Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7946

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
09-11-2018
Zaaknummer
13/751450-18
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolgings-EAB Duitsland. Genoegzaamheidsverweer verworpen. Niet vereist dat wetteksten in het EAB worden opgenomen. Overlevering toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751450-18

RK nummer: 18/3949

Datum uitspraak: 6 november 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 juni 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 7 mei 2018 door de Staatsanwaltschaft Münster (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres:
[BRP-adres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel voor detentie van het Amtsgericht Münster van 27 april 2018 (kenmerk: 23 Gs - 210 Js 495/18 - 2005/18).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan drie naar het recht van Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Genoegzaamheid

4.1

Standpunt van de raadsvrouw

De overlevering moet primair worden geweigerd omdat de feiten 1 en 2 niet genoegzaam zijn omschreven. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat aanvullende vragen aan de Duitse justitiële autoriteit moeten worden gesteld.

Wat betreft feit 1, de oogst van 30 kilo marihuana in Steinfurt, is onduidelijk wanneer dit zich zou hebben afgespeeld. Er wordt gesproken over een inbeslagname van hennep op 3 december 2014, maar ook over een oogst op 10 december 2014. De oogst zou zich dus na de inbeslagname hebben afgespeeld.

Voor feit 2 geldt dat uit de omschrijving van de feiten niet blijkt van bemoeienis van de opgeëiste persoon.

Tot slot is de tekst van de toepasselijke wetsartikelen niet opgenomen in het EAB, terwijl dit volgens de OLW en het Kaderbesluit 2002/584/JBZ wel van belang is.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

De feiten zijn genoegzaam omschreven. Uit de feitomschrijving blijkt waar de verdenking op ziet en waar de opgeëiste persoon van wordt verdacht. Het is niet noodzakelijk dat de feiten nader gespecificeerd worden. De wetsartikelen staan in het EAB, de volledige wettekst hoeft niet te worden opgenomen.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Het EAB dient gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon wordt gezocht in verband met de verdenking dat hij zich in de periode van oktober 2014 tot en met december 2015 samen met in het EAB genoemde medeverdachten heeft schuldig gemaakt aan de teelt van en handel in hennep. De mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon wordt in het EAB omschreven als ‘mededader’. Rond het najaar 2014 zou de opgeëiste persoon met medeverdachten het plan hebben opgevat om meerdere hennepplantages te gaan exploiteren.

Feit 1 ziet op een hennepplantage met ongeveer 1000 planten in een clubhuis in Steinfurt, [adres 1] . Het EAB vermeldt dat de eerste oogst van 30 kilogram marihuana op 10 december 2014 plaatsvond en dat een gedeelte van 16,982 daarvan op 3 december 2014 in een woning in [adres 2] in beslag werd genomen. Ongeveer 14 kilogram hennep is door een medeverdachte aan een klant van de opgeëiste persoon in Hannover verkocht.

Over feit 2 vermeldt het EAB dat onmiddellijk daaropvolgend 900 stekjes volgens een gemeenschappelijk uitgewerkt plan naar de plantage werden gebracht en door een medeverdachte werden verzorgd. Op 27 en 28 februari 2015 vond de tweede oogst plaats, waarbij minstens 18 kilo marihuana werd geoogst.

Met betrekking tot feit 3 vermeldt het EAB dat de opgeëiste persoon met twee medeverdachten in de nazomer (de rechtbank begrijpt: van 2014) begon met de verbouwing van een voormalig als woning gebruikte etage aan de [adres 3] . Toen de installatie gereed was, leverde de opgeëiste persoon 1.200 stekjes in de woning. Bij de eerste oogst – met de jaarwisseling van 2014 op 2015 – werd 30 kilogram marihuana verkregen. Deze marihuana is verkocht.

Naar het oordeel van de rechtbank is duidelijk waarvoor de overlevering is gevraagd en is de naleving van het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. De mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon is genoegzaam omschreven. Weliswaar stelt de rechtbank met de raadsvrouw vast dat het niet mogelijk is dat een oogst van 10 december 2014 op 3 december 2014 in beslag is genomen, maar dat maakt het EAB nog niet ongenoegzaam, omdat de rechtbank er van uit gaat dat het hier om een verschrijving gaat. Dat de opgeëiste persoon niet met naam wordt genoemd in de omschrijving van feit 2 doet daar – gelet op het gehele feitencomplex – evenmin aan af.

De rechtbank stelt vast dat in het EAB de toepasselijke Duitse strafrechtelijke bepalingen worden opgesomd, waarbij wordt vermeld welk soort delict het betreft. Niet vereist is dat de wetteksten in het EAB worden opgenomen (zie ook het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2447).

De rechtbank verwijst verder nog naar de brief van het openbaar ministerie Münster van 18 juni 2018 waarin is uiteengezet dat het hier gaat om andere strafbare feiten dan die waarvoor in het EAB van 8 mei 2015 de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd en waarover de rechtbank op 10 juli 2015 uitspraak heeft gedaan (parketnummer 13/751416-15).

De rechtbank ziet geen aanleiding om – zoals subsidiair door de raadsvrouw is verzocht – de behandeling van de zaak aan te houden om nadere informatie over de feiten 1 en 2 op te vragen bij de Duitse autoriteiten. De rechtbank overweegt hierbij dat de overlevering wordt verzocht in verband met een vervolging en dat het strafrechtelijk onderzoek naar de feiten nog niet is afgerond.

5 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Hoofdofficier van Justitie in Münster heeft op 10 juli 2018 de volgende garantie gegeven:

Uitleveringszaak tegen [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] -1978 in [geboorteplaats] (Nederland) (…)

Verwijzend naar uw voornoemde fax van 06-07-2018 heb ik de eer u met betrekking tot de beschuldigde [opgeëiste persoon] de overlevering naar Nederland voor het geval te garanderen dat de beschuldigde na zijn uitlevering naar de Bondsrepubliek Duitsland hier tot een niet voorwaardelijke vrijheidsstraf veroordeeld wordt.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

Aan deze voorwaarde is voldaan. De onder 5 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    Het onderzoek heeft een aanvang genomen in Duitsland;

  • -

    Het bewijs bevindt zich in Duitsland;

  • -

    De medeverdachten zijn of worden in Duitsland vervolgd,

  • -

    De rechtsorde in Duitsland is geschokt.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Duitse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Wat de raadsvrouw heeft aangevoerd, namelijk dat een deel van de strafbare feiten op Nederlands grondgebied is gepleegd en dat de overlevering om die reden moet worden geweigerd, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Aanhoudingsverzoek

De raadsvrouw heeft verzocht om aanhouding van de behandeling. Op 22 november 2015 is de opgeëiste persoon in Duitsland veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en negen maanden wegens (hulp bij) handel in verdovende middelen. De opgeëiste persoon heeft deze feiten destijds bekend en is pas na een periode van 14 maanden aan Nederland overgedragen in het kader van de WETS. De periode in Duitsland is voor de opgeëiste persoon en zijn gezin bijzonder zwaar geweest. Het vooruitzicht opnieuw een lange periode in Duitsland te moeten doorbrengen wordt door de opgeëiste persoon als zeer ongewenst ervaren. De Duitse advocaat van de opgeëiste persoon heeft bij brief van 11 oktober 2018 aan het arrondissementsparket Münster verzocht om de stukken en op voorhand verzocht tot herziening van de detentie. De raadsvrouw verzoekt de behandeling van het EAB aan te houden in afwachting van een reactie op die brief.

Met de officier van justitie ziet de rechtbank in wat de raadsvrouw heeft aangevoerd, geen aanleiding om de beslissing op het overleveringsverzoek aan te houden. Het enkele feit dat de Duitse raadsman van de opgeëiste persoon in Duitsland een verzoek heeft ingediend tot herziening van de detentie, is hiervoor onvoldoende.

9 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

11 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Staatsanwaltschaft Münster ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. M.J.M. Langeveld en A.W.C.M. van Emmerik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 6 november 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.