Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8046

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2018
Datum publicatie
12-11-2018
Zaaknummer
13/665685-16 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte veroordeeld tot werkstraf in verband met medeplegen gewoontewitwassen. Hij heeft zijn bankrekening beschikbaar gesteld aan verdachten die zich bezighielden met afdreiging van een grote hoeveelheid slachtoffers. vrijspraak van die afdreiging. Toepassing artikel 63 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/665685-16 (Promis)

13Malone

Datum uitspraak: 12 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 8, 9, 11, 15 en 29 oktober 2018.

De zaken in het onderzoek 13Malone richten zich tegen zeven verdachten, waarvan drie meerderjarige verdachten, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en vier (destijds) minderjarige verdachten, te weten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 6] .

De zaken zijn deels gelijktijdig met elkaar en deels afzonderlijk van elkaar behandeld. De bespreking van de ten laste gelegde feiten, de vorderingen van de benadeelde partijen en het requisitoir heeft gezamenlijk plaatsgevonden. De bespreking van de persoonlijke omstandigheden van alle verdachten alsmede de pleidooien hebben telkens afzonderlijk van elkaar plaatsgevonden op diverse zittingsdagen. Daarbij heeft de behandeling van de zaken tegen de minderjarigen achter gesloten deuren plaatsgevonden. De zaken tegen de zeven verdachten zijn vervolgens allen op 29 oktober 2018 gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. Heus en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. L. Tricoli, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

  1. medeplichtigheid aan medeplegen van afdreiging/afpersing van één aangever in de periode van 1 september 2016 tot en met 15 oktober 2016;

  2. medeplegen van (gewoonte)witwassen in de periode 12 september 2016 tot en met 15 december 2016 van € 12.329,--.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Op 23 september 2016 neemt de politie een aangifte op van de heer [naam 1] wonende te [woonplaats] . Hij verklaart via WhatsApp en telefonisch te zijn gechanteerd door een persoon nadat hij gereageerd zou hebben op een seksadvertentie via de internetsite speurders.nl. [naam 1] moest 200 euro betalen of anders zou de persoon aangever en zijn met naam genoemde dochter wat aandoen. Deze persoon maakte gebruik van het telefoonnummer [nummer ] .

Na een zoekslag door de politie in de politiesystemen blijkt dat de heer [naam 2] wonende te [woonplaats] op 22 september 2016 bij de politie melding heeft gedaan van een vergelijkbare ervaring. Ook hij heeft gereageerd op een seksadvertentie, via de site seksjobs.nl of kinky.nl, en werd vervolgens door een persoon per SMS gedwongen geld over te maken, anders zou die persoon het leven van [naam 2] ruïneren. Ook in dit geval werd gebruik gemaakt van het telefoonnummer [nummer ] . Blijkens de aangifte van [naam 2] zijn ook in de door hem ontvangen SMS berichten namen van zijn familieleden genoemd om de chantage kracht bij te zetten. Die namen waren op dat moment allemaal op zijn Facebook account te vinden.

Uit onderzoek bij de exploitant van de site Kinky.nl, Midhold BV, blijkt dat telefoonnummer [nummer ] gekoppeld is aan een advertentie (nummer [nummer ] met gebruikersnaam [gebruikersnaam] ) die weer is gekoppeld aan e-mailadres [e-mailadres] . Deze advertentie is op 11 augustus 2016 om 13.44 uur aangemaakt vanuit IP-adres [IP adres] en op die advertentie is vanaf 11 augustus 2016 om 16.19 uur regelmatig ingelogd vanuit IP-adres [IP adres] en IP-adres [IP adres] . Ook is deze advertentie meerdere keren ‘gepusht’, wat inhoudt dat deze beter zichtbaar is gemaakt. Bij dit ‘pushen’ is gebruik gemaakt van telefoonnummer [nummer ] . Naast de twee voornoemde telefoonnummers zijn ook de nummers [nummer ] , [nummer ] en [nummer ] gekoppeld geweest aan deze advertentie.

Volgens Midhold BV is IP-adres [IP adres] gelinkt aan Delft. Het bedrijf heeft klachten gehad van klanten dat er geld werd afgegeven aan Marokkanen. Daarom zijn er advertenties offline gezet. Vanuit het IP-adres [IP adres] zijn nog zes advertenties aangemaakt die zijn afgekeurd en offline gezet. Ook IP-adres [IP adres] linkt naar Delft. Vanuit dat adres zijn 22 advertenties aangemaakt, afgekeurd en offline gezet.

De politie doet op 7 oktober 2016 wederom onderzoek in de politiesystemen. Er wordt gezocht op soortgelijke meldingen en registraties. Daarbij komen 19 registraties naar voren waarin bepaalde mobiele telefoonnummers en bankrekeningnummers in verschillende combinaties voorkomen. Het gaat om de telefoonnummers [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] en [nummer ] en de bankrekeningnummers [rekeningnummer] , [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en [rekeningnummer] .

9 van deze registraties leiden tot aangiftes en 8 daarvan tot de onderhavige zaaksdossiers. Naast [naam 1] en [naam 2] , doen ook [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] aangifte van een vergelijkbare afdreiging/afpersing. Daarbij komen naast voornoemde bankrekeningnummers ook de nummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer] voor.

[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 1] wonende [adres 2] te [woonplaats] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 5.947,-.

[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 4] wonende [adres 3] te [woonplaats] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 18.660,52.

[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 3] wonende [adres 4] te [woonplaats] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 9.110,-.

[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 6] wonende [adres 5] te [woonplaats] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 9.090,-.

[rekeningnummer] staat op naam van [medeverdachte 2] wonende [adres 6] te [woonplaats] . Op deze rekening worden vijf verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 1.025,-.

[rekeningnummer] staat op naam van [verdachte] wonende [adres 7] te [woonplaats] . Op deze rekening worden vele verdachte transacties aangetroffen tot een totaalbedrag van € 12.319,-.

Op de bankrekening komen verdachte betalingen voor. Dit zijn betalingen waarbij de betaler geen bekende relatie heeft met de houder van de bankrekening. Verder is hierbij relevant

de frequentie van de bijschrijvingen op de betreffende rekening en de omschrijving die daarbij staat vermeld. De bijschrijvingen bestaan doorgaans uit ronde bedragen, variërend tussen de € 50,- en € 750,-, en zijn in bepaalde gevallen afkomstig van de hierboven genoemde aangevers. Een zeer groot deel van de bedragen is vrijwel direct na de overmaking contant opgenomen.

Uit nieuwe informatie van Midhold B.V. en Tease Media B.V., exploitant van de website sexjobs.nl, blijkt vervolgens dat de telefoonnummers [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , [nummer ] , de gebruikersaccounts [e-mailadres] , [e-mailadres] , [e-mailadres] , [e-mailadres] , [e-mailadres] en de twee eerder genoemde IP-adressen in verschillende combinaties zijn gekoppeld aan seksadvertenties. Het IP-adres [IP adres] staat op naam van [naam 10] [adres 2] te [woonplaats] , het woonadres van verdachte [medeverdachte 1] . Het IP-adres [IP adres] staat op naam van [naam 11] , [adres 8] , [woonplaats] , het woonadres van verdachte [medeverdachte 5] .

Bij huiszoekingen zijn onder [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] mobiele telefoons in beslag genomen. Op de telefoons die onder [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] in beslag zijn genomen zijn een groot aantal voor verdachten belastende berichten, seksadvertenties, screenshots van bankoverschrijvingen en (naakt)foto’s aangetroffen. Op de telefoon van [medeverdachte 4] zijn daarnaast screenshots aangetroffen van diverse profielen en de contactenlijsten van deze profielen afkomstig van Facebook. Verder is gebleken dat meerdere van bovengenoemde telefoonnummers gebruikt zijn in de telefoons van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] . Op de telefoon van [medeverdachte 1] zijn onder andere de gebruikersaccounts [e-mailadres] voor de website www.kinky.nl en [e-mailadres] voor de website www.sexjobs.nl aangetroffen.

Gebleken is dat een aantal van de in beslag genomen telefoons niet uitgelezen kon worden en dat van een telefoon vermoedelijk de gegevens zijn gewist door de telefoon terug te zetten in de fabrieksinstellingen. Ook zijn er vele onverklaarbare geldtransacties en blijkt dat de aard van de zaken maakt dat er een lage aangifte bereidheid is bij slachtoffers. De verdachten hebben grotendeels een beroep gedaan op hun zwijgrecht. De rechtbank realiseert zich dat het dossier zeer waarschijnlijk niet een volledig beeld geeft van de omvang van deze zaak. Wat de rechtbank wel kan vaststellen is dat deze zeven verdachten een rol spelen in bovenstaand feitencomplex.


De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of deze verdachten strafrechtelijk betrokken zijn bij het afdreigen/afpersen van de aangevers, de pogingen daartoe en welke rol zij daarbij hadden en of er sprake was van onderlinge samenwerking. Verder is de vraag of er sprake is van het al of niet medeplegen van (gewoonte)witwassen van de geldbedragen die op de bankrekeningen stonden.

4.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken. Wel kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen van € 12.319.

4.3

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich – met de officier van justitie – op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde medeplichtigheid aan afdreiging. Ook dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde (gewoonte)witwassen. Verdachte wist niet dat de bedragen uit misdrijven afkomstig waren en had dus geen opzet op het witwassen. Het enkele voorhanden hebben van het geld op zijn bankrekening is overigens onvoldoende om van witwashandelingen te spreken. Hij heeft zijn rekening beschikbaar gesteld voor een vriend die handelde op marktplaats en heeft dat geld steeds opgenomen en aan die vriend gegeven. Hij wil deze vriend niet in de problemen brengen. Deze vriend is niet een van de medeverdachten en verdachte is ook niet te linken aan die medeverdachten.

4.4

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsman niet bewezen wat onder 1 ten laste is gelegd. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om tot de conclusie te kunnen komen dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de afdreiging van de aangever [naam 5] . Het enkele feit dat [naam 5] geld op de bankrekening van verdachte heeft gestort, is daarvoor onvoldoende. Verdachte zal dan ook van dat feit worden vrijgesproken.

Ter beoordeling van de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.

Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting af dat in de periode van 11 september 2016 tot en met 12 december 2016 een grote hoeveelheid transacties plaatsvindt op de bankrekening van verdachte met een totaalbedrag van € 12.319. Het gaat telkens om ronde bedragen, variërend tussen de € 20,- en € 750,-, afkomstig van verschillende personen, soms meerdere keren van dezelfde persoon en vaak meerdere keren per dag, onder omschrijvingen als ‘gift’, ‘xxx’, ‘kusje op je navel’. Twee van deze overmakingen van € 200 en € 750 zijn afkomstig van aangever [naam 5] . Verdachte neemt de bedragen kort na de bijschrijving steeds grotendeels ook weer contant op via pinopnames bij geldautomaten en via bijpinnen in supermarkten.


Op grond daarvan acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat het voorwerp in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig is, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van dat voorwerp.

Verdachte heeft zich eerst beroepen op zijn zwijgrecht. Bij de rechter-commissaris, later bij de politie en ook ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij geld liet storten op zijn bankrekening voor een vriend die handelde via Marktplaats. Steeds liet deze vriend weten dat er geld gestort was, controleerde verdachte het saldo en pinde hij dezelfde avond of de volgende dag het bedrag. Verdachte wil echter niet zeggen wie deze vriend is.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die de verdachte heeft gegeven niet kan worden aangemerkt als een verklaring, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Verdachte heeft door zijn handelen de aanmerkelijke kans aanvaard dat het om crimineel geld ging dat via zijn bankrekening in contant geld is omgezet door het te pinnen dan wel uit te geven. Door de grote hoeveelheid van transacties en opnames in de ten laste gelegde periode acht de rechtbank het gewoontewitwassen wettig en overtuigen bewezen.

De rechtbank is daarbij van oordeel dat verdachte het gewoontewitwassen samen met anderen heeft medegepleegd. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Voor de bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s). (Vgl. HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:893). Het ter beschikking stellen van zijn bankrekening aan anderen, die zich bezig hielden met strafbare feiten, het in contact blijven met die verdachten en het veelvuldig contant opnemen van het geld vrijwel direct nadat het gestort is en het overhandigen aan die verdachten, acht de rechtbank van zodanig gewicht bij het witwassen, dat sprake is van een wezenlijke bijdrage van verdachte daaraan.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

in de periode van 12 september 2016 tot en met 15 december 2016 te Nederland tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij en zijn mededader(s) van geldbedragen (van in totaal 12.319 euro) de werkelijke aard, de vindplaats en/of de verplaatsing verhuld en verhuld wie (deze) geldbedragen (van in totaal 12.319 euro) voorhanden hadden

en

(deze) geldbedragen (van in totaal 12.319 euro) voorhanden gehad, overgedragen en omgezet en/of van geldbedragen gebruik gemaakt door deze geldbedragen te ontvangen op de bankrekening [rekeningnummer] op naam van [verdachte] en vervolgens (direct) contant op te nemen, uit te geven en te overhandigen aan zijn mededader(s) terwijl verdachte en zijn mededaders wisten, dat deze geldbedragen - middellijk of onmiddellijk - uit misdrijf afkomstig waren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar onder 2 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 46 dagen, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een eventuele veroordeling uit dient te worden gegaan van de richtlijnen witwassen tot € 5.000 (gebaseerd op het bedrag dat verdachte zou hebben overgehouden aan zijn handelen), zodat voor een first offender een werkstraf voor de duur van 50 uren passend is. Tevens dient rekening te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Hij heeft zijn bankrekening beschikbaar gesteld aan verdachten die zich bezighielden met afdreiging van een grote hoeveelheid slachtoffers. Hierdoor is er ruim

€ 12.000 aan crimineel geld op zijn bankrekening gestort, wat door verdachte weer contant is gemaakt door het te pinnen. Waar het geld vervolgens is gebleven is niet duidelijk geworden. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en de openbare orde en verdachte verdient daarom straf.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
14 september 2018 waaruit blijkt dat verdachte

  • -

    op 13 januari 2016 in verband met heling een transactie in de vorm van een werkstraf aangeboden heeft gekregen, welke hij heeft voldaan;

  • -

    op 8 april 2016 door de kinderrechter te Den Haag is veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf in verband met wederspannigheid;

  • -

    op 26 april 2018 door de meervoudige kamer te Midden-Nederland, locatie Utrecht, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, in verband afdreiging, afpersing en oplichting.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:

  • -

    rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 15 december 2016 en 6 januari 2017;

  • -

    rapport van Reclassering Nederland d.d. 10 april 2018;

  • -

    rapport van Jeugdbescherming West d.d. 17 mei 2018;

  • -

    voortgangsverslag GGZ Fivoor d.d. 27 september 2018;

  • -

    Psychologisch Pro Justitia rapport opgemaakt door R. Brandsma GZ-psycholoog op 13 maart 2017;

  • -

    Psychologisch Pro Justitia rapport opgemaakt door J.S.H. Stolk GZ-psycholoog op 6 januari 2018 ten behoeve van voornoemde strafzaak van april 2018 te Midden-Nederland;

  • -

    Psychiatrisch Pro Justitia rapport opgemaakt door I.T.M. Nurmohamed (kinder- en jeugd)psychiater op 16 januari 2018 ten behoeve van voornoemde strafzaak van april 2018 te Midden-Nederland.

De psycholoog Brandsma komt tot de volgende conclusie.

Er is bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een ongespecificeerde aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis en een andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis, waarbij de persoonlijkheidsontwikkeling een forse achterstand en enige scheefgroei vertoont waarbij de verdere persoonlijkheidsontwikkeling bedreigd wordt. De gebrekkige ontwikkeling was ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig. De vraag of dit doorwerkte ten aanzien van het tenlastegelegde kan gezien de ontkennende houding van betrokkene en een daardoor ontbrekend delictscenario niet valide genoeg beantwoord worden. Ter nadere gedachtebepaling kan wel gesteld dat de ontwikkelingstekorten die gedrag genereren dat geclassificeerd wordt als ADHD en een gedragsstoornis hoogstwaarschijnlijk hebben doorgewerkt in het tenlastegelegde, indien bewezen. Indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht kan gehypothetiseerd worden dat betrokkene op gemakzuchtig en lichtzinnig opportunistische wijze tot het tenlastegelegde kwam waarin hij minder afgeremd dan leeftijdsgenoten werd vanwege zijn emotionele ontwikkelingsbeperkingen in de gewetensfuncties, aanwezige passieve behoeftes en egocentrische relatievorming. De ADHD kan de impulscontrole en de aandachtigheid voor zijn eigen gedrag en de gevolgen daarvan verder negatief beïnvloed hebben. Indien uitgegaan wordt van een doorwerking van de gebrekkige ontwikkeling wordt een verminderde toerekeningsvatbaarheid geadviseerd. Het risico op herhaling van het tenlastegelegde is gezien verdachtes ontkennende verklaring en daardoor ontbrekende delictscenario niet valide te beoordelen. Met de nodige voorzichtigheid kan wel gezegd worden dat er sterke aanwijzingen zijn voor een verhoogd recidiverisico. Verdachte is normaal begaafd, heeft zijn schoolopleiding grotendeels afgemaakt en is tevreden over zijn (deels realistische) carrièrekeuze en heeft een steunend netwerk aan zijn broer en schoonzus waar hij kan wonen en aan zijn langer durende relatie met zijn vriendin. Verdachte is bekend met een belaste geschiedenis waarbij de gehechtheidsrelaties onveilig ontwikkeld zijn en de persoonlijkheidsontwikkeling beperkt is en scheefgroei vertoont. De mededaders waren volgens de jeugdbescherming via school bekenden van betrokkene. Omgang met delinquente leeftijdgenoten is waarschijnlijker bij de geschetste gebrekkige ontwikkeling. Als aanbeveling voor interventies wordt gegeven: verplichte steunend-structurerende en controlerende begeleiding vanuit de jeugdreclassering en trajectbegeleiding. Als constructief stimulerende straf kan gedacht worden aan een leerstraf met een voorwaardelijke jeugddetentie. Als juridisch kader kunnen bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel dienen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte is op 26 april 2018 door de rechtbank Midden-Nederland voor soortgelijke delicten veroordeeld als die spelen in de onderhavige zaak. Daarbij is aan verdachte een forse gevangenisstraf opgelegd deels in voorwaardelijke vorm. Bij dat vonnis zijn, op basis van de dubbele Pro Justitia rapportage, aan dat voorwaardelijk strafdeel diverse bijzondere voorwaarden verbonden. Verdachte wordt gedurende de proeftijd van drie jaren begeleid door GGZ Fivoor, laat zich behandelen bij De Waag, woont begeleid en werkt mee aan dagbesteding in de vorm van scholing of vrijwilligerswerk. Daarnaast heeft verdachte elektronisch toezicht voor een door de reclassering te bepalen periode. Deze voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard en verdachte heeft overigens te kennen gegeven niet tegen dit vonnis in hoger beroep te zijn gegaan.

Onderhavig feit betreft gewoontewitwassen van een fors geldbedrag in een periode die ligt voor de feiten die ten grondslag liggen aan het vonnis van 26 april 2018. Gelet op de toepassing van artikel 63 Wetboek van Strafrecht en de vele bijzondere voorwaarden die al aan verdachte zijn opgelegd, acht de rechtbank het passend om aan verdachte in deze zaak een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen, met aftrek van voorarrest.

Benadeelde partijen

[naam 2] (ZD 3)

De benadeelde partij [naam 2] vordert € 10.000,-- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

(gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

[naam 5] (ZD 5)

De benadeelde partij [naam 5] vordert € 1.700,-- aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. De raadsman heeft zich gezien de bepleite vrijspraak primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

(gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast. Weliswaar wordt verdachte veroordeeld ter zake van witwassen van onder andere de door benadeelde partij [naam 5] op de bankrekening van verdachte overgemaakte bedragen. Echter, de rechtbank acht deze schade niet rechtstreeks toe te rekenen aan verdachte, maar aan de vier verdachten die wel worden veroordeeld ter zake de afdreiging van onder meer [naam 5] .

[naam 6] (ZD 6)

De benadeelde partij [naam 6] vordert € 1.000,-- aan materiële schadevergoeding en € 250,-- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

(gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

[naam 7] (ZD 7)

De benadeelde partij [naam 7] vordert € 750,-- aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

(gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

[naam 9]

De benadeelde partij [naam 9] vordert € 502,25 aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter zitting heeft de benadeelde partij zijn vordering bijgesteld naar € 475,01, omdat hij minder verlofuren heeft moeten opnemen om de terechtzitting bij te kunnen wonen dan aanvankelijk door hem was gevorderd.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 47, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77gg, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Medeplegen van gewoontewitwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van
60 (zestig) uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.


Verklaart [naam 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart [naam 5] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart [naam 6] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart [naam 7] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart [naam 9] niet-ontvankelijk in zijn vordering.


Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.H.J. Evers, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. H.P.E. Has en G.M. Beunk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 november 2018.