Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8027

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2018
Datum publicatie
12-11-2018
Zaaknummer
13/728143-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf 30 maanden. Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot kaping van een helikopter en bevrijding van een gevangene omdat nog geen sprake was van een begin van uitvoering. Wel wordt verdachte veroordeeld voor voorbereiding van kaping van de helikopter en wapenbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728143-17

Datum uitspraak: 12 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] ,

[woonplaats] , gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [huis van bewaring] ” te [plaats huis van bewaring] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 28 maart 2018, 20 juni 2018, 11 september 2018, 12 september 2018, 13 september 2018, 17 september 2018 en 29 oktober 2018. Verdachte was daarbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. C.J. Cnossen en H. Hoekstra (hierna: officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, naar voren hebben gebracht.

Het onderzoek 13Leyburn richt zich op de volgende verdachten die hierna in het vonnis bij hun achternaam zullen worden genoemd: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [verdachte] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] .

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij

1. zich in de periode van 1 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot kaping van een helikopter door deze helikopter met geweld, bedreiging met geweld of vreesaanjaging in zijn macht te brengen/houden en/of van zijn route af te doen wijken.

Als de rechtbank dat niet bewezen acht, wordt verdachte verweten dat hij samen met anderen een kaping van een helikopter heeft voorbereid.

2. in de periode van 1 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 samen met anderen heeft geprobeerd een gevangene, te weten [naam gevangene] , uit de Penitentiaire Inrichting te [plaats] te bevrijden.

3. in de periode van 1 september 2017 tot en met 11 oktober 2017, al dan niet samen met anderen, wapens voorhanden heeft gehad, waaronder automatische vuurwapens, munitie en wapenonderdelen (patroonhouders en -magazijnen).

4. zich in de periode van 7 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van heling van drie auto’s, te weten een Audi met origineel kenteken [kenteken] , een BMW met origineel kenteken [kenteken] en een BMW voorzien van (valse) kentekenplaten [kenteken] .

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij het vonnis.

3 Inleiding

3.1

Beschrijving relevante feiten en omstandigheden

Door een persoon die opgaf te zijn genaamd [medeverdachte 2] is getracht om bij het Helicentre Lelystad een helikopter te huren. Hij gaf aan dat hij een rondvlucht wilde maken met zijn vriendin en dat hij op 4 oktober 2017 wilde vertrekken van heliplatform Heythuysen (Limburg). De helikopter die hij wilde huren was geschikt om vier personen te vervoeren. Omdat de vierpersoons helikopter duurder was dan een tweepersoons helikopter en [medeverdachte 2] afkomstig was uit [woonplaats] en wilde vertrekken vanuit Limburg, kreeg het personeel van het verhuurbedrijf argwaan. Uiteindelijk besloten zij, in overleg met de luchtvaartpolitie, de reservering uit te stellen en werd door de politie een pseudodienstverleningstraject opgestart waardoor het contact met het Helicentre heimelijk werd overgenomen door de politie. De politie had namelijk het vermoeden gekregen dat met de helikopter [naam gevangene] zou worden bevrijd. Hij zat gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (hierna: PI) in [plaats] . Vervolgens werd afgesproken om de rondvlucht op 11 oktober 2017 te maken. [medeverdachte 2] zou zich om 13:30 uur melden op Kempen Airport in Budel (Noord-Brabant). De helikopter zou daar opstijgen en in Weert (Limburg) een tussenlanding maken om zijn ‘vriendin’ op te halen.

Op grond van tapgesprekken en observaties voorafgaand aan en op 11 oktober 2017 ontstond het vermoeden dat meerdere personen een kaping van de helikopter en de bevrijding van een gevangene aan het beramen waren. [medeverdachte 5] was de piloot die de gekaapte helikopter moest besturen. Hij was op 27 september 2017 vanuit Colombia naar Nederland gereisd. Uit observaties bleek dat in de Praxis schroeven en pvc-buizen (veelal gebruikt om kraaienpoten mee te maken) en spanbanden werden aangeschaft. Na de aanhoudingen zijn kraaienpoten en spanbanden aangetroffen in de gebruikte voertuigen. Ook bleek uit observaties dat diverse verdachten zich op 11 oktober 2017 begaven in de omgeving van [plaats] (PI waar [naam gevangene] gedetineerd zat), Budel (opstijglocatie helikopter) en Weert (locatie tussenstop). Er vonden gesprekken plaats die erop duidden dat personen in het bezit waren van vuurwapens en er zijn afspraken gemaakt over onder meer de locatie waar de helikopter zou worden overgenomen, de te gebruiken voertuigen en het tijdstip waarop [naam gevangene] zou worden bevrijd. Uit onderzoek bleek dat één van de auto’s waar de groep gebruik van maakte op het terrein stond van het Blue Collar hotel in Eindhoven. Aan de hand van camerabeelden van het hotel bleek dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 6] in de nacht van 10 op 11 oktober 2017 in dit hotel verbleven.

[medeverdachte 6] heeft op 11 oktober 2017 [medeverdachte 1] naar het helikopterplatform in Budel gebracht. Het onderzoeksteam heeft [medeverdachte 1] aangehouden op het moment dat hij in de helikopter wilde stappen.

In Weert werd gezien dat een BMW naar de locatie reed waar de helikopter zou landen om de ‘vriendin’ van [medeverdachte 2] op te halen. Op het moment dat de politie in Weert tot aanhouding over wilde gaan, reed de BMW met hoge snelheid weg. De politie zette de achtervolging in. Uit de BMW stapten op enig ogenblik drie personen die te voet verder vluchtten. De bestuurder van de BMW reed hierna verder, maar verloor korte tijd later de macht over het stuur en raakte van de weg waarna hij kon worden aangehouden. Die bestuurder bleek te zijn [medeverdachte 4] . In de bosschages aan de Koenraadtweg te Maarheeze, ter hoogte van de plek waar de BMW is gecrasht, werd een tas aangetroffen met daarin onder andere een AK-47, een pistool, een revolver, munitie en patroonmagazijnen.

In [plaats] werd gezien dat een BMW en een Audi in de omgeving van de PI stonden geparkeerd. Toen het arrestatieteam tot aanhouding van de inzittenden van de Audi over wilde gaan ramde de Audi een voertuig van het arrestatieteam, reed op de leden van het arrestatieteam in en ging er met hoge snelheid vandoor. Bij deze actie is door leden van het arrestatieteam meermaals op de Audi geschoten. Tijdens de achtervolging werd gezien dat een op een AK-47 gelijkend voorwerp en een langwerpige tas uit de Audi werden gegooid. Later bleken in deze tas magazijnen voor een AK-47 en losse patronen te zitten. De Audi is hierna door het arrestatieteam van de weg geramd en tot stilstand gekomen. Uit de Audi vluchtten twee personen. De bestuurder van de Audi, [naam bestuurder] , is vervolgens door de politie neergeschoten en is aan zijn verwondingen overleden. De bijrijder van de Audi kon worden aangehouden en bleek te zijn genaamd [medeverdachte 3] .

3.2.

Tussenconclusie

De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat verdachten een helikopter wilden huren met het plan deze helikopter te kapen op de tussenlandingsplaats in Weert en vervolgens te gebruiken om [naam gevangene] uit de PI in [plaats] te bevrijden.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag welke rol verdachte hierbij heeft gehad. Zij dient zich hierbij te beperken tot de tekst van de door het Openbaar Ministerie opgestelde tenlastelegging. De rechtbank mag die tenlastelegging niet uitbreiden of ingrijpend wijzigen. Criminele organisatie staat niet (meer) op de tenlastelegging en zal daarom niet worden besproken.

3.3.

Dilemma

De rechtbank hecht eraan op te merken dat dankzij de alertheid en het kordate optreden van medewerkers van het Helicentre en de politie het plan van verdachten vroegtijdig is verijdeld. Daarmee is een zeer ernstige en gevaarlijke situatie voorkomen. Het aanhouden van verdachten om misdaden te voorkomen wordt ook wel het ‘stukmaken van een onderzoek’ genoemd. Het is vaak een duivels dilemma op welk moment de politie het best tot aanhoudingen over kan gaan. Enerzijds spelen veiligheidsoverwegingen een rol en kan de politie niet lijdzaam toezien dat er gevaarlijke situaties ontstaan en de veiligheid van mensen in gevaar komt. Anderzijds kan het stukmaken van een onderzoek tot gevolg hebben dat de verdachten niet of voor weinig strafbare feiten veroordeeld kunnen worden omdat er vroeg is ingegrepen en er nog geen strafbare feiten zijn gepleegd. In onderhavige zaak speelde dit dilemma ook. Dit zal nader worden besproken in rubriek 4.3.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Uit het dossier blijkt dat het de bedoeling was om met een gekaapte helikopter [naam gevangene] te bevrijden uit de PI. Dit betekent dat beide feiten onderdeel vormden van één misdadig plan. Hierbij waren de onderlinge rollen en taken verdeeld en was ieders rol afgestemd op de actie van de medeverdachten. De boeking van de vierpersoons helikopter, gevolgd door de melding van [medeverdachte 1] op het afgesproken tijdstip in Budel, terwijl de BMW klaarstond in Weert met daarin zwaarbewapende verdachten en een helikopterpiloot, terwijl ook de Audi met andere verdachten gereed stond in de omgeving van Roermond, vormen gedragingen die naar de uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op de voltooiing van de kaping en de hulp bij de bevrijding.

Uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte op 11 oktober 2017 één van de inzittenden van de BMW in Weert is geweest. Ook is hij betrokken geweest bij de voorbereiding van het plan. [medeverdachte 5] herkent verdachte als ‘ [bijnaam] ’ en heeft hem twee maal ontmoet, namelijk op 5 oktober 2017 en 11 oktober 2017. De verklaringen van [medeverdachte 5] worden betrouwbaar geacht nu deze over de aanloop en de gang van zaken op 11 oktober 2017 in grote lijnen consistent zijn en op veel punten op detailniveau worden bevestigd door andere onderzoeksbevindingen. Verdachte is voorts herkend tijdens een observatie op 10 oktober 2017. Hij was toen in het bijzijn van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] . De betrokkenheid van verdachte bij de eerder geplande actie en bij de voorbereiding wordt ook bevestigd door de plaatsen waar de door verdachten gehuurde voertuigen zijn gestopt. Blijkens Track & Tracegegevens is de Opel Astra op 26 september 2017 ruim twee uur gestopt op de [straat] (nabij de woning van verdachte), en stond de Fiat op 2 oktober 2017 meer dan negen uur stil aan de [adres] (straat waar verdachte woont). Dit geldt ook voor de Peugeot die hier op 10 oktober 2017 twee momenten kort stopt. In die Peugeot zijn op een groot aantal goederen, waaronder doosjes van mobiele telefoons, sporen aangetroffen die afkomstig zijn van verdachte. Op 11 oktober 2017 heeft hij samen met [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 8] in de gestolen BMW de komst van de helikopter afgewacht bij de tussenlandingsplaats in Weert. Uit tapgesprekken blijkt dat verdachte het één en ander afstemt met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 1] . Hij is met betrekking tot de BMW en de wijze van overname van de helikopter kennelijk het aanspreekpunt. In een gesprek tussen verdachte en [medeverdachte 1] wordt bijvoorbeeld besproken dat verdachte een wapen klaar heeft liggen. Deze leidende rol van verdachte blijkt ook uit de verklaring van [medeverdachte 5] . Hij heeft verklaard dat verdachte de leider was in de BMW.

Op grond van het voorgaande kunnen het onder feit 1 primair tenlastegelegde, de poging tot kaping van een helikopter, en de onder feit 2 tenlastegelegde poging hulp bij bevrijding van een gevangene, worden bewezen. Verdachte heeft hierbij de rol van medepleger vervuld. Hij heeft met de overige verdachten bewust en nauw samengewerkt. Dit blijkt onder meer uit de speciaal voor de bevrijdingsactie gehuurde voertuigen, men beschikte ook over snelle gestolen voertuigen, voorafgaand aan de ochtend van 11 oktober werden voorverkenningen gedaan, de verdachten hebben zich ’s nachts verzameld in het Blue Collar hotel en bevonden zich op de actiedag op de afgesproken plaatsen in de gestolen voertuigen, die onder andere waren voorzien van de benodigde goederen zoals zelf gemaakte kraaienpoten, benzine en automatische vuurwapens.

De onder de feiten 3 en 4 tenlastegelegde heling en wapenbezit in vereniging kunnen ook worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Het lijkt er sterk op dat het de bedoeling was dat een aantal jongens een vriend uit de gevangenis wilden bevrijden met behulp van een piloot en een helikopter. Uit het dossier is gebleken dat verdachte een aantal personen kent die ook aan deze zaak zijn gekoppeld. Daarnaast is gebleken dat hij op 10 oktober 2017 een ontmoeting had met [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] en dat verdachte op 11 oktober 2017 rond twee uur ’s nachts het Blue Collar hotel in Eindhoven heeft bezocht. Tot slot kan worden aangenomen dat verdachte op 11 oktober 2017 aan de passagierszijde van de BMW in Weert zat.

Maar op grond van het voorgaande kan verdachte niet als medepleger worden gekwalificeerd, omdat niet bekend is wat zijn wetenschap was op het moment dat hij naar het hotel reed en daar aankwam. Niet kan worden vastgesteld dat de aan verdachte toegedichte telefoongesprekken door hem zijn gevoerd. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft weliswaar stemvergelijkend onderzoek gedaan, maar heeft geconcludeerd dat het iets waarschijnlijker is – de één na laagste ordergrootte van bewijskracht en dus geen bewijskracht - dat verdachte heeft deelgenomen aan de belastende telefoongesprekken. Deze conclusie van het NFI ondersteund dus de ontkenning van verdachte op dit punt. En verder kan niet worden vastgesteld waarom de auto’s op de [adres] of in de omgeving daarvan werden geparkeerd. Niet geconcludeerd kan worden dat dit was omdat medeverdachten met verdachte spraken over ontvluchtingsplannen. Ook is niet komen vast te staan dat verdachte de landingsplaats in Weert op 11 oktober 2017 heeft verkend. Niet gebleken is bovendien dat verdachte een wapen in zijn bezit heeft gehad. DNA-sporen of dactyloscopische sporen werden niet aangetroffen op (onderdelen van) wapens of munitie. Daarom moet verdachte van het medeplegen van de poging tot kaping (feit 1 primair) en de poging tot bevrijding van een gevangene (feit 2) worden vrijgesproken.

Daarnaast moet voor het aannemen van een strafbare poging sprake zijn van een begin van uitvoering, geopenbaard door handelingen die naar de uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op voltooiing van het misdrijf. Voltooiing van het misdrijf was op voorhand al niet meer mogelijk. De politie had de boel al onder controle en de zaak al ‘stuk gemaakt’. De helikopter zou nimmer opstijgen. Verdachte zou niet eens in de buurt komen van een begin van uitvoering.

Aan verdachte is subsidiair de voorbereiding van een kaping tenlastegelegd. In het kader daarvan ligt de vraag voor of het bezoeken van een hotel en het rijden in auto’s bestemd zijn om een bepaald strafbaar feit te plegen. De verdediging meent van niet nu deze hoogstens bestemd konden zijn voor de voorbereiding zelf. Met de verklaring van [medeverdachte 5] dient terughoudend te worden omgegaan want hij heeft wonderlijk verklaard. Verdachte dient op grond van het voorgaande dus ook te worden vrijgesproken van het voorbereiden van een kaping (feit 1 subsidiair).

Dit geldt ook voor feit 3 en feit 4. Niemand heeft verklaard dat verdachte heeft gekeken in de tas die hij volgens [medeverdachte 5] uit de auto heeft gegooid. Er zijn ook geen taps of forensische sporen die hem met die wapens en munitie in verband brengen. Er is ook geen bewijs dat verdachte wetenschap had van het feit dat de auto’s waren gestolen, te meer nu door verdachten tevens gebruik werd gemaakt van huurauto’s.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Daadstrafrecht

Het Nederlands strafrecht gaat uit van een zogenaamd “daadstrafrecht” en niet van een “intentiestrafrecht”. Dat wil zeggen dat het alleen strafbaar is als je iets doet en het dus niet strafbaar is als je iets alleen maar zou willen of van plan bent. Er zijn grofweg drie redenen waarom de wetgever die keuze voor het “daadstrafrecht” heeft gemaakt. De eerste reden is dat voordat iemand strafbaar handelt er nog geen “kwaad” is geschied; er is nog geen schade toegebracht. Dan is strafrechtelijk optreden niet nodig. De tweede reden is dat men vrij is om te handelen en te denken wat men wil zolang men geen inbreuk maakt op de vrijheid van een ander. Een intentie zonder daad maakt geen inbreuk op de vrijheid van een ander. De derde reden is dat niet iedere intentie daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Iemand kan immers ook nog van mening veranderen en zijn plan toch niet uitvoeren. Het recht richt zich daarom alleen op extern controleerbare feiten en die moeten strafbaar zijn wil een straf kunnen volgen.

Poging

Als een delict nog niet is voltooid, kan toch sprake zijn van strafbaar handelen. Bijvoorbeeld als sprake is van een strafbare poging een delict te plegen. Om tot een bewezenverklaring van een poging te komen moet de verdachte een gedraging of gedragingen hebben verricht die naar haar uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf, zo heeft de Hoge Raad onder andere in het Cito-arrest geoordeeld. Met andere woorden: er moet sprake zijn van een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf.

Artikel 385a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt dat kaping inhoudt het in de macht van de dader brengen of houden of van de route doen afwijken van het luchtvaartuig door geweld, bedreiging met geweld of vreesaanjaging. Een strafbare poging tot kaping vereist daarom dat er een begin van uitvoering is gemaakt met het in de macht brengen of van de route doen afwijken van de helikopter. De uitvoeringshandelingen moeten betrekking hebben op de kaping en dus niet op de voorbereiding daarvan of het vluchten na afloop.

Het plan van verdachten was om de helikopter (al dan niet met geweld) te kapen op de locatie van de tussenlanding in Weert. Op die plaats stond een BMW geparkeerd, met daarin onder meer [medeverdachte 5] . Hij zou de helikopter na de overname besturen. In deze BMW was een tas met wapens en munitie, kraaienpoten, kabelbinders, tape, autobanden, touwen met karabijnhaken, benzine en vuurwerk aanwezig. De inzittenden hebben de auto niet verlaten. De auto is weggereden op het moment dat de helikopter met daarin politieagenten in Weert arriveerde.

Op het moment dat [medeverdachte 1] op Kempen Airport in Budel werd aangehouden was men nog niet begonnen met het kapen van de helikopter. De helikopter met daarin politieagenten is opgestegen in Budel en naar Weert gevlogen, maar is daar niet geland. De verdachten in de BMW in Weert hebben de auto niet verlaten. Men stond weliswaar in de startblokken, maar heeft geen begin gemaakt met de overname van de helikopter. De rechtbank ziet overeenkomsten tussen onderhavige zaak en de situatie die in het zogeheten ‘GWK-arrest’1 aan de orde was.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat nog geen sprake was van een begin van uitvoering waardoor verdachte van het onder feit 1 primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken.

Verdachte wordt om dezelfde reden ook van feit 2 vrijgesproken. De verdachten zijn namelijk evenmin begonnen met de bevrijding van [naam gevangene] uit de PI in [plaats] . De bevrijding zou pas na de kaping van de helikopter plaatsvinden. Er zijn geen uitvoeringshandelingen gepleegd met betrekking tot de beoogde bevrijding van [naam gevangene] .

Voorbereiding

In 1994 is de voorbereiding van ernstige delicten strafbaar gesteld. De wetgever vond het onwenselijk dat gevallen waarin nog geen sprake was van een strafbare poging, onbestraft bleven. In de praktijk bleek het soms te gevaarlijk om te wachten tot verdachten een begin van uitvoering met hun plan hadden gemaakt en de politie moest zaken vroegtijdig ‘stuk maken’. Er kon dan geen adequate vervolging plaatsvinden en men vreesde dat een stukgemaakte zaak als een soort generale repetitie zou kunnen dienen. Met de strafbaarstelling van voorbereiding van ernstige misdrijven is het mogelijk gemaakt om in een eerder stadium strafrechtelijk in te grijpen.

Artikel 46 Sr luidt, voor zover hier van belang:

Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft of voorhanden heeft.

De in artikel 46 Sr opgenomen voorbereidingshandelingen (verwerven, vervaardigen, voorhanden hebben etc.) en voorbereidingsmiddelen (voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en vervoermiddelen) zijn limitatief opgesomd en vormen een beperking van de strafbaarstelling. De strafbaarstelling wordt daarnaast ingeperkt door het vereiste dat de voorbereidingsmiddelen (dat kunnen immers ook heel alledaagse voorwerpen zijn) bestemd zijn tot het begaan van een ernstig, nader bepaald misdrijf waar een gevangenisstraf van acht jaar of meer voor kan worden opgelegd. Met de term ‘dat misdrijf’ in de zinsnede ‘bestemd tot het begaan van dat misdrijf’ wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid, en dus niet op de voorbereiding zelf. (Zie bijvoorbeeld HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1956, NJ 2013/133, waarin werd geoordeeld dat een telefoon waarmee verdachten gesprekken voerden over een uit te voeren overval, niet kon worden aangemerkt als een voorwerp dat bestemd was tot het begaan van die overval. De telefoon werd gebruikt bij de voorbereiding van de overval, maar zou geen rol van betekenis hebben bij het uitvoeren van de overval).

Voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 46 Sr is dus vereist dat wordt bewezen dat de voorbereidingsmiddelen “bestemd zijn tot het begaan van een dergelijk misdrijf”. Krachtens geldende jurisprudentie is daarbij van belang dat deze voorbereidingsmiddelen afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat verdachte voor ogen stond (HR 20 februari 2007, LJN AZ0213). Uit deze rechtspraak volgt dat drie criteria maatgevend zijn om te bepalen of een voorwerp bestemd is tot het begaan van het beoogde misdrijf: de uiterlijke verschijningsvorm van de voorbereidingsmiddelen (1), het gebruik daarvan (2) en het misdadige doel (3) dat de verdachte met het gebruik voor ogen had.

Aan verdachte is (onder feit 1 subsidiair) – samengevat – tenlastegelegd dat hij opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen (een) mobiele telefoon(s), simkaart(en), auto’s, hotelkamer(s), e-mailberichten betreffende de huurovereenkomst met Helicentre Lelystad, (onderdelen van) vuurwapen(s) en/of munitie, kraaienpoten, touw, autobanden, vuurpijlen of brandbare stoffen heeft verworven of voorhanden heeft gehad en dat die voorbereidingsmiddelen bestemd waren tot het begaan van het kapen van een helikopter.

De rechtbank stelt voorop dat uit het dossier voldoende is gebleken dat een helikopter is gehuurd die vervolgens door verdachten zou worden gekaapt om daarmee een gevangene uit de PI te kunnen bevrijden. Het misdadige doel (3) dat de verdachten in dit onderzoek voor ogen stond, is dus duidelijk. Om de helikopter te kunnen kapen zijn voorbereidingen getroffen. Er is een helikopter gehuurd, de locatie van de tussenlanding in Weert is uitgezocht, er is een piloot geregeld die over de te vliegen route werd geïnstrueerd en er waren wapens aanwezig in de BMW in Weert om bij de kaping te gebruiken.

Toch is de rechtbank van oordeel dat het merendeel van de in de tenlastelegging genoemde voorbereidingsmiddelen (met uitzondering van de wapens en munitie die aanwezig waren in de BMW in Weert), niet waren bestemd tot het begaan van het kapen van een helikopter. Deze voorbereidingsmiddelen (telefoons, simkaarten, auto’s, hotelkamers, e-mailberichten betreffende de huurovereenkomst met Helicentre Lelystad, kraaienpoten, touw, autobanden, vuurpijlen en brandbare stoffen) zouden namelijk geen rol van betekenis spelen bij het daadwerkelijk kapen van de helikopter.

De telefoons en simkaarten werden weliswaar veelvuldig gebruikt om met elkaar te overleggen over het voorgenomen plan, maar daarmee waren deze telefoons slechts dienstig bij de voorbereiding zelf en niet bestemd om het misdrijf mee te plegen. De telefoons zouden geen rol spelen bij het feitelijk overnemen van de helikopter. Ook de e-mailwisseling met het Helicentre over het huren van een helikopter en de hotelkamers die mogelijk zijn gebruikt om met elkaar het plan door te spreken, speelden uitsluitend een rol in de voorbereiding van de kaping maar niet bij de kaping zelf.

Met de voertuigen zijn verdachten naar Budel, Weert en Roermond gereden en konden zij na afloop vluchten. In het geval van een achtervolging door de politie zouden kraaienpoten de vlucht kunnen vergemakkelijken en met de benzine en vuurpijlen worden voertuigen nog al eens in brand gestoken om sporen uit te wissen. De auto’s, kraaienpoten, vuurpijlen en brandbare stoffen zouden in het plan van verdachten een rol hebben gespeeld bij de vlucht, maar niet bij het kapen van de helikopter.

Het touw en de autobanden die zich in de BMW in Weert bevonden, waren bedoeld om te worden gebruikt bij de bevrijding van de gevangene en dus niet bij de kaping van de helikopter.

Het spreekt voor zich dat wapens en munitie naar hun uiterlijke verschijningsvorm en gebruik wel bestemd kunnen zijn tot het begaan van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde feit, maar dat geldt alleen voor de wapens en munitie die aanwezig waren in de BMW in Weert. Op die plek zou immers de tussenlanding en kaping plaatsvinden. De wapens (en wapenonderdelen) die elders aanwezig waren (in de woning aan de [adres 1] die als uitvalsbasis diende, in de Audi in Roermond, in de Opel Astra in Amsterdam) zouden namelijk, gezien hun locatie, niet worden ingezet bij of gebruikt worden voor het kapen van de helikopter.

Dat betekent dat de rechtbank alleen de wapens en munitie die in de BMW in Weert aanwezig waren, als voorbereidingsmiddel voor het kapen van de helikopter aanmerkt.

Derhalve dringt zich de vraag op of verdachte één van de inzittenden van de BMW is geweest en op de hoogte was van de wapens in die auto of wist van het misdadige plan om een helikopter met geweld te kapen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Zij overweegt daartoe als volgt.


Uit de verklaring van [medeverdachte 5] volgt dat verdachte met dezelfde personen waarmee hij op 11 oktober 2017 het Blue Collar hotel verliet, in de BMW in Weert heeft gezeten. Hij heeft verdachte aangewezen als ‘ [bijnaam] ’ die als bijrijder op de passagiersstoel zat. Omdat [medeverdachte 5] veel wisselende verklaringen heeft afgelegd en meerdere keren personen met elkaar heeft verward, zal de rechtbank zijn verklaring alleen voor het bewijs gebruiken voor zover deze wordt bevestigd door andere onderzoeksbevindingen. De verklaring van [medeverdachte 5] wordt op dit onderdeel bevestigd door een observatie, gedaan op 11 oktober 2017 om 13.50 uur, waarbij de politie heeft waargenomen dat rechts voorin de BMW een manspersoon zat met lang donker haar en die is herkend als verdachte.

Tevens is uit onderzoeksbevindingen gebleken dat verdachte in de periode van 1 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 de gebruiker is geweest van het telefoonnummer eindigend op * [nummer] . Dit volgt uit een vergelijkend spraakonderzoek van 6 september 2018, verricht door het NFI, en uit een eerder verricht stemvergelijkend onderzoek waarbij de stem van de gebruiker van het nummer * [nummer] in tapgesprek 861 is vergeleken met de stem van verdachte die te horen is in een tapgesprek dat werd opgenomen in een ander strafrechtelijk onderzoek genaamd 13Rendlia.

Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte degene is geweest die met het telefoonnummer eindigend op * [nummer] onder andere de volgende belastende tapgesprekken heeft gevoerd.

Tapgesprek 788, 11 oktober 2017 om 11.25 uur

[nummer] : Luister dan.. Hij vindt goed plan 2 waggi's daaro die kant daar zetten. Je weet toch dan hoeven ze niet met zijn 5e in 1 waggi.

[nummer] : Kifesh ntv die piloot . Zet hem gewoon in zijn kamer eh ntv.

[nummer] : eh?

[nummer] : Zeg tegen hem kom naar die kamer van ons man.

[nummer] : Ey klop bij hem aan alsjeblieft he broer.

[nummer] : Welke kamer nummer?

[nummer] : ls gewoon precies ernaast.

[nummer] : [nummer] ofzo jij bent [nummer] ehh [nummer] hij is [nummer] gewoon precies ernaast.

Tapgesprek 824, 11 oktober 2017 om 12.38 uur

[nummer] : Jo

[nummer] : effe, jullie moeten staan waar jullie gisteren stonden toch? Die twee..onv..dan ga ik zeggen ze zitten daar in die BMW .

[nummer] : ...onv..

[nummer] : Die waar we gisteren gingen. Daar ga je toch staan? Niet waar wij gingen uitstappen. Daar tegenover. Waar we het gras opgingen toch .

[nummer] : waar we in de waggie gingen zitten toch. Die komt naar daar toe.

[nummer] : lk kom toch daar naar toe. lk bedoel als ik daar naar toe kom. Dan moet ik toch zeggen, he daar in die waggie. lk ga der effe naar toe. Begrijp je? He die man heb die ding weggegooid he. Die ronde ding. Hij hoeft niet he broer. lk ga gewoon ding meenemen. Je weet toch.

[nummer] : is skol.

[nummer] : Ze zijn geland toch? en ik kom er maar niet uit. Dan weet je ik ben bezig met die man. Dan moeten jullie gewoon komen ja ?

[nummer] : safie is cool man. Safie is cool.

[nummer] : Je moet ook effe vragen voordat je opstijgt of er mensen op de grond en die bullshit

[nummer] : ja ja ja

[nummer] : Geef alles door. Als het kan zelf het model doorgeven. Geef ook door.

Tapgesprek 855, 11 oktober 2017 om 13.18 uur

[nummer] :Yo broer!

[nummer] : Yo broer, ben je er al whoela!?

[nummer] : Nee man, ik ben er met tjouw (fon) kilometer, fakking druk opeens man.

[nummer] : Ja, man, ik ga pas kwart voor proberen te vliegen.

[nummer] : Heb tie uitleg gegeven?

[nummer] : Nee, ik ben nog niet binnen geweest.

[nummer] : Heb je gannie bij je? toch?

[nummer] : ja, ik heb gannie bij me maar ik zie dat het gewoon een luchthaven is, met die ding man, ik denk dat ze sowieso metaaldetector hebben man, ik heb al 4 <ntv> op zak,3.

[nummer] : Paspoort vergeten? Probeer die eerst

[nummer] : Ja toch, in de waggie, dit dat...

[nummer] : Laat die anderen daar wachten, bel mij hoe het eruit ziet. Bel me voordat je sowieso vliegt! 'lk ga ff mijn moeder bellen' en dan ga je me doorgeven grondpersoneel en bullshit en wat, probeer zoveel mogelijk te rekken. lk ben er met een kwartiertje TomTom, 17 minuten.

Tapgesprek 861, 11 oktober 2017 om 13.31 uur

[nummer] : Yo broer

[nummer] : Yo broer

[nummer] : Ja

[nummer] : Luister ik heb me net gemeld, dit en dat, en ik kan geen gannoe denk ik meenemen, hij zegt tegen mij 'lk ga je even voor de veiligheid moet ik even controleren of je telefoon uitstaat'. Dus mijn telefoon moet uit.

[nummer] : Kan je m dan aangooien?

[nummer] : lk ga m aangooien als we in de lucht zijn.

[nummer] : Dat is cool man, wanneer ga je, had je nog een gesprek of wat?

[nummer] : Hij zegt: We gaan zo, dit en dat.' lk denk dat we kwart voor gaan vliegen.

[nummer] : Das mooi. Als je komt landen broer, ga je me nog bellen? <ntv> Wat moet ik doen?

[nummer] ; Je moet even een minuutje wachten, kijk ik kom naar jullie toe, want zet alvast een gannoe klaar, dan zet ik hem in mijn ding, toch? En dan loop ik weer terug en zeg ik tegen m, mijn vriendin is bang, ze durft niet te komen dit en dat.

[nummer] : Trek zijn handen van die stuur, dat ie niet omhoog gaat.

[nummer] : Ja, ja, ik ga erin, ik ga er weer in broer.

[nummer] : ls cool broer...

[nummer] : Begrijp je, maar als ie komt... moet jullie, moet jullie ... zeg maar... er hoeft maar 1 iemand gezien te worden, je weet toch? Probeer een beetje..

[nummer] : Eentje gaat in de bosjes, eentje gaat in de bosjes...

[nummer] : Ja, maar dat zien ze misschien al van de lucht, je weet toch? Begrijp je? Probeer gewoon in die waggie... lk zeg tegen hem, die moeten we hebben, daar zit mijn vriendin in dit en dat ik ga nu naar d'r toe om d'r te halen, toch? Deur open maken, zijdeur

[nummer] : lk kan een gannie tussen mijn benen voor jou . We gaan nu die andere waggie pakken, he?

[nummer] : Saaf (fon) (praten door elkaar)

[nummer] : . <ntv> 8 minuten...

[nummer] : Saaf is cool

[nummer] : Iets rond kwart voor zijn we daar. Welke kleur is die vliegtuig eh helikopter ?

[nummer] : lk denk blauw, ik zie een blauwe staan.

[nummer] : <ntv> model ofzo?

[nummer] : Nee man... maar je ziet sowieso, als we gaan landen, zie je sowieso dat we gaan landen, snap je? Dan zie je gelijk ons.

Uit bovenstaande tapgesprekken maakt de rechtbank op dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van wapens (gannie/gannoe) en dat deze gebruikt zouden worden bij het kapen van de helikopter waarmee [naam gevangene] zou moeten worden bevrijd. De wetenschap van het misdadige plan blijkt niet alleen uit de inhoud van voorgaande tapgesprekken, maar ook uit andere tapgesprekken. In tapgesprek 822 zegt verdachte tegen [medeverdachte 1] dat hij tijd moet rekken en tien voor twee pas naar boven moet gaan, wat aansluit op de luchttijden van [naam gevangene] in de gevangenis die op 11 oktober 2017 van 13.55 uur tot 14.55 uur naar buiten mocht. Ook heeft verdachte op 11 oktober 2017 om 13.24 uur een inkomend telefoongesprek ontvangen van een telefoon die later bij [naam gevangene] in de PI is teruggevonden. Deze feiten en omstandigheden maken dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank op de hoogte moet zijn geweest van de wapens in de BMW in Weert en van het misdadige plan om een helikopter met geweld te kapen.

Verdachte wordt op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen, veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde onder feit 1 (het voorbereiden van een kaping), waarbij hij de rol van medepleger heeft vervuld aangezien hij (met name gelet op voornoemde tapgesprekken en het feit dat verdachte in de nacht van 11 oktober 2017 samen met zes medeverdachten heeft verbleven in het Blue Collar hotel in Eindhoven) een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan dit feit.

Feit 3

De rechtbank is voorts van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte de wapens en munitie die in de Audi en in de woning aan de [adres 1] aanwezig zijn geweest (al dan niet in vereniging met anderen) voorhanden heeft gehad. Het dossier bevat geen gegevens die verdachte rechtstreeks verbindt aan de tenlastegelegde wapens, in de zin dat hij zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens en daarover kon beschikken. Dit maakt dat hij hiervan wordt vrijgesproken.

Dit is anders voor wat betreft de wapens, wapenonderdelen en munitie die tijdens de vlucht voor de politie in een tas uit de BMW zijn gegooid en op 13 november 2017 in de berm is aangetroffen. Verdachte was bijrijder van de BMW en gebleken is dat hij degene is geweest die genoemde tas uit de auto heeft gegooid. [medeverdachte 5] heeft dit immers verklaard en ook door de politie is gezien dat de bijrijder van de BMW de tas uit het raam gooide. Uit deze gedraging leidt de rechtbank tevens af dat verdachte op de hoogte was de inhoud van de tas en het illegale karakter daarvan. Op grond van het voorgaande en de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen, is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het wapens, de wapenonderdelen en patronen en dat hij hier beschikkingsmacht over had. De rechtbank merkt op dat het bezit van de revolver die ook in deze tas zat, niet aan verdachte is tenlastegelegd. Omdat de rechtbank gebonden is aan de tekst van de tenlastelegging, kan zij verdachte niet voor het bezit van dit wapen veroordelen.

Feit 4

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de heling van de drie auto’s omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte op het moment van het voorhanden krijgen of verwerven van die auto’s wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze auto’s afkomstig waren van enig misdrijf. Geen van de verdachten is in verband te brengen met de diefstal van deze auto’s, er was geen braakschade, de auto’s waren voorzien van kentekenplaten en verdachten beschikten over de sleutels. Daarnaast werden door verdachten ook huurauto’s gebruikt en het was voor verdachte daarom niet goed mogelijk om te weten of auto’s gehuurd of gestolen waren. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat verdachte wist of moest vermoeden dat de auto’s gestolen waren, is niet gebleken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

in de periode van 1 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 te Amsterdam en/of Budel en/of Roermond en/of Weert, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf van kaping (artikel 385a lid 2 Wetboek van Strafrecht), voorwerpen bestemd tot het in vereniging begaan van genoemd misdrijf voorhanden heeft gehad, te weten (onderdelen van) automatische vuurwapens en munitie;

ten aanzien van feit 3:

op 11 oktober 2017 te Weert en/of Maarheeze, gemeente Cranendock, tezamen en in vereniging met anderen een zwarte tas met daarin een automatisch vuurwapen, te weten een aanvalsgeweer van categorie II en een pistool van categorie III en onderdelen van een aanvalsgeweer van categorie II, te weten patroonmagazijnen met daarin munitie, te weten patronen van categorie III, voorhanden heeft gehad.

6 Motivering van de straf

6.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar, met aftrek van voorarrest.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de strafeis van de officier van justitie te matigen en daarbij rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Aangezien de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie, komt zij tot oplegging van een aanzienlijk lagere straf dan is geëist. Verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van dertig maanden. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft zich samen met anderen beziggehouden met de voorbereiding van de kaping van een helikopter met de bedoeling daarmee een gevangene uit de PI te [plaats] te bevrijden. Een levensgevaarlijk plan dat onbeheersbare risico’s met zich meebracht. Ten behoeve van de voorbereiding zijn voorverkenningen gedaan en verdachten zijn in de nacht van 10 op 11 oktober 2017 naar de omgeving van Eindhoven gereisd. In Colombia is een helikopterpiloot benaderd die vervolgens naar Nederland is gekomen om te helpen bij de kaping. Verdachten waren in het bezit van onder meer gestolen auto’s, wapens, kraaienpoten, brandbare stoffen en vuurwerk. Verdachte heeft bij de voorbereiding van dit plan een coördinerende en leidende rol gehad. Dit blijkt uit tapgesprekken en uit het feit dat hij op de tussenlandingsplaats in Weert, waar de helikopter zou moeten worden gekaapt, aanwezig was met de benodigde wapens en munitie. Mogelijk grof geweld en wapengebruik zou dus niet worden geschuwd.

Als verdachten in hun plan waren geslaagd, zou de rechtsorde op ernstige wijze zijn geschokt, zou de loop van het recht zijn verstoord en zouden gevoelens van onveiligheid in de samenleving zijn versterkt. Verdachte heeft door mee te werken aan dit plan een totaal gebrek aan respect getoond voor de rechtsorde. Verdachte heeft bovendien verschillende wapens en munitie voorhanden gehad. Ook dit is een ernstig feit, nu ongecontroleerd wapenbezit onaanvaardbare risico’s en gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich brengt. Dat geldt des te meer voor automatische vuurwapens die vaak gebruikt worden bij het begaan van zeer ernstige strafbare feiten. Bovendien had verdachte het vuurwapen voorhanden in een auto die zich op de openbare weg bevond en heeft hij zich daar later van ontdaan door de tas uit het raam van de auto te gooien.

Het is niet aan de verdachten te danken dat dit misdadige plan niet is voltooid. Het is dankzij het kordate optreden van het personeel van het Helicentre en de politie dat dit plan vroegtijdig is verijdeld en de verdachten aangehouden konden worden. Dankzij hen is wellicht een veel gevaarlijkere en ernstigere situatie voorkomen.

Het voorbereiden van een kaping komt zelden voor en de rechtbank heeft geen vergelijkbare zaken gevonden om qua strafmaat bij aan te sluiten. Voor dit feit zijn ook geen oriëntatiepunten beschikbaar.

Uit het strafblad van verdachte van 20 augustus 2018 is gebleken dat hij weliswaar eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet voor geweldsmisdrijven die vergelijkbaar zijn met de feiten in onderhavige zaak.

Verdachte heeft geen persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die reden vormen om zijn straf te matigen. Hij heeft ervoor gekozen ook over zijn persoonlijk leven te zwijgen. Hij heeft geen verantwoording afgelegd voor de door hem begane feiten en er geen blijk van gegeven in te zien dat zijn handelen strafwaardig is.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 46, 47, 57 en 385a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de feiten onder 1 primair, 2 en 4 tenlastegelegd niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder feit 1 subsidiair en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1, subsidiair:

medeplegen van voorbereiding van het in zijn macht brengen/het in zijn macht houden/het van de route doen afwijken van een luchtvaartuig door geweld/bedreiging met geweld;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- Zaktelefoon (5465385)

- Zaktelefoon (5464093).

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Janse van Mantgem, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 november 2018.

1 HR 8 september 1987, NJ 1988/612. Twee mannen hadden zich voorgenomen een grenswisselkantoor te overvallen. Zij hadden een auto gestolen, die van valse nummerplaten voorzien en de omgeving van het grenswisselkantoor verkend. Een dag later reden zij in de auto naar het grenswisselkantoor en wachtten in de auto met draaiende motor tot de medewerker van het grenswisselkantoor arriveerde. Zij hadden onder meer een jachtgeweer, een imitatievuurwapen, handboeien, touw en tape bij zich. De medewerker zag de auto, herinnerde zich die auto de dag ervoor ook te hebben gezien en waarschuwde de politie. Na een wilde achtervolging werden de twee mannen aangehouden. De Hoge Raad zag hierin geen begin van uitvoering: “wanneer iemand het voornemen heeft opgevat in een bank het misdrijf voorzien bij art. 317 te plegen kan niet worden gezegd dat hij aan dat misdrijf begin van uitvoering heeft gegeven indien hij zich met een auto naar die bank heeft begeven, doch – om welke reden dan ook – die auto niet heeft verlaten noch – in of vanuit die auto – een gedraging heeft verricht welke naar haar uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat voorgenomen misdrijf.”