Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7996

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
13-728115-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 31-jarige man die ervan werd verdacht een handgranaat tot ontploffing te hebben gebracht onder een auto in Amsterdam-West, krijgt hiervoor 5 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13-728115- [verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-728115-18

Datum uitspraak: 8 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in het [justitieel complex] in [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 oktober 2018. Verdachte was bij de behandeling van zijn stafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. Z. Trokic en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. R.A. Imamkhan naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 10 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een handgranaat (type M50 en/of type M52), althans een soortgelijk vuurwapen, onder een personenauto voorzien van kenteken [kenteken] geschopt en/of gegooid, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (een) goed(eren), te weten de personenauto voorzien van kenteken [kenteken] en/of zich in de directe nabijheid bevindende woningen en/of voertuigen en/of levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een of meer aanwezige(n) in voornoemde woningen en/of voertuigen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 10 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meer wapens van categorie II, te weten een handgranaat (type M50 en/of type M52) voorhanden heeft gehad.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat bewezen kan worden dat het verdachte is geweest die de handgranaat onder de Audi Q7 heeft geplaatst. Dit baseert hij op het aantreffen van het DNA van verdachte op de ring/veiligheidspin en de beugel van de granaat, de tapgesprekken rondom de uitzendingen van Opsporing Verzocht van 3 en 10 juli 2018 en het feit dat verdachte blijkens zijn eigen verklaring op 10 juli 2017 in de buurt van de plaats delict is geweest. Dit laatste komt overeen met de historische telecomgegevens.

De ontploffing van de granaat heeft niet alleen gemeen gevaar voor goederen maar ook gevaar voor personen veroorzaakt. Niet bewezen kan worden dat verdachte de ontploffing samen met een ander heeft teweeg gebracht, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het ‘medeplegen’.

De verklaring van verdachte over hoe zijn DNA op de handgranaat is gekomen en de verklaring dat de afgeluisterde telefoongesprekken rondom de uitzendingen van Opsporing Verzocht gaan over een vechtpartij in Suriname acht de officier van justitie ongeloofwaardig, nu deze verklaringen in een laat stadium zijn afgelegd en ze niet te verifiëren zijn.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van beide feiten bepleit.

Ten aanzien van feit 1 heeft zij onder meer aangevoerd dat het aantreffen van het DNA van verdachte op de resten van de handgranaat onvoldoende is om aan te nemen dat het ook een daderspoor betreft. Verdachte heeft immers een uitgebreide verklaring afgelegd over hoe het kan dat zijn DNA op de handgranaat terecht is gekomen. Naast het DNA-spoor is er geen ander redengevend bewijs. De getuige die een beschrijving geeft van de mogelijke dader verklaart dat zij haar bril niet op had. Bovendien was het donker en is niet bekend wat de afstand tussen de getuige en de mogelijke dader is geweest. Bovendien voldoet verdachte niet aan het door de getuige opgegeven algemene signalement.

Met betrekking tot de telefoongesprekken rondom de uitzendingen van Opsporing Verzocht gaat het Openbaar Ministerie er ten onrechte vanuit dat sprake is van versluierd taalgebruik. Verdachte ontkent dit. Gesproken wordt over een filmpje van een vechtpartij in Albina, Suriname, dat tussen 28 en 30 juni 2018 op de Surinaamse televisie is getoond. Verdachte verklaart dat het hier straattaal betreft en verduidelijkt wat er bedoeld wordt. Er kan niet worden vastgesteld dat de gesprekken over de uitzendingen van Opsporing Verzocht gaan.

Voorts heeft verdachte verklaard dat en waarom hij rond de explosie in de buurt van de Tweede Hugo de Grootstraat is geweest. Zijn telefoon straalt om 00:01 uur aan bij de [adres 1] , een afstand van 14-16 minuten lopen of 6-7 minuten met de auto naar de plaats delict. Verdachte zat in de auto te wachten, zo verklaart hij. Hij kan daarom nooit voorafgaand aan of ten tijde van de explosie op de plaats delict zijn geweest.

Ook is er geen sprake van medeplegen, nu niet kan worden bewezen dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tot stand komen van het delict of dat hij handelingen heeft verricht die duiden op een bewuste en nauwe samenwerking voor het tot ontploffing brengen van de granaat.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw nog aangevoerd dat verdachte geen beschikkingsmacht had over de handgranaat, zodat verdachte ook van dit feit moet worden vrijgesproken.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

3.3.2

Aanleiding onderzoek

Op 10 juli 2017 omstreeks 00.10 uur kreeg verbalisant kennis van een mogelijke aanslag op een voertuig in de [straat] , ter hoogte van perceel [nummer] . Ter plaatse treft hij een groep personen rondom een Audi Q7 met kenteken [kenteken] met schade. De eigenaar van deze auto bleek [naam eigenaar] te zijn. In de omgeving is onderzoek gedaan naar schade aan geparkeerde voertuigen en naar schade aan omliggende woningen. Vastgesteld is dat er schade aan de woningen van de [adres 2] en [adres 3] te zien was. Naast de Audi Q7 is schade geconstateerd aan zeven andere geparkeerde auto’s.2

3.3.3

Forensisch onderzoek

Tijdens het onderzoek ter plaatse is onder de Audi Q7 een beugel van een handgranaat aangetroffen. Ongeveer een meter daar vandaan lag een ring met bijbehorende veiligheidspin van een handgranaat. De aangetroffen restanten (naast de beugel en de pin zijn ook scherven in woningen van perceel [nummer] en perceel [nummer] aangetroffen) zijn inbeslaggenomen en onderzocht.

In de woning van perceel nummer [nummer] was de eerste impact op 9,5 meter, dwars door het dubbelglas en de vitrage. De tweede impact was door een muur op 2,5 meter afstand van het raam. De derde impact was op de muur van de babykamer. Er zijn scherven in het babyledikantje beland. In de woning van perceel nummer [nummer] zijn de scherven door het dubbelglas en de gordijnen gegaan en terechtgekomen in een boekenkast, 2,5 meter van het raam.

Aannemelijk is dat deze restanten afkomstig zijn van een M50 of M52 handgranaat. Om een granaat van dit type te activeren moet een veiligheidspin met een trekring uit de ontsteekinrichting getrokken worden. Enkele seconden na het activeren zal de ontsteker de springstoflading tot ontploffing brengen. Er ontstaat naast materiële schade, gevaar voor dodelijk letsel voor personen tot op een afstand van enkele meters en gevaar voor ernstig lichamelijk letsel tot zeer ernstig lichamelijk letsel tot op een afstand van tientallen meters.

Een handgranaat is een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing. De inbeslaggenomen handgranaat is geen explosief voor civiel gebruik en is daarom een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II onder 7e van de Wet wapens en munitie.3

3.3.4

DNA-onderzoek

Bemonsteringen van de beugel en van de ring met veiligheidspin zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek. Op grond van vergelijkend DNA-onderzoek is gebleken dat het celmateriaal in de bemonsteringen afkomstig kan zijn van een onbekende man A. De matchkans van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profiel van monster [nummer DNA] (de bemonstering van de beugel) is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken.4 Door het NFI is een verwantschapsonderzoek verricht. Voor één man is een broer/broer-index verkregen met een zeer hoge waarde die tevens veel groter was dan van de andere personen. Dit betrof [naam broer]5, een volle broer van verdachte.6

Op 22 juni 2018 heeft verdachte in het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek tegen hem vrijwillig ingestemd met afname van celmateriaal ten behoeve van een DNA-onderzoek.7 Het hieruit verkregen DNA-profiel is op 6 juli 2018 opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken. Bij de vergelijking met de daarin aanwezige DNA-profielen is één match gevonden met een DNA-profiel geregistreerd in profielcluster [nummer] . Dit betekent dat DNA in het sporenmateriaal [nummer DNA] uit DNA-profielcluster [nummer] afkomstig kan zijn van de verdachte [verdachte] .8

3.3.7

Netwerkonderzoek en aanwezigheid rondom de plaats delict

Op 10 juli 2017 heeft er een netwerkmeting plaatsgevonden in de [straat] . Ook zijn de historische telecomgegevens van het telefoonnummer van [naam eigenaar] , eigenaar van de Audi Q7, opgevraagd. Uit de vergelijking van de netwerkmeting met de telefoongegevens van het telefoonnummer van [naam eigenaar] blijkt dat een contact van [naam eigenaar] voorkomt op de resultaten van de netwerkmeting. Dit nummer [nummer] is mogelijk afkomstig van [naam vriend] .9 [naam vriend] heeft op 9 juli 2017 om 21:40 uur contact met het toestel van [naam eigenaar]10 en uit een vergelijking tussen de historische telecomgegevens van [naam vriend] en verdachte worden opgemaakt dat zij van 9 juli 2017 vanaf 22:48 uur tot in elk geval 10 juli 2017 om 00.01 uur bij elkaar waren en rond te tijd van de explosie in de buurt waren van de explosie.11

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij samen met [naam vriend] in de buurt was en dat zij de explosie gehoord hebben.12

3.3.8

camerabeelden

Op veiliggestelde camerabeelden van twee camera’s van Dirk van de Broek, gericht op de Van Reigersbergenstraat is te zien dat de Audi Q7 op 9 juli 2017 om 20.16 uur wordt geparkeerd in een parkeervak van de Van Reigersbergenstraat. Op 10 juli 2017 om 00:03:24 uur komt een man in beeld van camera 1. Om 00:04:00 uur verschijnt deze man in beeld op camera 2, gericht op de kruising met de Tweede Hugo de Grootstraat. De man kijkt in de richting van café [naam café] , draait zich abrupt om en loopt terug in de richting van waar hij vandaan komt. Om 00:04:12 komt hij weer in beeld van camera 1. Hij loopt voorbij de Audi Q7, draait zich om en loopt naar de Audi, waar hij om 00:04:48 ter hoogte van het rechterachterwiel blijft staan. Vervolgens is te zien dat hij met één van zijn benen een schoppende/trappende beweging maakt in de richting van de Audi. Hierna loopt hij langzaam weg en verdwijnt uit beeld. Om 00:06.06 uur ontploft de handgranaat onder de Audi Q7. Verbalisant merkt op dat hij op de beelden alleen de genoemde man bij de Audi Q7 heeft waargenomen.13

3.3.9

tapgesprekken

Op 3 en 10 juli 2018 is in het programma Opsporing Verzocht aandacht besteed aan de aanslag van 10 juli 2017. Kort na de uitzending op 3 juli en op 4 juli wordt verdachte gebeld door twee verschillende nummers. De bellers vragen of hij “het gecheckt heeft” en of hij “het WK” heeft gekeken. Beide keren antwoordt verdachte dat je niets ziet.14

Op 10 juli 2018 werd wederom aandacht besteed aan de ontploffing van een handgranaat bij de Audi Q7. In deze uitzending werd vermeld dat de politie inmiddels zicht had op een verdachte en dat het mogelijk zou gaan om een man uit Amsterdam Zuidoost. Op 12 juli 2018 wordt verdachte gebeld met de vraag of hij de uitzending van het WK heeft gekeken en dat hij het moet kijken “want er zijn een aantal dingen gezegd”. Verdachte moet het even checken, want ze hebben de plek genoemd, daar waar hij nu is. Van verdachte [verdachte] is bekend dat hij in Amsterdam Zuidoost verbleef.15

3.3.10

Bewijsoverweging

Verdachte heeft aanvankelijk ontkend iets met het feit te maken te hebben, dan wel zich beroepen op zijn zwijgrecht. Tijdens zijn vierde verhoor bij de politie op 21 augustus 2018, ruim een maand na zijn aanhouding, heeft hij aangegeven dat hij een verklaring wil afleggen over hoe zijn DNA op de pin van de handgranaat is gekomen. Hij zou in 2017 toen hij van de Nike store in Osdorp kwam, zijn aangesproken door twee Marokkaanse jongens die hij nooit eerder had gezien. Zij vroegen hem aanvankelijk naar zijn Nike trainingspak en daarna vroeg één van hen of hij een wapen wilde kopen. Zij hadden een Albert Heijntas bij zich met daarin een vuurwapen en een handgranaat. Verdachte heeft de handgranaat beetgepakt bij de ring/pin. Ter terechtzitting heeft verdachte deze verklaring herhaald. Hij heeft hierbij aangegeven dat hij niet meteen dacht aan dit incident in Osdorp toen hij werd geconfronteerd met het feit dat zijn DNA op onderdelen van de ontplofte handgranaat zijn aangetroffen.

In zijn vijfde verhoor heeft verdachte gereageerd op het onderzoek naar de telecomgegevens. Hij heeft verklaard dat het wel kan zijn dat hij in de buurt was van de plaats delict. Hij was naar een kinderfeestje geweest met een vriend genaamd [naam vriend] , en later die avond was hij met [naam vriend] meegereden naar diens vriendin in West. Toen ze daar wegreden hebben ze wel een knal gehoord, aldus verdachte. In ditzelfde verhoor heeft hij ook gereageerd op de afgeluisterde telefoongesprekken. Deze gesprekken gingen volgens verdachte niet over de uitzendingen van Opsporing Verzocht maar over een incident in Suriname dat op Facebook te zien zou zijn geweest.

De rechtbank hecht geen geloof aan het scenario dat geschetst is door verdachte. Redengevend is daarvoor in de eerste plaats het late tijdstip waarop hij met dit alles is gekomen. Al tijdens zijn eerste zaaksgerichte verhoor, op 18 juli 2018, is aan verdachte gevraagd of hij wel eens een handgranaat in zijn handen heeft gehad. Hij heeft hierop ontkennend geantwoord. Vervolgens wordt hem in hetzelfde verhoor verteld dat zijn DNA is aangetroffen op de pin en de beugel van de handgranaat die op 10 juli 2017 onder een Audi Q7 tot ontploffing is gebracht. Er is hem uitgelegd dat dit betekent dat de handgranaat in zijn nabijheid is geweest. Als hem vervolgens wordt gevraagd hoe het kan dat zijn DNA daarop is aangetroffen, beroept verdachte zich op zijn zwijgrecht. Tijdens het derde verhoor een dag later, zwijgt verdachte op alle vragen. Ook als de rechter-commissaris hem tijdens het verhoor op de vordering inbewaringstelling nog eens voorhoudt dat zijn DNA is aangetroffen op de handgranaat, geeft verdachte aan dat hij daar niks over wil zeggen. Als het werkelijk zo was dat verdachte begin 2017 een handgranaat had aangeboden gekregen en vastgehouden – naar mag worden aangenomen een niet-alledaagse gebeurtenis – is het moeilijk voorstelbaar dat verdachte ruim een maand voorlopige hechtenis zou afwachten voor hij dit aan de politie vertelt. Ook op zitting heeft hij hiervoor geen bevredigende verklaring kunnen geven. Afgezien van het late tijdstip waarop verdachte is gaan verklaren, is de inhoud van de verklaring ook weinig aannemelijk. De rechtbank acht de kans klein dat na een ontploffing van een handgranaat op de resten van die granaat alleen celmateriaal wordt aangetroffen van een persoon die de handgranaat maanden voordien een keer heeft vastgehouden. Daarbij speelt mee dat het celmateriaal is aangetroffen op de beugel, de ring en de pin, onderdelen die aangeraakt moeten worden om de granaat tot ontploffing te brengen.

Daarnaast doen ook de overige onderzoeksresultaten afbreuk aan het scenario van verdachte. Immers, gebleken is dat hij op het moment van de ontploffing in de directe omgeving van de plaats delict was. En niet alleen dat, hij was daar samen met [naam vriend] , de man die vlak voor en in de dagen na de ontploffing telefonisch in contact stond met [naam eigenaar] en van wie de politie vermoedt dat hij degene was die [naam eigenaar] afperste. Ook de afgeluisterde telefoongesprekken zijn naar het oordeel van de rechtbank belastend voor verdachte. Na beide uitzendingen van Opsporing Verzocht waarin aandacht is besteed aan de zaak wordt verdachte gebeld door de gebruiker van het nummer [nummer] . Na de eerste uitzending (waarin de bewakingsbeelden van de Dirk van de Broek zijn getoond) wordt verdachte gevraagd of hij vandaag “WK” heeft gekeken. Verdachte antwoordt dat hij gekeken heeft, maar dat je niks ziet. Een week later, na de tweede uitzending (waarin gezegd is dat er inmiddels zicht is op een verdachte, mogelijk een man uit Amsterdam Zuid-Oost), wordt verdachte gevraagd of hij “dat andere ding” heeft gezien, “op de WK”. Verdachte antwoordt dat hij niet heeft gekeken. Vervolgens wordt hij gemaand dat hij het echt moet checken, want “ze” hebben de plek genoemd, daar waar verdachte nu is. Ook krijgt verdachte in dit gesprek te horen dat “ze” het al weten, en dat mensen misschien hebben gebeld en geklikt. De rechtbank ziet zowel in de timing van de gesprekken als in de inhoud ervan sterke aanwijzingen dat in versluierde taal gesproken wordt over de uitzendingen van Opsporing Verzocht. Het verhaal van verdachte dat beide gesprekken gaan over een filmpje op Facebook is niet geloofwaardig, alleen al omdat het blijkens de gesprekken over twee verschillende filmpjes zou moeten gaan; een filmpje dat verdachte op 3 juli heeft gezien en een ander filmpje waarop hij een week later wordt geattendeerd dat hij dan nog niet heeft gezien en kennelijk nadere informatie bevat (“de plek”).

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die de granaat bij de Audi Q7 heeft achtergelaten en tot ontploffing heeft gebracht. Daarmee is eveneens bewezen dat verdachte deze granaat voorhanden heeft gehad.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1

op 10 juli 2017 te Amsterdam, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een handgranaat (type M50 of type M52) onder een personenauto voorzien van kenteken [kenteken] geschopt, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de personenauto voorzien van kenteken [kenteken] en zich in de directe nabijheid bevindende woningen en voertuigen en levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een of meer aanwezigen in voornoemde woningen te duchten was;

Ten aanzien van feit 2

op of omstreeks 10 juli 2017 te Amsterdam, een wapen van categorie II, te weten een handgranaat (type M50 en/of type M52) voorhanden heeft gehad;

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) jaar, met aftrek van voorarrest.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd. Wel heeft de raadsvrouw gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die tot uitdrukking zijn gekomen in het reclasseringsrapport over verdachte.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Amsterdam wordt de laatste jaren steeds vaker opgeschrikt door de vondst van handgranaten in de openbare ruimte. Vermoedelijk is sprake van een methode waarmee criminelen ondernemers en anderen onder druk zetten. Het is uitermate zorgwekkend dat een dergelijk oorlogswapen op deze wijze in een dichtbevolkte stad wordt ingezet.

Ook in deze zaak lijkt een handgranaat te zijn ingezet als pressiemiddel. Verdachte is daarbij zover gegaan dat hij de handgranaat onder een auto tot ontploffing heeft gebracht. Deze auto stond geparkeerd in een woonwijk. Hierdoor is direct gevaar toegebracht aan omwonenden en mogelijke passanten, waarbij personen dodelijk letsel hadden kunnen oplopen of (zwaar) gewond hadden kunnen raken. Dit blijkt onder meer uit het feit dat van twee woningen de ruiten door scherven zijn doorboord. In één woning zijn scherven door een tussenwand gegaan en in de naastgelegen kamer in de muur en in een babybedje terecht te komen. In het babybedje lag op dat moment een kind te slapen. Ook is gebleken dat door de ontploffing diverse auto’s die in de buurt stonden, zijn beschadigd. Verdachte heeft hiermee op indringende wijze inbreuk gemaakt op de gevoelens van veiligheid in de samenleving. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het misdrijf uitsluitend een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij andere zaken waarin sprake was van het tot ontploffing brengen van een handgranaat. Mede in acht genomen dat de ontploffing in dit geval uiteindelijk alleen materiële schade heeft veroorzaakt, vindt de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 7 jaar te fors.

Uit de omstandigheden zoals die in het dossier naar voren komen leidt de rechtbank bovendien af dat verdachte waarschijnlijk niet op eigen initiatief tot zijn daad is gekomen. Hierbij heeft de rechtbank de conclusie betrokken uit het rapport van de reclassering van 18 oktober 2018 dat verdachte een laag niveau van functioneren heeft, wat een risico met zich brengt dat er misbruik van hem wordt gemaakt.

De rechtbank heeft ten slotte gelet op het strafblad van verdachte van 2 oktober 2018. Hieruit blijkt dat verdachte wel eerder in contact is geweest met justitie, maar niet voor feiten die op enige wijze verband houden met de onderhavige zaak.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar opleggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1

Opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Ten aanzien van feit 2

Handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. T.T. Hylkema en E.J. Weller, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 november 2018.

De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina’s 1000 en 1001.

3 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina’s 1006-1008, 1010, 1011 en 1014.

4 NFI-rapport onderzoek biologische sporen en DNA-onderzoek, zaaknummer 2017.07.11.071 van 12 juli 2017, doorgenummerde pagina’s 1140 en 1141.

5 2de herziene rapport familial search, opgemaakt door het Nederlands Forensisch Instituut op 12 december 2017.

6 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek GBA, doorgenummerde pagina 1164-1165.

7 Proces-verbaal van bevindingen DNA afname [verdachte] binnen onderzoek 13Ohey, doorgenummerde pagina 1236.

8 Rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een verdachte van 6 juli 2018, opgemaakt door het Nederlands Forensisch Instituut, doorgenummerde pagina 1167.

9 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina’s 2065-2066.

10 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina 2075, dia 4.

11 Idem, doorgenummerde pagina 2075, dia 5 tot pagina 2076, dia 8.

12 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 25 oktober 2018.

13 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina’s 117-134.

14 Proces-verbaal van bevindingen telefoongesprekken n.a.v. uitzending Opsporing Verzocht van 3 juli 2018, doorgenummerde pagina’s 1181-1182.

15 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pagina’s 1188-1189.