Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7909

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
13/144766-18 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/144766-18 (Promis)

Datum uitspraak: 6 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.A. Kloos en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A. Rijkelijkhuizen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden veroordeeld voor het primair aan hem ten laste gelegde. Volgens de officier van justitie is er sprake van zeer ernstige mate van schuld waardoor het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: voetgangster) zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Er is sprake van een causaal verband tussen het gedrag van verdachte en het letsel van het slachtoffer. Verdachte heeft het slachtoffer niet gezien, hij mist zijn linkeroog, omdat hij evident niet naar links heeft gekeken, daar waar het slachtoffer vandaan kwam.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Hij voert daartoe aan dat het onvoldoende duidelijk is welk gevaarzettend gedrag verdachte wordt verweten omdat hij niet ter plaatse (zeer) bekend was en het vereiste in artikel 3.4 onder a van de Regeling eisen geschiktheid 2000 een formeel vereiste is wat de rijbevoegdheid niet uitsluit.

Verder is het volgens de raadsman niet duidelijk geworden waar de aanrijding exact plaatsvond. Gelet op het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (hierna: VOA), bestaat de mogelijkheid dat de voetgangster niet op maar nabij de voetgangersoversteekplaats liep, in welk geval verdachte artikel 49 lid 2 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet heeft overtreden. De raadsman acht het onwaarschijnlijk dat getuige [naam getuige 1] , gezien zijn positie tijdens het incident en gelet op het korte tijdbestek, het voorval dusdanig gedetailleerd heeft kunnen waarnemen dat hij heeft kunnen zien dat de voetgangster midden op de voetgangersoversteekplaats liep.

Volgens de raadsman kan aldus niet worden vastgesteld dat verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig heeft gedragen en evenmin kan worden vastgesteld dat hij concreet gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

4.3

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 15 februari 2018 omstreeks 17:45 uur vond in Amstelveen nabij de rotonde van de kruising Van der Hooplaan met de Lindenlaan, in de richting van de Spaanse Aaklaan, een aanrijding plaats tussen een personenauto en een voetgangster.2 Deze voetgangster, [slachtoffer] , hield hieraan ernstig letsel over, waaronder een subduraal hematoom, aangezichtsfracturen, een aangezichtsverlamming en gebroken bekken.3

Verdachte bestuurde de personenauto.4 Komend vanuit de William Boothlaan reed hij over voornoemde rotonde en sloeg hij rechtsaf de Lindenlaan in, in de richting van de

Spaanse Aaklaan. Hij verleende voorrang voor, vanuit hem bezien, van rechts komende fietsers, stond in zijn geheel stil en trok weer op.5 Vlak voordat hij optrok begon een voetgangster met het oversteken van de voetgangersoversteekplaats. Zij liep aan de zijde van de Spaanse Aaklaan, komende uit de looprichting van de Sportlaan, gaande in de looprichting van de

Doctor Plesmansingel. Voor deze voetgangersoversteekplaats bevonden zich zichtbaar op het wegdek haaientanden.6 Bovendien was de oversteekplaats aangegeven middels een verkeersbord, te weten bord L02 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.7 Toen verdachte optrok reed hij de voetgangster aan, waarna zij over de motorkap rolde en verdachte zijn auto tot stilstand bracht.8 Zowel bezien vanuit de bestuurder van de auto, verdachte, als bezien vanuit de voetgangster was er geen belemmering van het uitzicht dan wel van de omgeving.9 Verder is vastgesteld dat verdachte niet de maximumsnelheid van 50 kilometer per uur had overschreden.10 Tot slot stelt de rechtbank vast dat het linkeroog van verdachte in 2013, wegens ziekte, is verwijderd en dat daar een glazen oog voor in de plaats is gekomen.11

4.4

Oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW, zoals primair is ten laste gelegd, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Door bij het verlaten van de rotonde van de kruising Van der Hooplaan met de Lindenlaan, in de richting van de Spaanse Aaklaan, naar rechts af te slaan heeft verdachte de voetgangster [slachtoffer] aangereden. De raadsman heeft aangevoerd dat de exacte plaats van de aanrijding niet duidelijk is geworden en daarom niet vast staat dat verdachte een verkeersovertreding heeft begaan. De rechtbank verwerpt zijn verweer.

Uit de VOA volgt dat de voetgangster op of nabij de voetgangersoversteekplaats liep toen zij werd aangereden. Getuige [naam getuige 1] zag het incident en hij heeft hierover verklaard dat de voetgangster midden op de voetgangersoversteekplaats liep toen zij door verdachte werd geschept12. De rechtbank acht de verklaring van [naam getuige 1] betrouwbaar. Hij heeft het hele incident gezien en hetgeen hij heeft verklaard wordt niet weersproken, maar zelfs bevestigd, door de VOA. De VOA stelt vast dat de verklaring van getuige [naam getuige 2] ook het sporenbeeld dat zij hebben vastgesteld bevestigt. De rechtbank concludeert dat de voetgangster in het midden van de voetgangersoversteekplaats liep toen verdachte haar aanreed. Dat het een voetgangersoversteekplaats betrof was aangegeven middels het verkeersbord L02 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Dit betekent dat verdachte handelde in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door haar geen voorrang te verlenen.

De voetgangster liep aan de zijde van de Spaanse Aaklaan, komende uit de looprichting van de Sportlaan, en gaande in de looprichting van de Doctor Plesmansingel. Dat betekent dat zij van links naar rechts overstak, bezien vanuit de positie van verdachte. Verdachte had de voetgangster in deze situatie tijdig moeten en kunnen zien. Er waren geen belemmeringen op de weg, er was vrij uitzicht, en het gebeurde overdag. Te meer nu hij direct voorafgaand aan het ongeval fietsers voorrang had verleend die voor hem van rechts naar links overstaken.

Vaststaat dat verdachte sinds 2013 niet meer beschikt over zijn linkeroog en dat verdachte met de linkerhelft van zijn gezichtsveld niets ziet. Dit heeft er volgens de rechtbank toe geleid dat hij de voetgangster, komend van links, in haar geheel niet heeft gezien en dat hij haar daardoor heeft aangereden. Verdachte heeft kennelijk zijn hoofd niet voldoende naar links gedraaid.

De rechtbank overweegt verder dat, ingevolge artikel 3.4 onder a van de Regeling eisen geschiktheid 2000 gestelde eisen voor de geldigheid van rijbewijzen van de categorie B, een persoon ongeschikt wordt een motorrijtuig te besturen bij plotseling verlies van (het gebruik van) één oog. Een betrokkene kan na een aanpassingsperiode van ten minste drie maanden weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1. Dit betekent dat verdachte dus in beginsel, na het verliezen van zijn oog, ongeschikt was een motorrijtuig te besturen. Hij had na een aanpassingsperiode weer geschikt kúnnen worden verklaard, op basis van een positief advies van een oogarts. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, overweegt de rechtbank dat het laten onderzoeken van zijn geschiktheid geen formaliteit is, maar een verplichting waaraan verdachte niet heeft voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemd gedrag van verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend is geweest. Als gevolg van dit gedrag heeft de aanrijding plaatsgevonden. Na het ongeval kampte het slachtoffer met onder meer een subduraal hematoom, aangezichtsfracturen, een aangezichtsverlamming en gebroken bekken. Zij heeft maandenlang in het ziekenhuis en een revalidatiecentrum verbleven en is nog steeds herstellende. Zij ondervindt tot op de dag van vandaag nog steeds de fysieke gevolgen van het ongeval. Het letsel dat het slachtoffer hieraan heeft overgehouden kwalificeert de rechtbank, gezien de aard, de ernst en de langdurigheid van het herstel, als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde dus bewezen, waarbij de rechtbank bewezen acht zeer onvoorzichtig rijgedrag van verdachte en zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat verdachte plaatselijk (zeer) bekend was. Van deze omstandigheid in de tenlastelegging wordt verdachte vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen het primair ten laste gelegde bewezen, namelijk dat verdachte

op 15 februari 2018 te Amstelveen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Lindenlaan, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten (o.a.) een subduraal hematoom, aangezichtsfracturen, een aangezichtsverlamming en gebroken bekken,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de rotonde die de Van der Hooplaan verbindt met de Lindenlaan, komende uit de richting van de William Boothlaan, en gaande in de richting van de Spaanse Aaklaan,

- terwijl verdachte niet voldeed aan de in artikel 3.4 onder a van de Regeling eisen geschiktheid 2000 gestelde eisen voor de geldigheid van rijbewijzen van de categorie B,

verdachte is een op de Lindenlaan gelegen voetgangersoversteekplaats genaderd, welke werd aangegeven middels een in zijn verdachtes rijrichting gekeerd bord L02 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990,

verdachte heeft in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een voetganger, te weten [slachtoffer] , die op die voetgangersoversteekplaats, gezien zijn, verdachtes rijrichting, doende was om die van links naar rechts over te steken, geen voorrang verleend,

verdachte is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden, waardoor [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Daarnaast heeft hij de rechtbank verzocht verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen te ontzeggen voor de duur van twee jaar.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met het volgende. Verdachte is nooit eerder voor enig strafbaar feit veroordeeld en hij heeft na het incident zijn rijbewijs ongeldig laten verklaren waarmee hij het autorijden voorgoed heeft opgegeven. Het ongeluk heeft verdachte zeer aangegrepen en in de periode na het ongeluk heeft hij meermaals bij de politie geïnformeerd over de medische toestand van het slachtoffer. Het opleggen van een gevangenisstraf is volgens de raadsman volstrekt buiten proportie. Verdachte is bereid een taakstraf uit te voeren, mits deze is aangepast op zijn beperkingen.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte reed over de rotonde van de kruising Van der Hooplaan met de Lindenlaan toen hij rechtsaf wilde slaan. Nadat hij fietsers voorrang verleende, trok hij op en reed hij de inmiddels overstekende [slachtoffer] aan. Zij stak van links naar rechts over en zij bevond zich op dat moment midden op de voetgangersoversteekplaats.

Als gevolg van ziekte verloor verdachte in 2013 zijn linkeroog, wat inhoudt dat hij enkel middels één oog zicht heeft. Dit maakte dat verdachte in beginsel niet bevoegd was een motorrijtuig te besturen. Daarbij komt dat het voor verdachte, ondanks het feit dat hij één oog mist, niet onmogelijk was het slachtoffer te zien. Sterker nog, had verdachte zijn hoofd (verder) naar links gedraaid dan had hij het slachtoffer op tijd kunnen zien en haar voorrang kunnen verlenen. Al het voornoemde getuigt van een gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef als verkeersdeelnemer. Het slachtoffer neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Uit de overgelegde slachtoffer verklaring blijkt dat het slachtoffer na het ongeval twee weken in een coma heeft gelegen. Toen zij wakker werd, kon zij niet meer spreken en slechts een paar vingers en haar hand bewegen. Op dat moment was het niet bekend of zij iemand verstond of herkende. Het slachtoffer heeft veel operaties moeten ondergaan, onder meer aan haar hersenen. Bovendien had zij als gevolg van haar op drie plaatsen gebroken bekken veel pijn, kon zij niet slikken, niet kauwen en was zij geenszins in staat voor zichzelf zorgen. Twee maanden na het ongeluk lukte het haar haar eerste stappen te zetten. Toen zij na verloop van tijd besef kreeg van haar situatie raakte zij bovendien depressief. Pas op 29 juni 2018 werd zij ontslagen uit het revalidatiecentrum om vanuit huis verder te revalideren. Tot op de dag van vandaag ondervindt zij veel pijn en op 15 oktober 2018 heeft zij voor het laatst een operatie ondergaan.

De rechtbank hecht bij de strafoplegging belang aan de oriëntatiepunten zoals deze zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), en die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Volgens deze oriëntatiepunten is het uitgangspunt bij het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij sprake is van ernstige schuld aan de zijde van verdachte (die geen alcohol had genuttigd) en zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 160 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar.

De rechtbank betrekt bij de strafmaat de houding van verdachte op zitting. Verdachte bagatelliseerde zijn eigen gedrag en nam geen verantwoordelijkheid. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij ondanks zijn beperkt zicht en andere gezondheidsklachten, zoals de gevolgen van zijn progressieve spierziekte en zijn suikerziekte, zonder zich te laten keuren door een arts is blijven rijden, terwijl bovendien zijn rijbewijs inmiddels was verlopen.

Gelet op het kwalijke (rij)gedrag van verdachte is een forse straf op zijn plaats. De rechtbank ziet – in tegensteling tot de officier van justitie – echter geen redenen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Anders dan de officier van justitie kenmerkt de rechtbank het geen voorrang verlenen niet als strafverzwarende omstandigheid in de zin van artikel 175 lid 3 Wegenverkeerswet 1994, nu deze gedraging ook al een rol speelt bij het vaststellen van de mate van schuld. Gelet op de persoon van verdachte en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten legt de rechtbank verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf op voor de duur van 160 uren. Daarnaast ontzegt de rechtbank verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de maximaal op te leggen duur, te weten een periode van vijf jaar om te voorkomen dat verdachte in de verleiding komt weer te gaan rijden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het

Wetboek van Strafrecht, en op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

- Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 160 (honderdzestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 (tachtig) dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 5 (vijf) jaren.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. L. Voetelink en V.V. Essenburg, rechters

in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Klaveren, griffier.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 november 2018.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, 24 mei 2018, p. 1.

3 Letselverklaring VUmc betreffende [slachtoffer] , opgesteld door T.S. van Solinge arts-assistent en prof. dr. S.M. Peerdeman, neurochirurg, op 25 april 2018, p. 24-27.

4 Proces-verbaal verhoor verdachte, 15 februari 2018, p. 9.

5 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 23 oktober 2018.

6 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse opgemaakt door verbalisanten [naam 1] en [naam 2] op 1 mei 2018 (hierna: VOA), p. 56.

7 Proces-verbaal aanrijding misdrijf, 24 mei 2018, p. 1.

8 Proces-verbaal verhoor verdachte, 15 februari 2018, p. 10.

9 VOA, p. 54.

10 VOA, p. 59.

11 Proces-verbaal verhoor verdachte, 15 februari 2018, p. 10.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige 1] , 15 februari 2018, p. 32.