Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:8008

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2018
Datum publicatie
12-11-2018
Zaaknummer
13/728137-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot kaping van een helikopter en bevrijding van een gevangene omdat nog geen sprake was van een begin van uitvoering. Ook voorbereiding tot kaping kan niet worden bewezen omdat niet is komen vast te staan dat verdachte wist van het gewelddadige plan of zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens met het doel deze te gebruiken bij een kaping van een helikopter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728137-17

Datum uitspraak: 12 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] ,

[woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 3 januari 2018, 28 maart 2018, 20 juni 2018, 11 september 2018, 12 september 2018, 13 september 2018, 17 september 2018 en 29 oktober 2018. Verdachte was daarbij niet aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. C.J. Cnossen en H. Hoekstra (hierna: officier van justitie), en van wat de gemachtigd raadsvrouw van verdachte, mr. S. Koster, naar voren heeft gebracht.

Het onderzoek 13Leyburn richt zich op de volgende verdachten die hierna in het vonnis bij hun achternaam zullen worden genoemd: [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] .

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij

1. zich in de periode van 1 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot kaping van een helikopter door deze helikopter met geweld, bedreiging met geweld of vreesaanjaging in zijn macht te brengen/houden en/of van zijn route af te doen wijken.

Als de rechtbank dat niet bewezen acht, wordt verdachte verweten als medeplichtige anderen behulpzaam te zijn geweest bij een poging tot kaping van een helikopter.

Als ook dat niet bewezen wordt geacht, wordt verdachte het medeplegen van voorbereiding van een kaping van een helikopter, dan wel medeplichtigheid daaraan verweten.

2. in de periode van 1 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 samen met anderen heeft geprobeerd een gevangene, te weten [naam gevangene] , uit de Penitentiaire Inrichting te [plaats] te bevrijden, dan wel daarbij behulpzaam is geweest.

3. in de periode van 1 september 2017 tot en met 11 oktober 2017, al dan niet samen met anderen, wapens voorhanden heeft gehad, waaronder automatische vuurwapens, munitie en wapenonderdelen (patroonhouders en –magazijnen).

4. zich in de periode van 7 september 2017 tot en met 11 oktober 2017 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van heling van drie auto’s, te weten een Audi met origineel kenteken [kenteken] , een BMW met origineel kenteken [kenteken] en een BMW voorzien van (valse) kentekenplaten [kenteken] .

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij het vonnis.

3 Inleiding

3.1.

Beschrijving relevante feiten en omstandigheden

Door een persoon die opgaf te zijn genaamd [verdachte] is getracht om bij het Helicentre Lelystad een helikopter te huren. Hij gaf aan dat hij een rondvlucht wilde maken met zijn vriendin en dat hij op 4 oktober 2017 wilde vertrekken van heliplatform Heythuysen (Limburg). De helikopter die hij wilde huren was geschikt om vier personen te vervoeren. Omdat de vierpersoons helikopter duurder was dan een tweepersoons helikopter en [verdachte] afkomstig was uit [woonplaats] en wilde vertrekken vanuit Limburg, kreeg het personeel van het verhuurbedrijf argwaan. Uiteindelijk besloten zij, in overleg met de luchtvaartpolitie, de reservering uit te stellen en werd door de politie een pseudodienstverleningstraject opgestart waardoor het contact met het Helicentre heimelijk werd overgenomen door de politie. De politie had namelijk het vermoeden gekregen dat met de helikopter [naam gevangene] zou worden bevrijd die gedetineerd zat in de Penitentiaire Inrichting (hierna: PI) in [plaats] . Vervolgens werd afgesproken om de rondvlucht op 11 oktober 2017 te maken. [verdachte] zou zich om 13:30 uur melden op Kempen Airport in Budel (Noord-Brabant). De helikopter zou daar opstijgen en in Weert (Limburg) een tussenlanding maken om de ‘vriendin’ van [verdachte] op te halen.

Op grond van tapgesprekken en observaties voorafgaand aan en op 11 oktober 2017 ontstond het vermoeden dat meerdere personen een kaping van de helikopter en de bevrijding van een gevangene aan het beramen waren. [medeverdachte 4] was de piloot die de gekaapte helikopter moest besturen. Hij was op 27 september 2017 vanuit Colombia naar Nederland gereisd. Uit observaties bleek dat in Praxis bouwmarkten pvc-buizen en schroeven (veelal gebruikt om kraaienpoten mee te maken) en spanbanden werden aangeschaft. Na de aanhoudingen zijn kraaienpoten en spanbanden aangetroffen in de gebruikte voertuigen. Ook bleek uit observaties dat diverse verdachten zich op 11 oktober 2017 ophielden in de omgeving van [plaats] (PI waar [naam gevangene] gedetineerd zat), Budel (opstijglocatie helikopter) en Weert (locatie tussenstop). Er vonden gesprekken plaats die erop duidden dat personen in het bezit waren van vuurwapens en er zijn afspraken gemaakt over onder meer de locatie waar de helikopter zou worden overgenomen, de te gebruiken voertuigen en het tijdstip waarop [naam gevangene] zou worden bevrijd. Uit onderzoek bleek dat één van de auto’s waar de groep gebruik van maakte op het terrein stond van het Blue Collar hotel in Eindhoven. Aan de hand van camerabeelden van het hotel bleek dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 5] in de nacht van 10 op 11 oktober 2017 in dit hotel verbleven.

[medeverdachte 5] heeft op 11 oktober 2017 [medeverdachte 1] naar het helikopterplatform in Budel gebracht. Het onderzoeksteam heeft [medeverdachte 1] aangehouden op het moment dat hij in de helikopter wilde stappen.

In Weert werd gezien dat een BMW naar de locatie reed waar de helikopter zou landen om de ‘vriendin’ van [verdachte] op te halen. Op het moment dat de politie in Weert tot aanhouding over wilde gaan reed de BMW met hoge snelheid weg. De politie zette de achtervolging in. Uit de BMW stapten op enig ogenblik drie personen die te voet verder vluchtten. De bestuurder van de BMW reed verder maar verloor korte tijd later de macht over het stuur en raakte van de weg waarna hij kon worden aangehouden. De bestuurder bleek te zijn [medeverdachte 3] . In de bosschages aan de Koenraadtweg te Maarheeze, ter hoogte van de plek waar de BMW is gecrasht, werd een tas aangetroffen met daarin onder andere een AK-47, een pistool, een revolver, munitie en patroonmagazijnen.

In [plaats] werd gezien dat een BMW en een Audi in de omgeving van de PI stonden geparkeerd. Toen het arrestatieteam tot aanhouding van de inzittenden van de Audi over wilde gaan, ramde de Audi een voertuig van het arrestatieteam, reed op de leden van het arrestatieteam in en ging er met hoge snelheid vandoor. Bij deze actie is door leden van het arrestatieteam meermaals op de Audi geschoten. Tijdens de hierop volgende achtervolging werd gezien dat een op een AK-47 gelijkend voorwerp en een langwerpige tas uit de Audi werden gegooid. Later bleken in deze tas magazijnen voor een AK-47 en losse patronen te zitten. De Audi is hierna door het arrestatieteam van de weg geramd en tot stilstand gekomen. Uit de Audi vluchtten twee personen. De bestuurder van de Audi, [naam bestuurder] , is vervolgens door de politie neergeschoten en is aan zijn verwondingen overleden. De bijrijder van de Audi kon worden aangehouden en bleek te zijn genaamd [medeverdachte 2] .

3.2.

Tussenconclusie

De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat verdachten een helikopter wilden huren met het plan deze helikopter te kapen op de tussenlandingsplaats in Weert en vervolgens te gebruiken om [naam gevangene] uit de PI in [plaats] te bevrijden.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag welke rol verdachte hierbij heeft gehad. Zij dient zich hierbij te beperken tot de tekst van de door het Openbaar Ministerie opgestelde tenlastelegging. De rechtbank mag die tenlastelegging niet uitbreiden of ingrijpend wijzigen. Het vormen van een criminele organisatie staat niet (meer) op de tenlastelegging en zal daarom niet worden besproken.

3.3.

Dilemma

De rechtbank hecht eraan op te merken dat dankzij de alertheid en het kordate optreden van medewerkers van het Helicentre en de politie het plan van verdachten vroegtijdig is verijdeld. Daarmee is een zeer ernstige en gevaarlijke situatie voorkomen. Het aanhouden van verdachten om misdaden te voorkomen wordt ook wel het ‘stukmaken van een onderzoek’ genoemd. Het is vaak een duivels dilemma op welk moment de politie het best tot aanhoudingen over kan gaan. Enerzijds spelen veiligheidsoverwegingen een rol en kan de politie niet lijdzaam toezien dat er gevaarlijke situaties ontstaan en de veiligheid van mensen in gevaar komt. Anderzijds kan het stukmaken van een onderzoek tot gevolg hebben dat de verdachten niet of voor weinig strafbare feiten veroordeeld kunnen worden omdat er vroeg is ingegrepen en er nog geen strafbare feiten zijn gepleegd. In onderhavige zaak speelde dit dilemma ook. Dit zal nader worden besproken in rubriek 4.3.

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Uit het dossier blijkt dat het de bedoeling was om met een gekaapte helikopter [naam gevangene] te bevrijden uit de PI. Uit het dossier blijkt ook dat de verdachtengroep de geplande kaping en ontsnapping aanvankelijk op 4 oktober 2017 wilde uitvoeren. Uit onderzoeksbevindingen is gebleken dat verdachte (en niet zijn broer [medeverdachte 1] ) de later geannuleerde vlucht heeft geregeld en geboekt. Verdachte is degene geweest die op 20 september 2017 voor het eerst contact legde met het Helicentre en is gaan kijken bij het vliegveld Heythuysen. Uit historische gegevens van het nummer eindigend op * [nummer] blijkt immers dat hij met zijn telefoon op 20 september 2017 gebruik maakte van een zendmastpaal in de omgeving van Heythuysen. Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat het telefoonnummer eindigend op * [nummer] van verdachte is. Getuige [naam getuige 2] , een medewerker van het Helicentre, heeft op 2 oktober 2017 verklaard dat ongeveer twee en halve week eerder een persoon die gebruik maakte van het nummer dat eindigde op * [nummer] zich telefonisch heeft gemeld bij het heliplatform Heythuysen. De man stelde zich voor als [verdachte] . De man op het legitimatiebewijs dat later aan het Helicentre per mail is toegezonden lijkt erg op de man die zich op 20/21 september heeft gemeld bij Helicentre Heythuysen en interesse had in een vlucht met een helikopter. Verdachte heeft daarnaast de betaling van de huur van de helikopter geregeld. Verdachte was dus de contactpersoon tussen de groepering en het Helicentre in de voorbereidingsfase naar 4 oktober 2017 toe. In die voorbereidingsfase heeft hij diverse uitvoeringshandelingen verricht, zoals de betaling van de helikoptervlucht en de boeking van een hotel. Op de aanvankelijk geplande actiedag op 4 oktober 2017 was verdachte in Eindhoven en onderhield contact met het Helicentre die de vlucht annuleerde. Daarna belde hij direct met zijn broer [medeverdachte 1] . Dat hij wist dat het niet om verrassingsvlucht ging en hij opzet had op de kaping blijkt alleen al uit het feit dat hij om een vierpersoonshelikopter heeft gevraagd.

Op 10 oktober 2017 is vanaf de rekening van verdachte wederom een bedrag van 750 euro overgeboekt naar het Helicentre. Deze betaling is al op 9 oktober 2017 door verdachte bevestigd via zijn e-mailadres. Er is geen enkele aanleiding om aan te nemen dat iemand anders dan verdachte deze betaling heeft uitgevoerd. Mede gelet op zijn bijdrage bij de eerder geplande actie op 4 oktober 2017, kan ervan worden uitgegaan dat verdachte ook op 11 oktober 2017 wist dat de bevrijdingsactie zou worden uitgevoerd. Hij is die dag behulpzaam geweest door zijn identiteitsbewijs ter beschikking te stellen aan zijn broer. Verdachte regelde ondertussen een alibi voor zichzelf door ten tijde van de bevrijdingsactie naar de kapper te gaan. Dat hij ook op 11 oktober 2017 contact had met de groepering blijkt uit observaties. Gebleken is immers dat [medeverdachte 5] vanuit Budel naar Amsterdam reed en langs de kapperszaak in Amsterdam is gegaan om iets aan verdachte te overhandigen.

Verdachtes bijdrage is te beperkt geweest om hem als medepleger aan te merken, maar de door hem vervulde rol is voldoende om hem als medeplichtige bij de poging tot kaping en als medeplichtige bij de beoogde bevrijding van een gedetineerde te veroordelen.

Van feit 3 en feit 4 dient verdachte te worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte dient integraal te worden vrijgesproken nu het bestaan van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Er is geen enkel bewijs waaruit kan worden afgeleid dat verdachte op de hoogte was van het feit dat er een plan bestond om een helikopter te kapen en een gedetineerde te bevrijden. Er heeft ten aanzien van het nummer dat eindigt op * [nummer] geen stemherkenning plaatsgevonden en uit het dossier is gebleken dat sommige telefoons door meerdere verdachten werden gebruikt. Het voorgaande brengt mee dat het enkele feit dat een bepaalde telefoon op een bepaald moment een zendmast aanstraalt, niet als overtuigend bewijs kan dienen voor de stelling dat de eigenaar van de telefoon op dat moment ook gebruik maakte van die telefoon. Daar komt bij dat de broer van verdachte, [medeverdachte 1] , heeft verklaard gebruik te hebben gemaakt van de telefoon, het paspoort, het rijbewijs en de bankpas van verdachte en ook te beschikken over alle gegevens (waaronder wachtwoorden en codes) om daar handelingen mee te verrichten. Deze verklaring wordt bevestigd door het feit dat [medeverdachte 1] bij zijn aanhouding in het bezit was van het paspoort en de bankpas van verdachte en ook door het feit dat vast is komen te staan dat [medeverdachte 1] zich talloze keren heeft voorgedaan als verdachte, tot op het moment van zijn aanhouding aan toe. Uit het voorgaande blijkt dat het dus niet zo hoeft te zijn dat verdachte het eerste contact met het Helicentre heeft gelegd en het hoeft ook niet zo te zijn dat verdachte de geplande vlucht heeft geregeld en geboekt. Dat op beelden van de ING-bank is te zien dat verdachte een contante storting heeft gedaan, doet daar niet aan af nu de overboeking van de huursom aan het Helicentre ook in dat geval nog steeds door iemand anders, namelijk [medeverdachte 1] , kan zijn gedaan.

Ook voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat wordt bewezen dat verdachte opzet had, namelijk opzet op het behulpzaam zijn en opzet op het misdrijf dat wordt ondersteund. Er is geen enkel bewijs waaruit kan worden afgeleid dat verdachte op de hoogte is geweest van het feit dat het plan bestond de gehuurde helikopter door geweld of bedreiging met geweld over te nemen en vervolgens een gedetineerde te bevrijden. Verdachte heeft betwist van dit plan op de hoogte te zijn geweest en zijn broer heeft bevestigd dat verdachte hiervan geen kennis droeg. Bij verdachte ontbrak dus het opzet op de door de andere verdachten beoogde misdrijven.

Daarnaast is geen sprake van een strafbare poging. Doordat [medeverdachte 1] is aangehouden bij het Helicentre is het nooit tot een begin van uitvoering gekomen. De helikopter is nooit in Weert geland waar de kaping zou moeten hebben plaatsvinden. De helikopter is zelfs niet in de buurt geweest van de PI in [plaats] . De middelen die nodig waren voor het kapen van een helikopter, zoals vuurwapens, en de vermeende medeplegers waren niet aanwezig in Budel maar bevonden zich in Weert.

Door de raadsvrouw van verdachte is tot slot aangevoerd dat het gebruik van de bijzondere opsporingsmethoden onrechtmatig is geweest omdat er op dat moment onvoldoende verdenking bestond van betrokkenheid bij een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 Sv. Het door middel van deze opsporingsbevoegdheden gegenereerde materiaal mag daarom niet worden gebruikt voor het bewijs tegen verdachte. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat dit tot strafvermindering dient te leiden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Daadstrafrecht

Het Nederlands strafrecht gaat uit van een zogenaamd “daadstrafrecht” en niet van een “intentiestrafrecht”. Dat wil zeggen dat het alleen strafbaar is als je iets doet en het dus niet strafbaar is als je iets alleen maar zou willen of van plan bent. Er zijn grofweg drie redenen waarom de wetgever die keuze voor het “daadstrafrecht” heeft gemaakt. De eerste reden is dat voordat iemand strafbaar handelt er nog geen “kwaad” is geschied; er is nog geen schade toegebracht. Dan is strafrechtelijk optreden niet nodig. De tweede reden is dat men vrij is om te handelen en te denken wat men wil zolang men geen inbreuk maakt op de vrijheid van een ander. Een intentie zonder daad maakt geen inbreuk op de vrijheid van een ander. De derde reden is dat niet iedere intentie daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Iemand kan immers ook nog van mening veranderen en zijn plan toch niet uitvoeren. Het recht richt zich daarom alleen op extern controleerbare feiten en die moeten strafbaar zijn wil een straf kunnen volgen.

Poging

Als een delict nog niet is voltooid, kan toch sprake zijn van strafbaar handelen. Bijvoorbeeld als sprake is van een strafbare poging een delict te plegen. Om tot een bewezenverklaring van een poging te komen moet de verdachte een gedraging of gedragingen hebben verricht die naar haar uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf, zo heeft de Hoge Raad in onder andere het Cito-arrest geoordeeld. Met andere woorden: er moet sprake zijn van een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf.

Artikel 385a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt dat kaping inhoudt het in de macht van de dader brengen of houden of van de route doen afwijken van het luchtvaartuig door geweld, bedreiging met geweld of vreesaanjaging. Een strafbare poging tot kaping vereist daarom dat er een begin van uitvoering is met het in de macht brengen of van de route doen afwijken van de helikopter. De uitvoeringshandelingen moeten betrekking hebben op de kaping en dus niet op de voorbereiding daarvan of het vluchten na afloop.

Het plan van verdachten was om de helikopter (al dan niet met geweld) te kapen op de locatie van de tussenlanding in Weert. Op die plaats stond een BMW geparkeerd, met daarin onder meer [medeverdachte 4] . Hij zou de helikopter na de overname besturen. In deze BMW was een tas met wapens en munitie, kraaienpoten, kabelbinders, tape, autobanden, touwen met karabijnhaken, benzine en vuurwerk aanwezig. De inzittenden hebben de auto niet verlaten. De auto is weggereden op het moment dat de helikopter met daarin politieagenten in Weert arriveerde.

Op het moment dat [medeverdachte 1] op Kempen Airport in Budel werd aangehouden was men nog niet begonnen met het kapen van de helikopter. De helikopter met daarin politieagenten is opgestegen in Budel en naar Weert gevlogen, maar is daar niet geland. De verdachten in de BMW in Weert hebben de auto niet verlaten. Men stond weliswaar in de startblokken, maar heeft geen begin gemaakt met de overname van de helikopter. De rechtbank ziet overeenkomsten tussen onderhavige zaak en de situatie die in het zogeheten ‘GWK-arrest’1 aan de orde was.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat nog geen sprake was van een begin van uitvoering waardoor verdachte van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde wordt vrijgesproken.

Verdachte wordt om dezelfde reden ook van feit 2 vrijgesproken. De verdachten zijn namelijk evenmin begonnen met de bevrijding van [naam gevangene] uit de PI in [plaats] . De bevrijding zou pas na de kaping van de helikopter plaatsvinden. Er zijn geen uitvoeringshandelingen gepleegd met betrekking tot de beoogde bevrijding van [naam gevangene] .

Voorbereiding

In 1994 is de voorbereiding van ernstige delicten strafbaar gesteld. De wetgever vond het onwenselijk dat gevallen waarin nog geen sprake was van een strafbare poging, onbestraft bleven. In de praktijk bleek het soms te gevaarlijk om te wachten tot verdachten een begin van uitvoering met hun plan hadden gemaakt en de politie moest zaken vroegtijdig ‘stuk maken’. Er kon dan geen adequate vervolging plaatsvinden en men vreesde dat een stukgemaakte zaak als een soort generale repetitie zou kunnen dienen. Met de strafbaarstelling van voorbereiding van ernstige misdrijven is het mogelijk gemaakt om in een eerder stadium strafrechtelijk in te grijpen.

Artikel 46 Sr luidt, voor zover hier van belang:

Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft of voorhanden heeft.

De in artikel 46 Sr opgenomen voorbereidingshandelingen (verwerven, vervaardigen, voorhanden hebben etc.) en voorbereidingsmiddelen (voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en vervoermiddelen) zijn limitatief opgesomd en vormen een beperking van de strafbaarstelling. De strafbaarstelling wordt daarnaast ingeperkt door het vereiste dat de voorbereidingsmiddelen (dat kunnen immers ook heel alledaagse voorwerpen zijn) bestemd zijn tot het begaan van een ernstig, nader bepaald misdrijf waar een gevangenisstraf van acht jaar of meer voor kan worden opgelegd. Met de term ‘dat misdrijf’ in de zinsnede ‘bestemd tot het begaan van dat misdrijf’ wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid, en dus niet op de voorbereiding zelf. (Zie HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1956, NJ 2013/133, waarin werd geoordeeld dat een telefoon waarmee verdachten gesprekken voerden over een uit te voeren overval, niet kon worden aangemerkt als een voorwerp dat bestemd was tot het begaan van die overval. De telefoon werd gebruikt bij de voorbereiding van de overval, maar zou geen rol van betekenis hebben bij het uitvoeren van de overval).

Voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 46 Sr is dus vereist dat wordt bewezen dat de voorbereidingsmiddelen “bestemd zijn tot het begaan van een dergelijk misdrijf”. Krachtens geldende jurisprudentie is daarbij van belang dat de voorbereidingsmiddelen afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat verdachte voor ogen stond (HR 20 februari 2007, LJN AZ0213). Uit deze rechtspraak volgt dat drie criteria maatgevend zijn om te bepalen of een voorwerp bestemd is tot het begaan van het beoogde misdrijf: de uiterlijke verschijningsvorm van de voorbereidingsmiddelen (1), het gebruik daarvan (2) en het misdadige doel (3) dat verdachte met het gebruik voor ogen had.

Aan verdachte is (onder feit 1 meer subsidiair) – samengevat – tenlastegelegd dat hij opzettelijk samen met anderen (een) mobiele telefoon(s), simkaart(en), auto(’s), hotelkamer(s), e-mailbericht(en) betreffende de huurovereenkomst met Helicentre Lelystad, (onderdelen van) vuurwapen(s) en/of munitie, kraaienpoten, touw, autobanden, vuurpijlen of brandbare stoffen heeft verworven of voorhanden heeft gehad en dat die voorbereidingsmiddelen bestemd waren tot het begaan van het kapen van een helikopter.

Als de rechtbank dat niet bewezen acht, wordt hem (onder feit 1 uiterst subsidiair) verweten dat hij daar als medeplichtige opzettelijk behulpzaam bij is geweest, onder meer door in de periode van 11 september 2017 tot en met 15 september 2017 contact te onderhouden met het Helicentre, de rondvlucht te regelen en te betalen en voor langere tijd zijn (identiteits)gegevens beschikbaar te stellen aan zijn broer [medeverdachte 1] .

De rechtbank stelt voorop dat uit het dossier voldoende is gebleken dat een helikopter is gehuurd die vervolgens door verdachten zou worden gekaapt om daarmee een gevangene uit de PI te kunnen bevrijden. Het misdadige doel (3) dat de verdachten in dit onderzoek voor ogen stond, is dus duidelijk. Om de helikopter te kunnen kapen zijn voorbereidingen getroffen. Er is een helikopter gehuurd, de locatie van de tussenlanding is uitgezocht, er is een piloot geregeld die over de te vliegen route is geïnstrueerd en er waren wapens aanwezig in de BMW om bij de kaping te gebruiken.

De vraag die hier centraal staat is of ook verdachte op de hoogte was van dit misdadige plan om een helikopter met geweld te kapen (het gronddelict) en als medepleger of medeplichtige opzettelijk heeft deelgenomen aan de voorbereiding daarvan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit het dossier kan worden afgeleid dat het misdadige plan aanvankelijk uitgevoerd zou worden op 4 oktober 2017. Voor die datum was een helikopter gehuurd. Het plan is afgeblazen omdat medewerkers van het Helicentre argwaan kregen en de rondvlucht in samenspraak met de luchtvaartpolitie annuleerden vanwege zogenaamde mechanische problemen. Het dossier bevat aanwijzingen dat verdachte degene is geweest die deze vlucht heeft geregeld en tevens heeft betaald. De helikopter werd namelijk gehuurd door een persoon die zich [verdachte] noemde en deze persoon stuurde ook het identiteitsbewijs van verdachte naar het Helicentre. Op camerabeelden van de ING-bank is te zien dat verdachte op 2 oktober 2017 800 euro op zijn bankrekening heeft gestort. Direct daarna is er, net als op 10 oktober 2017, vanaf zijn rekening 750 euro overgemaakt aan het Helicentre. Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat verdachte haar op 4 oktober 2017 vertelde dat hij een verrassing voor haar had en dat hij haar een factuur van 750 euro heeft laten zien.

Het dossier bevat echter ook redenen om eraan te twijfelen dat verdachte de vlucht heeft geregeld en betaald. Zo is gebleken dat de broer van verdachte en tevens medeverdachte in deze zaak, [medeverdachte 1] , al langere tijd de personalia, het identiteitsbewijs, de telefoon en de bankgegevens van verdachte gebruikte. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij degene was die deze gegevens gebruikte om zich daarmee te legitimeren, de vlucht te boeken en de betalingen te doen, en dat hij verdachte heeft gevraagd het geld te storten zonder dat verdachte wist waar dat geld voor bestemd was. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende komen vast te staan dat verdachte op 20 september 2017 op het heliplatform in Heythuysen is geweest en degene is geweest die vervolgens de helikopter heeft gehuurd voor 4 oktober 2017 dan wel 11 oktober 2017. Dat verdachte op 4 oktober 2017 in een hotel in Eindhoven heeft verbleven en de omstandigheid dat medeverdachte [medeverdachte 5] (nadat hij [medeverdachte 1] naar Budel had gebracht) verdachte heeft ontmoet op 11 oktober 2017, vindt de rechtbank evenmin voldoende om te oordelen dat verdachte van het criminele plan op de hoogte moet zijn geweest. Verder is uit het dossier niet gebleken dat verdachte aanwezig was in het Blue Collar hotel in Eindhoven in de nacht van 10 op 11 oktober 2017, waar zeven andere verdachten in dit onderzoek op dat moment wel verbleven. Ook staat vast dat verdachte op 11 oktober 2017 niet aanwezig was in Noord-Brabant of Limburg.

Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van het misdadige plan om een helikopter te kapen. Niet bewezen is daarom dat verdachte als medepleger of medeplichtige opzettelijk heeft deelgenomen aan de voorbereiding daarvan. Omdat ook voor het tenlastegelegde onder feit 1 meer subsidiair en uiterst subsidiair is vereist dat met opzet is gehandeld, spreekt de rechtbank hem ook hiervan vrij.

Omdat verdachte wordt vrijgesproken zal de rechtbank de vraag in hoeverre de in de tenlastelegging opgenomen voorbereidingsmiddelen bestemd waren tot het begaan van de kaping van de helikopter, in dit vonnis onbeantwoord laten.

Feit 3

De rechtbank is voorts van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte de wapens en munitie die aanwezig zijn geweest in de Audi in Roermond , in de BMW in Weert en in de [adres 1] (al dan niet in vereniging), voorhanden heeft gehad. Het dossier bevat geen gegevens die verdachte rechtstreeks verbindt aan deze wapens, in de zin dat hij zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens en daarover kon beschikken. Dit maakt dat hij ook van dit feit wordt vrijgesproken.

Feit 4

De rechtbank zal verdachte tot slot ook vrijspreken van heling van de drie auto’s, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte op het moment van het voorhanden krijgen of verwerven van die auto’s wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze auto’s afkomstig waren van enig misdrijf. Geen van de verdachten is in verband te brengen met de diefstal van deze auto’s, er was geen braakschade, de auto’s waren voorzien van kentekenplaten en verdachten beschikten over de sleutels. Daarnaast werden door verdachten ook huurauto’s gebruikt en het was voor verdachte daarom niet goed mogelijk om te weten of auto’s gehuurd of gestolen waren. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat verdachte wist of moest vermoeden dat de auto’s gestolen waren, is niet gebleken.

5 De inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden

Nu verdachte van alle tenlastegelegde feiten wordt vrijgesproken, behoeft het verweer van de raadsvrouw dat de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden onrechtmatig is geweest, geen bespreking meer.

6 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Janse van Mantgem, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 november 2018.

1 HR 8 september 1987, NJ 1988/612. Twee mannen hadden zich voorgenomen een grenswisselkantoor te overvallen. Zij hadden een auto gestolen, die van valse nummerplaten voorzien en de omgeving van het grenswisselkantoor verkend. Een dag later reden zij in de auto naar het grenswisselkantoor en wachtten in de auto met draaiende motor tot de medewerker van het grenswisselkantoor arriveerde. Zij hadden onder meer een jachtgeweer, een imitatievuurwapen, handboeien, touw en tape bij zich. De medewerker zag de auto, herinnerde zich die auto de dag ervoor ook te hebben gezien en waarschuwde de politie. Na een wilde achtervolging werden de twee mannen aangehouden. De Hoge Raad zag hierin geen begin van uitvoering: “wanneer iemand het voornemen heeft opgevat in een bank het misdrijf voorzien bij art. 317 te plegen kan niet worden gezegd dat hij aan dat misdrijf begin van uitvoering heeft gegeven indien hij zich met een auto naar die bank heeft begeven, doch – om welke reden dan ook – die auto niet heeft verlaten noch – in of vanuit die auto – een gedraging heeft verricht welke naar haar uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat voorgenomen misdrijf.”