Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8013

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2018
Datum publicatie
12-11-2018
Zaaknummer
13/728141-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot kaping van een helikopter en bevrijding van een gevangene omdat nog geen sprake was van een begin van uitvoering. Ook voorbereiding tot kaping kan niet worden bewezen omdat niet is komen vast te staan dat verdachte wist van het gewelddadige plan of zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens met het doel deze te gebruiken bij een kaping van een helikopter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728141-17

Datum uitspraak: 12 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , ten tijde van de zitting gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [huis van bewaring] ” te [plaats huis van bewaring] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 31 januari 2018, 28 maart 2018, 20 juni 2018, 11 september 2018, 12 september 2018, 13 september 2018, 17 september 2018 en 29 oktober 2018. Verdachte was daarbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. C.J. Cnossen en H. Hoekstra (hierna: officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.N. de Jonge, naar voren hebben gebracht.

Het onderzoek 13Leyburn richt zich op de volgende verdachten die hierna in het vonnis bij hun achternaam zullen worden genoemd: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] .

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij

1. zich in de periode van 1 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot kaping van een helikopter door deze helikopter met geweld, bedreiging met geweld of vreesaanjaging in zijn macht te brengen/houden en/of van zijn route af te doen wijken.

Als de rechtbank dat niet bewezen acht, wordt verdachte verweten dat hij samen met anderen een kaping van een helikopter heeft voorbereid.

2. in de periode van 1 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 samen met anderen heeft geprobeerd een gevangene, te weten [naam gevangene] , uit de Penitentiaire Inrichting te [plaats] te bevrijden.

3. in de periode van 1 september 2017 tot en met 11 oktober 2017, al dan niet samen met anderen, wapens voorhanden heeft gehad, waaronder automatische vuurwapens, munitie en wapenonderdelen (patroonhouders en -magazijnen).

4. zich in de periode van 7 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van heling van drie auto’s, te weten een Audi met origineel kenteken

[kenteken] , een BMW met origineel kenteken [kenteken] en een BMW voorzien van (valse) kentekenplaten [kenteken] .

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij het vonnis.

3 Inleiding

3.1

Beschrijving relevante feiten en omstandigheden

Door een persoon die opgaf te zijn genaamd [medeverdachte 2] is getracht om bij het Helicentre Lelystad een helikopter te huren. Hij gaf aan dat hij een rondvlucht wilde maken met zijn vriendin en dat hij op 4 oktober 2017 wilde vertrekken van heliplatform Heythuysen (Limburg). De helikopter die hij wilde huren was geschikt om vier personen te vervoeren. Omdat de vierpersoons helikopter duurder was dan een tweepersoons helikopter en [medeverdachte 2] afkomstig was uit [plaats] en wilde vertrekken vanuit Limburg, kreeg het personeel van het verhuurbedrijf argwaan. Uiteindelijk besloten zij, in overleg met de luchtvaartpolitie, de reservering uit te stellen en werd door de politie een pseudodienstverleningstraject opgestart waardoor het contact met het Helicentre heimelijk werd overgenomen door de politie. De politie had namelijk het vermoeden gekregen dat met de helikopter [naam gevangene] zou worden bevrijd die gedetineerd zat in de Penitentiaire Inrichting (hierna: PI) in [plaats] . Vervolgens werd afgesproken om de rondvlucht op 11 oktober 2017 te maken. [medeverdachte 2] zou zich om 13:30 uur melden op Kempen Airport in Budel (Noord-Brabant). De helikopter zou daar opstijgen en in Weert (Limburg) een tussenlanding maken om de ‘vriendin’ van [medeverdachte 2] op te halen.

Op grond van tapgesprekken en observaties voorafgaand aan en op 11 oktober 2017 ontstond het vermoeden dat meerdere personen een kaping van de helikopter en de bevrijding van een gevangene aan het beramen waren. [medeverdachte 5] was de piloot die de gekaapte helikopter moest besturen. Hij was op 27 september 2017 vanuit Colombia naar Nederland gereisd. Uit observaties bleek dat in Praxis bouwmarkten schroeven en pvc-buizen (veelal gebruikt om kraaienpoten mee te maken) en spanbanden werden aangeschaft. Na de aanhoudingen zijn kraaienpoten en spanbanden aangetroffen in de gebruikte voertuigen. Ook bleek uit observaties dat diverse verdachten zich op 11 oktober 2017 begaven in de omgeving van [plaats] (PI waar [naam gevangene] gedetineerd zat), Budel (opstijglocatie helikopter) en Weert (locatie tussenstop). Er vonden gesprekken plaats die erop duidden dat personen in het bezit waren van vuurwapens en er zijn afspraken gemaakt over onder meer de locatie waar de helikopter zou worden overgenomen, de te gebruiken voertuigen en het tijdstip waarop [naam gevangene] zou worden bevrijd. Uit onderzoek bleek dat één van de auto’s waar de groep gebruik van maakte op het terrein stond van het Blue Collar hotel in Eindhoven. Aan de hand van camerabeelden van het hotel bleek dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 8] en [verdachte] in de nacht van 10 op 11 oktober 2017 in dit hotel verbleven.

[verdachte] heeft op 11 oktober 2017 [medeverdachte 1] naar het helikopterplatform in Budel gebracht. Het onderzoeksteam heeft [medeverdachte 1] aangehouden op het moment dat hij in de helikopter wilde stappen.

In Weert werd gezien dat een BMW naar de locatie reed waar de helikopter zou landen om de ‘vriendin’ van [medeverdachte 2] op te halen. Op het moment dat de politie in Weert tot aanhouding over wilde gaan, reed de BMW met hoge snelheid weg. De politie zette de achtervolging in. Uit de BMW stapten op enig ogenblik drie personen die te voet verder vluchtten. De bestuurder van de BMW reed hierna verder, maar verloor korte tijd later de macht over het stuur en raakte van de weg waarna hij kon worden aangehouden. De bestuurder bleek te zijn [medeverdachte 4] . In de bosschages aan de Koenraadtweg te Maarheeze, ter hoogte van de plek waar de BMW is gecrasht, werd een tas aangetroffen met daarin onder andere een AK-47, een pistool, een revolver, munitie en patroonmagazijnen.

In [plaats] werd gezien dat een BMW en een Audi in de omgeving van de PI stonden geparkeerd. Toen het arrestatieteam tot aanhouding van de inzittenden van de Audi over wilde gaan, ramde de Audi een voertuig van het arrestatieteam, reed op de leden van het arrestatieteam in en ging er met hoge snelheid vandoor. Bij deze actie is door leden van het arrestatieteam meermaals op de Audi geschoten. Tijdens de achtervolging werd gezien dat een op een AK-47 gelijkend voorwerp en een langwerpige tas uit de Audi werden gegooid. Later bleken in deze tas magazijnen voor een AK-47 en losse patronen te zitten. De Audi is hierna door het arrestatieteam van de weg geramd en tot stilstand gekomen. Uit de Audi vluchtten twee personen. De bestuurder van de Audi, [naam bestuurder] , is vervolgens door de politie neergeschoten en is aan zijn verwondingen overleden. De bijrijder van de Audi kon worden aangehouden en bleek te zijn genaamd [medeverdachte 3] .

3.2.

Tussenconclusie

De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat verdachten een helikopter wilden huren met het plan deze helikopter te kapen op de tussenlandingsplaats in Weert en vervolgens te gebruiken om [naam gevangene] uit de PI in [plaats] te bevrijden.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag welke rol verdachte hierbij heeft gehad. Zij dient zich hierbij te beperken tot de tekst van de door het Openbaar Ministerie opgestelde tenlastelegging. De rechtbank mag die tenlastelegging niet uitbreiden of ingrijpend wijzigen. Criminele organisatie staat niet (meer) op de tenlastelegging en zal daarom niet worden besproken.

3.3.

Dilemma

De rechtbank hecht eraan op te merken dat dankzij de alertheid en het kordate optreden van medewerkers van het Helicentre en de politie het plan van verdachten vroegtijdig is verijdeld. Daarmee is een zeer ernstige en gevaarlijke situatie voorkomen. Het aanhouden van verdachten om misdaden te voorkomen wordt ook wel het ‘stukmaken van een onderzoek’ genoemd. Het is vaak een duivels dilemma op welk moment de politie het best tot aanhoudingen over kan gaan. Enerzijds spelen veiligheidsoverwegingen een rol en kan de politie niet lijdzaam toezien dat er gevaarlijke situaties ontstaan en de veiligheid van mensen in gevaar komt. Anderzijds kan het stukmaken van een onderzoek tot gevolg hebben dat de verdachten niet of voor weinig strafbare feiten veroordeeld kunnen worden omdat er vroeg is ingegrepen en er nog geen strafbare feiten zijn gepleegd. In onderhavige zaak speelde dit dilemma ook. Dit zal nader worden besproken in rubriek 4.3.

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Uit het dossier blijkt dat het de bedoeling was om met een gekaapte helikopter [naam gevangene] te bevrijden uit de PI. Dit betekent dat beide feiten onderdeel vormden van één misdadig plan. Hierbij waren de onderlinge rollen en taken verdeeld en was ieders rol afgestemd op de actie van de medeverdachten. De boeking van de vierpersoons helikopter, gevolgd door de melding van [medeverdachte 1] op het afgesproken tijdstip in Budel, terwijl de BMW klaarstond in Weert met daarin zwaarbewapende verdachten en een helikopterpiloot, terwijl ook de Audi met andere verdachten gereed stond in de omgeving van Roermond, vormen gedragingen die naar de uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op de voltooiing van de kaping en de hulp bij de bevrijding.

Verdachte was ten tijde van de tweede boeking (de rondvlucht van 11 oktober 2017) vermoedelijk de gebruiker van het telefoonnummer eindigend op * [nummer] . Met dat telefoonnummer is contact onderhouden met het Helicentre. Verdachte is in de aanloop van 11 oktober 2017 voortdurend gezien in het bijzijn van [medeverdachte 1] met wie hij [medeverdachte 5] heeft vervoerd en op 9 en 10 oktober 2017 de benodigde goederen heeft aangeschaft bij diverse Praxis filialen. Verdachte heeft in de nacht van 10 op 11 oktober 2017 met de medeverdachten overnacht in het Blue Collar hotel. Hij zette op 11 oktober 2017 [medeverdachte 1] met de Opel Astra bij Kempen Airport in Budel af en wachtte tot [medeverdachte 1] naar binnen liep. In een telefoongesprek met [medeverdachte 3] (die op dat moment in de Audi zat) bevestigde hij dat [medeverdachte 1] naar binnen is gegaan en dat “hij sowieso komt”. Daarna reed verdachte naar de kapperszaak in Amsterdam waar hij iets overhandigde aan [medeverdachte 2] . In de Opel Astra is later het vuurwapen aangetroffen waar [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] eerder die dag over hebben gesproken. In het portiek van zijn woning zijn in een nis twee telefoons aangetroffen die door de verdachten zijn gebruikt, waaronder een IPhone, waarvan verdachte heeft verklaard dat die van hem is.

Op grond van het voorgaande kunnen het onder feit 1 primair tenlastegelegde, de poging tot kaping van een helikopter, en de onder feit 2 tenlastegelegde poging hulp bij bevrijding van een gevangene, worden bewezen. Verdachte heeft hierbij de rol van medepleger vervuld. Hij heeft met de overige verdachten bewust en nauw samengewerkt. Dit blijkt onder meer uit de speciaal voor de bevrijdingsactie gehuurde voertuigen, men beschikte ook over snelle gestolen voertuigen, voorafgaand aan de ochtend van 11 oktober 2017 werden voorverkenningen gedaan, de verdachten hebben zich ’s nachts verzameld in het Blue Collar hotel en bevonden zich op de actiedag op de afgesproken plaatsen in de gestolen voertuigen, die onder andere waren voorzien van de benodigde goederen zoals zelf gemaakte kraaienpoten, benzine en automatische vuurwapens.

De onder de feiten 3 en 4 tenlastegelegde heling en wapenbezit in vereniging kunnen ook worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot kaping (het onder feit 1 primair tenlastegelegde) omdat geen sprake was van een strafbare poging. Hiervoor is een begin van uitvoering vereist. Of een begin is gemaakt met uitvoeringshandelingen is afhankelijk van het specifieke voorgenomen misdrijf. In het geval van artikel 385a Sr moet het gaan om het met geweld, bedreiging met geweld of vreesaanjaging in zijn macht brengen of houden of van de route doen afwijken van een luchtvaartuig. Voor de vraag of sprake is van een begin van uitvoering van de kaping moet worden gekeken naar de situatie in Weert; de plek waar de tussenlanding en de kaping zouden gaan plaatsvinden. De middelen die nodig waren bij het kapen van de helikopter, zoals vuurwapens, en de vermeende medeplegers bevonden zich daar. Dat [medeverdachte 1] op het vliegveld in Budel is verschenen kan daarom niet als een begin van uitvoering worden aangemerkt. De inzittenden van de BMW hebben de auto nimmer verlaten. De situatie lijkt op de situatie in de zaak van het Grenswisselkantoor.

Ook van een poging een gevangene te bevrijden (feit 2) dient verdachte te worden vrijgesproken. Men was namelijk nog verder verwijderd van de PI in [plaats] dan van de tussenlandingsplaats.

Ook het voorbereiden van een kaping (feit 1 subsidiair) kan niet worden bewezen. Verdachte wist dat [medeverdachte 1] een vlucht met een helikopter ging maken, maar hij wist niet dat het de bedoeling was om die helikopter te kapen en daarmee een gedetineerde te bevrijden. Het opzet van verdachte ontbreekt dus. Daarnaast zijn veel van de tenlastegelegde voorbereidingsmiddelen (hotelkamers, telefoons, e-mailberichten betreffende de huur van de helikopter) niet bestemd tot het begaan van het kapen van de helikopter. Deze ruimten en voorwerpen waren hoogstens bestemd tot de voorbereiding zelf. In zijn noot onder het arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ1956) zegt Kooijmans terecht dat de Hoge Raad een duidelijke grens hanteert tussen enerzijds niet strafbare voorbereidende handelingen waarbij gebruik wordt gemaakt van voorwerpen die bij het uiteindelijke misdrijf geen rol zullen spelen, en anderzijds wel strafbare voorbereidingshandelingen waarbij de dader voorwerpen voorhanden heeft die hij wel een rol toedicht bij het uiteindelijke misdrijf.

Wapens zijn natuurlijk wel bij uitstek geschikt om geweld mee te plegen of om mee dreigen teneinde de macht over de helikopter te krijgen. Dat in ieder geval een wapen daartoe bestemd was kan worden afgeleid uit tapgesprekken, maar daarmee is niet gezegd dat alle aangetroffen wapens bestemd waren tot het plegen van een kaping. Het is onjuist om het voorhanden hebben van voorwerpen als voorbereidingsmiddel aan te wijzen terwijl het in de kern gaat om voorwerpen die na het uitvoeren van de kaping (bijvoorbeeld bij de bevrijding van [naam gevangene] of bij de vlucht) zouden worden gebruikt.

Bij verdachte ontbrak voorts het opzet op het leveren van een bijdrage aan het kapen van de helikopter en het bevrijden van een gevangene. [medeverdachte 5] heeft verklaard over de rol van ‘de [bijnaam] ’, maar gebleken is dat hij meerdere keren verschillende personen door elkaar haalt. Bovendien heeft hij ook nooit expliciet aangegeven dat hij met ‘de [bijnaam] ’ verdachte bedoelde. Ander bewijs waaruit volgt dat verdachte wist dat [medeverdachte 5] helikopterpiloot is of dat hij bij voorbesprekingen op 30 september 2017 en 2 of 4 oktober 2017 is geweest, ontbreekt.

Dat verdachte wapens heeft gezien of anderszins op de hoogte was van wapens en andere goederen in klaargezette voertuigen, kan nergens op worden gebaseerd. Uit observaties is weliswaar gebleken dat hij samen met [medeverdachte 1] is gezien in de Praxis en toen schroeven en pvc-buizen kocht en ook is tijdens observaties waargenomen dat verdachte zich meerdere keren in de [adres 1] heeft opgehouden, maar verdachte had met het voorhanden hebben en vervaardigen van de kraaienpoten niets van doen. Het zou een aaneenschakeling van aannames vergen om vast te stellen dat verdachte wist wat de bedoeling was.

Verdachte heeft in het Blue Collar hotel verbleven en heeft met de Opel Astra [medeverdachte 1] de volgende dag afgezet bij Kempen Airport. Hij dacht dat [medeverdachte 1] een helikoptervlucht met zijn vriendin zou gaan maken. Verdachte heeft verklaard dat hij in de hotelkamer meteen is gaan slapen en deze verklaring wordt niet weerlegd. Nadat verdachte [medeverdachte 1] heeft afgezet is hij teruggereden naar Amsterdam. In de kofferbak van deze auto is, onder de mat en gewikkeld in toiletpapier, een wapen aangetroffen. Er is geen bewijs dat verdachte van de aanwezigheid van dat wapen op de hoogte was.

De rol van verdachte was daarnaast onvoldoende om hem als medepleger te bestempelen. Het enkel afzetten van degene die een rondvlucht zou gaan maken en eventuele handelingen die nog minder een directe bijdrage aan het plegen van dat feit leveren, kunnen hooguit met medeplichtigheid in verband kunnen worden gebracht.

Tot slot dient verdachte ook van feit 3 te worden vrijgesproken omdat hij geen wetenschap had van de aanwezigheid van de wapens. Het wapen in de Opel Astra en het wapen in de [adres 1] waren verborgen. Ook voor feit 4 dient vrijspraak te volgen want er is geen bewijs dat verdachte wist of moest vermoeden dat de auto’s gestolen waren.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Daadstrafrecht

Het Nederlands strafrecht gaat uit van een zogenaamd “daadstrafrecht” en niet van een “intentiestrafrecht”. Dat wil zeggen dat het alleen strafbaar is als je iets doet en het dus niet strafbaar is als je iets alleen maar zou willen of van plan bent. Er zijn grofweg drie redenen waarom de wetgever die keuze voor het “daadstrafrecht” heeft gemaakt. De eerste reden is dat voordat iemand strafbaar handelt er nog geen “kwaad” is geschied; er is nog geen schade toegebracht. Dan is strafrechtelijk optreden niet nodig. De tweede reden is dat men vrij is om te handelen en te denken wat men wil zolang men geen inbreuk maakt op de vrijheid van een ander. Een intentie zonder daad maakt geen inbreuk op de vrijheid van een ander. De derde reden is dat niet iedere intentie daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Iemand kan immers ook nog van mening veranderen en zijn plan toch niet uitvoeren. Het recht richt zich daarom alleen op extern controleerbare feiten en die moeten strafbaar zijn wil een straf kunnen volgen.

Poging

Als een delict nog niet is voltooid, kan toch sprake zijn van strafbaar handelen. Bijvoorbeeld als sprake is van een strafbare poging een delict te plegen. Om tot een bewezenverklaring van een poging te komen moet de verdachte een gedraging of gedragingen hebben verricht die naar haar uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf, zo heeft de Hoge Raad in onder andere het Cito-arrest geoordeeld. Met andere woorden: er moet sprake zijn van een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf.

Artikel 385a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt dat een kaping inhoudt het in de macht van de dader brengen of houden of van de route doen afwijken van het luchtvaartuig door geweld, bedreiging met geweld of vreesaanjaging. Een strafbare poging tot kaping vereist daarom dat er een begin van uitvoering is gemaakt met het in de macht brengen of van de route doen afwijken van de helikopter. De uitvoeringshandelingen moeten betrekking hebben op de kaping en dus niet op de voorbereiding daarvan of het vluchten na afloop.

Het plan van verdachten was om de helikopter (al dan niet met geweld) te kapen op de locatie van de tussenlanding in Weert. Op die plaats stond een BMW geparkeerd, met daarin onder meer [medeverdachte 5] . Hij zou de helikopter na de overname besturen. In deze BMW was een tas met wapens en munitie, kraaienpoten, kabelbinders, tape, autobanden, touwen met karabijnhaken, benzine en vuurwerk aanwezig. De inzittenden hebben de auto niet verlaten. De auto is weggereden op het moment dat de helikopter met daarin politieagenten in Weert arriveerde.

Op het moment dat [medeverdachte 1] op Kempen Airport in Budel werd aangehouden was men nog niet begonnen met het kapen van de helikopter. De helikopter met daarin politieagenten is opgestegen in Budel en naar Weert gevlogen, maar is daar niet geland. De verdachten in de BMW in Weert hebben de auto niet verlaten. Men stond weliswaar in de startblokken, maar heeft geen begin gemaakt met de overname van de helikopter. De rechtbank ziet overeenkomsten tussen onderhavige zaak en de situatie die in het zogeheten ‘GWK-arrest’1 aan de orde was.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat nog geen sprake was van een begin van uitvoering waardoor verdachte van het onder feit 1 primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken.

Verdachte wordt om dezelfde reden ook van feit 2 vrijgesproken. De verdachten zijn namelijk evenmin begonnen met de bevrijding van [naam gevangene] uit de PI in [plaats] . De bevrijding zou pas na de kaping van de helikopter plaatsvinden. Er zijn geen uitvoeringshandelingen gepleegd met betrekking tot de beoogde bevrijding van [naam gevangene] .

Voorbereiding

In 1994 is de voorbereiding van ernstige delicten strafbaar gesteld. De wetgever vond het onwenselijk dat gevallen waarin nog geen sprake was van een strafbare poging, onbestraft bleven. In de praktijk bleek het soms te gevaarlijk om te wachten tot verdachten een begin van uitvoering met hun plan hadden gemaakt en de politie moest zaken vroegtijdig ‘stuk maken’. Er kon dan geen adequate vervolging plaatsvinden en men vreesde dat een stukgemaakte zaak als een soort generale repetitie zou kunnen dienen. Met de strafbaarstelling van voorbereiding van ernstige misdrijven is het mogelijk gemaakt om in een eerder stadium strafrechtelijk in te grijpen.

Artikel 46 Sr luidt, voor zover hier van belang:

Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft of voorhanden heeft.

De in artikel 46 Sr opgenomen voorbereidingshandelingen (verwerven, vervaardigen, voorhanden hebben etc.) en voorbereidingsmiddelen (voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en vervoermiddelen) zijn limitatief opgesomd en vormen een beperking van de strafbaarstelling. De strafbaarstelling wordt daarnaast ingeperkt door het vereiste dat de voorbereidingsmiddelen (dat kunnen immers ook heel alledaagse voorwerpen zijn) bestemd zijn tot het begaan van een ernstig, nader bepaald misdrijf waar een gevangenisstraf van acht jaar of meer voor kan worden opgelegd. Met de term ‘dat misdrijf’ in de zinsnede ‘bestemd tot het begaan van dat misdrijf’ wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid, en dus niet op de voorbereiding zelf. (Zie bijvoorbeeld HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1956, NJ 2013/133, waarin werd geoordeeld dat een telefoon waarmee verdachten gesprekken voerden over een uit te voeren overval, niet kon worden aangemerkt als een voorwerp dat bestemd was tot het begaan van die overval. De telefoon werd gebruikt bij de voorbereiding van de overval, maar zou geen rol van betekenis hebben bij het uitvoeren van de overval).

Voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 46 Sr is dus vereist dat wordt bewezen dat de voorbereidingsmiddelen “bestemd zijn tot het begaan van een dergelijk misdrijf”. Krachtens geldende jurisprudentie is daarbij van belang dat deze voorbereidingsmiddelen afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat verdachte voor ogen stond (HR 20 februari 2007, LJN AZ0213). Uit deze rechtspraak volgt dat drie criteria maatgevend zijn om te bepalen of een voorwerp bestemd is tot het begaan van het beoogde misdrijf: de uiterlijke verschijningsvorm van de voorbereidingsmiddelen (1), het gebruik daarvan (2) en het misdadige doel (3) dat de verdachte met het gebruik voor ogen had.

Aan verdachte is (onder feit 1 subsidiair) – samengevat – tenlastegelegd dat hij opzettelijk samen met anderen (een) mobiele telefoon(s), simkaart(en), auto’s, hotelkamer(s), e-mailberichten betreffende de huurovereenkomst met Helicentre Lelystad, (onderdelen van) vuurwapen(s) en/of munitie, kraaienpoten, touw, autobanden, vuurpijlen of brandbare stoffen heeft verworven of voorhanden heeft gehad en dat die voorbereidingsmiddelen bestemd waren tot het begaan van het kapen van een helikopter.

De rechtbank stelt voorop dat uit het dossier voldoende is gebleken dat een helikopter is gehuurd die vervolgens door verdachten zou worden gekaapt om daarmee een gevangene uit de PI te kunnen bevrijden. Het misdadige doel (3) dat de verdachten in dit onderzoek voor ogen stond, is dus duidelijk. Om de helikopter te kunnen kapen zijn voorbereidingen getroffen. Er is een helikopter gehuurd, de locatie van de tussenlanding in Weert is uitgezocht, er is een piloot geregeld die over de te vliegen route is geïnstrueerd en er waren wapens aanwezig in de BMW om bij de kaping te gebruiken.

Toch is de rechtbank van oordeel dat het merendeel van de in de tenlastelegging genoemde voorbereidingsmiddelen (met uitzondering van de wapens en munitie die aanwezig waren in de BMW in Weert), niet waren bestemd tot het begaan van het kapen van een helikopter. Deze voorbereidingsmiddelen (telefoons, simkaarten, auto’s, hotelkamers, e-mailberichten betreffende de huurovereenkomst met Helicentre Lelystad, kraaienpoten, touw, autobanden, vuurpijlen en brandbare stoffen) zouden namelijk geen rol van betekenis spelen bij het daadwerkelijke kapen van de helikopter.

De telefoons en simkaarten werden weliswaar veelvuldig gebruikt om met elkaar te overleggen over het voorgenomen plan, maar daarmee waren deze telefoons slechts dienstig bij de voorbereiding zelf en niet bestemd om het misdrijf mee te plegen. De telefoons zouden geen rol spelen bij het feitelijk overnemen van de helikopter. Ook de e-mailwisseling met het Helicentre over het huren van een helikopter en de hotelkamers die mogelijk zijn gebruikt om met elkaar het plan door te spreken, speelden uitsluitend een rol in de voorbereiding van de kaping maar niet bij de kaping zelf.

Met de voertuigen zijn verdachten naar Budel, Weert en Roermond gereden en konden zij na afloop vluchten. In het geval van een achtervolging door de politie zouden kraaienpoten de vlucht kunnen vergemakkelijken en met de benzine en vuurpijlen worden voertuigen nog al eens in brand gestoken om sporen uit te wissen. De auto’s, kraaienpoten, vuurpijlen en brandbare stoffen zouden in het plan van verdachten een rol hebben gespeeld bij de vlucht, maar niet bij het kapen van de helikopter.

Het touw en de autobanden die zich in de BMW in Weert bevonden, waren bedoeld om te worden gebruikt bij de bevrijding van de gevangene en dus niet bij de kaping van de helikopter.

Het spreekt voor zich dat wapens en munitie naar hun uiterlijke verschijningsvorm en gebruik wel bestemd kunnen zijn tot het begaan van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde feit, maar dat geldt alleen voor de wapens en munitie die aanwezig waren in de BMW in Weert. Op die plek zou immers de tussenlanding en kaping plaatsvinden. De wapens (en wapenonderdelen) die elders aanwezig waren (in de woning aan de [adres 1] in [plaats] die als uitvalsbasis werd gebruikt, in de Audi in Roermond, in de Opel Astra in Amsterdam) zouden namelijk, gezien hun locatie, niet worden ingezet bij of gebruikt worden voor het kapen van de helikopter.

Dat betekent dat de rechtbank alleen de wapens en munitie die in de BMW in Weert aanwezig waren, als voorbereidingsmiddel voor het kapen van de helikopter aanmerkt.

Derhalve dringt zich de vraag op of verdachte op de hoogte was van de wapens die zich in de BMW in Weert bevonden en of hij wist van het misdadige plan om een helikopter met geweld te kapen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet met voldoende mate van zekerheid kan worden gesteld. Zij overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier is gebleken dat verdachte op meerdere momenten voorafgaand aan 11 oktober 2017 in beeld is gekomen. Zo blijkt uit observaties dat hij op 9 en 10 oktober met [medeverdachte 1] mee is gegaan naar de Praxis om schroeven, pvc-buizen en spanbanden te kopen, heeft hij met het telefoonnummer * [nummer] contact gehad met het Helicentre over de te huren helikopter en is hij een aantal keer waargenomen in de [adres 1] waar hij is gezien met autobanden en waar hij, naar eigen zeggen, [medeverdachte 5] eten heeft gegeven.

Ook op 11 oktober 2017 komt verdachte regelmatig in beeld. Rond 5.40 uur kwam verdachte het Blue Collar hotel in Eindhoven binnen en verbleef hij samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] in kamer [nummer] . Op de kraan in de badkamer is een vingerafdruk van verdachte aangetroffen. Om 11.09 uur loopt hij het Blue Collar hotel weer uit. Om 13.07 uur wordt de Opel Astra bij het Esso tankstation in Budel gesignaleerd. Verdachte is als bestuurder herkend en koopt een bosje bloemen. [medeverdachte 1] is de bijrijder. Hierna heeft verdachte [medeverdachte 1] met het bosje bloemen afgezet bij Kempen Airport in Budel. Om 14.45 uur wordt verdachte als bestuurder van diezelfde auto herkend bij het Shell tankstation te Breukelen en om 15.15 uur is hij degene die staat te praten met [medeverdachte 2] nabij een kapperszaak in Amsterdam.

Verdachte betwist dat hij de vaste gebruiker was van de nummers eindigend op * [nummer] en * [nummer] . Er zijn geen stemherkenningen die kunnen bevestigen dat deze nummers in gebruik waren bij verdachte. Voor wat betreft het nummer * [nummer] zou dit alleen kunnen volgen uit de verklaring van [medeverdachte 5] , aangezien hij heeft verklaard in België ontmoetingen te hebben gehad met onder andere de [bijnaam] (waar verdachte mee zou worden bedoeld), en het nummer * [nummer] op die momenten mee heeft bewogen naar België. Omdat [medeverdachte 5] veel wisselende verklaringen heeft afgelegd en meerdere keren personen met elkaar heeft verward, zal de rechtbank zijn verklaring alleen voor het bewijs gebruiken voor zover zijn verklaring wordt bevestigd door andere onderzoeksbevindingen. Er is geen ander bewijs dat aantoont dat verdachte bij de ontmoetingen in België is geweest. Omdat dit onderdeel van de verklaring van [medeverdachte 5] niet wordt ondersteund door ander bewijs, ziet de rechtbank onvoldoende grond om aan te nemen dat verdachte de vaste gebruiker van het telefoonnummer * [nummer] is geweest. Hierbij weegt de rechtbank mee dat dit nummer ook is gebruikt door [medeverdachte 2] en tevens heeft de verdediging in de zaak van [medeverdachte 1] verklaard dat [medeverdachte 1] dit nummer in gebruik had.

Er is daarom geen bewijs dat verdachte heeft deelgenomen aan tapgesprekken waarbij werd gesproken over het gebruik van wapens of geweld ten behoeve van de kaping van de helikopter. Dat verdachte samen met [medeverdachte 1] schroeven, pvc-buizen en spanbanden heeft gekocht is onvoldoende om aan te nemen dat verdachte wist van het gewelddadige plan. De aanwezigheid van verdachte in de [adres 1] en in het Blue Collar hotel en de ontmoeting met [medeverdachte 2] in Amsterdam roept weliswaar vragen op, maar bewijst niet dat hij van het plan om een helikopter te kapen op de hoogte was. Er is voorts geen bewijs waaruit volgt dat verdachte wist van de aanwezigheid van wapens in de BMW.

Daar komt bij dat het alternatief scenario dat verdachte heeft geschetst niet wordt weerlegd door onderzoeksbevindingen. Verdachte heeft immers verklaard dat hij op de hoogte was van het gegeven dat [medeverdachte 1] een helikoper had gehuurd, maar dacht dat hij zijn vriendin wilde verrassen. Daarom heeft hij [medeverdachte 1] op 11 oktober 2017 afgezet in Budel, aldus verdachte.

Omdat niet is komen vast te staan dat verdachte wist van het gewelddadige plan of van de aanwezigheid van de wapens in de BMW, is niet bewezen dat verdachte opzettelijk deze wapens voorhanden heeft gehad met het doel deze te gebruiken bij een kaping van een helikopter. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het voorbereiden van een kaping.

Feit 3

De rechtbank is voorts van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte de wapens en munitie die aanwezig zijn geweest in de Audi, in de BMW in Weert en in de [adres 1] (al dan niet in vereniging met anderen) voorhanden heeft gehad. Het dossier bevat geen gegevens die verdachte rechtstreeks verbindt aan de tenlastegelegde wapens, in de zin dat hij zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens en daarover kon beschikken. Dit maakt dat hij van dit feit wordt vrijgesproken. Dat uit observaties en de eigen verklaring van verdachte is gebleken dat verdachte wel eens in de woning aan [adres 1] kwam, maakt deze conclusie niet anders. Het wapen, de wapenonderdelen en munitie die in de [adres 1] zijn aangetroffen, lagen immers in een afgesloten kast en niet is gebleken dat verdachte van de aanwezigheid hiervan op de hoogte was.

Het pistool met munitie in de kofferbak van de Opel Astra waarin verdachte reed (en van welk wapen verdachte dus mogelijk wel op de hoogte was), is niet opgenomen in de tenlastelegging. Omdat de rechtbank gebonden is aan de tekst van de tenlastelegging, kan zij verdachte niet voor het bezit van deze wapens veroordelen.

Feit 4

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de heling van de drie auto’s, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte op het moment van het voorhanden krijgen of verwerven van die auto’s wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze auto’s afkomstig waren van enig misdrijf. Geen van de verdachten is in verband te brengen met de diefstal van deze auto’s, er was geen braakschade, de auto’s waren voorzien van kentekenplaten en verdachten beschikten over de sleutels. Daarnaast werden door verdachten ook huurauto’s gebruikt (bij de huur van drie huurauto’s is het woonadres van verdachte opgegeven) en het was voor verdachte daarom niet goed mogelijk om te weten dat auto’s gestolen of gehuurd waren. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat verdachte wist of moest vermoeden dat de auto’s gestolen waren, is niet gebleken.

5 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen inbeslaggenomen:

1) Zaktelefoon (5464313)

2) Zaktelefoon (5464314)

3) Zaktelefoon (5463842)

4) Wapen, merk Walther (5466181)

5) Munitie uit Walther (5466183)

6) Vuurwerk (5465682)

7) Zaktelefoon (5464298)

Onttrekking aan het verkeer

Nu de voorwerpen genoemd onder 4 en 5 zijn aangetroffen in het onderzoek naar de misdrijven waarvan verdachte wordt verdacht, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan van een soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

6 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

4) Wapen, merk Walther (5466181)

5) Munitie uit Walther (5466183).

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1) Zaktelefoon (5464313)

2) Zaktelefoon (5464314)

3) Zaktelefoon (5463842)

6) Vuurwerk (5465682)

7) Zaktelefoon (5464298)

Het bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven op 20 september 2018.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Janse van Mantgem, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 november 2018.

1 HR 8 september 1987, NJ 1988/612. Twee mannen hadden zich voorgenomen een grenswisselkantoor te overvallen. Zij hadden een auto gestolen, die van valse nummerplaten voorzien en de omgeving van het grenswisselkantoor verkend. Een dag later reden zij in de auto naar het grenswisselkantoor en wachtten in de auto met draaiende motor tot de medewerker van het grenswisselkantoor arriveerde. Zij hadden onder meer een jachtgeweer, een imitatievuurwapen, handboeien, touw en tape bij zich. De medewerker zag de auto, herinnerde zich die auto de dag ervoor ook te hebben gezien en waarschuwde de politie. Na een wilde achtervolging werden de twee mannen aangehouden. De Hoge Raad zag hierin geen begin van uitvoering: “wanneer iemand het voornemen heeft opgevat in een bank het misdrijf voorzien bij art. 317 te plegen kan niet worden gezegd dat hij aan dat misdrijf begin van uitvoering heeft gegeven indien hij zich met een auto naar die bank heeft begeven, doch – om welke reden dan ook – die auto niet heeft verlaten noch – in of vanuit die auto – een gedraging heeft verricht welke naar haar uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat voorgenomen misdrijf.”