelegd door iemand die zich voordoet als een vrouw/prostituee. Er volgt een uitwisseling van seksueel getinte berichten en er wordt soms om een naaktfoto van het slachtoffer gevraagd waar zowel het hoofd als het geslachtsdeel van de man op staat.

Intussen worden er – vermoedelijk aan de hand van het telefoonnummer van het slachtoffer via Facebook – namen van het slachtoffer en personen uit zijn omgeving achterhaald.

Dan veranderen de berichten van toon en komt ‘de pooier’ aan het woord. Het slachtoffer moet geld betalen om bekendmaking van zijn ‘schaamtevolle’ gedrag aan de met naam genoemde personen uit zijn omgeving te voorkomen. De slachtoffers ‘moeten er van leren dit niet meer te doen’.

Er wordt gevraagd welke bank de slachtoffers hebben, waarna een rekeningnummer van één van de verdachten bij dezelfde bank wordt doorgegeven waarnaar het geld moet worden overgemaakt. Daarbij wordt veelal als tenaamstelling genoemd [tenaamstelling] of [tenaamstelling] . Het geld moet snel worden overgemaakt en er moet een screenshot als bewijs van de betaling worden verzonden. Het bedrag dat op de rekening wordt gestort wordt daarna snel cash opgenomen.

Als slachtoffers hebben betaald worden zij gedwongen steeds opnieuw te betalen. De bedreigingen houden uiteindelijk op als de slachtoffers niet betalen of daarmee stoppen.

Indien het slachtoffer het eerste telefoonnummer van de afdreiger blokkeert, zoekt die met een ander telefoonnummer weer contact met het slachtoffer. Naast het feit dat steeds in de zaken een wisselende combinatie van eerder genoemde telefoonnummers, de bankrekeningnummers van verdachten en/of IP-adressen aan de orde is, vindt ook de afdreiging veelal in dezelfde bewoordingen plaats.

Zo wordt er bijvoorbeeld in de berichten aan bijna alle aangevers geschreven ‘…verpest je alles’, ‘maak ik er/hier met haat werk van’, ‘geen kleine kind’, ‘blockeren’, ‘ik ben de pooier’, ‘ik kan vriendelijk zijn’, ‘wees verstandig’, ‘ik ga gekke dingen doen’, ‘wil je dit oplossen’, ‘ben man van mijn woorden, dat zweer ik’, ‘pfff’, ‘sorry’’. In de bijlage II zijn de aangiftes en de bijbehorende chats terug te vinden.

(Mede)plegen

De rechtbank is – mede gelet op het voorgaande – met de officier van justitie van oordeel dat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] zich samen schuldig hebben gemaakt aan het afdreigen van de aangevers en de pogingen daartoe, zoals onder 1 (primair) en 2 ten laste gelegd en ook samen de bedragen hebben witgewassen, zoals hierna in dit vonnis nog aan de orde komt.

De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Voor de bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist is dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s). (Vgl. HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:893).

De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452 (https://www.legalintelligence.com/documents/7273156)).

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de vier verdachten en dat zij alle vier een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de ten laste gelegde feiten. Zij zijn betrokken geweest bij verschillende onderdelen van de uitvoering van de werkwijze van de dadergroep: het plaatsen en beheren van seksadvertenties, het leggen van contact met potentiële slachtoffers, het vergaren van informatie over de slachtoffers en van mensen uit hun naaste omgeving, het afdreigen van de slachtoffers en het op de bankrekening ontvangen en vrijwel direct daarna contant opnemen van de betalingen door de slachtoffers.

Vanaf de IP adressen die geregistreerd staan op de adressen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn seksadvertenties aangemaakt en beheerd. Telefoonnummers die gekoppeld zijn geweest aan de advertenties hebben in de telefoons gezeten die bij [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zijn aangetroffen; van één van die telefoonnummers is de simkaarthouder bij [medeverdachte 1] aangetroffen. Een aantal van deze telefoonnummers wordt ook genoemd door aangevers als de telefoonnummers waarmee zij werden benaderd door de afdreiger. De telefoonnummers die daarvoor zijn gebruikt stralen ook zendmasten aan in de omgeving van de woningen van die verdachten. Op de telefoons van [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] stonden afbeeldingen van mannelijke geslachtsdelen en grote hoeveelheden seks gerelateerde berichten die passen binnen de hiervoor beschreven vaste werkwijze van de dadergroep. Drie van de vier hoofdverdachten, te weten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] hebben hun bankrekeningnummer gebruikt om de stortingen door de aangevers op te laten plaatsvinden. [medeverdachte 2] heeft op enig moment bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op verzoek van [verdachte] zijn bankrekening ter beschikking heeft gesteld. Er was sprake van een geoliede machine, waarmee op een relatief makkelijke manier veel geld werd verkregen.

Typerend voor de samenwerking is een WhatsAppconversatie die in de telefoon van [verdachte] is aangetroffen: ‘breng die tellie mee’, waarop wordt geantwoord: ‘Stallem ff.t die tellie ben nog steeds bezig met die man hij is nu werken hij heb vandaag salaris gekregen 1500 En hij heb ing’. Hieruit leidt de rechtbank af dat er tussen de verdachten overleg is op de te plegen feiten en dat er kennelijk gezamenlijk gebruik wordt gemaakt van een telefoon.

Dat er tussen de verdachten onderling nauw is samengewerkt leidt de rechtbank ook af uit de vele dwarsverbanden die uit de bewijsmiddelen naar voren komen. [verdachte] ontvangt geld op zijn ING rekening van de aangevers [naam 8] en [naam 7] , die blijkens hun aangiften zijn afgedreigd met gebruik van telefoonnummers die in de telefoons van [medeverdachte 4] zijn gebruikt. Ook [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] ontvangen geld op hun bankrekeningen van aangevers die zijn afgedreigd met gebruik van telefoonnummers die in de telefoons van [medeverdachte 4] zijn gebruikt. Daarnaast ontvangen zowel [medeverdachte 6] en [verdachte] als [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] gelden op hun bankrekeningen van andere personen die bij de politie melding hebben gedaan van afdreiging/afpersing. Daarbij valt op dat de aangevers eerst wordt gevraagd bij welke bank zij een rekening hebben, en pas dáárna een rekeningnummer van één van de medeverdachten bij diezelfde bank wordt opgegeven waarnaar de aangevers het geld moeten overmaken. Op deze wijze hebben de verdachten verzekerd dat de betalingen snel werden geëffectueerd. Nadat de aangevers een screenshot van de betaling hebben gestuurd, worden de bedragen vrijwel geheel en binnen enkele minuten tot enkele uren contant van de betreffende bankrekening opgenomen. Gelet hierop kan het niet anders dan dat de verdachten nauw contact met elkaar onderhielden en bewust hebben samengewerkt. Als de rechtbank dit anders moet zien, dan hadden verdachten - zoals hiervoor gezegd - moeten uitleggen hoe dit belastende materiaal anders dient te worden geïnterpreteerd. Dit hebben zij nagelaten, ondanks daartoe uitdrukkelijk te zijn uitgenodigd.

De medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] hebben ook hun rekening beschikbaar gesteld aan deze vier hoofdverdachten en betalingen van de aangevers ontvangen. Er is echter onvoldoende bewijs voorhanden om te concluderen dat zij op een bepaalde wijze betrokken zijn geweest bij de afdreigingen en de pogingen daartoe. Wel worden zij veroordeeld voor het (gewoonte)witwassen van de bedragen die op hun eigen rekeningen hebben gestaan.

Vrijspraak afpersing

De rechtbank zal de verdachten vrijspreken van de onderdelen van de tenlastelegging die betrekking hebben op afpersing (bedreiging met geweld). Weliswaar hebben meerdere aangevers verklaard dat zij zich bedreigd voelden door de berichten en dat zij bang waren dat hen of hun familie iets zou worden aangedaan. Ook heeft een aangever verklaard dat de verdachten hem en zijn familie ook daadwerkelijk gedreigd hebben ‘wat aan te doen’. Echter, voor zover daarmee al sprake zou zijn van de in artikel 317 Wetboek van Strafrecht (Sr) bedoelde dreiging met geweld, ontbreekt er in het dossier enig objectief bewijsmiddel waaruit volgt dat verdachte en zijn medeverdachten dergelijke concrete bedreigingen hebben geuit. De berichten die zich wel in het dossier bevinden zijn naar het oordeel van de rechtbank passend bij de afdreiging met smaad(schrift) en zijn onvoldoende om aan te merken als bedreiging met geweld, zodat niet van afpersing kan worden gesproken.

Gewoontewitwassen

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden (HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194).

De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting af dat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] gevieren betrokken waren bij criminele praktijken waardoor slachtoffers geld overmaakten naar bankrekeningen van [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] en naar die van de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] . Uit de overzichten, die deel uitmaken van bijlage II, blijkt dat er honderden transacties hebben plaatsgevonden naar die rekeningen. Het zijn steeds ronde bedragen variërend tussen € 50,- en € 750,-, soms meerdere keren per dag van dezelfde personen, met soms seks gerelateerde omschrijvingen of omschrijvingen als ‘gift’ en ‘lenen’. De bedragen worden veelal direct weer contant opgenomen bij een pinautomaat of supermarkt of besteed. Hiermee is een mistgordijn opgetrokken en is het geld uit het zicht verdwenen.


Bij de overboekingen die horen bij een aangifte of melding in het dossier is het bewijs van de criminele herkomst gegeven met die aangiften en meldingen. Ten aanzien van de overige overschrijvingen geldt dat het hiervoor omschreven patroon van de betalingen het vermoeden rechtvaardigt is dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van die geldbedragen.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen die de verdachten daarover hebben gegeven, niet kunnen worden aangemerkt als een verklaring, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

[verdachte] heeft verklaard dat hij geld liet storten en opnam voor ene [naam 14] , een vriend. Verdere informatie over deze vriend heeft hij echter niet willen geven. Bovendien zijn er ook pinbetalingen gedaan met de bedragen die op de bankrekening van [verdachte] terecht zijn gekomen.

Het aldus door de verdachten geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen ten aanzien van het gezamenlijk plegen van de omvangrijke afdreigingen, komt de rechtbank ten aanzien van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] tot een bewezenverklaring van het medeplegen van gewoontewitwassen van de bedragen uit de verdachte transacties op de bankrekeningen van [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] . Hoewel er op de ING rekening van [medeverdachte 4] geen verdachte transacties hebben plaatsgevonden, was [medeverdachte 4] , gelet op de vanuit zijn telefoons verstuurde berichten waarin de aangevers werden gedwongen om te betalen, wel op de hoogte van het feit dat het afgedwongen geld op de bankrekeningen van de andere verdachten binnenkwam, dat er verhullende omschrijvingen werden gedicteerd en valse tenaamstellingen werden gebruikt. Deze werkwijze is consequent toegepast en ook [medeverdachte 4] moet hebben geweten dat de gelden vervolgens grotendeels contant werden opgenomen en onder de verdachten werd verdeeld. Dit maakte namelijk een vast onderdeel uit van de criminele activiteiten die geldelijk gewin tot doel hebben.

De rechtbank sluit wat betreft pleegperioden en witgewassen bedragen aan bij de officier van justitie, zoals deze door haar op basis van de bewijsmiddelen zijn bijgesteld, overeenkomstig haar requisitoir. Bij [verdachte] dient te worden opgemerkt dat in de periode tot 22 juli 2016 er onvoldoende bewijs voor medeplegen voorhanden is.

[verdachte] 24 mei 2016 tot en met 15 dec 2016 € 56.151,-

[medeverdachte 4] 22 juli 2016 tot en met 15 dec 2016 € 55.405,-

[medeverdachte 1] 22 juli 2016 tot en met 15 dec 2016 € 55.405,-

[medeverdachte 6] 27 aug 2016 tot en met 15 dec 2016 € 49.848,-

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:

in de periode van 1 september 2016 tot en met 15 oktober 2016 te Delft, Den Haag, Leeuwarden, Utrecht, Odiliapeel, Sittard en/of Nieuweroord, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaring van een geheim

- aangever 2 ( [naam 5] ),

- aangever 5 ( [naam 7] ),

- aangever 6 ( [naam 8] ),

- aangever 7 ( [naam 9] ) en

- aangever 8 ( [naam 10] )

heeft gedwongen tot de afgifte van

- ( aangever 2) 1.000 euro en codes voor beltegoed ter waarde van 280 euro,

- ( aangever 5) 1.700 euro,

- ( aangever 6) 1.000 euro,

- ( aangever 7) 750 euro en

- ( aangever 8) 600 euro,

toebehorende aan aangever 2, 5, 6, 7, en/of 8,

immers hebben verdachte en zijn mededaders aangever 2, 5, 6, 7 en/of 8 (meermalen) gedreigd:

- hun familie, vrienden, werkgever(s) en/of anderen in te lichten over seksueel getinte berichten die aangever 2, 5, 6, 7 en/of 8 hebben ontvangen en/of verstuurd, een seksafspraak tussen aangever 2, 5, 6, 7 en/of 8 en een vrouw/prostituee en/of contact(en) van aangever 2, 5, 6, 7 en/of 8 met een prostituee, sekslijn en/of sekssite,

- een naaktfoto van aangever 2 en/of 7 te publiceren/delen en/of niet te verwijderen,

- er (met haat) werk van te maken,

- het leven van aangever 2, 5, 6, 7 en/of 8 te ruineren/verpesten, (echte) problemen te veroorzaken, gekke dingen te doen en/of een last te worden,

- bij aangever 5, 6, 7 en/of 8 thuis langs te komen,

- aangever 2, 5, 6, 7 en/of 8 niet met rust te laten

als aangever 2, 5, 6, 7 en/of 8 geen geldbedragen zouden betalen en/of codes voor beltegoed zouden sturen;

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

in de periode van 1 september 2016 tot en met 15 oktober 2016 te Delft, Den Haag, Kudelstaart, Borculo en/of Bemmel, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaring van een geheim

- aangever 1 ( [naam 3] ),

- aangever 3 ( [naam 4] ) en

- aangever 4 ( [naam 6] )

te dwingen tot de afgifte van

- ( aangever 1) 200 euro,

- ( aangever 3) 250 euro en

- ( aangever 4) 200 euro,

toebehorende aan aangever 1, 3 en/of 4,

met zijn mededaders heeft gedreigd:

- hun familie, vrienden, werkgever(s) en/of anderen in te lichten over seksueel getinte berichten die aangever 1, 3 en/of 4 hebben ontvangen en/of verstuurd, een seksafspraak tussen aangever 1, 3 en/of 4 en een vrouw/prostituee en/of contact(en) van aangever 1, 3 en/of 4 met een prostituee, sekslijn en/of sekssite,

- een naaktfoto van aangever 4 te publiceren/delen en/of niet te verwijderen,

- er (met haat) werk van te maken,

- het leven van aangever 1, 3 en/of 4 te ruineren/verpesten, (echte) problemen te veroorzaken, gekke dingen te doen en/of een last te worden,

- bij aangever 4 thuis langs te komen,

- aangever 1, 3 en/of 4 niet met rust te laten

als aangever 1, 3 en/of 4 geen geldbedrag(en) zouden betalen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

in de periode van 24 mei 2016 tot en met 15 december 2016 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij en zijn mededaders van geldbedragen (van in totaal 56.151 euro) de werkelijke aard, de vindplaats en de verplaatsing verhuld en verhuld wie (deze) geldbedragen (van in totaal 56.151 euro) voorhanden hadden

en

(deze) geldbedragen (van in totaal 56.151 euro) voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en van (deze) geldbedragen (van in totaal 56.151 euro) gebruik gemaakt door deze geldbedragen te ontvangen op de bankrekeningen

- [rekeningnummer] op naam van [verdachte] ,

- [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 3] ,

- [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 1] ,

- [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 6] ,

- [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 2] en

- [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte 5]

en vervolgens (direct) contant op te nemen, uit te geven en/of te overhandigen aan zijn mededader(s), terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat deze geldbedragen - middellijk of onmiddellijk - uit misdrijf afkomstig waren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 primair, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 300 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 233 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij dienen de bijzondere voorwaarden te worden opgelegd zoals door de Raad geadviseerd. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een werkstraf voor de duur van 200 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen. Daarnaast dient de vordering tot tenuitvoerlegging te worden toegewezen.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een eventuele veroordeling volstaan kan worden met het opleggen van een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn, verdachte heeft zich een zeer lange tijd aan schorsingsvoorwaarden gehouden en hij is niet meer met justitie in aanraking gekomen. De vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen door het tijdsverloop.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich met medeverdachten schuldig gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten. Zij hebben de acht aangevers die vermeld staan in de tenlastelegging en bewezenverklaring afgedreigd of gepoogd af te dreigen. Nadat de aangevers hadden gereageerd op een door de verdachten gemaakte seksadvertentie, werden zij vervolgens via telefoonberichten door verdachte en zijn medeverdachten onder druk gezet en zo bewogen om geld over te maken. Het leven van de aangevers zou worden geruïneerd en hun bij naam genoemde familieleden zouden worden geïnformeerd. Een deel van de aangevers heeft uit angst ook daadwerkelijk een of meerdere keren betaald. Het enige doel van de chantage door verdachte en zijn medeverdachten was geld verdienen ten koste van de slachtoffers door in te spelen op hun kwetsbaarheid en angst. Verdachte en zijn mededaders waren zich ervan bewust dat het hebben van betaalde seksuele contacten maatschappelijk niet algemeen is geaccepteerd en dat slachtoffers deze contacten veelal geheim wenste te houden. Hiervan is misbruik gemaakt waardoor slachtoffers gedwongen zijn geweest dit onderdeel van hun te respecteren privéleven openbaar te maken. Het handelen van verdachte heeft geleid tot financiële schade, maar ook tot angst en gevoelens van onveiligheid. Verdachten hebben hiermee een forse inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangevers. De heer [naam 3] heeft zich bedreigd gevoeld en is naar zijn zeggen psychisch onder druk gezet. Hij heeft aangifte gedaan omdat hij wilde ‘dat dit stopt’. De heer [naam 5] heeft meerdere keren geld overgemaakt omdat hij bang was dat zijn familiebedrijf negatief in de publiciteit zou komen. Hij was bang dat zijn door hem toegestuurde naaktfoto gepubliceerd zou worden. De heer [naam 4] was bang dat zijn familie wat zou worden aangedaan op het moment dat hij geen geld betaalde. Hij heeft er niet van kunnen slapen en niet kunnen werken, zoals blijkt uit zijn vordering als benadeelde partij. Tegen de heer [naam 6] is gezegd dat ‘de pooier’ naar hem toe zou komen om het geld op te halen. Gelukkig kreeg hij niet te lezen naar welk adres die zou komen. De heer [naam 7] raakte in paniek toen hij de berichten van verdachten ontving. Hij voelde zich bedreigd en was bang dat zijn familie wat zou worden aangedaan. Door zijn hoofd schoot ook dat zijn adres op de site van zijn hobbymatige bedrijf stond. Daarom heeft hij meerdere keren geld overgemaakt. De heer [naam 8] wilde per se niet dat zijn familie op de hoogte kwam van zijn handelen. Hij dacht werkelijk dat hij bedreigd werd door verdachten en heeft daarom vier keer geld overgemaakt. [naam 8] heeft lang gedacht dat verdachten hem zouden komen opzoeken. Daar heeft hij geruime tijd last van gehad. De heer [naam 9] heeft een naaktfoto gemaakt en deze toegestuurd aan verdachten. Vervolgens is hij steeds bedreigd door verdachten en zo gedwongen meerdere bedragen naar hen over te maken. Daarbij gaven ze hem te kennen te weten dat hij een zoon had. Hij heeft daar slapeloze nachten van gehad, zo blijkt uit zijn vordering benadeelde partij. De heer [naam 10] heeft zich door de chantage getroffen gevoeld in zijn persoonlijke vrijheid. De heer [naam 11] heeft meerdere keren geld betaald aan verdachten omdat hij heel bang was dat zijn familie daadwerkelijk iets zou worden aangedaan. Dat er veel meer slachtoffers zijn gemaakt dan dat er aangevers zijn, blijkt wel uit de financiële stromen op de bankrekeningen van de verdachten en de vele duizenden telefoonberichten die zich in het dossier bevinden. In totaal is er ruim € 56.000 crimineel geld rondgegaan op die rekeningen. Dit geld is vrijwel in alle gevallen direct contant opgenomen door de verdachten. Hiermee hebben zij zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en de openbare orde. De rechtbank rekent dit toe aan alle verdachten. Nog steeds is niet duidelijk waar het meeste van dat geld is gebleven. De rechtbank neemt dit verdachte en zijn mededaders zeer kwalijk.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 september 2018 waaruit blijkt dat verdachte:

  • -

    op 30 oktober 2013 door de kinderrechter te Den Haag is veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf in verband met een winkeldiefstal;

  • -

    op 8 september 2014 door de kinderrechter Den Haag is veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf in verband met mishandeling;

  • -

    op 29 januari 2016 door de kinderrechter te Den Haag is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke werkstraf in verband met belediging en diefstal in vereniging.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:

  • -

    rapporten van de Raad opgemaakt op 13 februari 2017 en 25 september 2018;

  • -

    rapporten van JBW opgemaakt op 16 januari 2017 en 28 augustus 2018.

JBW heeft ter zitting naar voren gebracht dat verdachte zich goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Hij is momenteel goed met zijn toekomst bezig, door naar school te gaan en zich afzijdig te houden van overlast gevende jongeren. Hij wordt bij praktische zaken geholpen door een PAD-coach (Persoonsgerichte Aanpak Delft), zodat hij ook leert zelfstandiger te worden. Het is jammer dat verdachte geen behandeling wil accepteren in de vorm van psychomotore therapie, maar zolang hij daar niet voor gemotiveerd is, heeft die therapie ook geen nut.

De Raad heeft geadviseerd om aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. Aan het voorwaardelijke strafdeel kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden, waarbij verdachte zich laat begeleiden door de jeugdreclassering. Verdachte heeft geen openheid gegeven over de zaak en is laks met het regelen van zaken. Daarom dient ook de begeleiding van de PAD-coach te worden voortgezet.

De rechtbank zal bij de strafoplegging aansluiten bij de strafeis van de officier van justitie. De hoeveelheid slachtoffers, de ernst van de feiten en de rol die verdachte daarbij heeft gehad, rechtvaardigen een forse jeugddetentie en daarnaast de maximale werkstraf. Het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie zal gelijk zijn aan het voorarrest. Het tijdsverloop in deze zaak en het feit dat verdachte zich geruime tijd (goed) aan schorsingsvoorwaarden heeft gehouden, maken dat een langere onvoorwaardelijke detentie niet aan de orde is.

Gelet op de adviezen van de Raad en JBW zal ter voorkoming van recidive het overgrote deel van de jeugddetentie in voorwaardelijke vorm worden opgelegd met daaraan verbonden diverse bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd. Verdachte zal moeten meewerken met de begeleiding vanuit JBW en met moeten blijven meewerken met de PAD-coach. Indien verdachte zich niet houdt aan (één van) deze bijzondere voorwaarden loopt hij het risico om opnieuw in een Justitiële Jeugdinrichting te worden geplaatst. De proeftijd zal – conform artikel 77y Wetboek van Strafrecht en anders dan door de officier van justitie gevorderd – worden gesteld op de maximale duur van 2 jaren. Daarnaast zal – gezien de ernst van de feiten – aan verdachte een werkstraf worden opgelegd.

Beslag

Onder verdachte is een Huawei telefoon in beslag genomen, zoals vermeld op de beslaglijst.

Deze telefoon behoort toe aan verdachte en is gebruikt bij het begaan van de onder 1 en 2 bewezen geachte feiten. Deze telefoon dient verbeurd te worden verklaard, zoals door de officier van justitie gevorderd.

Benadeelde partijen

[naam 4] (ZD 3)

De benadeelde partij [naam 4] vordert € 10.000,-- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot € 500,--.

De rechtbank is – met de raadsvrouw – van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is toegelicht en onderbouwd waarbij het toelaten van nadere onderbouwing/bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[naam 7] (ZD 5)

De benadeelde partij [naam 7] vordert € 1.700,-- aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. De raadsvrouw heeft zich gezien de bepleite vrijspraak op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, hoofdelijk en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [naam 7] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[naam 8] (ZD 6)

De benadeelde partij [naam 8] vordert € 1.000,-- aan materiële schadevergoeding en € 250,-- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. De raadsvrouw heeft zich gezien de bepleite vrijspraak primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank ten aanzien van het materiële gedeelte niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen, hoofdelijk en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.

De benadeelde partij zal ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op de immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, zoals ook door de raadsvrouw bepleit. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [naam 8] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[naam 9] (ZD 7)

De benadeelde partij [naam 9] vordert € 750,-- aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. De raadsvrouw heeft zich gezien de bepleite vrijspraak op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, hoofdelijk en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.

In het belang van [naam 9] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

[naam 11]

De benadeelde partij [naam 11] vordert € 502,25 aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter zitting heeft de benadeelde partij zijn vordering bijgesteld naar € 475,01, omdat hij minder verlofuren heeft moeten opnemen om de terechtzitting bij te kunnen wonen dan aanvankelijk door hem was gevorderd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot € 475,01. De raadsvrouw heeft zich gezien de bepleite vrijspraak op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De rechtbank constateert dat benadeelde partij [naam 11] niet is opgenomen in de tenlastelegging. Gelet echter op de hierboven beschreven werkwijze van de groep verdachten in combinatie met de aangifte van de heer [naam 11] en het feit dat hij geld heeft overgemaakt naar de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte 6] , komt de rechtbank tot het oordeel dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De gevorderde schadevergoeding – zoals ter zitting gewijzigd – komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, hoofdelijk en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.

In het belang van [naam 11] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 16 december 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 09/238524-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 29 januari 2016 van de kinderrechter te Den Haag, waarbij verdachte is veroordeeld tot werkstraf voor de duur van 70 uren subsidiair 35 dagen jeugddetentie, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan verdachte is uitgereikt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk strafdeel te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 318, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde:

medeplegen van afdreiging, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

poging tot medeplegen van afdreiging, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

witwassen, meermalen gepleegd en medeplegen van gewoontewitwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 300 (driehonderd) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, te weten 67 dagen, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 233 (tweehonderd drieëndertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door Jeugdbescherming West te Den Haag te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- meewerkt aan de begeleiding vanuit de Persoonlijke Aanpak Delft.

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming West tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van
200 (tweehonderd) uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen.

Verklaart verbeurd:

1. STK Zaktelefoon Kl:zwart

HUAWEI

5302504

Verklaart [naam 4] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Wijst de vordering van [naam 7] toe tot € 1.700,-- (zeventienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 7] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 7] , aan de Staat € 1.700,-- (zeventienhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door jeugddetentie van 10 (tien) dagen vervangen. De toepassing van die jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [naam 8] toe tot € 1.000,-- (duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 8] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart [naam 8] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 8] , aan de Staat € 1.000,-- (duizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door jeugddetentie van 8 (acht) dagen vervangen. De toepassing van die jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [naam 9] toe tot € 750,-- (zevenhonderd vijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 9] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 9] , aan de Staat € 750,-- (zevenhonderd vijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door jeugddetentie van 7 (zeven) dagen vervangen. De toepassing van die jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [naam 11] toe tot € 475,01 (vierhonderd vijfenzeventig euro en één cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 11] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 11] , aan de Staat € 475,01 (vierhonderd vijfenzeventig euro en één cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door jeugddetentie van 5 (vijf) dagen vervangen. De toepassing van die jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis d.d. 29 januari 2016, zijnde een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.H.J. Evers, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. H.P.E. Has en G.M. Beunk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 november 2018.