Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:7834

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
02-11-2018
Zaaknummer
13/728110-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt verdachte vrij van mensenhandel ten aanzien van een meerderjarige vrouw. Verdachte wordt wel veroordeeld voor mensenhandel ten aanzien van een minderjarige vrouw tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest (2 dagen) en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar met de nodige bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728110-17

Datum uitspraak: 1 november 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] en daar feitelijk verblijvend.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. S. de Klerk, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. I.R. Rigter, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

  1. (mede)plegen van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 1°, 4° en 6°, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) ten aanzien van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) in de periode van 1 november 2015 tot en met 18 december 2015;

  2. (mede)plegen van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 1°, 2°, 4°, 5° en 8° Sr ten aanzien van minderjarige [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) in de periode van 1 november 2015 tot en met 18 december 2015.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsvraag

4.1

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie acht ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde bewezen dat verdachte de destijds achttienjarige [slachtoffer 1] door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, overgebracht en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden (mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 1° en 4° Sr). Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte al lang bevriend was met [slachtoffer 1] en wist dat zij beschadigd was doordat zij enkele jaren eerder slachtoffer was geworden van een groepsverkrachting. Dat verdachte met die wetenschap met [slachtoffer 1] heeft gesproken over de schulden die beiden hadden en als oplossing voor de schulden heeft geopperd dat [slachtoffer 1] prostitutiewerkzaamheden zou gaan verrichten, levert volgens de officier van justitie misbruik van een kwetsbare positie op.

Ook acht de officier van justitie bewezen dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 1] (mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 6° Sr). De uitbuitingssituatie van [slachtoffer 1] bestaat volgens de officier van justitie hierin dat verdachte [slachtoffer 1] inzette om zijn schuldprobleem op te lossen, dat [slachtoffer 1] seks had met meerdere mannen en dat verdachte bij wijze van spreken niets anders deed dan op de bank zitten, terwijl hij wel een substantieel deel van de verdiensten van [slachtoffer 1] in ontvangst nam.

Ten aanzien van feit 2

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde acht de officier van justitie bewezen dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel in de vorm van seksuele uitbuiting van de destijds veertienjarige [slachtoffer 2] in die zin dat hij haar heeft geworven en overgebracht, haar heeft bewogen zich beschikbaar te stellen voor prostitutiewerkzaamheden en dat hij opzettelijk voordeel heeft getrokken, terwijl [slachtoffer 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt (mensenhandel als bedoeld in 273f, eerste lid, sub 2°, 5° en 8° Sr).

4.2

Standpunt van verdachte

Ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde algehele vrijspraak bepleit, omdat de toepassing van dwangmiddelen tegen [slachtoffer 1] niet kan worden bewezen en er evenmin bewijs is voor een uitbuitingssituatie van [slachtoffer 1] .

Voor het geval de rechtbank niet tot integrale vrijspraak zou concluderen, heeft de raadsman deelvrijspraken bepleit voor de ten laste gelegde feitelijke gedragingen met uitzondering van het regelen van een woning voor [slachtoffer 1] waar zij prostitutiewerkzaamheden kon verrichten.

De raadsman heeft ook betoogd dat de verklaring van [slachtoffer 1] onbetrouwbaar is. Gelet op het ontbreken van voldoende steunbewijs, zou dit ook tot vrijspraak van feit 1 moeten leiden.

Ten aanzien van feit 2

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman als uitgangspunt genomen dat iedere bemoeienis bij (beoogd) werk in de prostitutie van een minderjarige zoals [slachtoffer 2] strafbaar is, omdat uitbuiting en misbruik van een kwetsbare positie in dat geval een gegeven zijn. Verder heeft hij opgemerkt dat hij zich kan voorstellen dat de rechtbank enige bemoeienis van verdachte bij het prostitutiewerk van [slachtoffer 2] bewezen acht.

De raadsman heeft deelvrijspraken bepleit voor toepassing van dwang, dreiging met geweld of andere feitelijkheden, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen, dwingen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard en het voordeel trekken uit seksuele handelingen. Ook moet verdachte volgens de raadsman worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feitelijke gedragingen, met uitzondering van het [slachtoffer 2] bewegen te gaan naar een woning alwaar prostitutiewerkzaamheden werden bedreven dan wel het meenemen van [slachtoffer 2] naar die woning.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak feit 1

De rechtbank acht de onder 1 ten laste gelegde mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 1] niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Het volgende is daartoe redengevend.

Uit het dossier en hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard volgt dat verdachte bemoeienis heeft gehad met de werkzaamheden als prostituee door [slachtoffer 1] in de periode vermeld in de tenlastelegging.

Zo heeft hij aan [slachtoffer 1] voorgesteld om in de prostitutie te gaan werken en een deel van haar verdiende inkomsten aan hem af te staan, zodat hij zijn schulden zou kunnen afbetalen. Toen [slachtoffer 1] hier mee instemde, heeft verdachte haar in contact gebracht met medeverdachte [medeverdachte 1] , die voor [slachtoffer 1] een plek had voor het verrichten van prostitutiewerkzaamheden.

Vervolgens heeft verdachte met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] een afspraak gemaakt over de verdeling van de prostitutie inkomsten van [slachtoffer 1] . Ten slotte heeft hij daadwerkelijk een deel van de prostitutie inkomsten van [slachtoffer 1] ontvangen.

Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte zich samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heeft beziggehouden met het werven van klanten voor [slachtoffer 1] , onder meer door het maken van advertenties. Uit het WhatsApp contact tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] volgt dat verdachte op de hoogte was van de bemoeienissen van de medeverdachten bij het werven van klanten.

Deze bemoeienissen met de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] door verdachte, in samenwerking met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , maken op zichzelf nog niet dat [slachtoffer 1] als slachtoffer van één of meer van de ten laste gelegde vormen van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 1°, 4° en 6° Sr kan worden aangemerkt. Daarvoor is namelijk ook vereist dat één of meer van de in de tenlastelegging genoemde dwangmiddelen tegen [slachtoffer 1] is/zijn gebruikt dan wel dat zij in een uitbuitingssituatie verkeerde. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende concrete aanknopingspunten biedt om tot de conclusie te komen dat daarvan sprake was.

Geen misbruik van een kwetsbare positie

Nu de officier van justitie wel van mening is dat sprake is van toepassing van een dwangmiddel tegen [slachtoffer 1] , namelijk door ‘misbruik van een kwetsbare positie’, zal de rechtbank hier nader op ingaan. Het feit dat geen gebruik is gemaakt van de overige dwangmiddelen, genoemd in artikel 273f, eerste lid, Sr, staat niet ter discussie. Zodoende zal de rechtbank daar geen nadere overwegingen aan wijden.

De rechtbank stelt voorop dat met een ‘kwetsbare positie’ een situatie wordt bedoeld waarin de betrokkene geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. De keuzemogelijkheden voor het slachtoffer ontbreken of zijn verminderd vanwege de omstandigheden waarin zij verkeren.

Verdachte was, zo stelt de rechtbank met de officier vast, al lang bevriend met [slachtoffer 1] en wist dat zij op jonge leeftijd slachtoffer was geworden van een groepsverkrachting. Ook gaat de rechtbank er vanuit dat hij met die wetenschap met [slachtoffer 1] heeft gesproken over de schulden die beiden hadden en als oplossing voor de schulden heeft geopperd dat [slachtoffer 1] prostitutiewerkzaamheden kon gaan verrichten.

Hoewel de rechtbank begrijpt dat [slachtoffer 1] kampte met een belast verleden en naar eigen zeggen ‘moeilijk nee’ kon zeggen, kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat zij, op het moment dat zij instemde met het voorstel van verdachte, in een toestand verkeerde waarin zij geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze had dan in de prostitutie te gaan werken. Dat verdachte misbruik heeft gemaakt van een kwetsbare positie zoals bedoeld in artikel 273f, eerste lid Sr en daarmee dit dwangmiddel heeft toegepast, kan dan ook, anders dan betoogd door de officier van justitie, niet worden bewezen.

4.3.2

Gedeeltelijke vrijspraak feit 2

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsman, de ten laste gelegde mensenhandel zoals bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 1° en 4°, Sr niet bewezen. Van toepassing van dwangmiddelen tegen [slachtoffer 2] is immers niet gebleken.

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman acht de rechtbank evenmin bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel zoals bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 8°, Sr. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte in de periode in de tenlastelegging prostitutieverdiensten van [slachtoffer 2] in ontvangst heeft genomen.

Tevens is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat het dossier onvoldoende concrete aanknopingspunten biedt voor betrokkenheid van verdachte bij prostitutiewerkzaamheden door [slachtoffer 2] in een woning in Schiedam binnen de ten laste gelegde periode. Uit het dossier blijkt dat zij pas na de tenlastegelegde periode in de [adres 1] naar Schiedam is gegaan. De bewezenverklaarde mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 2] ziet dan ook enkel op de periode in de [adres 1] te [plaats] .

4.3.3

Bewijsmotivering feit 2

4.3.3.1 Redengevende feiten en omstandigheden in bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het hierna bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals hieronder weergegeven.

Verklaringen van slachtoffer [slachtoffer 2]

1. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 9 maart 2018 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de getuige [slachtoffer 2] , zakelijk weergegeven:

  • -

    Mijn naam is [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] .

  • -

    U vraagt aan mij wanneer en door wie met mij is gesproken om mogelijk als prostituee te gaan werken. Ik weet dat [verdachte] in een gesprek met mij hierover begon.

  • -

    [verdachte] bracht mij in contact met [naam 1] .

  • -

    [verdachte] heeft mij de eerste keer naar de [adres 1] in [plaats] (de rechtbank begrijpt: te [plaats]) gebracht. Hij zei tegen mij dat hij wel iemand kende die mij zou kunnen helpen. Hij bracht mij naar dit adres, wij gingen samen met het openbaar vervoer.

2. Een proces-verbaal met nummer 2015261263 van 16 augustus 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] (doorgenummerde pag. 1.186 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer 2] , afgelegd op

21 juli 2017, zakelijk weergegeven:

  • -

    Ik heb [verdachte] leren kennen via mijn vriendin [naam vriendin] . Toen spraken we een keertje af. Volgens mij was ik toen 14 jaar. Toen zei [verdachte] van ‘ja wil je niet een keertje zeg maar als prostituee werken’

  • -

    Ik ging in de [adres 1] meer een beetje kijken, telefoon opnemen, appen en chatten. Dat ging ik meer doen.

  • -

    [verdachte] heeft met [naam 1] gesproken.

  • -

    [verdachte] zei tegen mij waarom kom je niet slapen, waarom ga je niet school skippen.

  • -

    [naam 2] ontving daar klanten en [slachtoffer 1] ook.

  • -

    Ik had dus contact gekregen met [verdachte] en toen vroeg hij dat aan mij en toen dacht ik oké is goed.

  • -

    [verdachte] vroeg aan mij; zou je dat dan niet willen doen en ik kan je daarbij helpen. Ik zei toen oké is goed.

3. Een proces-verbaal met nummer 2015261263 van 2 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 3] (doorgenummerde pag. 1037 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer 2] , zakelijk weergegeven:

V = vraag van verbalisant

A = antwoord van [slachtoffer 2]

V: [slachtoffer 2] , wij vermoeden dat je in november/december 2015 mogelijk als thuisprostituee hebt gewerkt onder werknaam [naam 3] . Wat is jouw reactie hierop?

A: Ik heette [naam 3] maar ik heb niet gewerkt.

V: Waarom werd je zo genoemd

A: We moesten van het andere meisje [naam 2] een naam kiezen. Ik wist geen naam dus hebben zij de naam voor mij gekozen.

V: Wie zijn zij?

A: [naam 1] en [naam 2] .

V: Wat voor werk heb je niet gedaan?

A: Het werk dat [naam 2] deed. Dat ze mannen gingen regelen voor haar. Dat ze naar dat huis gingen en dat ze het met haar gingen doen.

V: Wat deed ze met hen?

A: Seks hebben.

V: Hoe weet jij dit?

A: Omdat ik erbij was.

V: Welk huis bedoel je dan?

A: Ik weet niet van wie dat huis was. In ieder geval niet van hun. Ik wist dat ze daar weg moesten. Volgens mij was het 13 december.

V: Dat weet je wel goed.

A: Omdat [naam 1] voor huizen aan het zoeken was.

V: Waar waren die huizen dan voor?

A: Omdat we daarna naar dat huis zouden gaan en dat [naam 2] verder kon werken.

V: Wie zijn we dan?

A: [naam 1] , [slachtoffer 1] , [naam 4] , [naam 2] en ik.

V: Waarom ging jij elke keer mee?

A: [naam 1] wilde mij laten zien hoe het was om daar tussen te zitten. Daarmee bedoel ik dat

[naam 1] mij de omgeving wilde laten zien. De situatie, de sfeer.

V:In WhatsApp berichten uit november 2015 aangetroffen tussen [naam 4] en [verdachte] wordt ook

gesproken over een lichte meid die [verdachte] ook ken laten komen. Het gaat hier niet om [slachtoffer 1]

of [naam 5] ( [naam 2] )

A: Om mij.

Verklaring van verdachte

4. De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

- Ik zag wel dat [slachtoffer 2] jonger was. [slachtoffer 2] ging gewoon naar school.

Die meisjes waren oud genoeg. Anders moeten ze mij niet gaan appen. Ze weten goed waar ze mee bezig zijn, ook als ze vijftien zijn.

  • -

    Ik ken [naam vriendin] .

  • -

    Het kan kloppen dat ik seks heb gehad met [slachtoffer 2] .

  • -

    Ik hielp met contacten.

  • -

    Ik wilde [slachtoffer 2] helpen.

Verklaring van getuige [slachtoffer 1]

5. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 9 maart 2018 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de getuige [slachtoffer 1] , zakelijk weergegeven:

- Naar de [adres 1] ging ik met de metro en de bus. De eerste keer was dat samen met [verdachte] en [slachtoffer 2] .

WhatsAppgesprekken

6. Een proces-verbaal met nummer 2015261263 van 21 april 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] , met bijlagen (doorgenummerde pag. 947 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

  • -

    Op 18 december 2015 is aangehouden als verdachte: [medeverdachte 2] .

  • -

    Bij de aanhouding is een mobiele telefoon in beslag genomen.

  • -

    Na destructief onderzoek is onderzoek gedaan naar de verkregen image van het interne geheugen van de mobiele telefoon. Hierbij werden onder meer WhatsAppberichten aangetroffen.

De bijlagen houden onder meer in, zakelijk weergegeven:

Contact tussen [medeverdachte 2] en telefoonnummer [nummer] igb NNman WhatsApp contact “ [verdachte] ”

Inkomend bericht = bericht van [nummer] naar [medeverdachte 2]

Uitgaand bericht = bericht van [medeverdachte 2] aan [nummer]

Inkomend bericht op 19-11-2015, 16:18:13 (UTC+0)

ik kan die lichte meid laten komen maar ze kan niet slapen

Inkomend bericht op 19-11-2015, 16:21:46 (UTC+0)

Heb dr scot dan blijft ze tot ochtend

Inkomend bericht op 19-11-2015, 16:22:15 (UTC+0)

Heb dr gezegt van scot school*

Inkomend bericht op 20-11-2015, 12:23:22 (UTC+0)

Die lichte komt later

Inkomend bericht op 20-11-2015, 12:23:30 (UTC+0)

Ze heb effe geen geld

Uitgaand bericht op 20-11-2015, 16:12:38 (UTC+0)

Want we lopen mis want lichte meid is er niet

[nummer] in gebruik bij verdachte

7. Een proces-verbaal met nummer 2015261263/2017195395 van 19 september 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] (doorgenummerde pag. 1247 e.v.).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

  • -

    Op 13 september 2017 is verdachte [verdachte] aangehouden. Bij verdachte werd een IPhone 4 met simkaart in beslag genomen.

  • -

    De IPhone en de simkaart zijn digitaal uitgelezen. Bij de digitale uitlezing werd vastgesteld dat de simkaart het eigennummer [nummer] had.

4.3.3.2 Wettelijk kader mensenhandel ten aanzien van minderjarigen

Algemeen

De onder 2 ten laste gelegde vormen van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 2°, 5° en 8° Sr zien op de bescherming van minderjarigen tegen seksuele uitbuiting door anderen en op het profiteren daarvan. Een minderjarige op enigerlei wijze faciliteren tot een rol in de prostitutie is strafbaar, onafhankelijk van de wil van de minderjarige. Hierbij is niet van belang of een verdachte bekend is met de minderjarigheid van het slachtoffer, aangezien de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel is. Door het tewerkstellen van minderjarigen in de prostitutie is er in het algemeen sprake van een grote inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de minderjarige.

Sub 2 °

Artikel 273f, eerste lid, sub 2° Sr ziet, voor zover hier van belang, op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van die ander, terwijl die ander nog geen achttien jaren oud is. Deze bepaling is niet beperkt tot uitbuiting in de prostitutie, maar ziet op alle intermenselijke relaties waarbij uitbuiting van een minderjarige aan de orde is. Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, behoudens voor zover in artikel 273f, tweede lid Sr – voor zover hier van belang – is bepaald dat ‘uitbuiting ten minste omvat uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting’.

Sub 5 ° en 8 °

Het in artikel 273f, eerste lid, sub 5° respectievelijk sub 8° Sr bepaalde ziet op het strafbaar stellen van, voor zover hier van belang, het brengen van een minderjarige in de prostitutie, respectievelijk het voordeel trekken uit de prostitutie door een minderjarige. Deze strafbepalingen waren vóór de invoering van artikel 273f Sr opgenomen in het, inmiddels vervallen, artikel 250a, sub 3, respectievelijk sub 5° Sr. Dat artikel zag blijkens de wetsgeschiedenis op de strafbaarstelling van een aantal vormen van exploitatie van onvrijwillige prostitutie en van prostitutie waarbij minderjarigen zijn betrokken.

Ter gelegenheid van de invoering van artikel 273f Sr heeft de wetgever omtrent het in het voorgestane nieuwe artikel te incorporeren artikel 250a Sr onder meer opgemerkt dat dit artikel beoogt alle vormen van uitbuiting voor prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting strafbaar te stellen, en verder dat de eis van dwang in brede zin of misleiding niet geldt voor seksuele uitbuiting van kinderen: ‘uitbating van prostitutie door minderjarigen is zonder meer strafbaar.’ Ook heeft de wetgever ten aanzien van artikel 273f, eerste lid sub 5 Sr nog opgemerkt dat deze bepaling ziet op bescherming van kinderen en om die reden de eis van het gebruik van dwangmiddelen ontbreekt en (voor zover hier van belang) ten aanzien van sub 8 dat dit, evenals sub 5, is beperkt tot profijt uit seksuele uitbuiting van kinderen.

Uit de wetsgeschiedenis vloeit dan ook voort dat de wetgever ten aanzien van de strafbaarstelling van handelingen gericht op de prostitutie van minderjarigen gericht handelen, niet heeft willen weten van een eis van verdergaande specifieke, een uitbuitingsituatie kenmerkende, omstandigheden. Het brengen van een minderjarige in de prostitutie of het profiteren van de opbrengst van prostitutiewerkzaamheden door een minderjarige is door de wetgever aangemerkt als een aan mensenhandel gerelateerde vorm van uitbuiting. Dat aan een bewezenverklaring van artikel 273f, eerste lid, sub 5 respectievelijk sub 8 Sr door de wetgever zwaardere eisen werden gesteld dan in artikel 250a Sr werden verwoord, is niet gebleken. Het voorgaande brengt mee dat het begrip ‘uitbuiting’ niet als bestanddeel in voormelde strafbepaling moet worden ingelezen en afzonderlijk worden bewezen, maar dat het handelen zoals in deze strafbepaling neergelegd uitbuiting oplevert en wordt gekwalificeerd als mensenhandel.

4.3.3.3 Nadere bewijsoverweging

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte met de minderjarige [slachtoffer 2] heeft gesproken over het werken in de prostitutie. Hij heeft haar vervolgens in contact gebracht met medeverdachte [medeverdachte 1] en hij heeft haar naar een woning aan de [adres 1] in [plaats] gebracht waar prostitutiewerkzaamheden werden verricht door andere vrouwen. Verdachte heeft ook daarna nog bemoeienis met [slachtoffer 2] gehad. Op 19 en 20 november 2015 heeft hij WhatsApp contact met medeverdachte [medeverdachte 2] over [slachtoffer 2] . De rechtbank maakt uit de hiervoor weergegeven gesprekken op dat verdachte met [medeverdachte 2] bespreekt of [slachtoffer 2] , die in de gesprekken ‘die lichte’ wordt genoemd, naar de woning kan komen, omdat er klanten zijn. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] het opzet hadden op het tewerkstellen van [slachtoffer 2] in de prostitutie. Dat [slachtoffer 2] in de [adres 1] nog geen seks zou hebben gehad met klanten, zoals zij zelf heeft verklaard, maakt dit niet anders. Overigens zou zij wel via de webcam in de woning aan de [adres 1] seksuele handelingen voor klanten hebben verricht. Dat verdachte hiervan wist blijkt echter niet uit het dossier.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ten behoeve van het tewerkstellen van [slachtoffer 2] in de prostitutie. Het ten laste gelegde medeplegen kan dan ook worden bewezen.

Door te handelen zoals hiervoor beschreven heeft verdachte samen met zijn medeverdachten handelingen ondernomen waarvan zij wisten dat [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f, eerste lid, sub 5 Sr).

Uit hetgeen hiervoor is overwogen over de wetsgeschiedenis ten aanzien van het bepaalde

in artikel 273f, eerste lid, sub 5 Sr, vloeit voort dat de wetgever voor ogen heeft gehad om

handelingen die kunnen worden aangemerkt als het brengen van een ander tot prostitutie als die ander minderjarig is (sub 5) aan te merken als uitbuiting van die minderjarige.

Dit brengt met zich mee dat ook bewezen kan worden dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr bepaalde. Verdachte heeft [slachtoffer 2] immers geworven door haar te vragen of zij in de prostitutie wilde werken. Hierna heeft hij haar gehuisvest door haar in contact te brengen met medeverdachte [medeverdachte 1] , wiens woning gebruikt werd voor prostitutiewerkzaamheden. Dit heeft verdachte gedaan met het oogmerk [slachtoffer 2] te faciliteren in haar prostitutiewerk. Het oogmerk van verdachte is dan ook gericht geweest op uitbuiting in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde bewezen dat verdachte

in de periode van 1 november 2015 tot en met 18 december 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, een ander, te weten [slachtoffer 2] ,

heeft geworven, vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 2] , terwijl die [slachtoffer 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt

en

ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt

immers heeft, hij verdachte, tezamen en in vereniging met anderen,

- voornoemde [slachtoffer 2] meegenomen naar een woning, alwaar prostitutiewerkzaamheden werden bedreven teneinde die [slachtoffer 2] vertrouwd te laten maken met de omgeving en de situatie waarin de prostitutiewerkzaamheden werden bedreven en

- een woning geregeld voor voornoemde [slachtoffer 2] alwaar zij via de computer en/of telefonisch contact had en/of gesprekken voerde met personen/klanten die in contact wilde(n) komen en/of een afspraak wilde(n) maken met een prostituee;

- het contact onderhouden tussen zijn medeverdachte(n) en [slachtoffer 2] over haar komst naar de woning.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

Strafvordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie dagen, met aftrek van voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden met een proeftijd van drie jaren en oplegging van de door Reclassering Nederland geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, ambulante behandeling bij De Waag of soortgelijke instelling, verblijven bij Begeleid Wonen en een contactverbod met aangeefsters.

Ter onderbouwing van haar strafvordering heeft de officier van justitie eerst gewezen op de ernst van de feiten, in het bijzonder op het belang van bescherming van minderjarigen, zoals [slachtoffer 2] , die veerien jaar oud was ten tijde van het ten laste gelegde. Verder heeft zij opgemerkt dat [slachtoffer 1] pas net meerderjarig was ten tijde van het ten laste gelegde en dus eigenlijk ook nog tegen zichzelf beschermd zou moeten worden. Ook heeft zij de slachtofferverklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aangehaald, waaruit blijkt dat beide vrouwen zijn beschadigd door hetgeen verdachte hen heeft aangedaan.

De officier van justitie heeft verder opgemerkt dat gelet op de richtlijn van het OM in dit geval een gevangenisstraf van twaalf maanden, met 50 % verhoging nu sprake is van een minderjarig slachtoffer, als uitgangspunt geldt.

In strafmatigende zin heeft de officier van justitie rekening gehouden met het tijdsverloop sinds de verweten feiten, de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, de licht verstandelijke handicap van verdachte en de omstandigheid dat verdachte bezig is zijn leven weer op de rails te krijgen.

8.2

Standpunt van verdachte

De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de strafmaat in matigende zin rekening te houden met het tijdsverloop sinds de verweten feiten, de zeer beperkte rol van verdachte, de omstandigheid dat hij geen verdiensten heeft afgenomen, zijn problematische (gezins)achtergrond en de positieve ontwikkeling die hij nu doormaakt.

De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen en daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht naast de primair verzochte straf ook een werkstraf op te leggen.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal verdachte voor zijn bijdrage aan de mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 2] een gevangenisstraf opleggen. Het onvoorwaardelijke deel zal gelijk zijn aan het voorarrest en het voorwaardelijke deel zal één jaar bedragen. De proeftijd bij de voorwaardelijk gevangenisstraf zal drie jaar bedragen en daarbij zullen de bijzondere voorwaarden worden opgelegd, zoals gevorderd door de officier van justitie en geadviseerd door Reclassering Nederland.

Deze strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Mensenhandel waarbij iemand in de prostitutie wordt gebracht is een vergaande en ontluisterende manier van uitbuiting, waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer, een in de nationale en in de internationale rechtsorde vastgelegd fundamenteel recht, ondergeschikt wordt gemaakt aan de zucht naar geldelijk gewin van de uitbuiters. Daarmee is de ernst van het door verdachte gepleegde misdrijf gegeven. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van uitbuiting in de prostitutie doorgaans nog lange tijd de psychische gevolgen hiervan ondervinden.

Nader toegespitst op deze zaak geldt dat verdachte zich, samen met anderen, heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van de destijds vijftienjaar oude [slachtoffer 2] . Verdachte heeft samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [slachtoffer 2] ertoe gebracht zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van prostitutiewerkzaamheden. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat [slachtoffer 2] in de periode in tenlastelegging ook daadwerkelijk prostitutiewerkzaamheden heeft verricht, althans dat verdachte daarvan op de hoogte was. Dat maakt het handelen van verdachte echter niet minder ernstig. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met de impact die een en ander op [slachtoffer 2] heeft gehad, zoals volgt uit haar vordering benadeelde partij en slachtofferverklaring ter terechtzitting. Zo heeft zij last van PTSS-klachten, angsten en gevoelens van onveiligheid waarvoor zij therapie heeft ondergaan. Er is sprake van een verstoorde seksualiteit waarbij [slachtoffer 2] tot op de dag van vandaag nog moeite heeft met relaties en intimiteit. Hierbij merkt de rechtbank overigens op dat [slachtoffer 2] ook slachtoffer is geworden van seksuele uitbuiting door anderen. Verdachte kan dan ook niet verantwoordelijk worden gehouden voor al het leed dat [slachtoffer 2] is aangedaan, maar heeft daar wel een rol in gespeeld.

De ernst van het feit zou in beginsel oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank zal die straf echter niet opleggen, omdat zij – met de officier van justitie en de raadsman – oog heeft voor de strafmatigende omstandigheden in deze zaak.

De rechtbank houdt in eerste instantie rekening met het tijdsverloop sinds de verweten feiten. Daarnaast houdt zij ook rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, de licht verstandelijke beperking van verdachte en het feit dat verdachte zich momenteel in een hulpverlengingstraject bevindt waar hij veel baat bij heeft. Hij verblijft momenteel in een instelling voor begeleid wonen in Rotterdam. Ter terechtzitting is de woonbegeleidster van verdachte, [naam woonbegeleidster] , als deskundige gehoord. Zij heeft een verklaring afgelegd over zijn huidige persoonlijke situatie. Daaruit komt naar voren – kort samengevat – dat verdachte een zeer belast verleden heeft, van goede wil is, maar nog de nodige begeleiding nodig heeft om zijn leven op orde te krijgen. Indien verdachte voor langer dan één maand gedetineerd raakt, dan verliest hij zijn plek in het begeleid wonen traject. Hierdoor loopt verdachte het risico om te vervallen in oude gewoontes en gedragspatronen, waaronder het plegen van strafbare feiten. De rechtbank acht het niet opportuun het traject dat verdachte is ingeslagen te doorkruisen door oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij hecht de rechtbank veel waarde aan het maatschappelijk belang van het voorkomen van recidive door verdachte. Door verdachte de kans te geven het begeleid wonen voort te zetten en daarnaast een stevig pakket aan bijzondere voorwaarden en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaar op te leggen, beoogt de rechtbank verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het advies van de Reclassering Nederland van

11 april 2018. Daarin wordt de rechtbank geadviseerd verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een ambulante behandeling bij een forensisch psychiatrische kliniek, een contactverbod met aangeefsters en opname in een instelling voor begeleid wonen.

De rechtbank ziet aanleiding te bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Verdachte heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Verder heeft hij de rechtbank er ter terechtzitting niet van kunnen overtuigen dat hij volledig besef heeft van het kwalijke van seksuele uitbuiting in het algemeen en in het bijzonder van wat hij [slachtoffer 2] heeft aangedaan. Weliswaar heeft hij verklaard dat het verkeerd is wat hij heeft gedaan, maar dit lijkt vooral sociaal wenselijk gedrag te zijn. Hij heeft namelijk ook verklaard dat [slachtoffer 2] al seksueel actief was en in staat was te bepalen wat zij wel of niet wilde doen. Daarmee heeft hij toch gebagatelliseerd wat hij heeft gedaan en de zeer jonge leeftijd van [slachtoffer 2] miskend. De rechtbank is er dan ook niet gerust op dat verdachte, die nog steeds schulden heeft, in de toekomst niet weer in de verleiding komt om vergelijkbare strafbare feiten te plegen. In dat verband is ook van belang dat uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij meerdere malen is veroordeeld voor vermogensdelicten. Kennelijk ziet hij het plegen van delicten als een reële mogelijkheid om aan geld te komen. Reclassering Nederland heeft in dit verband ook een delict patroon bij verdachte gesignaleerd, waarvoor behandeling geïndiceerd is. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan.

Tot slot overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie aanleiding geeft om bij de straftoemeting naar beneden af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

9 Benadeelde partijen

9.1

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)

9.1.1

Vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 840, - aan materiële schadevergoeding in verband met afgedragen prostitutieverdiensten en € 3.000, - aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

9.1.2

Standpunt van verdachte

De raadsman is van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat verdachte moet vrijgesproken van mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 1] .

9.1.3

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel moet worden toegewezen. Daarbij heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

9.1.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 1] . De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering nog bij de civiele rechter indienen.

9.2

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2)

9.2.1

Vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 700, - aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

9.2.2

Standpunt van verdachte

De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de vordering.

9.2.3

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel moet worden toegewezen. Daarbij heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

9.2.4.

Oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, waarbij de rechtbank de einddatum van de pleegperiode zal aanhouden.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 2] wordt, als extra waarborg voor betaling aan haar, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 273f van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5.3.2 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 2° en 5° omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 367 (driehonderd zevenenzestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 365 (driehonderd vijfenzestig) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Contactverbod

Veroordeelde mag gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] , zolang Reclassering Nederland dit noodzakelijk acht.

Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde moet zich op eerste uitnodiging van Reclassering Nederland melden bij Reclassering Nederland. Veroordeelde moet zich vervolgens gedurende de proeftijd op door Reclassering Nederland te bepalen dagen en tijdstippen melden bij Reclassering Nederland, zolang Reclassering Nederland dit noodzakelijk acht.

Ambulante behandelverplichting Veroordeelde moet zich gedurende de proeftijd onder behandeling stellen van forensisch psychiatrische polikliniek De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, zolang Reclassering Nederland dit noodzakelijk acht.

Opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang Veroordeelde moet gedurende de proeftijd verblijven in een begeleide woonvorm van [woonvorm] of in een soortgelijke een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en moet zich houden aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

Andere voorwaarde het gedrag betreffende Veroordeelde moet gedurende de proeftijd deelnemen aan dagbesteding en zich inzetten voor het vinden en behouden van dagbesteding.

Geeft aan Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van

€ 700, - (zevenhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 december 2015) tot aan de dag van de algehele voldoening

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2] , te betalen de som van € 700, - (zevenhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade

(18 december 2015) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 14 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. A.G. Fels en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 november 2018.